Nuʿman ibn Muqarrin al-Muzani ﵁, een veteraan van Qadisiyyah en al-Madaʾin, kreeg van ʿUmar ﵁ de opdracht om de laatste Sassanidische strijdmacht in de bergen van west-Iran uit te schakelen. Yazdegerd III had na de val van Ctesiphon zijn hof verplaatst naar de marges van het rijk, en zijn generaal Pirozan had een grote verzameling Sassanidische restanten en lokale bondgenoten verzameld in de bergvallei van Nahavand. Het was de laatste georganiseerde tegenmacht van het ineenstortende rijk.
Nuʿman ﵁ marcheerde noordoost vanuit al-Qadisiyyah en Ctesiphon, langs de oude karavaanroutes die door de Zagros-bergen leidden. Zijn leger telde tussen de dertig- en veertigduizend man. Onder zijn officieren waren Hudhayfa ibn al-Yaman ﵁, Suwayd ibn Muqarrin ﵁ (zijn broer), en al-Muthanna ibn Haritha’s nakomelingen.
De aanvalspas naar Nahavand was smal en zwaar te verdedigen. Sassanidische stellingen op de hoogten aan beide zijden van de pas, valleifloer als deployment-zone, en een oostelijk defile als enige uitgang naar Ctesiphon. Pirozan had zijn hoofdmacht in de vallei opgesteld, met versterkingen op de noordelijke en oostelijke ribben, en met fortificaties bij de stad Nahavand zelf op ongeveer de 34.19-breedtegraad.
Nuʿman ﵁ liet halt houden op ongeveer vijftien kilometer van de pas-ingang. Verkenners reden vooruit en keerden terug met scherpe rapporten over Sassanidische posities, observatieposten, en de smalste punten van de pas. De pas was zo nauw dat een rechtstreekse aanval onmogelijk was zonder zware verliezen. Nuʿman ﵁ overlegde met Hudhayfa ﵁ en Suwayd ﵁ en koos voor een listmanoeuvre dat herinnerde aan Khalid ﵁'s methode bij Yarmuk.
In de avondsalat baden de Sahabah ﵃ achter Nuʿman ﵁. Hij sprak hen daarna toe. “Morgen”, zei hij, “zullen wij doen alsof wij vluchten, opdat zij van hun heuvels komen, en wij hen op de vlakte ontvangen waar Allah ﷻ ons de overwinning geeft.”