Na de moord op ʿUthman ﵁ in Dhu al-Hijja 35 AH was Medina in shock. Aisha ﵂ keerde terug van de hadj naar Mekka en hoorde onderweg het bericht. Daar in Mekka kwam zij samen met Talha ﵁ en Zubayr ﵁, twee van de tien aan wie het Paradijs was beloofd. Drie stemmen, drie gezagsdragers uit de eerste generatie van de Islam, eisten één ding: dat de moordenaars van ʿUthman ﵁ ter verantwoording werden geroepen.
ʿAli ﵁ had in Medina de bayʿah aanvaard, met aarzeling. Hij wist dat de moordenaars zich onder zijn aanhangers bevonden, en dat een onmiddellijke jacht op hen het kalifaat in burgeroorlog zou storten voordat hij gevestigd was. Hij vroeg om uitstel. Mekka aanvaardde geen uitstel. In Jumada al-Akhira 36 AH trok een coalitie van ongeveer drieduizend man uit, met Aisha ﵂ in haar gepantserde howdah op een grote rode kameel die later de naam aan de slag zou geven.
De coalitie koos Basra als doel. Basra had een grote Quraysh-bevolking, sympathie voor de zaak van ʿUthman ﵁, en een gouverneur (ʿUthman ibn Hunayf ﵁) die door ʿAli ﵁ was aangesteld maar zonder grote garnizoenmacht. Onderweg, bij het waterpunt van al-Hawʾab, hoorde Aisha ﵂ honden blaffen. Zij riep uit dat de Profeet ﷺ haar voor deze plaats had gewaarschuwd. Mannen uit de coalitie haastten zich met getuigen die zwoeren dat dit niet al-Hawʾab was. Zij reed verder.
Basra werd na schermutselingen met ʿUthman ibn Hunayf ﵁ bezet. ʿAli ﵁ verzamelde in Medina zijn aanhang, marcheerde via Rabadha en al-Kufa, waar Ammar ﵁ en Hasan ﵁ duizenden onder de banier brachten. Aan het einde van Jumada trok hij Basra binnen-distance. De twee legers kampeerden op zicht.