InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Krim en de laatste khan

De Krim en de laatste khan

OriëntalismeIosif Igelström

De Krim en de laatste khan

De Krim en de laatste khan

1784, Bachtsjysarai

Het vorige artikel liet Igelström achter aan de vooravond van zijn eigenlijke loopbaan. De oorlog met de Ottomanen was in 1774 geëindigd met de Vrede van Küçük Kaynarca, die het Krim-khanaat op papier onafhankelijk verklaarde van Constantinopel, en de Baltische baron had in die oorlog het handwerk van het besturen geleerd: niet alleen nemen, maar het genomene ordenen. Nu wachtte hem de opdracht waarin hij dat handwerk voor het eerst op grote schaal zou toepassen, en waarin hij de methode zou beproeven die hij later in Oefa tot een instituut zou maken. De opdracht lag in het zuiden, op een schiereiland dat drie eeuwen lang het hart van een moslimvolk was geweest, en zij droeg de naam van een man: Şahin Giray, de laatste khan van de Krim.

Dit artikel vertelt hoe een oud khanaat verdween en hoe een nieuw soort heerschappij ervoor in de plaats kwam. Het is het machtsverhaal van deze periode op zijn kaalst, zonder de omhulling van gedrukte Korans of geestelijke vergaderingen die de volgende artikelen zullen brengen. Hier is de spiegel nog niet aan het glimlachen; hier laat zij eerst haar tanden zien. Maar juist in deze naakte machtsuitoefening leerde Igelström iets wat hij zou onthouden, iets wat de latere zachtheid mogelijk maakte: dat men een volk niet hoeft te breken om het te bezitten, en dat het inpassen van zijn instellingen duurzamer is dan het verwoesten ervan. De verovering van de Krim was daarmee niet alleen het einde van een oud khanaat, maar ook de leerschool waarin de bestuurder de methode beproefde die hij tot een instituut zou verheffen. Wie wil begrijpen hoe het apparaat van Oefa kon ontstaan, moet eerst zien hoe zijn ontwerper op de Krim het handwerk leerde, en daarom is dit verhaal van de laatste khan tegelijk het verhaal van de eerste stap naar de staatsgestuurde islam.

Het khanaat en de kalief

Om te begrijpen wat er in de jaren tachtig van de achttiende eeuw op de Krim verloren ging, moet men weten wat de Krim was geweest. Het Krim-khanaat was een van de laatste erfgenamen van de Gouden Horde, het grote Mongoolse en Turkse rijk dat eeuwenlang de steppen van Oost-Europa had beheerst. Toen de Horde uiteenviel, bleef op het schiereiland aan de Zwarte Zee een khanaat over dat werd geregeerd door het geslacht der Giray, een dynastie die haar afstamming terugvoerde op Djengis Khan en die zich met recht kon beschouwen als een van de oudste en aanzienlijkste heersershuizen van de moslimwereld.

Het khanaat was geen randverschijnsel in de geschiedenis van Oost-Europa maar een macht waarmee eeuwenlang rekening moest worden gehouden. Vanaf de steppe voerden de Krim-Tataren hun strooptochten uit tot diep in de Poolse en Russische landen, en de gevangenen die zij meevoerden, voedden een slavenhandel die de havens van de Zwarte Zee tot centra van rijkdom maakte. Meer dan eens hadden de khans de Russische vorsten schatting afgedwongen; nog in de zestiende eeuw hadden zij Moskou zelf in brand gestoken. Dat een macht die eeuwenlang de schrik van de Russische steden was geweest, in het bestek van één mensenleven tot een provincie van datzelfde Rusland werd, is een van de grote omwentelingen van de vroegmoderne geschiedenis, en de tijdgenoten beseften dat terdege. De val van de Krim was niet de ondergang van een onbeduidend vorstendom; het was het einde van een wereld die eeuwen had geduurd.

Het khanaat was islamitisch tot in zijn wortels. Bachtsjysarai, de hoofdstad, was een stad van moskeeën en madrassa’s, met een paleis waarvan de fonteinen en de binnenhoven de fijnzinnigheid van de islamitische bouwkunst weerspiegelden. De Krim-Tataren waren moslims sinds eeuwen, en hun geloof was niet een dun laagje over een oudere cultuur maar het weefsel van hun samenleving zelf. Hun rechtspraak, hun onderwijs, hun kalender, hun feesten, hun begrip van eer en gemeenschap: dit alles was doortrokken van de islam zoals die in de Turkse wereld gestalte had gekregen.

De prestige van het geslacht der Giray was in de wereld van de steppe onovertroffen. Alleen wie van Djengis Khan afstamde, kon in die wereld met recht de titel van khan dragen, en de Giray konden dat; zij behoorden tot de weinige dynastieën die het bloed van de grote veroveraar in zich droegen, en dat maakte hun aanzien groter dan hun feitelijke macht. In de rangorde van de moslimvorsten die aan de Ottomaanse sultan schatplichtig waren, namen de Krim-khans een bijzondere plaats in: men zei dat, mocht het huis van Osman ooit uitsterven, het huis van Giray de aanspraak op de opvolging bezat. Zo verbond het khanaat de wereld van de oude steppe, de wereld van de Horde en de nomadische krijgers, met de wereld van de gevestigde islam, de wereld van de moskee en de madrassa en de kalief.

En het khanaat stond niet alleen. Sinds de vijftiende eeuw, sinds het jaar 1475, was het een vazal en bondgenoot van het Ottomaanse Rijk, en de sultan in Constantinopel was niet zomaar een bondgenoot: hij was de kalief, de drager van het hoogste religieuze gezag in de soennitische wereld, de beschermer van de heilige steden Mekka en Medina. Voor de Krim-Tataren betekende de band met de Ottomaanse kalief dat zij deel uitmaakten van de grote gemeenschap van de gelovigen, de oemma, die de Profeet ﷺ had gesticht en die de grenzen van elk afzonderlijk rijk overschreed. Zij waren geen geïsoleerd volkje aan de rand van de wereld; zij waren een schakel in een keten die reikte van de steppe tot aan de Ka’bah.

Deze band met de kalief was precies wat de Vrede van Küçük Kaynarca in 1774 doorsneed, en het is de moeite waard te zien hoe listig die operatie werd uitgevoerd. Het verdrag verklaarde de Krim niet tot Russisch bezit; dat zou te openlijk zijn geweest, een te naakte roof. Het verklaarde de Krim tot onafhankelijke staat, los van de Ottomaanse sultan. In naam was dit een geschenk van vrijheid: de Krim-Tataren werden bevrijd van hun onderwerping aan Constantinopel. In werkelijkheid was het de verwijdering van de enige beschermer die hen tegen Rusland had kunnen behoeden. Een khanaat onder de bescherming van de kalief was een khanaat dat Rusland niet zomaar kon inlijven zonder de hele islamitische wereld tegen zich in het harnas te jagen. Een onafhankelijk khanaat, daarentegen, was een vrucht die alleen nog geplukt hoefde te worden. De sultan behield in het verdrag een schaduw van geestelijk gezag over de Krim-Tataren als kalief, maar de politieke muren waren geslecht, en achter die muren stond Rusland te wachten.

De afgezette hervormer

Op de troon van dit verzwakte khanaat zat een opmerkelijke man. Şahin Giray, geboren in 1745 te Edirne, was geen doorsnee steppevorst. Hij had een westerse opvoeding genoten, had gestudeerd in Venetië, sprak behalve het Krim-Tataars en het Ottomaans-Turks ook Italiaans en Grieks, en hij droeg de eerzucht van een hervormer. Toen hij khan werd, wilde hij van zijn khanaat een moderne staat maken naar het voorbeeld dat hij in Europa had gezien. Hij wilde het bestuur hervormen, de belasting gelijktrekken, het leger op nieuwe leest schoeien, en hij overwoog zelfs de religieuze minderheden van het schiereiland in het leger op te nemen en de hoofdstad van Bachtsjysarai naar Caffa te verplaatsen.

Er is iets aangrijpends aan de figuur van Şahin Giray, en het loont de moeite hem niet te haastig te beoordelen. Hij was, op zijn manier, een spiegelbeeld van Catharina zelf: een heerser van de Verlichting, een bewonderaar van het Europese voorbeeld, een vorst die geloofde dat men een samenleving van bovenaf kon hervormen naar de eisen van de rede. Wat de keizerin voor haar reusachtige rijk deed, wilde de khan voor zijn kleine schiereiland doen. Maar wat de macht Catharina veroorloofde, ontzegde de onmacht aan Şahin Giray. Zij kon hervormen omdat zij sterk was; hij verzwakte door te hervormen omdat hij zwak was. En de tragedie werd compleet doordat dezelfde keizerin die hem als hervormer had kunnen bewonderen, hem als instrument gebruikte en als last afdankte. De Verlichting die de een tot de Grote maakte, maakte de ander tot de laatste, en het verschil lag niet in hun inzicht maar in hun macht.

De tragiek van Şahin Giray is dat zijn hervormingen hem niet sterker maar zwakker maakten. Zijn plannen wekten het verzet van de adel en van de geestelijkheid, die in zijn vernieuwingen een bedreiging zagen van de oude orde waarop hun gezag rustte. In 1777 brak een opstand tegen hem uit, en hij kon zich alleen op zijn troon handhaven met Russische militaire hulp, die hem in 1778 herstelde. Daarmee was het lot van het khanaat bezegeld, want een khan die alleen door vreemde bajonetten overeind blijft, is geen heerser meer maar een gijzelaar. Şahin Giray dacht Rusland te gebruiken om zijn hervormingen door te drukken; in werkelijkheid gebruikte Rusland hem om het khanaat rijp te maken voor de val. Zijn moderniseringsdrang, die in een vrije staat een zegen had kunnen zijn, werd in een omsingelde staat het breekijzer waarmee de eigen fundamenten werden losgewrikt.

Hier ligt een pijnlijke les die dit thema niet mag verzwijgen, en zij snijdt naar twee kanten. Şahin Giray was in veel opzichten een man vooruit op zijn tijd, een moslimvorst die de moderniteit omarmde, en men zou geneigd zijn met hem mee te voelen tegenover de behoudende krachten die hem tegenwerkten. Maar zijn tragedie toont ook dat hervorming die van bovenaf en tegen de gemeenschap in wordt opgelegd, en die steunt op vreemde macht, de gemeenschap niet versterkt maar ontwortelt. De geestelijkheid en de adel die hem tegenwerkten, waren niet louter reactionair; zij verdedigden ook een orde die het volk herkende als de zijne, tegen een vorst die steeds meer op vreemde steun leunde. Toen die vreemde steun eenmaal binnen was, bleef zij, en zij bleef niet voor de khan maar voor zichzelf.

De gevangen khan

De burgeroorlog en de aanhoudende onrust op de Krim gaven Catharina de aanleiding die zij zocht. Aan het hof was de drijvende kracht achter de inlijving vorst Grigori Potjomkin, de machtigste man in Catharina’s nabijheid, die haar aan het einde van 1782 voorhield dat de verwerving van de Krim het rijk vrede en rust zou brengen en die de veroveringsdaad zelf op zich nam. Op 8 april 1783, naar de oude Russische kalender, tekende de keizerin het manifest dat het schiereiland, samen met Taman en de Koeban, aan haar rijk toevoegde en er de nieuwe provincie Taurië van maakte, met Potjomkin als bestuurder ervan; voor die dienst zou hij de eretitel dragen die naar het geannexeerde land verwees. Zo werd het khanaat dat drie eeuwen had bestaan, met een pennenstreek een Russische provincie.

Şahin Giray was in datzelfde jaar reeds onttroond, en de laatste khan van de Krim stemde in met de inlijving van zijn eigen rijk; het was de laatste vernedering van een man die had gedroomd van vernieuwing en die eindigde als de ondertekenaar van de opheffing van zijn troon. Generaties van de Giray, de erfenis van de Gouden Horde, drie eeuwen van een islamitische staat aan de Zwarte Zee, werden opgenomen in het rijk van de tsarina.

Het manifest van 1783 bevatte een belofte die voor dit thema van het grootste belang is, want zij is de valse spiegel in één zin. De keizerin beloofde dat de Krim-Tataren gelijkgesteld zouden worden aan haar geboren onderdanen, en dat hun personen, hun eigendom, hun gebedshuizen en hun voorvaderlijke geloof beschermd en verdedigd zouden worden. Men leze die woorden goed, want zij zijn oprecht en berekend tegelijk. Oprecht, omdat zij geen loze belofte waren: de moskeeën werden inderdaad niet gesloopt, het geloof werd inderdaad niet vervolgd, en na de twee eeuwen van Kazan was dat een werkelijke ommekeer. Berekend, omdat de bescherming van het geloof hier niet uit eerbied voor het geloof voortkwam maar uit de wens de nieuwe onderdanen rustig te houden. Het rijk beloofde de islam te beschermen in hetzelfde adem waarin het de islamitische staat ophief. Het nam het khanaat en het spaarde de moskee, en het deed beide om dezelfde reden: de duurzaamheid van zijn heerschappij.

Het was in het jaar daarop, in 1784, dat Igelström het bevel voerde over de Russische troepen op het schiereiland en de laatste khan gevangennam. Şahin Giray, die had gedacht dat zijn samenwerking met Rusland hem een plaats zou verzekeren, ontdekte dat een afgezette vorst voor het rijk geen bondgenoot meer is maar een risico. Vier jaar lang werd hij door de Russen vastgehouden. Herhaaldelijk richtte hij verzoeken aan Catharina om hem vrij te laten, de smeekbeden van een man die zijn eigen troon had helpen afbreken en die nu ontdekte dat de slopers geen plaats hadden ingeruimd voor de eigenaar.

Er is in de gevangenschap van Şahin Giray een pijnlijke logica die de aard van de macht onthult. Zolang hij op zijn troon zat, was hij nuttig, want zijn instemming gaf aan de inlijving een schijn van wettigheid; een khan die zijn eigen rijk overdroeg, was meer waard dan een rijk dat men eenvoudig veroverde. Maar zodra de overdracht voltrokken was, veranderde zijn waarde in een gevaar. Een levende khan, ook een afgedankte, was een naam waaromheen ontevredenen zich konden scharen, een mogelijk brandpunt van verzet, een herinnering aan de staat die niet meer bestond. Het rijk had geen belang meer bij hem; het had alleen nog belang bij zijn onschadelijkheid. En zo werd de man die had gemeend een partner van Rusland te zijn, ontdekt dat hij nooit een partner was geweest maar een instrument, en dat een instrument wordt weggelegd zodra het zijn dienst heeft gedaan.

Het einde van zijn verhaal is even bitter als de rest. In 1787 liet de keizerin hem eindelijk gaan. Şahin Giray reisde naar Ottomaans gebied, naar Edirne, de stad van zijn geboorte, in de hoop bij de sultan een toevlucht te vinden. Maar de sultan zag in hem geen vervolgde geloofsgenoot; hij zag een verrader die zijn khanaat aan de ongelovigen had overgedragen, en een mogelijke rivaal bovendien. Şahin Giray werd gearresteerd, naar het eiland Rhodos gebracht en daar in datzelfde jaar op bevel van de sultan terechtgesteld. Zo eindigde de laatste khan van de Krim: verstoten door de macht die zijn rijk had ingenomen en gedood door de macht die zijn rijk had moeten beschermen, gevangen tussen twee heerschappijen die beide geen plaats voor hem hadden.

Het is verleidelijk om Şahin Giray een gesprek in de mond te leggen, een laatste woordenwisseling met de baron die hem gevangennam of met de keizerin die hem eerst vasthield en toen losliet. Maar de bronnen geven zulke woorden niet, en dit thema legt geen woorden in de mond van een tragische figuur enkel om de vertelling te verlevendigen. Wat wij weten is genoeg, en het spreekt voor zichzelf: een man die de moderniteit omarmde, die zijn volk wilde vernieuwen, en die eindigde als de gevangene van de een en het slachtoffer van de ander. Zijn dood is het grafschrift van het Krim-khanaat, en het is tegelijk een waarschuwing over de aard van de vrijheid die het verdrag van 1774 had beloofd. De “onafhankelijkheid” die de Krim in dat jaar kreeg, eindigde in de annexatie van het schiereiland en de terechtstelling van zijn laatste khan. Zo veel was die vrijheid waard. Het is een les die dit thema telkens opnieuw onder ogen ziet: dat de vrijheid die een grote macht aan een kleine gemeenschap schenkt, maar al te vaak de vrijheid is om ingelijfd te worden, en dat een geschenk uit de hand van wie de macht bezit, gewogen moet worden naar wat de gever ermee wint en niet naar wat het op het eerste gezicht lijkt te bieden.

Inpassen in plaats van breken

Nu komt het deel van dit verhaal dat voor het thema het meest wezenlijk is, want het gaat niet over de val van het khanaat maar over wat Rusland daarna deed. Men zou verwachten dat de inlijving van de Krim gepaard ging met de oude methode, de methode van Kazan: moskeeën slopen, de geestelijkheid vervolgen, de bevolking onder druk zetten om zich te bekeren. Dat was immers hoe het rijk twee eeuwen lang met veroverde moslims was omgegaan. Maar dat gebeurde niet, en dat het niet gebeurde, is het teken dat er iets was veranderd in de manier waarop Rusland zijn moslims dacht te besturen.

De moskeeën van de Krim bleven staan. De islamitische geestelijkheid werd niet vervolgd maar, waar mogelijk, ingepast: erkend, soms op salaris genomen, opgenomen in de bestuurlijke orde van het rijk in plaats van eruit verdreven. De islamitische rechtspraak, het onderwijs, de gewoonten van de Krim-Tataren werden grotendeels met rust gelaten, zolang zij het Russische gezag niet uitdaagden. In plaats van de instellingen van het khanaat te verwoesten, nam het rijk ze over, zoals men een gebouw overneemt in plaats van het te slopen: men verandert de eigenaar en laat de muren staan. Dit was, volgens de historicus Robert Crews die deze geschiedenis heeft beschreven, de kern van de nieuwe methode, en Igelström was een van de voornaamste architecten van de bestuurlijke inpassing van het khanaat.

Deze methode had bovendien een voorgeschiedenis en een instrument waarop zij kon voortbouwen. Al vóór de val van de Krim had het rijk ontdekt dat de Tataarse moslims van de Wolga, met hun geleerdheid en hun handelsnetwerken, nuttige tussenpersonen konden zijn in de omgang met de andere moslimvolken van het rijk. Het was makkelijker een Kazachse nomade of een Krim-Tataar te bereiken via een Tataarse geleerde die zijn taal en zijn geloof deelde dan via een Russische ambtenaar die geen van beide kende. Zo werd de ene moslimgemeenschap ingezet om de andere te besturen, en werd de geleerde ﵀ die zijn kennis had verworven om zijn gemeenschap te dienen, tot een schakel in de bestuurlijke keten van het rijk. Op de Krim werd dit patroon toegepast en verfijnd, en het zou, zoals wij zullen zien, de kern worden van het apparaat dat Igelström in Oefa bouwde: niet de moslim onderdrukken met vreemde macht, maar hem besturen met de hulp van zijn eigen geleerden, die op salaris van het rijk kwamen te staan.

Men moet eerlijk zijn over wat dit betekende voor de gewone moslim van de Krim, en de eerlijkheid snijdt ook hier naar twee kanten. Voor de Krim-Tataar die zich zijn overgrootvaders verhalen over Kazan herinnerde, over de gesloopte moskeeën en de gedwongen dopen, moet de zachtheid van de Russische inlijving een opluchting hebben geleken. Zijn moskee bleef staan; zijn imam werd niet vervolgd; hij kon blijven bidden en vasten en zijn kinderen de Koran laten leren. Vergeleken met wat de moslims van de Wolga twee eeuwen eerder was overkomen, was dit een milde bezetting. En toch, en hier ligt de kern die dit hele thema draagt, was het een bezetting, en de zachtheid ervan was geen zachtheid van eerbied maar van berekening.

Want waarom liet het rijk de moskeeën staan en nam het de imams op salaris? Niet omdat het de islam was gaan liefhebben, en niet omdat het tot inkeer was gekomen over de wreedheden van Konasjevitsj. Het liet de moskeeën staan omdat een moskee die staat, bestuurbaar is, en een moskee die is gesloopt, een bron van haat wordt. Het nam de imams op salaris omdat een imam op salaris een imam is die van het rijk afhankelijk is, en een afhankelijke imam is een imam die zich wel tweemaal bedenkt voor hij tegen het rijk preekt. Wat eruitzag als eerbied voor de islam, was in werkelijkheid de ontdekking dat men de islam beter kan besturen door haar in te pakken dan door haar te breken. De ijzeren vuist van Konasjevitsj had gefaald; de fluwelen handschoen van Igelström zou slagen.

De melancholie van een verdwenen wereld

Achter de nuchtere taal van manifesten en annexaties gaat een verlies schuil dat de nuchtere taal niet vat, en het is goed daar even bij stil te staan voordat wij verdergaan, want een geschiedenis die alleen de machtsverhoudingen telt en niet de wereld ziet die daarbij verdwijnt, is een halve geschiedenis. Wat op de Krim ten onder ging, was niet slechts een staat maar een beschaving in het klein: een eigen taal en dichtkunst, een eigen bouwstijl waarvan het paleis van Bachtsjysarai met zijn tuinen en zijn fontein tot vandaag getuigt, een eeuwenoud netwerk van moskeeën en madrassa’s, een geleerdentraditie ﵀ die de Krim verbond met de grote scholen van de moslimwereld, een manier van leven die de gemeenschap door drie eeuwen had gedragen. Dat alles werd niet in één klap vernietigd, want de moskeeën bleven staan, maar het werd van zijn hart beroofd. Een moskee zonder de staat waarvan zij het gebedshuis was, is nog een moskee, maar zij staat anders in de wereld; zij is niet langer het hart van een gemeenschap die zichzelf bestuurt, maar een gedoogde plaats binnen het rijk van een ander.

In de jaren na de inlijving begon bovendien de langzame uittocht die de Krim zou ontvolken van veel van haar Tataren. Voor talloze moslimgezinnen was het leven onder een christelijke heerser, hoe zacht de bezetting ook was, ondraaglijk, en zij verkozen de hidjra, de uittocht naar het gebied van de kalief, boven het verblijf in een verloren vaderland. Zij trokken over de zee naar de Ottomaanse landen, en zij lieten de dorpen en de akkers achter waar hun voorouders begraven lagen. Deze stille uittocht, die zich over generaties zou uitstrekken, is het menselijke gezicht van wat in de manifesten een annexatie heette. Het khanaat verdween niet alleen van de kaart; het verdween ook uit de harten die het niet konden verdragen het te overleven, en die liever alles achterlieten dan te blijven in een land dat niet langer het hunne was.

Dit verlies is de onderstroom van dit hele artikel, en het mag niet worden weggeredeneerd door de vaststelling dat de Russische bezetting milder was dan de campagnes van Kazan. Milder, ja. Maar milder is niet hetzelfde als goed, en een zachte hand die een volk zijn zelfbestuur ontneemt, blijft een hand die neemt. De melancholie van de Krim is de melancholie van elke gemeenschap die haar vrijheid verliest aan een macht die glimlacht terwijl zij neemt, en die de genomene verzekert dat alles bij het oude blijft, terwijl in werkelijkheid het diepste is veranderd: wie het laatste woord heeft over hoe men leeft en gelooft.

Wat de Krim voorspelde

Toen Igelström de Krim achter zich liet, nam hij een les mee die zijn verdere loopbaan zou bepalen en die, langs de lange weg van de geschiedenis, zou uitmonden in het beleid dat een eeuw later in een heel ander werelddeel de naam van een heel andere man zou dragen. De les was eenvoudig en onheilspellend in haar redelijkheid: men bezit een moslimvolk niet door zijn geloof te vernietigen maar door zijn geloof te organiseren. Laat de moskee staan, maar bepaal wie erin preekt. Laat de imam zijn ambt behouden, maar zorg dat hij zijn salaris uit uw hand ontvangt. Laat het gebed vrij, maar trek de grens waar het gebed tot politiek wordt, en trek die grens zelf.

Men kan de sluwheid van deze methode niet genoeg benadrukken, want zij keert de logica van de onderdrukking binnenstebuiten en maakt haar daardoor onzichtbaar. De oude onderdrukking was zichtbaar: de gesloopte moskee, de gedwongen doop, het uitgemoorde dorp. Iedereen kon zien wat er gebeurde, en iedereen kon het haten, en die haat werd de brandstof van het verzet. De nieuwe beheersing was onzichtbaar, want zij droeg het gelaat van de weldaad. De moskee die bleef staan, riep geen haat op maar dankbaarheid. De imam die zijn salaris ontving, voelde zich niet vervolgd maar bevoorrecht. En zo verdween de brandstof van het verzet, niet doordat de greep loser werd maar doordat de greep vriendelijker oogde. Een volk komt in opstand tegen een hand die het slaat; het komt zelden in opstand tegen een hand die het voedt, ook al is het dezelfde hand en dient zij hetzelfde doel. Dit is de diepste ontdekking van de Russische bestuurskunst in deze eeuw, en het is de ontdekking die dit thema de valse spiegel noemt: dat men een volk vaster kan binden met een weldaad dan met een wond.

Op de Krim was deze methode nog ruw en improviserend, een kwestie van praktische inpassing zonder een uitgewerkte leer erachter. Maar Igelström zou de kans krijgen haar te verfijnen, en de kans lag klaar. Nog in datzelfde jaar, 1784, werd hij op voordracht van vorst Potjomkin door Catharina benoemd tot gouverneur-generaal van Simbirsk en Oefa, de grote gouvernementen aan de oostgrens van het rijk waar de Wolga overgaat in de steppe en waar honderdduizenden Tataren en Basjkieren woonden. Daar, in het hart van het moslimland dat twee eeuwen lang het slachtoffer van de dwang was geweest, zou hij het instrument bouwen dat de zachte methode van de Krim tot een blijvend instituut zou maken.

Het is deze les, geleerd op de Krim en verfijnd in Oefa, die de lange schaduw werpt waaronder dit hele thema staat. Want wat Igelström in de sneeuw van het zuiden ontdekte, is in de kern dezelfde gedachte die een eeuw later, aan de andere kant van de wereld, de doctrine zou worden die de naam van Snouck Hurgronje draagt: dat men de islam het beste beheerst door haar godsdienstige kern te sparen en haar politieke kracht in te tomen, dat men de moslim vrijlaat in het gebed opdat hij gebonden zal zijn in de gehoorzaamheid. In Batavia zou die gedachte de Islam-politiek heten en zou zij worden onderbouwd met de geleerdheid van een oriëntalist. In Sint-Petersburg en Oefa droeg zij nog geen naam en had zij nog geen leer; zij was slechts de praktische wijsheid van een bestuurder die had geleerd dat de fluwelen handschoen verder reikt dan de ijzeren vuist. Maar het is dezelfde hand, en het is dezelfde greep, en de lezer die dit thema van het begin heeft gevolgd, herkent haar.

De inlijving van de Krim had het probleem alleen maar vergroot. Catharina had nu miljoenen nieuwe moslimonderdanen, en achter de Krim en achter de Wolga strekten zich de steppen uit met hun nomadische volken die nog aan het rijk gebonden moesten worden. De vraag was niet langer óf de islam bestuurd zou worden; die vraag was op de Krim beantwoord. De vraag was hoe, en op welke schaal, en met welk apparaat. Voordat Igelström dat apparaat zou bouwen, deed de keizerin echter een gebaar dat de aard van haar tolerantie blootlegde zoals geen decreet dat kon: zij liet, op staatskosten, in haar eigen hoofdstad de Koran drukken. Naar dat gebaar, en naar wat het betekent wanneer een imperium het heilige boek drukt van een geloof dat het niet belijdt, gaat het volgende artikel.

Bronnen

  • Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia, Harvard University Press (2006)
  • Alan W. Fisher, The Crimean Tatars, Hoover Institution Press (1978)
  • Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968)
  • Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007)
  • Museum-digital, biografisch lemma “Iosif Igelström (1737–1823)”

Sources

Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia, Harvard University Press (2006) Alan W. Fisher, The Crimean Tatars, Hoover Institution Press (1978) Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968) Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007) Museum-digital, biografisch lemma “Iosif Igelström (1737–1823)”