InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Geestelijke Vergadering

De Geestelijke Vergadering

OriëntalismeIosif Igelström

De Geestelijke Vergadering

De Geestelijke Vergadering

In het vorige artikel zagen wij hoe een keizerin die de islam niet geloofde de eerste door een staat gedrukte Koran ter wereld liet verschijnen, hoe Catharina II de openbaring van Mohammed ﷺ op keizerlijke kosten in duizend en tweehonderd exemplaren van de Petersburgse persen liet rollen, en hoe die daad tegelijk eerbetoon en instrument was: de spiegel die glimlacht. Een gedrukte Koran is echter nog maar een boek, en een boek bestuurt geen mensen. Wie een geloof werkelijk in de hand wil houden, moet niet de tekst beheersen maar de mannen die de tekst uitleggen, niet het gebed verbieden maar de mond die tot het gebed roept vergunnen. Precies die stap zette Rusland in het jaar 1788, en de man die haar zette was baron Iosif Andrejevitsj Igelström, sinds 1784 gouverneur-generaal van Simbirsk en Oefa. Wat hij daar oprichtte was geen moskee en geen school, maar iets wat de islamitische geschiedenis tot dan toe niet gekend had: een ambtelijk lichaam dat imams examineerde, aanstelde en op loyaliteit toetste, met aan het hoofd een door de keizerin benoemde mufti. Het heette de Geestelijke Vergadering van de Mohammedaanse Wet, het zetelde in Oefa, en het is de kern van dit hele thema. Want hier, aan de rand van de steppe, bouwde een christelijk imperium het eerste apparaat van staatsislam, een eeuw voordat een Leidse geleerde in Batavia hetzelfde inzicht in andere woorden zou gieten.

De gouverneur-generaal in Oefa

Igelström kwam niet als vreemdeling naar het moslimvraagstuk. Hij had in de Russisch-Turkse oorlog gediend, hij had de Krim ingelijfd en de laatste khan gevangengenomen, en hij had daar het handwerk geleerd dat een generaal tot bestuurder maakt: niet vernietigen maar inpassen, niet de moskee slopen maar de imam op de loonlijst zetten. Toen Grigori Potjomkin hem bij Catharina aanbevolen had en zij hem in 1784 tot gouverneur-generaal van Simbirsk en Oefa maakte, kreeg hij een gebied in handen waar het probleem zich in zijn scherpste vorm stelde. Het Wolga-Oeralgebied was geen verre veroverde provincie zoals de Krim, maar een lappendeken van Tataren, Basjkieren en aangrenzende Kazachse steppevolken, moslims die twee eeuwen tsaristisch bewind hadden overleefd, de gedwongen dopen, de moskeeverwoestingen, de campagnes van bekering die nog vers in het geheugen lagen. Zij waren niet uitgeroeid en zij waren niet bekeerd; zij waren gebleven, en hun aanwezigheid was een permanente vraag aan de staat die hen bestuurde. Een vraag die met geweld niet te beantwoorden was gebleken, want twee eeuwen geweld hadden hen niet weggenomen.

De gouverneur-generaal begreep, zoals zijn keizerin het begreep, dat de oplossing niet in de vervolging lag maar in de ordening. Een moslimbevolking die je niet kunt uitroeien en niet wilt bekeren, moet je op een andere manier onschadelijk maken voor de rust van het rijk, en de meest duurzame manier is haar niet tegen te werken maar te organiseren, haar geestelijkheid niet te vervolgen maar aan te stellen, haar recht niet te verbieden maar te erkennen op voorwaarde dat de staat bepaalt wie het spreekt. Wat een vervolger nooit bereikt, bereikt een beschermheer moeiteloos: de vervolgde imam wordt een held, maar de aangestelde imam wordt een ambtenaar, en een ambtenaar dankt zijn brood aan wie hem benoemt. Igelström zag in de moslimgeestelijkheid geen vijand die uitgeroeid moest worden, maar een bestuurslaag die ingelijfd kon worden, en die inlijving was zoveel goedkoper, zoveel eleganter en zoveel effectiever dan alle howitsers van het rijk bij elkaar. In dat inzicht ligt de hele beschaving van de valse spiegel besloten, want het is een inzicht dat op het eerste gezicht op mildheid lijkt en bij nader inzien op beheersing berust.

Er is een oprechte kant aan dit verhaal die wij niet mogen wegpoetsen, want zonder haar begrijpen wij de verleiding niet. De Tataren die in de achttiende eeuw onder Russisch gezag leefden, hadden onder Igelströms beleid meer moskeeën, meer scholen en meer rechtszekerheid dan onder de generaties voor hem, en menige Tataarse geleerde zag in de nieuwe ordening niet een val maar een kans, een einde aan de willekeur, een erkenning waar eeuwenlang alleen verdrukking was geweest. Wie het beleid alleen als een cynische greep beschrijft, doet de mensen tekort die er in goed vertrouwen op ingingen en er soms werkelijk baat bij vonden. En juist dat is het punt waar dit thema om draait, want de valse spiegel is niet vals omdat hij alleen maar kwaad doet, maar omdat hij goed en beheersing zo innig vermengt dat men het ene niet meer van het andere kan scheiden. De gouverneur-generaal in Oefa deed werkelijk dingen die levens verbeterden, en hij deed ze omdat een tevreden, gelicentieerde, bestuurbare islam het rijk beter diende dan een verbitterde, vrije, onberekenbare islam. Beide waarheden zijn waar tegelijk, en wie er maar één ziet, heeft de spiegel nog niet begrepen.

Het decreet van 1788

Op 22 september 1788 tekende Catharina II het decreet dat de Geestelijke Vergadering van de Mohammedaanse Wet in het leven riep, gevestigd te Oefa en geplaatst onder het toeziend oog van de gouverneur-generaal van Orenburg, naar wie het lichaam ook zijn naam kreeg. Igelström was de architect van deze schepping; hij sponsorde de wetgeving, hij ontwierp de structuur, hij bracht in een instituut samen wat tot dan toe een verzameling losse maatregelen was geweest. Wat op papier een bestuurlijke formaliteit leek, de oprichting van een raad met een omslachtige titel, was in werkelijkheid een breekpunt in de verhouding tussen een moderne staat en de islam, want voor het eerst nam een Europese mogendheid de aanstelling van de moslimgeestelijkheid uit de handen van de gemeenschap en legde haar in de handen van een ambtelijk college.

De opdracht van de Vergadering was helder en zij verborg haar bedoeling nauwelijks. Zij zou de mullahs van het rijk examineren en licentiëren, en de maatstaf van dat examen was tweeledig. Een geestelijke moest van goed gedrag zijn, wat in de taal van het decreet betekende: van goed gedrag jegens de staat, en hij moest betrouwbaar zijn in zijn loyaliteit. Men leze die criteria langzaam, want zij zeggen alles. Er staat niet dat de imam vroom moet zijn, geleerd in de fiqh, standvastig in het gebed of geliefd bij zijn gemeente. Er staat dat hij zich goed moet gedragen tegenover de overheid en dat men op zijn trouw moet kunnen bouwen. De godsdienstige geschiktheid van de geestelijke is niet het onderwerp van het examen; zijn politieke betrouwbaarheid is het. De Vergadering vroeg niet in de eerste plaats of een man de openbaring kende, maar of hij te vertrouwen was, en die verschuiving van de vraag is de stille revolutie die zich in Oefa voltrok.

Nog onthullender is de bepaling over de taal. De Vergadering was verplicht haar zaken zowel in het Russisch als in het plaatselijke Tataars te voeren, en de reden daarvoor stond met een bijna ontwapenende openhartigheid opgetekend: opdat de gouverneur-generaal van Orenburg precies zou weten wat zijn betrouwbaar loyale mohammedaanse geestelijken uitvoerden. Het instituut was, met andere woorden, tegelijk een aanstellingsbureau en een luisterpost. Elke fatwa, elke benoeming, elke beslissing van de moslimgeestelijkheid liep voortaan langs een bureau dat in de taal van de overheid rapporteerde, zodat de staat niet alleen bepaalde wie mocht spreken, maar ook meelas wat er gesproken werd. De transparantie liep in één richting: de gemeenschap werd doorzichtig voor de staat, en de staat bleef ondoorzichtig voor de gemeenschap. Dat is het wezen van bestuurlijke beheersing, en het is verleidelijk omdat het zich als orde aandient, als verlichting tegenover chaos, als de heldere administratie van een verlichte eeuw tegenover de duistere willekeur van vroeger.

Wie de moeite neemt te bedenken tegen welke achtergrond dit gebeurde, ziet hoe geraffineerd de zet was. Nog geen halve eeuw eerder had de tsaristische staat in het Wolga-gebied moskeeën bij honderden laten slopen; nu bood diezelfde staat de moslimgeestelijkheid bescherming, salaris en erkenning aan. De ommekeer leek een geschenk, en zij was ook een geschenk, maar het was een geschenk met een prijskaartje dat pas zichtbaar werd als men het aannam. De prijs was dat de gemeenschap voortaan haar geestelijken ontving uit de handen van een ander, dat de vraag wie een geldig geleerde was niet meer binnen de traditie beantwoord werd maar aan een keizerlijk bureau, en dat de imam zijn gezag niet langer dankte aan de kennisketen waarin hij stond maar aan het papier dat de staat hem verstrekte. En juist omdat de vervanging zich als bescherming voordeed, was zij zo moeilijk te weigeren.

De vergunning en de isnad

Om te begrijpen wat er in Oefa werkelijk werd verplaatst, moeten wij even weg van de kanselarij en naar het hart van de islamitische kennistraditie, want daar, en niet in de tekst van het decreet, ligt de eigenlijke inzet. In de islam is gezag over de religie nooit een zaak van benoeming geweest maar van overdracht. Een geleerde is geen ambtenaar die een post bezet, maar een schakel in een keten, de isnad, de aaneenschakeling van overleveraars die een woord van de Profeet ﷺ terugvoert tot zijn mond, en de ijaza, de machtiging die een leraar aan zijn leerling geeft wanneer die de kennis werkelijk in zich heeft opgenomen. Dat gezag stroomt niet van boven naar beneden, van de heerser naar de onderdaan, maar van borst tot borst, van de ene generatie geleerden naar de volgende, buiten elke troon om. Een kalief kon een geleerde niet tot geleerde máken en kon hem, hoe machtig hij ook was, zijn kennis niet ontnemen. De grote imams van de klassieke eeuwen, mannen als Abu Hanifa ﵀ en Ahmad ibn Hanbal ﵀, ontleenden hun gezag niet aan een aanstelling maar aan hun plaats in de keten, en wanneer een heerser hen onder druk zette, was het vaak de geleerde die stond en de heerser die zich moest verantwoorden. Deze structuur, gedecentraliseerd, meervoudig, ongehoorzaam aan elke ene hand, is geen toevallige eigenaardigheid van de islamitische geschiedenis; zij is de vorm waarin de gemeenschap haar godsdienst bewaarde zonder een kerk, zonder een clerus, zonder een paus.

Wat de Geestelijke Vergadering deed, in de scherpste formulering die dit thema toelaat, was de isnad vervangen door de vergunning. Het gezag van de imam kwam niet meer uit de keten maar uit het examen, niet uit zijn plaats in een levende traditie maar uit een keizerlijk certificaat. De vraag verschoof van “van wie heb je geleerd” naar “wie heeft je aangesteld”, en die verschuiving lijkt klein op het niveau van de individuele geestelijke, die immers evengoed geleerd kan hebben en vroom kan zijn, maar zij is aardverschuivend op het niveau van de structuur. Want een gezag dat de staat verleent, kan de staat ook intrekken. Een imam die zijn recht om te spreken aan een vergunning ontleent, spreekt zolang de vergunning geldig is, en zij blijft geldig zolang hij betrouwbaar loyaal is. De keten kende dat mechanisme niet; men kon een man niet uit de isnad schrappen omdat hij de heerser mishaagde, want de isnad was geen register dat de heerser bijhield. De vergunning kende het wel, en daarin ligt haar hele functie. De gelicentieerde geleerde verliest niet zijn geleerdheid, maar hij verliest de onafhankelijkheid van zijn gezag, en met die onafhankelijkheid verliest de gemeenschap haar oudste bescherming tegen de macht.

De klassieke traditie had voor precies deze verleiding een naam en een waarschuwing. De geleerden die hun kennis in dienst van de heerser stelden en hun oordeel plooiden naar wat de macht wenste, werden de “geleerden van het gezag” genoemd, en tegenover hen stonden de geleerden die hun onafhankelijkheid bewaarden zelfs ten koste van hun vrijheid en soms van hun leven. De Koran zelf spreekt in ondubbelzinnige taal over wat er op het spel staat wanneer men de religie voor werelds gewin verruilt, en hij richt die woorden juist tot een gemeenschap wier geleerden in de verleiding kwamen hun openbaring te verhandelen:

وَلَا تَشْتَرُوا بِآيَاتِي ثَمَنًا قَلِيلًا وَإِيَّايَ فَاتَّقُونِ

"En verkoop Mijn tekenen niet voor een geringe prijs, en vrees Mij alleen."

Soera Al-Baqarah 2:41

De geringe prijs is niet altijd goud. Soms is het een salaris, een titel, een aanstelling, de rust van een erkende positie in plaats van de last van een onafhankelijke stem. De Vergadering te Oefa bood die prijs aan, en zij bood hem aan in de aantrekkelijkste verpakking die denkbaar is, niet als omkoping maar als bescherming, niet als verraad maar als vooruitgang. Dat is precies waarom zij zo gevaarlijk was en waarom zoveel oprechte mensen erin meegingen. Men verkoopt de tekenen niet altijd omdat men hebzuchtig is; soms verkoopt men ze omdat men moe is van de vervolging en dankbaar voor de vrede, en de spiegel weet dat van de mens en rekent erop.

Er is nog een tweede verlies dat het examen met zich meebracht, subtieler dan het eerste en juist daarom gemakkelijker over het hoofd te zien. Zolang het gezag van de geleerde in de keten lag, was het meervoudig; er waren vele ketens, vele scholen, vele geleerden die het met elkaar oneens konden zijn zonder dat een van hen zijn geldigheid verloor, en die veelstemmigheid was geen gebrek maar een kracht, want zij verhinderde dat één opvatting, één school of één machthebber de hele traditie in bezit nam. Het examen van de Vergadering kende die veelstemmigheid niet, want het had één maatstaf, één bureau, één handtekening, en wat door dat ene bureau werd goedgekeurd, gold, terwijl wat het afwees, buiten de wet viel. De staat verving daarmee niet alleen de keten door de vergunning, maar ook de veelheid door de eenheid, het levende meningsverschil van een vrije geleerdenstand door de gladde uniformiteit van een ambtelijke goedkeuring. Voor een bestuurder is uniformiteit een zegen, want een gemeenschap met één erkend hoofd is te overzien en een gemeenschap met honderd onafhankelijke stemmen niet, maar voor de traditie zelf was het een verarming, want zij ontleende haar veerkracht juist aan het feit dat zij nooit in één hand had gelegen. Wie de vele ketens tot één register terugbrengt, maakt de gemeenschap leesbaar voor de macht, en leesbaarheid is de eerste voorwaarde van beheersing.

Hier moeten wij eerlijk zijn over de aard van deze bladzijde, want het gevaar bestaat dat het bovenstaande als een sluitend historisch oordeel klinkt terwijl het in de eerste plaats een moreel en structureel argument is. Dat de Vergadering de isnad “verving”, is geen zin die een archief oplevert; het is de manier waarop dit thema de betekenis van de gebeurtenis leest. De historische feiten zijn de licentiecriteria, de rapportageplicht, de door de staat benoemde mufti; de duiding dat hierin een kennisketen werd ingeruild voor een vergunning is de these, en zij verdient het als these behandeld te worden, scherp maar niet als vanzelfsprekend. Want de werkelijkheid was rommeliger dan het argument, en dat de gemeenschap niet zomaar haar oude wijze van kennisoverdracht verloor, blijkt uit wat er daarna gebeurde, toen de eerste mufti zich niet als een gehoorzame ambtenaar gedroeg maar als een man die het nieuwe apparaat voor zijn eigen doeleinden wilde gebruiken.

De eerste mufti

In 1789 benoemde Catharina de akhund Mukhamedzhan Khusainov ﵀ tot de eerste mufti van het rijk, het hoofd van de nieuwe Geestelijke Vergadering, en in december van dat jaar werd het instituut plechtig geopend. De keuze was niet toevallig. Khusainov ﵀ was een Tataarse geleerde met aanzien onder zijn eigen mensen en tegelijk een man met wie de staat kon werken, en in die dubbelheid ligt de hele spanning van zijn ambt besloten. In zijn openingsrede sloeg hij een toon aan die de keizerlijke ontwerpers moet hebben verheugd, want hij hield zijn geloofsgenoten voor dat de moslims dankzij Catharina’s verdraagzaamheid, haar steun aan de islamitische instellingen en haar bereidheid moslims als edelen te erkennen, bevoorrechte leden van de keizerlijke elite konden worden. Het was de taal van de integratie, van de moslim die door loyaliteit opklimt, van de gemeenschap die haar heil zoekt binnen het rijk in plaats van ertegen, en zij paste naadloos in het ontwerp van de Vergadering.

Maar Khusainov ﵀ was geen werktuig, en dat is het onverwachte in zijn verhaal. De man die de staat had aangesteld om de moslimgeestelijkheid bestuurbaar te maken, begon vrijwel onmiddellijk de grenzen van zijn kooi te beproeven. Hij eiste meer macht dan het decreet hem gaf, hij reisde herhaaldelijk naar Sint-Petersburg om de keizerin persoonlijk te spreken, en hij begon zichzelf te zien als een figuur van politiek gewicht in de hele Wolga-Oeralregio, niet als een ondergeschikte van de gouverneur maar als de vertegenwoordiger van een gemeenschap. Zijn hoogste aanspraak was de scherpste: hij verlangde voor zijn ambt dezelfde status als de Metropoliet van de Russisch-Orthodoxe Kerk. Men moet die eis begrijpen in het licht van het ontwerp, want de Vergadering was bewust gemodelleerd naar de orthodoxe kerkhiërarchie, met een mufti aan het hoofd zoals de kerk een metropoliet aan het hoofd had, en Khusainov ﵀ deed niet meer dan de logica van dat ontwerp tot haar uiterste consequentie doortrekken. Als de staat mij tot mufti maakt naar het beeld van uw metropoliet, zo redeneerde hij in de praktijk, geef mij dan ook de waardigheid en de macht van een metropoliet.

Zijn reizen naar de hoofdstad zeggen evenveel als zijn eisen. Een mufti die herhaaldelijk de lange weg naar Sint-Petersburg aflegt om de keizerin persoonlijk te spreken, gedraagt zich niet als een provinciale geestelijke maar als een gezant, een man die zichzelf ziet als de vertegenwoordiger van een natie tegenover haar vorst, en die zijn zaak niet aan de gouverneur voorlegt maar over het hoofd van de gouverneur heen aan de troon zelf. In die houding school een opvatting van het ambt die het ontwerp nooit bedoeld had, want de Vergadering was bedacht als een instrument in de handen van het provinciebestuur, niet als een tegenmacht die rechtstreeks met de kroon onderhandelde. Khusainov ﵀ begreep echter dat zijn benoeming hem een unieke positie gaf, dat hij als enige moslim van het rijk een keizerlijk mandaat bezat om namens alle moslims te spreken, en dat een verstandig man zulk een mandaat niet klein houdt maar uitbouwt. Hij was, met andere woorden, een politicus zo goed als een geleerde, en hij speelde het spel dat het apparaat hem in handen had gegeven met een handigheid die zijn ontwerpers niet hadden voorzien.

Hier ontvouwt zich de ironie die de valse spiegel altijd vergezelt. De staat had de islam een hiërarchie opgelegd die zij niet kende, een piramide met één man aan de top waar de traditie een netwerk van onafhankelijke geleerden had gekend, en nauwelijks stond die piramide overeind of de man aan de top gebruikte haar om macht te eisen die de staat niet had willen weggeven. Het apparaat dat bedoeld was om de geestelijkheid te temmen, gaf haar eerste hoofd een platform van ongekende reikwijdte, want nooit tevoren had één moslim namens alle moslims van het rijk kunnen spreken, en juist door hem tot mufti te maken had de staat dat spreken mogelijk gemaakt. Khusainov ﵀ was tegelijk het bewijs van de beheersing en de barst in de beheersing, de aangestelde geestelijke die precies dankzij zijn aanstelling een macht opeiste die de aanstellers verontrustte. Zo bleek meteen bij de eerste bezetter van het ambt dat de spiegel de gemeenschap wel kon vertekenen maar niet volledig kon beheersen, want zelfs de door de staat gekozen mufti bleef een mens met een eigen wil, een eigen gemeenschap achter zich en een eigen begrip van wat hem toekwam.

De mufti tegen de gouverneur

De botsing die hieruit voortkwam is gedocumenteerd, en zij verdient de aandacht omdat zij toont hoe weinig het apparaat zich aan zijn ontwerpers gelegen liet liggen. In de jaren 1790 en 1791 stonden de mufti en het provinciebestuur van Orenburg lijnrecht tegenover elkaar. Het is hier dat wij een misverstand moeten rechtzetten dat gemakkelijk ontstaat, want men zou verwachten dat de tegenspeler van de mufti de architect van de Vergadering was, de gouverneur-generaal Igelström zelf. Dat was hij niet. Igelström had het instituut ontworpen en tot leven gebracht, maar toen het conflict losbarstte was hij grotendeels afwezig, want het rijk had hem naar een ander front geroepen; hij vocht in de Russisch-Zweedse oorlog en tekende in 1790 namens Rusland de Vrede van Värälä. De man die in Oefa en Orenburg de dagelijkse strijd met de mufti uitvocht, was de gouverneur A.A. von Peutling, en dat feit is meer dan een voetnoot, want het onthult iets wezenlijks over wat Igelström had gebouwd. Het apparaat was niet afhankelijk van zijn maker. Het draaide door zonder hem. De confrontatie tussen de macht en de mufti was geen persoonlijke vete tussen twee mannen maar een structureel gegeven, ingebakken in het ontwerp zelf, en zij zou zich hebben voorgedaan wie de gouverneur ook geweest was, want de spanning zat niet in de personen maar in de constructie.

Wat volgt is een reconstructie, geen protocol; de gedocumenteerde inzet van het conflict is echt, maar de woorden waarin ik het giet zijn de mijne, bedoeld om zichtbaar te maken wat er op het spel stond toen de door de staat aangestelde geestelijke tegenover de staat kwam te staan die hem had aangesteld.

Mufti Khusainov ﵀: Uwe excellentie, ik ben aangesteld naar het beeld van de metropoliet van uw kerk. Geef mij dan de waardigheid die bij dat beeld hoort, of neem het beeld terug.

Gouverneur von Peutling: U bent aangesteld om over de godsdienst te waken, mufti, niet over de wereldlijke zaken van het rijk. Uw ambt reikt tot aan het gebed en niet verder.

Mufti Khusainov ﵀: Wie de imams benoemt, benoemt de mannen die een miljoen zielen leiden. Noemt u dat een geringe macht, of vreest u haar juist omdat zij zo groot is.

Gouverneur von Peutling: Ik vrees niets. Ik bewaak de grens tussen wat u toekomt en wat de keizerin toekomt, en die grens loopt waar ik zeg dat zij loopt.

De uitkomst gaf de gouverneur gelijk op papier en de mufti gelijk in de werkelijkheid. Het provinciebestuur, verontrust door de reikwijdte van de aanspraken van de mufti, wendde zich tot de machtige vorst Aleksandr Bezborodko en verkreeg van hem toestemming om de invloed van de mufti streng in te perken. Er kwam een besluit dat zijn taak nauwkeurig omschreef: zijn plicht was strikt de religieuze zaken te behartigen en de wereldlijke niet aan te raken, behalve wanneer het bestuur het geraden achtte hem daarvoor te gebruiken. Men leze ook die laatste bijzin met aandacht, want zij verraadt de hele verhouding. De mufti mag zich niet met wereldlijke zaken bemoeien, tenzij de staat het hem opdraagt; hij is machteloos uit zichzelf en machtig alleen op bevel; zijn gezag is een kraan die de overheid open- en dichtdraait naar het haar uitkomt. Op papier was de kooi daarmee opnieuw gesloten en de mufti tot zijn plaats teruggewezen.

En toch, en dit is het merkwaardige, was de historische slotsom niet zo eenduidig als het besluit deed vermoeden. Vanuit het gezichtspunt van de hoogste macht in Sint-Petersburg was de mufti een gewichtiger figuur dan de provinciegouverneur, want de mufti sprak namens een gemeenschap en de gouverneur slechts namens een bureau, en op de steppegrens, ver van de hoofdstad, genoot Khusainov ﵀ een zelfstandigheid die het decreet hem nooit had toegekend. De inperking op papier ging gepaard met een gewicht in de praktijk, en die kloof tussen de letter en het leven is precies de ruimte waarin de gemeenschap ademde. De staat had een apparaat gebouwd om de islam te beheersen, maar het apparaat had een hoofd nodig, en het hoofd bleek een mens met eigen ambities, eigen aanzien en een eigen achterban, zodat de beheersing nooit volledig werd. De spiegel vertekende, maar hij ving het beeld niet volledig.

Wie bestuurde wie

Hier komen wij bij de vraag die dit artikel draagt en die de eenvoudige lezing van de gebeurtenissen ondermijnt. Wie bestuurde nu eigenlijk wie. Het lijkt vanzelfsprekend dat de staat de gemeenschap bestuurde, want de staat richtte het apparaat op, benoemde de mufti en stelde de criteria vast, en dat is ook waar. Maar de geschiedenis van de eerste jaren toont dat het apparaat ook een andere kant had, want zodra het bestond, konden de moslims het gebruiken. De historicus die deze periode het diepst heeft doorgrond, heeft laten zien dat de verhouding geen eenrichtingsverkeer was maar een symbiose, waarin de staat de gemeenschap probeerde te beheersen en de gemeenschap tegelijk het apparaat van de staat aanwendde voor haar eigen doeleinden. Moslims wendden zich tot de Vergadering om geschillen te beslechten, om moskeeën erkend te krijgen, om huwelijken en erfenissen volgens hun eigen recht geregeld te zien, en zo werd het instrument van de beheersing ook een instrument van de gemeenschap, een loket waarachter de islamitische wet, hoezeer ook onder staatstoezicht, bleef functioneren.

Men zou hieruit de troostende conclusie kunnen trekken dat het allemaal wel meeviel, dat de gemeenschap slim genoeg was om de val in haar voordeel te keren en dat de valse spiegel dus zo vals nog niet was. Die conclusie ware te haastig, want de symbiose veranderde niets aan de grondverhouding. Wie het loket gebruikt, erkent het loket; wie zijn huwelijk laat registreren bij een door de staat benoemde geestelijke, aanvaardt dat de staat bepaalt wie een geldig geestelijke is; wie zijn geschil voorlegt aan de Vergadering, buigt zich naar een instituut dat rapporteert in de taal van de overheid. De gemeenschap kon binnen de kooi manoeuvreren, en zij deed dat met grote behendigheid, maar de kooi bleef de kooi, en de tralies waren juist zo sterk omdat men ze dagelijks vrijwillig aanraakte. Dat is de subtielste werking van de valse spiegel: niet dat hij de gemeenschap verplettert, maar dat hij haar een ruimte geeft waarin zij vrij lijkt en waarin elke beweging de begrenzing bevestigt. De islam werd niet verboden in het rijk van Catharina; de islam werd toegelaten, erkend en georganiseerd, en juist in die toelating lag de beheersing besloten.

Het instituut dat Igelström in 1788 oprichtte, zou zijn maker ver overleven, en dat is de eigenlijke erfenis van dit artikel. Igelström zou de steppe verlaten, naar andere posten trekken, in ongenade vallen en terugkeren, en ten slotte sterven, maar de Geestelijke Vergadering bleef bestaan, generatie na generatie, mufti na mufti, tot ver in de negentiende en de twintigste eeuw. Zij overleefde de keizerin die haar tekende, de gouverneur die haar ontwierp, de eerste mufti die tegen haar in opstand kwam, en zij zou zelfs de val van het rijk overleven dat haar had voortgebracht. Een man bouwt een apparaat en gaat heen, maar het apparaat blijft, want het is geen persoon en geen beleid maar een vorm, en vormen zijn taaier dan de mensen die ze uitdenken. Wat in Oefa geboren werd, was niet een maatregel maar een model, en modellen reizen. Zij reizen door de tijd, van de achttiende eeuw naar de twintigste, en zij reizen door de ruimte, van de Russische steppe naar plaatsen die Igelström nooit gezien heeft en waar men zijn naam nooit heeft gehoord. Hoe dat model reisde, hoe de steppe en de spiegel elkaar vonden en hoe de lijn van Oefa uiteindelijk uitkomt bij een Leidse geleerde in Batavia, is het onderwerp van het laatste artikel van deze periode en van dit hele thema.

Bronnen

  • Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia (Harvard University Press, 2006).
  • The Imperiia Project (Harvard University), “Establishment of the Spiritual Assembly of Muslim Law in Ufa: 1788”.
  • “The Mufti Against the Governor: a Short Confrontation, 1790-1791”, Journal of Frontier Studies.
  • Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007).
  • Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968).
  • Wikipedia, “Orenburg Muslim Spiritual Assembly”; “Iosif Igelström”.

Sources

Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia (Harvard University Press, 2006). The Imperiia Project (Harvard University), “Establishment of the Spiritual Assembly of Muslim Law in Ufa: 1788”. “The Mufti Against the Governor: a Short Confrontation, 1790-1791”, Journal of Frontier Studies. Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007). Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968). Wikipedia, “Orenburg Muslim Spiritual Assembly”; “Iosif Igelström”.