In de lente van 37 AH brak ʿAli ﵁ op vanuit Kufa met een leger dat tijdgenoten op zeventig- tot honderdduizend man schatten. Muʿawiya ﵁ trok vanuit Damascus met een vergelijkbare macht in oostelijke richting. De twee legers manoeuvreerden weken aan een stuk tegen elkaar op via de Jazira, totdat zij elkaar troffen aan de vlakte van Siffin, op de westelijke oever van de Eufraat, ten westen van het huidige Raqqa.
Muʿawiya ﵁'s leger arriveerde eerst en bezette de enige bruikbare toegang tot het rivierwater op die strook vlakte: een ondiepe overhaal waar de oever afliep en water-emmers gevuld konden worden. Hij plaatste hier een zware garde onder Abu al-Aʿwar al-Sulami, met de uitdrukkelijke order ʿAli ﵁'s mannen geen druppel water te laten halen. Dit was meer dan een tactisch detail. Het was een poging om ʿAli ﵁'s leger te dwingen tussen dorst en frontale aanval te kiezen.
ʿAli ﵁ stuurde Saʿsaʿah ibn Suhan ﵁ als afgezant naar Muʿawiya ﵁'s tent, met het verzoek om vrije toegang tot het water voor alle moslims, zoals de Profeet ﷺ had geboden voor de toegang tot bronnen en weiden. Amr ibn al-As ﵁ adviseerde Muʿawiya ﵁ het verzoek in te willigen, om strategische redenen. Muʿawiya ﵁ weigerde.
Saʿsaʿah ﵁: “ʿAli zegt: dit is het water van Allah. Wij verzoeken om ons deel, voor onze paarden en onze mannen.”
Muʿawiya ﵁'s afgezant: “Het antwoord is nee. Het zwaard zal jullie deel beslissen.”
ʿAli ﵁ stelde Malik al-Ashtar ﵁ aan om de waterpost met cavalerie te bestormen. De aanval op de bruikbare overhaal werd in een korte maar hevige strijd uitgevochten. De garde van Abu al-Aʿwar werd verdreven. ʿAli ﵁ liet vervolgens zelf de mannen van Abu al-Aʿwar na hun terugtocht aanbieden dat zij wel water uit de moslim-oever mochten halen, zoals zij die aan zijn mannen geweigerd hadden te bieden. Tabari overlevert deze beslissing als één van de blijvende beelden van Siffin.