InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De steppe en de spiegel

De steppe en de spiegel

OriëntalismeIosif Igelström

De steppe en de spiegel

De steppe en de spiegel

In het vorige artikel zagen wij hoe Igelström in Oefa de Geestelijke Vergadering oprichtte, hoe een christelijk imperium voor het eerst de aanstelling van de moslimgeestelijkheid in een ambtelijk college legde, en hoe dat apparaat zijn maker zou overleven. Maar een vergadering in een provinciestad is nog geen beleid dat het land in trekt, en het volledige ontwerp van de gouverneur-generaal reikte verder dan de kanselarij van Oefa. Hij wilde de gelicentieerde islam niet alleen ordenen waar zij al bestond, hij wilde haar uitzenden naar waar zij nog niet geworteld was, de steppe op, de nomaden tegemoet, als een instrument om mensen die geen staat kenden aan de staat te binden. In dat laatste hoofdstuk van zijn Oeralbewind komt de logica van de valse spiegel tot haar zuiverste uitdrukking, want hier drijft een imperium de islam niet terug en beheerst haar niet slechts, maar verspreidt haar actief, niet uit vroomheid maar uit berekening, omdat een gelovige nomade beter te besturen is dan een ongebonden. En van die steppe loopt een lange, dunne lijn, over meer dan een eeuw en over een half werelddeel, naar een Nederlandse geleerde die in Batavia dezelfde waarheid in andere woorden zou opschrijven. Deze laatste bladzijde sluit niet alleen de periode van de bestuurder; zij sluit het hele thema van de valse spiegel.

Mullahs als grenswachten

In september 1785 richtte Catharina een decreet tot Igelström waarin zij hem opdroeg moskeeën te bouwen in de Kazachse steppe en Tataarse imams en mullahs uit Kazan naar de nomaden te zenden. Men moet de zonderlingheid van dit bevel goed tot zich laten doordringen, want zij bevat de hele omkering die dit thema beschrijft. Hier was een orthodox-christelijke keizerin die haar generaal opdroeg de islam te verbreiden, moskeeën op te trekken voor volkeren die er nog geen hadden, en geloofsleraren op staatskosten de wildernis in te sturen. Het lijkt een daad van tolerantie tot in het onwaarschijnlijke, en op één niveau is zij dat ook, maar de reden die de staat zelf gaf, laat geen twijfel over de bedoeling. De Tataarse mullahs moesten de Kazachse loyaliteit aan Rusland bevestigen en de nomaden van hun zwervend bestaan afhouden, hen sedentariseren, aan een plek binden, aan een moskee, aan een register, aan een gezag dat uiteindelijk in Sint-Petersburg zetelde. De islam werd hier ingezet als een middel tot beschaving in de betekenis die het imperium aan dat woord gaf: het vastleggen van het vluchtige, het bestuurbaar maken van het onbestuurbare.

De keuze voor Tataarse geestelijken was geen toeval maar de kern van het plan. De Tataren van het Wolga-gebied waren moslims, zodat de Kazachen hen als geloofsgenoten konden aanvaarden, en zij waren tegelijk onderdanen van het rijk, gelicentieerd door de Vergadering van Oefa, ingebed in het apparaat dat het vorige artikel beschreef. Zij spraken de taal van de islam en de taal van de staat tegelijk, en juist die dubbelheid maakte hen tot ideale agenten. Een Kazachse nomade die zich bekeerde tot een vromer leven onder leiding van zo’n mullah, bekeerde zich zonder het te weten ook tot een grotere nabijheid van de Russische orde, want de mullah die hem het gebed leerde was een man met een keizerlijke vergunning op zak. De godsdienst en de grens vielen samen; de imam was tegelijk een geestelijke en een grenswacht, en de moskee die op de steppe verrees was tegelijk een gebedshuis en een baken van het rijk. Wat de vervelende bijklank van bezetting had gemist, kreeg de warme klank van geloofsverbreiding, en juist daarom werkte het beter dan een garnizoen ooit had kunnen doen.

De keuze voor juist de Tataren had een diepe achtergrond die de zet nog geraffineerder maakt. De Tataren van Kazan waren in de achttiende eeuw niet alleen geloofsgenoten van de Kazachen maar ook hun handelspartners, een klasse van kooplieden en geleerden die de karavaanwegen van de steppe al generaties lang bereisde en die in menig steppedorp aanzien genoot. Door zich van deze kooplieden-geleerden te bedienen, hoefde het imperium geen vreemde in te sturen; het gebruikte een netwerk dat er al lag, een laag van moslims die tegelijk in de handel, in de geleerdheid en nu ook in de dienst van de staat stonden. De Tataarse mullah reisde als koopman, onderwees als geleerde en rapporteerde als agent, en de drie rollen liepen zo vloeiend in elkaar over dat de Kazach die hem ontving, onmogelijk kon weten in welke hoedanigheid de man precies voor hem stond. Zo verspreidde de islam zich over de steppe langs de wegen van de handel en in de gestalte van de geleerdheid, terwijl zij tegelijk de staat diende die dit alles bekostigde, en de gemeenschap die aldus ontstond was van meet af aan verweven met een macht die niet de hare was. Het is een schoolvoorbeeld van hoe de valse spiegel niet van buitenaf wordt opgelegd maar van binnenuit groeit, uit de eigen kooplieden, de eigen leraren, de eigen taal van het geloof.

Wie deze episode vandaag leest, herkent er een patroon in dat de eeuwen overleeft: de staat die zich van de religie bedient niet door haar te onderdrukken maar door haar te sturen, die niet vraagt of de mensen geloven maar zorgt dat zij op de juiste manier geloven, onder de juiste leraren, met de juiste vergunningen. Er zit een duivelse elegantie in dit ontwerp, want het maakt van de vroomste impuls van de mens een hefboom van de macht, en het doet dat zo zacht dat de mens de hefboom niet voelt. De Kazach die zijn kind naar de nieuwe moskee stuurde, meende zijn kind naar Allah ﷻ te sturen, en dat deed hij ook, maar de weg erheen liep door een instituut dat een imperium had opgericht met een doel dat niets met Allah ﷻ te maken had. Dit is de valse spiegel in beweging, niet meer stilstaand in een Petersburgse drukkerij of een Oefase kanselarij, maar rijdend over de steppe, van dorp tot dorp, in de gestalte van een geleerde met een certificaat.

De khan onttroond

Het religieuze offensief ging hand in hand met een politiek offensief, en ook daar was Igelström de drijvende kracht. De Kleine Horde, de westelijke van de drie Kazachse zhuz, werd traditioneel geleid door een khan uit het geslacht van Djengis Khan, en die khan, Nuraly, had zich al aan de Russische invloed onderworpen zonder haar volledig te dienen. In 1786 ontwierp Igelström een hervorming die de macht van de khan bij de wortel wilde afsnijden. Hij wilde de erfelijke heerschappij van de Chinggisidische vorsten ontbinden en haar vervangen door een door Rusland gecontroleerd bestuur, een raad, een grenscommissie, een steppeparlement dat de khan overbodig zou maken. In het voorjaar van 1786 werd Nuraly Khan uit de Kleine Horde verdreven en onder Russische bescherming in het fort Kalmykov ondergebracht, en in juni van dat jaar zette Catharina hem formeel af. De Orenburgse Grenscommissie die Igelström in datzelfde jaar oprichtte, moest voortaan de zaken van de steppe regelen, met een Russische officier aan het hoofd en enkele Kazachse notabelen erbij, een lichaam van de macht vermomd als een lichaam van overleg.

Het is verleidelijk dit als een glad succesverhaal te vertellen, de bestuurder die de laatste khan van de Kleine Horde onttroont zoals hij eerder de laatste khan van de Krim gevangennam, maar de werkelijkheid was weerbarstiger, en de eerlijkheid van dit thema verlangt dat wij de weerbarstigheid vertellen. Catharina wees het meest radicale deel van Igelströms voorstel af, want zij achtte het onverstandig de khan-instelling volledig te vernietigen, en de afzetting van Nuraly werd niet het schone einde dat de gouverneur voor ogen had. De steppe liet zich niet zo eenvoudig in een grenscommissie persen. In dezelfde jaren leidde Syrym Datuly, een aanvoerder uit de clan Bayuly, een opstand van de Kazachen van de Kleine Horde die zich tegen de Russische ordening én tegen de collaborerende khan keerde, en die opstand, die met onderbrekingen van 1783 tot 1797 duurde, doorkruiste Igelströms ontwerp op elk beslissend punt. De macht van de khan werd ondermijnd, maar het gezag van de staat kwam er niet moeiteloos voor in de plaats, en het khanaat van de Kleine Horde zou pas in 1824, decennia na Igelströms vertrek, formeel worden afgeschaft. De bestuurder had de structuren aan het wankelen gebracht, maar hij had ze niet vervangen, en de steppe bleef nog lang een gebied waar de spiegel het beeld niet ving.

Er is een stille melancholie in de onttroning van de laatste khans die dit thema niet mag overslaan, want achter de bestuurlijke droogte van grenscommissies en volksvergaderingen ging het einde schuil van een orde die eeuwen had bestaan. De khans van de Kazachse zhuz stamden af van Djengis Khan, en hun gezag, hoe verzwakt ook, droeg de herinnering aan de grote steppe-imperia, aan een wereld waarin de macht van de nomaden zelf uitging en niet van een verre hoofdstad. Wat Igelström voorstelde, was niet slechts de vervanging van de ene bestuursvorm door de andere, maar het uitdoven van een soevereiniteit, de omzetting van een volk met eigen heersers in een volk met opzichters, en dat de steppe zich daartegen verzette, in de gestalte van Syrym Datuly en de zijnen, was geen achterlijkheid maar de gezonde weerstand van mensen die niet in een register wilden verdwijnen. De bestuurder zag in de khan een obstakel voor de ordening; de Kazach zag in de khan, met al zijn gebreken, de laatste vorm van een gezag dat het zijne was. Dat de ordening uiteindelijk zou zegevieren en het khanaat in 1824 zou verdwijnen, verandert niets aan de waardigheid van dat verzet, want niet elke nederlaag is een ongelijk, en de mensen die weigerden zich zonder slag in het imperiale beeld te voegen, hielden iets overeind wat de spiegel niet ving.

Toch ligt in deze onvoltooide hervorming het hele handschrift van Igelström besloten, en het is hetzelfde handschrift als in Oefa. Overal waar hij optrad, was zijn methode dezelfde: niet vernietigen maar vervangen, niet het gezag breken maar het overnemen, de bestaande structuren, of het nu een khanaat was of een geestelijkheid, in dienst stellen van het rijk in plaats van ze uit te roeien. De khan onttroond, de mullahs uitgezonden, de Vergadering opgericht, het zijn drie gestalten van één inzicht, het inzicht dat een imperium duurzamer heerst door in te lijven dan door te verdelgen. En het is precies dat inzicht, geboren op de Russische steppe in de achttiende eeuw, dat een eeuw later in een heel andere hoek van de wereld zou opduiken, in de mond van een man die de steppe nooit had gezien.

Warschau en de val

Voordat wij die lijn volgen, moeten wij de bestuurder zelf uitgeleide doen, want zijn latere leven verliep niet als een gestage klim maar als een scherpe val en een late terugkeer, en er zit een zekere gerechtigheid in dat de man die zovelen had ingelijfd, ten slotte zelf werd afgedankt. Na zijn Oeraljaren klom Igelström nog hoger. Hij vocht in de Russisch-Zweedse oorlog en tekende in 1790 namens Rusland de Vrede van Värälä, hij werd in 1792 in de Russische adelstand verheven en tot gouverneur-generaal van Pskov benoemd, en het jaar daarop kreeg hij dezelfde waardigheid over Kiev en Tsjernigov. In 1794 bereikte zijn loopbaan haar hoogste en meteen haar meest noodlottige post, toen hij ambassadeur in Warschau werd en het opperbevel voerde over alle Russische troepen in Polen.

Daar, in het bezette Warschau, liep het mis. In april 1794 brak de opstand van Kościuszko uit, en de stad kwam in één bloedige ochtend tegen de Russische bezetting in verzet, de gebeurtenis die de geschiedenis is ingegaan als de Warschause metten. Igelström, de bevelhebber, werd volledig verrast; zijn troepen werden in de straten overrompeld, zijn positie werd onhoudbaar, en hij moest de stad met zware verliezen ontruimen. Voor dat falen werd hij gedegradeerd, en de man die de Krim had ingelijfd en de steppe had hervormd, viel in ongenade, weggeschoven uit de eerste rang waarin hij zo lang had gestaan. Er is iets leerzaams aan deze val, want zij toont dat de bestuurder die met zoveel raffinement de gemeenschappen van anderen had geordend, in de chaos van een echte opstand even hulpeloos bleek als ieder ander. De spiegel die hij hanteerde, was scherp tegenover wie zich liet ordenen, maar hij bood geen bescherming tegen een volk dat weigerde in het beeld te stappen, en Warschau weigerde. Er ligt een wrange les in dat juist de meester van de inlijving ten val kwam op de plek waar een gemeenschap zich niet liet inlijven, want het toont dat de methode van de zachte beheersing haar grens vindt zodra de mensen haar doorzien, en dat geen enkel apparaat, hoe verfijnd ook, opgewassen is tegen een volk dat besluit zich niet langer in de aangeboden gestalte te herkennen.

Orenburg, de laatste post

De val was diep, maar zij was niet het einde. Toen Catharina in 1796 stierf en haar zoon Paul I de troon besteeg, keerde het lot van menige in ongenade gevallen dienaar, en Igelström behoorde tot hen die de nieuwe keizer weer in genade aannam. Paul verhief hem in de rang van infanteriegeneraal en benoemde hem in 1797 tot gouverneur-generaal van Orenburg, precies het gebied waar hij bijna een decennium eerder zijn grote ontwerp had opgezet. Zo keerde de bestuurder terug naar de plaats van zijn schepping, naar de steppe en de Vergadering die hij had opgericht, en hij bestuurde er zijn laatste jaren voordat hij zich uit de dienst terugtrok. Hij stierf op 18 februari 1823, oud en ver van de fronten waarop hij zijn naam had gemaakt.

Vanuit die terugkeer kunnen wij de hele boog van zijn leven overzien, en de boog is leerzaam omdat hij zo consequent is. Igelström begon als een jonge officier in een rijk dat twee eeuwen lang de islam met geweld had bejegend, met gedwongen dopen en gesloopte moskeeën, en hij eindigde als de architect van een beleid dat de islam beschermde, drukte, organiseerde en uitzond. Men zou die ommekeer een verzachting kunnen noemen, en op het niveau van het dagelijkse leed van de moslimonderdanen was zij dat ook, want onder de gelicentieerde islam stierven geen mensen om hun geloof zoals onder de bekeringscampagnes van weleer. Maar wie de boog van dichterbij bekijkt, ziet dat het einddoel niet veranderd was, alleen de methode. Het rijk wilde in 1552, toen het Kazan innam, dat de moslims ophielden een zelfstandige macht te zijn, en het wilde in 1788, toen het de Vergadering oprichtte, precies hetzelfde, alleen bereikte het het nu niet door de moskee te breken maar door de imam te benoemen. De vervolging en de bescherming dienden hetzelfde doel; zij waren twee wegen naar dezelfde bestemming, en de tweede weg was zoveel humaner dat men bijna vergat dat hij naar dezelfde plaats leidde. Dat is de rijpste vorm van de valse spiegel, de vorm die niet meer op geweld hoeft terug te vallen omdat zij geleerd heeft dat vriendelijkheid grondiger bindt, en Igelström, die beide uiteinden van de boog met eigen ogen had gezien, was de man die de overgang van de ene naar de andere in een instituut had vastgelegd.

Het beeld van de oude generaal die terugkeert naar Orenburg heeft een bijna symbolische lading, want het is de maker die weerkeert bij zijn maaksel en het maaksel onaangetast terugvindt. De Vergadering die hij in 1788 had opgericht, stond er nog, met haar mufti, haar examens, haar vergunningen, haar rapporten in het Russisch en het Tataars. Zij had zijn afwezigheid overleefd, zijn oorlogen, zijn val, en zij zou ook zijn dood overleven. Igelström zag, als hij het zien wilde, dat een man vergankelijk is en een instituut niet, dat de bestuurder heengaat en het bestuur blijft, en dat wat hij op de steppe had gebouwd niet aan hem gebonden was maar aan een vorm die hij slechts had ontworpen en die nu haar eigen leven leidde. Hij had niet een daad verricht maar een model geschapen, en modellen sterven niet met hun scheppers. Zij wachten. Zij wachten tot een andere staat, in een andere eeuw, voor een ander volk, hetzelfde probleem tegenkomt en dezelfde oplossing herontdekt, alsof zij nooit ergens anders bedacht was.

Van Oefa naar Batavia

Hier moeten wij de lange lijn trekken die het hele thema samenbindt, en wij moeten haar zorgvuldig trekken, want zij is verleidelijk en juist daarom gevaarlijk. In het eerste deel van dit thema volgden wij Christiaan Snouck Hurgronje, de Leidse arabist die zich in Mekka onder een valse naam en een geveinsde bekering toegang verschafte tot het hart van de islam, en die in 1889 in dienst trad van het gouvernement van Nederlands-Indië als adviseur voor de inlandse en Arabische zaken. Vanuit Batavia schreef hij in de decennia die volgden bijna veertienhonderd ambtelijke adviezen waarin hij de koloniale staat leerde hoe zij de islam van haar onderdanen moest behandelen. Zijn kerngedachte was, in het kort, dat men de islam als godsdienst met rust moest laten en zelfs beschermen, om de islam als politieke kracht des te grondiger te kunnen breken; dat men de vrome moslim moest ontzien en de strijdbare moest isoleren; dat men de gelovige moest binden aan de koloniale orde door hem in zijn geloof niet te storen maar in zijn organisatie te sturen. Dat was zijn Islam-politiek, en wij hebben in de eerdere artikelen gezien hoe scherp en hoe schadelijk zij was.

Leg nu die gedachte naast wat Sint-Petersburg een eeuw eerder in Oefa had gebouwd, en de verwantschap springt in het oog. Beide staten kwamen tot dezelfde ontdekking: dat de islam niet te verslaan is met geweld en niet te bekeren met dwang, en dat de enige duurzame beheersing loopt via de erkenning, de bescherming en de organisatie.

De diepste overeenkomst ligt in één beslissende scheiding die beide beleidsmakers aanbrachten, want zowel Oefa als Batavia berustte op het uiteentrekken van de islam als godsdienst en de islam als politieke kracht. Dat onderscheid, dat op het eerste gezicht een blijk van respect lijkt, is in werkelijkheid het scherpste instrument van de valse spiegel, want het snijdt de islam een deel af dat de islam zelf niet kent. Voor de gelovige is er geen scherpe grens tussen het gebed en het recht, tussen de eredienst en de ordening van de gemeenschap, tussen wat men aan Allah ﷻ verschuldigd is en wat men aan zijn naaste verschuldigd is; het zijn geen twee domeinen maar één samenhangend geheel, één din die het hele leven omvat. De koloniale rede, of zij nu in het Russisch of in het Nederlands dacht, hakte dat geheel in tweeën, verklaarde de ene helft, de rituele, tot beschermde privézaak en de andere helft, de maatschappelijke en politieke, tot terrein van de staat, en bood de gemeenschap vrijheid aan in ruil voor het opgeven van precies datgene wat haar godsdienst tot een geheel maakte. Igelström deed dat met een vergunning die het gezag van de geestelijke tot het religieuze beperkte, zoals wij in het vorige artikel bij het besluit tegen de mufti zagen; Snouck deed het met een advies dat de islam als geloof wilde ontzien en de islam als beweging wilde breken. Twee talen, twee eeuwen, twee werelddelen, maar één ingreep, en het is die ene ingreep die de valse spiegel over de perioden heen tot één figuur maakt.

Beide onderscheidden dus de godsdienst, die men kon toelaten, van de politieke kracht, die men moest temmen. Beide zochten de loyaliteit van de geestelijkheid, de een door haar te licentiëren, de ander door haar te ontzien en te sturen. Beide begrepen dat een tevreden, beschermde, ingekaderde islam de staat beter diende dan een vervolgde, en beide goten dat inzicht in beleid. Wat Igelström in een Geestelijke Vergadering vastlegde, formuleerde Snouck in ambtelijke adviezen, en de afstand tussen de steppe en de archipel, tussen de akhund met zijn vergunning en de teungku onder toezicht, is kleiner dan de landkaart doet vermoeden.

En toch moeten wij hier de rem erop zetten, want de verleiding is groot om meer te zeggen dan de feiten dragen, en dit thema verliest zijn waarde zodra het van de waarheid afdwaalt. Er is geen bewijs dat Snouck de Oefase Vergadering als voorbeeld nam, geen aangetoonde lijn van invloed die van de Russische steppe naar het Leidse studeervertrek loopt, geen citaat waarin de adviseur van Batavia zich op de gouverneur van Orenburg beroept. De overeenkomst tussen Oefa en Batavia is niet die van een kopie maar die van een verwantschap, geen ontlening maar een echo, en de echo komt niet doordat de een van de ander leerde, maar doordat beiden op dezelfde koloniale rede stuitten en er onafhankelijk hetzelfde antwoord uit puurden. Dat is een subtieler en een sterker verband dan een rechtstreekse invloed zou zijn, want het toont dat de valse spiegel geen uitvinding is van één man of één rijk maar een terugkerende verleiding van elke staat die over moslims heerst zonder in hun geloof te delen. De spiegel wordt niet doorgegeven van hand tot hand; hij wordt telkens opnieuw geslepen, door wie de macht heeft en de gemeenschap niet begrijpt, en hij vertoont telkens hetzelfde vertekende beeld, of hij nu in Sint-Petersburg wordt geslepen of in Den Haag.

Dat de lijn van Oefa niet ophield bij Igelström en niet ophield bij Snouck, bewijst de eeuw die op hen volgde. De sovjetstaat, die de godsdienst in beginsel bestreed, herontdekte in 1943, midden in de oorlog, de oude wijsheid van Catharina en richtte opnieuw een in Oefa gevestigd muftiaat op, een geestelijk bestuur met een aangestelde mufti aan het hoofd, dat de imams van het land moest overzien en dat zich uitdrukkelijk op het voor-revolutionaire model beriep. Wat een orthodoxe keizerin had bedacht, nam een atheïstische staat over, en de muftiaten die eruit voortkwamen bestaan tot op de dag van vandaag. De vorm bleek sterker dan elke ideologie die haar hanteerde, sterker dan het christelijke rijk dat haar schiep, sterker dan het communistische rijk dat haar erfde, en dat is de meest ontnuchterende les van deze hele periode: dat de valse spiegel geen geloof aanhangt en geen eeuw toebehoort, maar aan de macht als zodanig, die hem oppakt zodra zij een gemeenschap tegenkomt die zij wil besturen zonder haar te delen.

De spiegel en de gemeenschap

Zo sluit zich de cirkel van dit thema, en wij kunnen de drie gestalten van de valse spiegel naast elkaar zetten die wij door de drie perioden heen hebben leren kennen. Er was de bedrieger, Snouck, die de islam binnendrong onder een vals gelaat om haar van binnenuit te kennen en van buitenaf te breken. Er was de geleerde, Goldziher, die de islam met de instrumenten van de westerse wetenschap ontleedde tot zij in zijn handen geen levende openbaring meer was maar een verzameling van menselijke sporen. En er was de bestuurder, Igelström, die de islam niet bestudeerde en niet bedroog maar organiseerde, haar geestelijkheid tot ambtenaren maakte en haar gebed van een vergunning voorzag. De bedrieger, de geleerde, de bestuurder, drie mannen, drie eeuwen van het oriëntalisme, drie manieren om een geloof in een spiegel te vangen die het geloof niet is. En telkens was de spiegel overtuigend, telkens vertoonde hij een beeld dat op de islam leek, en telkens was het beeld vals, niet omdat het niets van de werkelijkheid weergaf, maar omdat het de werkelijkheid weergaf zonder haar ziel, de vorm zonder het leven, de buitenkant zonder de openbaring die haar draagt.

Tegenover die drie spiegels staat, onveranderd door alle eeuwen heen, de gemeenschap die haar godsdienst bewaarde zoals zij hem ontving. Want dit is wat geen van de drie mannen begreep en wat geen apparaat kon vangen: dat de islam niet leeft in de instituten die staten voor haar oprichten, niet in de vergunningen die zij uitreiken en niet in de studies die geleerden over haar schrijven, maar in de levende keten van overdracht die van de Profeet ﷺ tot de gelovige van vandaag reikt, van borst tot borst, van de geleerde ﵀ naar de leerling, van de ene generatie naar de volgende, buiten elke vergunning om. De akhund van Oefa kon een certificaat krijgen, maar de kennis die hij doorgaf had hij niet van de keizerin gekregen; die had hij ontvangen zoals moslims haar altijd hebben ontvangen, uit de mond van een leraar die haar uit de mond van zijn leraar had. De staat kon het loket bouwen, maar het gebed dat achter het loket werd gebeden, was het gebed dat de Profeet ﷺ had onderwezen, en geen decreet raakte aan één letter daarvan. De spiegel ving de buitenkant en meende het geheel te bezitten, en juist daarin was hij vals, want het geheel was hem al ontsnapt voordat hij de eerste lijn had getrokken.

De Koran had voor deze eeuwenoude poging, om het licht van de openbaring in een menselijk vat te vangen en het zo te doven, een woord dat de drie gestalten van dit thema in één beeld samenvat:

يُرِيدُونَ لِيُطْفِئُوا نُورَ اللَّهِ بِأَفْوَاهِهِمْ وَاللَّهُ مُتِمُّ نُورِهِ وَلَوْ كَرِهَ الْكَافِرُونَ

"Zij willen het licht van Allah met hun monden doven, maar Allah vervolmaakt Zijn licht, hoezeer de ongelovigen er ook een afkeer van hebben."

Soera As-Saff 61:8

Men dooft het licht niet met een spiegel, hoe kunstig hij ook geslepen is. De bedrieger, de geleerde en de bestuurder hebben elk op hun wijze geprobeerd de islam te vatten in een beeld dat zij konden beheersen, en elk van hen heeft een beeld gemaakt dat overtuigde, dat leek, dat een tijdlang doorging voor de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid bleef waar zij altijd was, in de harten die de openbaring dragen en de monden die haar doorgeven, ver van de kanselarij, ver van het studeervertrek, ver van de moskee met de keizerlijke vergunning. Wij die dit vandaag lezen, kijken terug op drie eeuwen waarin machtige staten en scherpe geesten de islam in hun spiegel wilden vangen, en wij zien dat de spiegels er nog zijn, in nieuwe gestalten, met nieuwe namen, want de verleiding sterft niet. Maar wij zien ook dat de gemeenschap er nog is, dat de keten niet gebroken is, dat het gebed dat vandaag wordt gebeden hetzelfde gebed is dat de Profeet ﷺ onderwees, en dat is niet het bewijs van een argument maar het antwoord op alle spiegels tegelijk. Het licht laat zich niet doven met een mond, en het laat zich niet vangen in een glas. Het brandt door, van geleerde ﵀ tot leerling, van hart tot hart, tot de dag waarop geen spiegel meer nodig zal zijn omdat allen zullen zien wat is.

Bronnen

  • Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia (Harvard University Press, 2006).
  • Allen J. Frank, Muslim Religious Institutions in Imperial Russia: The Islamic World of Novouzensk District and the Kazakh Inner Horde, 1780-1910 (Brill, 2001).
  • Danielle Ross, Tatar Empire: Kazan’s Muslims and the Making of Imperial Russia (Indiana University Press, 2020).
  • Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968).
  • Wikipedia, “Iosif Igelström”; “Nuraly Khan”; “Syrym Datuly”; “Warsaw Uprising (1794)”.
  • Huygens Instituut, “Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936”.
  • De Valse Spiegel, Periode 1 (Christiaan Snouck Hurgronje), artikelen 10-11.

Sources

Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia (Harvard University Press, 2006). Allen J. Frank, Muslim Religious Institutions in Imperial Russia: The Islamic World of Novouzensk District and the Kazakh Inner Horde, 1780-1910 (Brill, 2001). Danielle Ross, Tatar Empire: Kazan’s Muslims and the Making of Imperial Russia (Indiana University Press, 2020). Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968). Wikipedia, “Iosif Igelström”; “Nuraly Khan”; “Syrym Datuly”; “Warsaw Uprising (1794)”. Huygens Instituut, “Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936”. De Valse Spiegel, Periode 1 (Christiaan Snouck Hurgronje), artikelen 10-11.