De Baltische baron
1737, Gargždai
Dit thema heeft tot nu toe twee gestalten van de valse spiegel getoond. De eerste was de bedrieger: Christiaan Snouck Hurgronje, die zich in Mekka voordeed als moslim om de gemeenschap van binnenuit te kunnen beschrijven, en die de kennis die hij zo verwierf later ten dienste stelde van een koloniaal bestuur dat de ulama ﵀ van Atjeh tot vijand verklaarde. De tweede was de geleerde: Ignác Goldziher, die de hadith en de vroege islam met een filologische scherpte ontleedde die zijn eigen liefde voor de islam nooit helemaal kon verhullen, en die daarmee een methode achterliet die de traditie van buitenaf herdefinieerde. Beiden keken in de spiegel en zagen niet de islam zoals zij zichzelf beleefde, maar de islam zoals Europa haar nodig had.
De derde gestalte keek niet door de ogen van een geleerde en ook niet door die van een bedrieger. Hij keek door de ogen van een bestuurder. Waar Snouck de islam bestudeerde en Goldziher haar ontleedde, deed baron Osip Andrejevitsj Igelström iets wat noch de een noch de ander ooit in handen kreeg: hij organiseerde haar. Hij bouwde, een volle eeuw voordat Snouck zijn eerste advies aan Batavia schreef, het eerste door een Europese staat opgerichte apparaat dat de islam niet beschreef maar bestuurde, dat mullahs examineerde en aanstelde, dat het gebed een vergunning gaf. De blauwdruk van wat Snouck later Islam-politiek zou noemen, lag al klaar, en zij lag in de sneeuw van de Russische steppe.
Om te begrijpen hoe die blauwdruk tot stand kwam, moeten wij eerst begrijpen uit welke wereld de man kwam die haar tekende. En om te begrijpen wat er verkeerd is aan het licht dat hij bracht, moeten wij eerst de duisternis kennen die eraan voorafging. Dit eerste artikel gaat daarom niet over de Geestelijke Vergadering van Oefa, en ook niet over de gedrukte Koran van Sint-Petersburg. Het gaat over een jongen die in 1737 werd geboren aan de rand van de Oostzee, en over het rijk dat hij zou binnentreden: een rijk dat twee eeuwen lang had geprobeerd de islam te breken, en dat op het punt stond te ontdekken dat men haar beter kon buigen.
Gargždai en de Baltische adel
Hij werd geboren in 1737, in Gargždai, een plaats die vandaag in Litouwen ligt en toen behoorde tot de Baltische wereld waar Zweedse, Duitse en Russische invloeden elkaar sinds eeuwen kruisten. Zijn familie was van Baltisch-Zweedse adel, een geslacht dat de naam Igelström droeg en dat behoorde tot de dunne bovenlaag van Duitstalige edelen die de kuststreken van Lijfland, Estland en Koerland bestuurden lang voordat die streken definitief onder de tsaar kwamen. Zijn vader, Gustaf Henrik Igelström, was landmaarschalk in het gouvernement Lijfland, een ambt dat de adellijke stand vertegenwoordigde tegenover de kroon, en zijn moeder, Margarethe Elisabeth von Albedyll, kwam uit hetzelfde milieu van Baltische edellieden die generatie na generatie hun zonen in staatsdienst gaven.
Het is van belang dit milieu goed te begrijpen, want het verklaart veel van de man die Igelström zou worden. De Baltische Duitse adel was een stand zonder eigen staat. Zij bediende het rijk waarin zij zich bevond, of dat nu Zweden was of Polen of, zoals in Igelströms tijd steeds meer het geval werd, Rusland, en zij deed dat met een loyaliteit die niet voortkwam uit bloedverwantschap met de heerser maar uit dienst aan de instelling van de heerschappij zelf. Deze edelen waren geen Russen. Zij spraken Duits, zij baden in lutherse kerken, zij trouwden onder elkaar, en toch dienden zij de orthodoxe tsaar met een toewijding die geboren Russen soms verbaasde. Hun trouw gold niet het volk en niet het geloof van hun heerser, maar de orde die hij belichaamde.
Wie op deze wijze wordt gevormd, leert de macht zien als een instrument dat losstaat van de persoon die haar draagt en van het geloof dat haar omhult. Een lutherse edelman die een orthodoxe keizerin dient over een rijk vol moslims, leert al vroeg dat een staat niet één geloof is maar vele geloven onder één gezag, en dat de kunst van het besturen niet ligt in het opleggen van het ene ware geloof maar in het ordenen van de vele. Dat inzicht, dat voor een geboren Rus van de achttiende eeuw allerminst vanzelf sprak, droeg de Baltische edelman als het ware met de moedermelk mee. Het is geen toeval dat juist een man uit deze stand, en niet een orthodoxe eiferaar, het instituut zou ontwerpen dat de islam een plaats gaf binnen het rijk in plaats van haar eruit te verdrijven.
Er is nog een tweede eigenschap van deze stand die Igelström zijn hele leven zou meedragen, en die voor het begrip van de latere bestuurder onmisbaar is. De Baltische edelman was een pragmaticus. Hij diende geen ideaal en geen zaak; hij diende de orde, en de orde beoordeelde hij naar wat werkte. Voor de geboren Russische edelman was de orthodoxie een deel van zijn identiteit, iets waarvoor men leefde en desnoods stierf; voor de lutherse Balt in orthodoxe dienst was het geloof van zijn heerser een gegeven dat men respecteerde zonder het te delen. Deze afstandelijkheid, dit vermogen om het geloof van boven te bezien als een bestuurlijk gegeven in plaats van als een absolute waarheid, is precies de gemoedsgesteldheid waaruit de moderne godsdienstpolitiek is geboren. Wie zelf hartstochtelijk gelooft, kan het geloof van de ander niet koel besturen; hij zal het willen bestrijden of bekeren. Wie het geloof van bovenaf beziet als een van de vele krachten die een samenleving in beweging houden, kan het gaan ordenen, kanaliseren, inzetten. En juist dat zou Igelströms levenswerk worden.
Hij werd opgeleid in Riga en in Duitsland, in de talen en de manieren van de Europese adel van zijn tijd. Riga was toen een van de belangrijke steden van de oostelijke Oostzee, een handelsstad met een Duitstalige burgerij en een universiteitscultuur die de zonen van de adel voorbereidde op dienst. Wat de jonge Igelström daar leerde, was niet de theologie en niet de wijsbegeerte die een geleerde zou vormen, maar de vaardigheden van het bestuur en het bevel: talen, recht, de omgang met gezag, de kunst om orders te geven en te ontvangen. Hij zou nooit een man van boeken worden zoals Snouck en Goldziher dat waren. Hij zou een man van instellingen worden, en dat verschil is voor dit thema wezenlijk.
In dienst van de tsarina
In 1753, zestien jaar oud, trad hij in Russische militaire dienst. Het was de gebruikelijke gang voor een zoon van de Baltische adel, en het was tegelijk een keuze voor het rijk dat in de achttiende eeuw het snelst groeide en dat aan mannen van zijn stand de meeste kansen bood. Rusland onder de opeenvolgende keizerinnen, van Anna over Elizabeth naar de vrouw die de geschiedenis Catharina de Grote zou noemen, was een rijk in beweging, hongerig naar bekwame officieren en bestuurders, en bereid die te zoeken buiten de eigen geboren adel, bij Duitsers, Balten en andere buitenlanders die kennis en bekwaamheid meebrachten.
De Russische staat die Igelström binnentrad was in twee opzichten tegelijk vertrouwd en vreemd. Vertrouwd, omdat het een Europese monarchie was met een hof, een leger en een bureaucratie die hij herkende uit zijn opvoeding. Vreemd, omdat het een rijk was dat zich uitstrekte over een onmetelijkheid van volken en geloven waarvan West-Europa nauwelijks weet had. Rusland was niet alleen orthodox. Het was ook, en steeds meer, islamitisch. De verovering van de Wolga-khanaten in de zestiende eeuw had miljoenen moslims onder de tsaar gebracht, Tataren en Basjkieren en later, met de opmars naar het zuiden en het oosten, de nomadische volken van de steppe. Het rijk dat Igelström ging dienen, was een van de grootste islamitische machten van de wereld, zonder dat een van zijn heersers dat ooit zo had willen noemen.
De omvang van deze islamitische bevolking laat zich moeilijk overschatten. Vanaf de Wolga met haar Tataren en Basjkieren strekte het moslimland zich uit over de Oeral naar de steppen van Centraal-Azië, waar Kazachse, Basjkierse en later Turkestaanse volken leefden die het rijk in de loop van de achttiende en negentiende eeuw aan zich zou binden. Miljoenen mensen, over een gebied zo uitgestrekt dat een reis van de ene grens naar de andere maanden vergde, deelden het geloof van de islam onder het gezag van een orthodoxe keizerin. Geen enkele West-Europese mogendheid stond in die eeuw voor een vergelijkbaar vraagstuk binnen haar eigen grenzen; de koloniale rijken met hun miljoenen moslimonderdanen zouden pas een eeuw later ontstaan. Rusland liep, of het wilde of niet, voorop in de ervaring van het besturen van een grote moslimbevolking, en de oplossingen die het bedacht, zouden daarom een voorbeeld worden nog voordat de anderen het probleem kenden.
Dit is een van de vergeten waarheden van de Europese geschiedenis, en zij is voor dit thema van belang. Wanneer wij aan Europa en de islam denken, denken wij aan de kruistochten, aan Andalusië, aan de Ottomaanse belegeringen van Wenen, aan de koloniale rijken van Frankrijk, Engeland en Nederland in de negentiende eeuw. Wij denken zelden aan het feit dat het Russische rijk eeuwenlang het grootste aantal moslims onder een christelijke heerser verenigde, en dat de vraag hoe men met die moslims moest omgaan, in Sint-Petersburg werd gesteld lang voordat zij in Den Haag of Parijs werd gesteld. Rusland had zijn eigen Oosten, binnen zijn eigen grenzen, en de manier waarop het dat Oosten bestuurde, zou een model worden waar latere koloniale mogendheden, bewust of onbewust, van zouden leren.
Het is verhelderend om te zien hoe verschillend de grote rijken van die tijd met hun geloofsvreemde onderdanen omgingen, want dat verschil verklaart waarom Rusland voor een vraagstuk stond dat zijn eigen oplossing vereiste. Het Ottomaanse Rijk, de grote islamitische macht in het zuiden, bestuurde zijn christelijke en joodse onderdanen sinds eeuwen door hun eigen religieuze gemeenschappen te erkennen als bestuurlijke eenheden, elk met een geestelijk hoofd dat tegenover de sultan verantwoordelijk was voor zijn kudde. De christen betaalde zijn belasting, aanvaardde zijn ondergeschikte plaats, en werd in ruil daarvoor gelaten in zijn geloof, zijn recht en zijn eredienst, bestuurd door zijn eigen patriarch onder het oppergezag van de sultan. Het was geen gelijkheid, verre van dat, maar het was een geordende plaats, een erkende ruimte binnen het rijk.
Rusland kende voor zijn moslims niets van dien aard. Het had geen kader waarin de islam een erkende, geordende plaats innam onder de tsaar; het had alleen de kerk, die de moslim niet als een te besturen gemeenschap zag maar als een te bekeren ziel. Waar de Ottomaanse sultan zijn christenen een plaats gaf, gaf de Russische tsaar zijn moslims een keuze tussen de doop en de last. Dit is het diepe tekort van de oude Russische aanpak, en het is precies dit tekort dat Catharina, en na haar Igelström, zou willen verhelpen. Zij zouden voor de islam onder de tsaar iets scheppen wat het rijk nooit had bezeten: een geordende, erkende, bestuurde plaats. En daarin ligt zowel de vooruitgang als de valstrik, want de plaats die zij zouden scheppen, was niet de plaats die de moslim voor zichzelf zou hebben gekozen, maar de plaats die het rijk voor hem geschikt achtte.
Igelström klom in de decennia na 1753 langzaam op in de rangen. Hij was een bekwaam officier zonder de flamboyantie van de grote hovelingen, een man die zijn opdrachten uitvoerde en dat goed deed, het type dienaar dat een rijk nodig heeft in grotere getale dan het genieën nodig heeft. Zijn kans om zich te bewijzen kwam met de oorlog die in 1768 uitbrak tussen Rusland en het Ottomaanse Rijk, de oorlog die het lot van de Krim en van miljoenen moslims zou bepalen en die voor Igelström de leerschool werd waar hij het handwerk leerde dat hij later in Oefa zou verfijnen.
De Turkse oorlog als leerschool
De Russisch-Turkse Oorlog van 1768 tot 1774 was een van de beslissende conflicten van de achttiende eeuw. Zij bracht de twee grote landmachten van Oost-Europa tegenover elkaar, het christelijke Rusland van Catharina en het islamitische Ottomaanse Rijk van de sultan die zich kalief van de gelovigen noemde, en zij eindigde met een Russische overwinning die de machtsverhouding aan de Zwarte Zee voorgoed verschoof. Voor Igelström was zij de oorlog waarin hij zijn sporen verdiende.
Zijn meest genoemde wapenfeit uit deze jaren was de inname van de vesting Akkerman in 1770. Akkerman, aan de monding van de Dnjestr, was een van de Ottomaanse steunpunten aan de noordelijke Zwarte Zee, en de verovering ervan was een van de vele stappen waarmee het Russische leger de Ottomaanse greep op de noordkust losweekte. Het was geen roemruchte veldslag die in de liederen zou worden bezongen, maar het soort methodische, geduldige krijgsverrichting waarin Igelström uitblonk: de belegering, de inpassing, de vestiging van gezag over veroverd gebied. Hij was geen veroveraar die door de geschiedenis raast; hij was een man die neemt wat genomen moet worden en het vervolgens ordent.
Wat Igelström in deze jaren van nabij zag, was de omvang van het vraagstuk waarvoor het rijk zich gesteld zag. Elke veroverde vesting, elk ingelijfd district bracht bevolkingen onder de tsaar die haar eigen geloof, haar eigen recht en haar eigen geestelijkheid hadden, en die niet zomaar in de bestaande orde van het rijk pasten. Aan de noordelijke Zwarte Zee, in de gebieden die het Russische leger op de Ottomanen en hun bondgenoten veroverde, woonden moslims wier band met Constantinopel eeuwenoud was. Men kon hen doden of verdrijven, maar dan verloor men de bevolking die het land bewerkte en de belasting opbracht. Men kon hen bekeren, maar dat was tweehonderd jaar geprobeerd en het was mislukt. Of men kon hen besturen zoals zij waren, als moslims, en een manier vinden om hun geloof in te passen in de orde van het rijk in plaats van ertegen te vechten. Het was deze derde weg die zich langzaam aftekende in het denken van de Russische bestuurders, en Igelström was een van de mannen die haar zouden inslaan.
Juist die tweede vaardigheid, het ordenen van het veroverde, is wat Igelström onderscheidt van de gewone generaal, en het is de vaardigheid die dit thema aangaat. Een leger kan een vesting nemen; dat is een kwestie van kanonnen en manschappen. Maar wat doet men met de bevolking die achter de muren woont, met haar moskeeën en haar geestelijken, met haar recht en haar gewoonten? Daar begint het besturen, en daar begon Igelström te leren wat later zijn levenswerk zou worden. In de oorlogsjaren zag hij van nabij hoe een christelijk rijk moslimbevolkingen inlijfde, en hij zag ook, want hij was een opmerkzaam man, dat de oude methode van breken en bekeren niet werkte. Zij maakte vijanden waar het rijk onderdanen nodig had. Zij kostte bloed en geld en leverde onrust op. Er moest een andere manier zijn.
De oorlog eindigde in 1774 met de Vrede van Küçük Kaynarca, een verdrag dat voor de geschiedenis van de islam onder Russisch gezag van grote betekenis was. Het verklaarde het Krim-khanaat, dat drie eeuwen lang een vazal en bondgenoot van de Ottomaanse sultan was geweest, tot onafhankelijke staat, los van Constantinopel. Op papier was dit een geschenk van vrijheid aan de moslims van de Krim. In werkelijkheid was het de eerste stap naar hun inlijving, want een khanaat dat niet langer onder de bescherming van de kalief stond, was een khanaat dat rijp was voor de Russische greep. De sultan behield in het verdrag een schaduw van religieus gezag over de Krim-Tataren als kalief van de gelovigen, maar de politieke werkelijkheid was verschoven, en iedereen die de kaart las, begreep waarheen zij verschoof.
Voor Igelström was de vrede van 1774 het einde van zijn eerste grote leerschool en het begin van zijn eigenlijke loopbaan. Hij had de oorlog gediend; nu wachtte hem de vrede, en de vrede bracht een probleem dat groter was dan enige veldslag: het probleem van de miljoenen moslims die het rijk aan het verwerven was en die het op de een of andere manier zou moeten besturen. Het was een probleem waarmee Rusland al twee eeuwen worstelde, en om te begrijpen welke keuze Catharina zou maken, en welke rol Igelström daarin zou spelen, moeten wij terug naar het begin van die twee eeuwen, naar de val van een stad aan de Wolga in het jaar 1552.
Kazan en twee eeuwen dwang
In 1552 nam tsaar Ivan IV, die de geschiedenis de Verschrikkelijke zou noemen, de stad Kazan in. Kazan was de hoofdstad van een islamitisch khanaat, een erfgenaam van de Gouden Horde, een stad van moskeeën en madrassa’s en van een Tataarse cultuur die al eeuwen oud was toen de Russische legers voor haar muren verschenen. De val van Kazan was niet alleen een militaire gebeurtenis. Zij was het begin van iets nieuws in de geschiedenis: de onderwerping van een grote islamitische bevolking aan een christelijke heerser die haar niet als bondgenoot of vazal behandelde, zoals de Ottomanen hun christelijke onderdanen behandelden, maar als een volk dat bekeerd moest worden.
Wat volgde op de verovering was tweehonderd jaar van wisselende maar telkens terugkerende dwang. De moskeeën van Kazan werden na de inname verwoest of in kerken veranderd. De moslims werden uit de stad zelf verdreven naar de voorsteden en de dorpen. In de eeuwen daarna volgden golven van bekeringsdrang, waarin de staat en de kerk samenwerkten om de Tataren en de andere moslimvolken van de Wolga tot het orthodoxe christendom te brengen, nu eens met beloften van belastingvrijstelling en land, dan weer met openlijke dwang. Wie zich liet dopen, kreeg voordelen; wie moslim bleef, droeg de lasten. Het was een politiek van geleidelijke uitputting, bedoeld om de islam van de Wolga langzaam te laten verdampen onder de druk van het voordeel en de vervolging.
Deze dwang was niet louter de wildgroei van een enkele ijverige bisschop; zij was geïnstitutionaliseerd. In 1740, in de regering van keizerin Anna, richtte het rijk een eigen bureau op voor de bekering, gevestigd in een klooster bij Kazan, met de taak de doop onder de moslims en de heidenen van de Wolga te bevorderen. Het werkte met de twee middelen die de bekeringspolitiek altijd heeft gehanteerd: het voordeel en de dwang. Wie zich liet dopen, kreeg geld, goederen, belastingvrijstelling en soms vrijstelling van de recrutering; wie moslim bleef, droeg de lasten die de bekeerlingen niet langer droegen, zodat de last van de gemeenschap zwaarder woog naarmate zij kleiner werd. En waar het voordeel niet volstond, kwam de dwang: er zijn klachten bewaard van dorpen die vertellen hoe de geestelijkheid hen sloeg en tegen hun wil doopte. Tegen het midden van de eeuw waren op deze wijze honderdduizenden moslims en heidenen tot het orthodoxe christendom gebracht, althans op papier, want een groot deel van hen keerde bij de eerste gelegenheid terug tot de islam, in het geheim of openlijk, zodra de druk verminderde.
Het hoogtepunt van deze dwang viel in de jaren veertig van de achttiende eeuw, in de regering van keizerin Elizabeth, en het kreeg een gezicht in de persoon van Luka Konasjevitsj, de orthodoxe bisschop van Kazan. Onder zijn leiding werd een campagne gevoerd die zelfs naar de maatstaven van de tijd hardhandig was. Moskeeën werden bij honderden gesloopt. Volgens de gangbare telling werden in het Kazan-gebied binnen enkele jaren meer dan vierhonderd van de ruim vijfhonderd moskeeën verwoest, een cijfer dat, ook wanneer men het met de nodige voorzichtigheid hanteert, spreekt van een verwoesting op een schaal die de islamitische gemeenschap van de Wolga in haar wortels raakte. Tegelijk werd de druk om zich te laten dopen opgevoerd, werden gedoopte en niet-gedoopte families uiteengedreven, en werd de islamitische geleerdentraditie, de overdracht van kennis van leraar op leerling die de ruggengraat van elke moslimgemeenschap vormt, systematisch belemmerd.
De dwang bleef niet zonder antwoord, en het antwoord was bloedig. De Basjkieren van de zuidelijke Oeral, een moslimvolk dat zich bij de aansluiting bij Rusland zijn rechten op zijn eigen land verzekerd waande, kwamen in de achttiende eeuw meermaals in opstand tegen de aantasting van die rechten en van hun geloof, en de grootste van die opstanden, die van de jaren 1735 tot 1740, werd met een strafcampagne neergeslagen waarin opstandige dorpen werden uitgemoord, bewoners tot slaaf werden gemaakt en gedwongen gedoopt. Zo zag de oude methode eruit in de praktijk: niet alleen de gesloopte moskee en de doopvont, maar ook de strafexpeditie en het uitgemoorde dorp. Het is deze geschiedenis, met haar bureaus en haar bisschoppen en haar strafcampagnes, die de achtergrond vormt waartegen Catharina’s latere zachtheid zou schitteren, en het is deze geschiedenis die verklaart waarom die zachtheid zo welkom was en tegelijk zo weinig kostte.
Het is belangrijk om hier eerlijk te zijn over wat dit betekende, want zonder dat begrijpt men de rest van dit verhaal niet. De moslims van de Wolga, de Tataren die Kazan hadden bewoond en de Basjkieren van de zuidelijke Oeral, leefden onder een regime dat hun geloof als een probleem behandelde dat opgelost moest worden. Hun moskeeën waren niet veilig. Hun geleerden ﵀ konden hun kennis niet in vrijheid doorgeven. Hun kinderen konden worden weggetrokken naar de doopvont met beloften of dreigementen. Dit was geen incident en geen uitwas; dit was, met onderbrekingen, het beleid van tweehonderd jaar. En toch bleef de islam. De gemeenschap trok zich terug in de dorpen, bewaarde haar geloof van borst tot borst en van vader op zoon, hield haar geleerden in ere ook toen die geen madrassa meer mochten hebben, en overleefde. Dat is het feit dat aan de andere kant van de balans staat, en dat wij niet mogen vergeten wanneer wij straks over Catharina’s “verlichting” spreken.
Want juist deze eeuwen van dwang zijn de achtergrond waartegen het beleid dat komen zou, zal schitteren. Wie de moskeeverwoestingen van Konasjevitsj heeft gezien, zal het edict van tolerantie dat Catharina in 1773 uitvaardigde ervaren als een bevrijding, als het einde van een lange nacht. En dat was het, in zekere zin, ook. De moskeeën werden weer opgebouwd; de doopcampagnes hielden op; de islam mocht weer bestaan. Maar de vraag die dit thema stelt, is niet of het licht dat Catharina bracht helderder was dan de duisternis die eraan voorafging, want dat was het onmiskenbaar. De vraag is wat er verborgen zat in de aard van dat licht. En om die vraag te kunnen stellen, moesten wij eerst de duisternis kennen.
Aan de vooravond van een ander beleid
Toen de oorlog met de Ottomanen in 1774 eindigde, stond het Russische rijk aan de vooravond van een keuze die het al twee eeuwen voor zich uit had geschoven. De oude methode, die van Ivan en Elizabeth en Konasjevitsj, de methode van breken en bekeren, had gefaald. Zij had de islam niet uitgeroeid; zij had haar verhard en vervijandigd. En nu, met de vrede van Küçük Kaynarca, stond het rijk op het punt zijn moslimbevolking niet te verkleinen maar te vergroten, want de Krim en haar Tataren lagen binnen bereik, en achter de Krim wenkten de eindeloze steppen met hun nomadische moslimvolken. Het rijk zou moslims moeten besturen op een schaal die het nooit eerder had gekend, en het kon dat niet doen met de kanonnen van Konasjevitsj.
Catharina de Grote begreep dit. Zij was een vrouw van de Verlichting, een lezer van de Franse wijsgeren, een heerseres die haar reputatie als verlicht vorstin zorgvuldig cultiveerde, en zij zag in dat de oude religieuze dwang niet alleen wreed was maar bovenal onpraktisch. Een rijk bestuurt zijn onderdanen niet goed door hun geloof te breken; het bestuurt hen goed door hun geloof te ordenen op een manier die het bestuur dient. Dat inzicht, zo nuchter en zo redelijk klinkend, is het zaad waaruit alles voortkomt wat in de volgende artikelen wordt verteld. Het is het inzicht dat de valse spiegel zou laten glimlachen.
Want hier ligt het hart van deze periode, en het is goed het nu al te benoemen, aan het begin, zodat de lezer het door de volgende artikelen kan meedragen. Tolerantie kan een deugd zijn, geboren uit eerbied voor het geweten van de ander. Maar tolerantie kan ook een instrument zijn, geboren uit de berekening dat een gelicentieerde godsdienst bestuurbaar is en een vrije godsdienst niet. De eerste tolerantie ziet de moslim als een mens met een geloof dat gerespecteerd verdient te worden. De tweede tolerantie ziet de moslim als een onderdaan met een geloof dat georganiseerd moet worden. Vanbuiten lijken zij op elkaar; beide bouwen moskeeën in plaats van ze te slopen. Maar hun wortels zijn verschillend, en die verschillende wortels dragen na verloop van tijd verschillende vruchten.
Men moet Catharina hierin geen huichelarij verwijten, want dat zou de zaak te gemakkelijk maken en het thema karikaturiseren. Zij loog niet wanneer zij zei dat zij de vervolging afkeurde; zij keurde haar werkelijk af, zowel omdat zij wreed was als omdat zij dom was, en in de geest van de Verlichting die zij bewonderde, waren wreedheid en domheid nauw verwant. Haar tolerantie was oprecht in de zin dat zij de moskeeën werkelijk liet bouwen en de vervolging werkelijk staakte. Het punt van dit thema is niet dat zij loog, maar dat haar oprechtheid en haar berekening in hetzelfde beleid samenvielen, zodat men ze niet uit elkaar kan halen. Zij meende het goed én zij bedoelde het nuttig, en juist die samenval maakt de valse spiegel zo moeilijk te doorzien. Een openlijke vervolger herkent men meteen; een glimlachende weldoener die intussen de teugels aanhaalt, herkent men pas veel later, als de teugels al vastzitten.
Igelström, de Baltische baron, de man zonder eigen staat die de staat van een ander diende met de trouw van zijn stand, was bij uitstek geschikt om het instrument van de tweede tolerantie te smeden. Hij had geen theologische hartstocht die hem zou drijven de islam te breken; hij had ook geen religieuze eerbied die hem zou weerhouden haar te ordenen. Hij had de nuchtere blik van de bestuurder voor wie een godsdienst een gegeven is dat men moet inpassen in de orde van het rijk. In de oorlog had hij geleerd te nemen en te ordenen. In de jaren die kwamen, zou hij dat wat hij op de slagvelden had geleerd, toepassen op de moeilijkste materie van alle: het geloof van miljoenen mensen.
Zijn eerste grote opdracht wachtte in het zuiden, op het schiereiland dat drie eeuwen lang het hart van een moslimvolk was geweest, waar de laatste khan van een oud geslacht op zijn troon zat en niet wist dat de man die hem gevangen zou nemen al onderweg was. Naar de Krim, en naar Şahin Giray, gaat het volgende artikel.
Bronnen
- Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia, Harvard University Press (2006)
- Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968)
- Charles Steinwedel, Threads of Empire: Loyalty and Tsarist Authority in Bashkiria, 1552–1917, Indiana University Press (2016)
- Danielle Ross, Tatar Empire: Kazan’s Muslims and the Making of Imperial Russia, Indiana University Press (2020)
- Museum-digital, biografisch lemma “Iosif Igelström (1737–1823)”
- Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007)
