InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De keizerin en de gedrukte Koran

De keizerin en de gedrukte Koran

OriëntalismeIosif Igelström

De keizerin en de gedrukte Koran

De keizerin en de gedrukte Koran

1787, Sint-Petersburg

Het vorige artikel eindigde bij een groter geworden probleem. Met de inlijving van de Krim in 1783 en de gevangenneming van haar laatste khan door Igelström in 1784 had Catharina de Grote miljoenen nieuwe moslimonderdanen verworven, en op de Krim was de methode beproefd waarmee zij bestuurd zouden worden: niet breken maar inpassen, de moskee laten staan en de imam op salaris nemen. Maar voordat Igelström die methode tot een blijvend instituut zou maken, deed de keizerin zelf een gebaar dat de aard van haar tolerantie onthulde met een helderheid die geen bestuurlijk decreet kon evenaren. Zij liet, op keizerlijk bevel en op staatskosten, in haar eigen hoofdstad de Koran drukken.

Dit is het meest essayistische artikel van deze periode, en het draagt haar scherpste stelling. Want de gedrukte Koran van Sint-Petersburg is een van die zeldzame gebeurtenissen waarin een heel beleid zich in één beeld samenbalt. Een christelijk imperium, geregeerd door een keizerin die de Franse wijsgeren las en die zichzelf graag verlicht noemde, zette de heilige tekst van de islam in lood en liet haar bij twaalfhonderd exemplaren van de pers rollen, netter en correcter gedrukt dan waar ook ter wereld tot dan toe, en dat alles voor onderdanen wier geloof het rijk niet deelde en wier loyaliteit het rijk wilde winnen. Wat betekent zulk een gebaar? Is het eerbetoon of is het berekening? En kan het beide tegelijk zijn? Het is de eigenaardigheid van dit beeld dat het zich niet in één van beide categorieën laat opsluiten, en dat het juist in die weigering zijn onthullende kracht bezit. Dit artikel gaat over die vraag, want in het antwoord ligt de kern van wat dit thema de valse spiegel noemt, en hier, in Sint-Petersburg in 1787, glimlacht die spiegel voor het eerst.

Het edict van 1773

Het begon niet met de drukpers maar met een decreet. In 1773, nog voor de grote uitbreidingen in het zuiden, vaardigde Catharina een edict uit dat de geschiedenis kent als de “Verdraagzaamheid aller geloven”. Het decreet maakte een einde aan de vervolging van de islam die het rijk twee eeuwen lang met onderbrekingen had gevoerd. Het stond de bouw van moskeeën toe. Het verbood de orthodoxe geestelijkheid zich te mengen in die moskeebouw. Het dwong, in feite, de Russisch-Orthodoxe Kerk om te stoppen met haar bekeringsdrang in de moslimgebieden, en het schiep zo, voor het eerst sinds de val van Kazan, een ruimte waarin de islam onder Russisch gezag legaal en zonder vervolging kon bestaan.

Men moet de betekenis hiervan niet kleiner maken dan zij was, en dit thema is het aan de waarheid verplicht dat ruiterlijk te erkennen. Voor de moslims van de Wolga, wier grootouders de campagne van Konasjevitsj hadden meegemaakt, wier moskeeën bij honderden waren gesloopt en wier kinderen naar de doopvont waren getrokken, was het edict van 1773 een keerpunt. Het betekende dat men weer een moskee mocht bouwen zonder te vrezen dat zij zou worden neergehaald. Het betekende dat de imam zijn ambt kon uitoefenen zonder als een misdadiger te worden behandeld. Het betekende dat de geleerdentraditie ﵀, de overdracht van kennis van leraar op leerling die het hart van elke moslimgemeenschap vormt, weer in het openbaar kon ademen. Er zijn moskeeën gebouwd en er zijn levens gespaard door dit beleid, en wie de geschiedenis eerlijk vertelt, moet dat vooropstellen.

En toch moet de eerlijkheid verder gaan dan die erkenning, want zij is niet de hele waarheid. De vraag die dit artikel draagt, is niet of het edict van 1773 beter was dan de vervolging die eraan voorafging; dat was het onmiskenbaar. De vraag is waaruit het voortkwam. Was het geboren uit eerbied voor het geweten van de moslim, uit het inzicht dat geen mens tot een geloof mag worden gedwongen? Of was het geboren uit de berekening dat een vervolgd volk een opstandig volk is en een gedoogde godsdienst een bestuurbare godsdienst? Het antwoord staat in de daden die op het decreet volgden, en die daden wijzen niet naar de eerbied maar naar de berekening.

Catharina zelf heeft daar weinig geheimzinnig over gedaan. Zij was een leerling van de Verlichting, maar zij was bovenal een heerseres, en haar tolerantie was de tolerantie van een staatsvrouw die had ingezien dat de oude religieuze dwang niet alleen wreed was maar vooral onpraktisch. Haar voorgangers hadden geprobeerd de niet-orthodoxe geloven te onderdrukken, en die pogingen hadden tot geweld geleid en waren telkens weer mislukt; zij hadden het besturen van het rijk moeilijker en kostbaarder gemaakt in plaats van makkelijker. Catharina trok daaruit de nuchtere les die een goed bestuurster trekt: wat niet werkt, moet men niet herhalen. Als men de islam niet kan uitroeien, en dat kan men niet, dan moet men haar op een andere manier hanteren. Men moet haar niet bestrijden maar ordenen, niet vervolgen maar inlijven in de orde van het rijk.

Hier ligt het scharnier van deze hele periode, en het is het scharnier waar dit thema om draait. Tolerantie is niet één ding. Er is een tolerantie die voortkomt uit eerbied, die de ander vrijlaat omdat men zijn geweten heilig acht, en die niet vraagt wat zij ervoor terugkrijgt. En er is een tolerantie die voortkomt uit berekening, die de ander vrijlaat omdat de vrijheid van de ander het bestuur van de heerser dient, en die heel goed weet wat zij ervoor terugkrijgt, namelijk een rustige, bestuurbare, loyale bevolking. Vanbuiten lijken deze twee toleranties sprekend op elkaar. Beide bouwen moskeeën in plaats van ze te slopen; beide laten de imam met rust. Maar hun harten zijn verschillend, en de tijd brengt het verschil aan het licht. De eerste tolerantie geeft de moslim zijn vrijheid en vraagt niets terug. De tweede geeft de moslim zijn moskee en vraagt zijn loyaliteit terug, en behoudt zich het recht voor de moskee weer te sluiten als de loyaliteit uitblijft.

De sultan als rivaal om zielen

Om te begrijpen waarom Catharina de loyaliteit van haar moslims zo dringend wenste, moet men naar het zuiden kijken, voorbij de grenzen van haar rijk, naar Constantinopel. Daar zat de Ottomaanse sultan, en de sultan was niet zomaar een rivaliserend vorst. Hij was de kalief, de drager van het hoogste religieuze gezag in de soennitische wereld, de beschermer van Mekka en Medina, de man op wie de moslims van de hele wereld, ook die binnen de Russische grenzen, hun blik richtten als op de leider van de gemeenschap van de gelovigen.

Dit maakte de moslims van Rusland tot een bijzonder soort onderdanen, en tot een bijzonder soort zorg. Een orthodoxe boer aan de Wolga richtte zijn geestelijke blik naar de patriarch en, uiteindelijk, naar zijn eigen keizerin, want in de orthodoxe wereld waren troon en altaar innig verbonden. Maar een moslimse Tataar of Basjkier richtte zijn geestelijke blik niet naar Sint-Petersburg. Hij richtte haar, over de grenzen van het rijk heen, naar de kalief in Constantinopel, naar de heilige steden in de Hidjaz, naar de grote gemeenschap waarvan hij zich een lid wist. Zijn loyaliteit had, om zo te zeggen, een tweede adres, en dat tweede adres lag bij de aartsvijand van het rijk, de Ottomaanse sultan met wie Rusland de ene oorlog na de andere voerde.

Voor een heerser als Catharina was dit een probleem dat om een oplossing schreeuwde. In tijden van oorlog met de Ottomanen was elke moslim binnen haar grenzen een potentiële sympathisant van de vijand, een mens wiens geloof hem verbond met de macht waartegen haar legers vochten. Zij kon dit probleem op twee manieren aanpakken. De ene manier was de oude: de moslims wantrouwen, onderdrukken, tot christenen maken, hun band met de kalief met geweld doorsnijden. Die manier had twee eeuwen gefaald. De andere manier was nieuw en veel geraffineerder: de moslims niet van hun geloof beroven maar hun geloof naar zich toe trekken, de band met de kalief niet doorsnijden maar vervangen door een band met de eigen staat, de keizerin opwerpen als de beschermster van de islam die de sultan pretendeerde te zijn.

Men ziet hier hoe de godsdienstpolitiek van de moderne staat wordt geboren uit de logica van de rivaliteit. Zolang de moslim zijn geestelijke blik richtte op een macht buiten het rijk, was hij nooit helemaal onderdaan; er was altijd een tweede loyaliteit, een hoger adres, waar de keizerin niet bij kon. De oplossing die zich aandiende, was niet die tweede loyaliteit te verbieden, want dat had men geprobeerd en het had niet gewerkt, maar haar over te nemen: het rijk zelf tot het adres van de religieuze loyaliteit te maken, de keizerin op te werpen als de beschermster van de islam, opdat de moslim geen reden meer zou hebben over de grens te kijken. Als het rijk de moskeeën bouwde en de Koran drukte en de geestelijkheid onderhield, waarom zou de moslim dan nog naar Constantinopel kijken? Wat de sultan hem uit de verte bood, bood de keizerin hem van dichtbij, en met meer middelen. Zo werd de religieuze zorg van de staat een instrument van de staatkunde, en zo begon de moderne staat de godsdienst van zijn onderdanen niet langer te bestrijden maar te absorberen.

Dit is de diepere betekenis van Catharina’s tolerantie, en zij verklaart waarom die tolerantie zo gul en zo zichtbaar moest zijn. Zij voerde een wedloop om de zielen van haar moslimonderdanen, een wedloop met de Ottomaanse kalief om de vraag wie de ware beschermer van de islam was. Als zij die wedloop wilde winnen, kon zij niet volstaan met de moslims met rust te laten; zij moest hen actief voor zich winnen, hun tonen dat het rijk hun geloof niet slechts duldde maar koesterde, dat de keizerin meer voor de islam deed dan de sultan ooit had gedaan. Zij moest, met andere woorden, de moslims verleiden. En er is geen sterker gebaar van verleiding denkbaar dan het drukken van hun heilige boek.

Een Koran uit een Petersburgse drukpers

In 1787 verscheen in Sint-Petersburg de volledige Arabische tekst van de Koran, gedrukt op de pers van Johann Karl Schnoor, in een oplage van omstreeks twaalfhonderd exemplaren, op keizerlijk bevel en op kosten van de staat. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat de Koran werd gedrukt door een staat, en die staat was niet islamitisch. Er waren eerdere Arabische drukken van de Koran geweest, in Italië en in Hamburg, maar dat waren particuliere of geleerde ondernemingen. Dit was iets anders. Dit was een keizerrijk dat met het volle gewicht van zijn schatkist en zijn gezag de heilige tekst van de islam liet vermenigvuldigen, en het deed dat vóór de Ottomaanse en de Egyptische drukkerijen van de moslimwereld zelf ertoe overgingen. Het was, in de letterlijke zin, de eerste Koran die door een staat gedrukt werd, en de staat die haar drukte was orthodox-christelijk.

Het is de moeite waard even stil te staan bij de betekenis van het drukken zelf, want die betekenis was in de moslimwereld lange tijd omstreden. De overdracht van de Koran was door de eeuwen heen een zaak geweest van de hand en de stem: de tekst werd met de hand afgeschreven door kalligrafen die hun kunst als een vorm van eredienst beoefenden, en hij werd van buiten geleerd en gereciteerd, van leraar op leerling, in een keten van mondelinge overlevering die teruggaat tot de Profeet ﷺ zelf. Tegen het mechanisch vermenigvuldigen van de heilige tekst met een drukpers bestond in delen van de moslimwereld huiver, uit eerbied voor de tekst en uit zorg dat de machine fouten zou verspreiden die de menselijke hand en het menselijke geheugen zouden hebben opgemerkt. Het is een van de merkwaardigheden van de geschiedenis dat de drempel die de moslimwereld zelf lange tijd aarzelde over te steken, voor het eerst met staatsmiddelen werd overschreden door een christelijk imperium, en dat de gedrukte Koran zo als het ware van buitenaf de moslimwereld binnenkwam, uit de drukpers van een keizerin die het boek niet geloofde.

De uitvoering was zorgvuldig, en die zorgvuldigheid is veelzeggend. De tekst werd niet aan een willekeurige zetter overgelaten maar voorbereid door een Tataarse kalligraaf en Koran-kenner, Usman Ismail ﵀, een moslimgeleerde die de heilige tekst kende en die waakte over de correctheid ervan. Het resultaat was een druk die door de moslims die haar in handen kregen, werd geprezen om haar nauwkeurigheid, een editie die zo goed was dat zij herdruk op herdruk beleefde en die de weg baande voor de latere Kazan-traditie van massaal gedrukte Korans in de negentiende eeuw. Vandaag wordt een exemplaar van deze editie bewaard in de Russische Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg, het stille getuigenis van een keizerin die de Koran drukte die zij niet geloofde. Het boek ligt daar als een raadsel in gedrukte vorm, een voorwerp waarin het eerbetoon en de berekening zo dicht bij elkaar liggen dat men ze met geen mes kan scheiden, en juist daarom is het een van de sprekendste getuigen die deze hele geschiedenis heeft nagelaten.

Laten wij eerst het gebaar zijn volle recht doen, want dit thema karikaturiseert niet. Voor de moslim van de Wolga of de steppe was een goed gedrukte, betaalbare, correcte Koran een werkelijke zegen. Het handgeschreven afschrift was kostbaar en zeldzaam; de gedrukte editie bracht de tekst binnen bereik van meer gelovigen, meer scholen, meer geleerden ﵀. Dat een moslimgeleerde als Usman Ismail ﵀ aan de editie meewerkte, betekent dat de gemeenschap zelf haar niet als een profanatie ervoer maar als iets waaraan zij kon deelnemen. De keizerin had, in de nuchtere zin van het woord, de islam een dienst bewezen, en men zou onrechtvaardig zijn dat te ontkennen.

En toch, en juist hier moet dit artikel zijn scherpte tonen, verandert het gebaar van betekenis zodra men vraagt waarom het werd gemaakt. Een moslimvorst die de Koran laat drukken, doet dat omdat de Koran het woord van Allah ﷻ is en omdat het verspreiden ervan een daad van geloof is. Maar Catharina geloofde de Koran niet. Voor haar was de heilige tekst van de islam geen openbaring maar een instrument, een middel om de loyaliteit van haar moslimonderdanen te winnen in de wedloop met de sultan. Zij drukte de Koran niet omdat zij geloofde wat erin stond, maar omdat het drukken ervan haar gezag over de gelovigen versterkte. Het heilige boek werd, in haar handen, een werktuig van de staatkunde, en dat is een verandering die aan de tekst zelf niets afdoet maar aan de daad alles.

Hier ligt de eigenaardige, verontrustende dubbelheid van het beeld. Dezelfde druk die voor de gelovige een zegen was, was voor de keizerin een zet op het schaakbord van de macht. Dezelfde bladzijden die de moslim eerbiedig las als het woord van zijn Heer, waren voor het rijk de bevestiging van zijn greep op de moslim. Het eerbetoon en het instrument vielen samen in één voorwerp, en men kan ze niet uit elkaar halen, want zij zaten in dezelfde inkt. Dat is de glimlachende spiegel: niet een leugen die men kan ontmaskeren, maar een waarheid en een berekening die zo innig verstrengeld zijn dat de gelovige die erin kijkt, niet weet of hij wordt geëerd of wordt bespeeld, en het antwoord is dat hij beide tegelijk wordt.

Moskeeën als grenspalen

De gedrukte Koran stond niet alleen. Zij was deel van een breder beleid waarin het rijk de islam actief bevorderde in dienst van zijn eigen belangen, en het duidelijkste voorbeeld daarvan waren de moskeeën die op staatskosten werden gebouwd langs de rand van de steppe. In 1785 keurde Catharina de subsidiëring goed van nieuwe moskeeën en van nieuwe nederzettingen voor moslims, en die moskeeën verrezen niet willekeurig maar met een oogmerk. Zij stonden aan de grens tussen het gevestigde rijk en de nomadische steppe, in het gebied waar de Kazachse volken rondtrokken die het rijk aan zich wilde binden.

De gedachte hierachter was even doortrapt als eenvoudig. De nomaden van de steppe waren moslims, maar hun islam was, in de ogen van het rijk, los en ongevormd, een geloof zonder de vaste instellingen van moskee en madrassa en gevestigde geestelijkheid die de sedentaire moslims van de Wolga wel bezaten. Het rijk redeneerde dat een nomaad die aan een moskee gebonden was, aan een plaats gebonden was, en dat een moslim met een vaste imam een moslim was die men kon bereiken, kon kennen, kon besturen. Dus bouwde het rijk moskeeën voor de nomaden, niet uit vroomheid maar als grenspalen, als ankers waaraan de rondtrekkende volken zich zouden vastleggen, en het stuurde er, zoals wij in de volgende artikelen zullen zien, gelicentieerde Tataarse geestelijken heen om die moskeeën te bemannen.

Er zit een diepe ironie in deze politiek die men niet mag laten liggen. Twee eeuwen lang had het rijk de islam bestreden als een bedreiging, had het moskeeën gesloopt en moslims tot de doop gedreven. Nu bouwde datzelfde rijk moskeeën en verspreidde het de islam onder volken die haar nog maar los beleden. Wat was er veranderd? Niet het doel, want het doel was in beide gevallen hetzelfde: de beheersing van de moslimbevolking en haar binding aan het rijk. Alleen het middel was veranderd. Waar het rijk vroeger meende de moslim te beheersen door hem zijn geloof te ontnemen, meende het nu de moslim te beheersen door hem zijn geloof te geven, mits dat geloof de vorm aannam die het rijk eraan gaf. De vijandschap was vervangen door de omhelzing, maar de omhelzing had hetzelfde oogmerk als de vijandschap: de moslim in te lijven in de orde van het rijk. Het is precies deze wending, van de vijandige naar de omhelzende beheersing, die de valse spiegel definieert, en zij is het gevaarlijkst juist omdat zij het vriendelijkst oogt.

Bekeer de nomaden niet tot het christendom, zo luidde de nieuwe wijsheid, want dat zou hen tot vijanden maken en het was bovendien nog nooit gelukt. Bekeer hen liever tot een geordende, gevestigde, bestuurbare islam, een islam die aan het rijk gebonden is via de moskee, de imam en het salaris. Het rijk verspreidde de islam om de islam te beheersen. Het maakte moslims van de nomaden, of liever, het maakte betere, vastere, meer geïnstitutionaliseerde moslims van hen, opdat zij betere, vastere, meer bestuurbare onderdanen zouden zijn. Het is een van de meest onthullende feiten van deze hele geschiedenis: een christelijk rijk dat de islam bevordert, moskeeën bouwt en geestelijken uitzendt, niet ondanks maar juist vanwege zijn wens om de moslims te beheersen.

De glimlachende spiegel

Nu kunnen wij benoemen wat wij door dit artikel hebben zien opdoemen, en het is de kernreflectie niet alleen van dit artikel maar van deze hele periode. De valse spiegel heeft in de eerdere periodes van dit thema andere gestalten aangenomen. Bij Snouck was zij de spiegel van de bedrieger, die de islam bespiedde door zich voor te doen als een van haar gelovigen. Bij Goldziher was zij de spiegel van de geleerde, die de islam ontleedde met een liefde die haar toch van buitenaf herdefinieerde. Hier, bij Catharina en straks bij Igelström, is zij de spiegel van de bestuurder, en het bijzondere van deze gestalte is dat zij glimlacht. Zij vervolgt niet, zij bedriegt niet, zij ontleedt niet. Zij bouwt moskeeën, zij drukt Korans, zij beschermt het gebed. En juist daarin ligt haar valsheid, want zij doet dit alles niet omdat zij de islam liefheeft maar omdat zij de moslim wil bezitten.

De diepste vraag die het beeld van de gedrukte Koran stelt, raakt aan de aard van dwang en vrijheid in het geloof zelf. De islam kent een beginsel dat als geen ander tegenover de berekende tolerantie van het rijk staat, en het is goed dat beginsel hier te laten spreken in zijn eigen woorden. Op het scharnier waar het eerbetoon in het instrument overgaat, spreekt de Koran:

لَآ إِكْرَاهَ فِى ٱلدِّينِ قَد تَّبَيَّنَ ٱلرُّشْدُ مِنَ ٱلْغَىِّ

"Er is geen dwang in de godsdienst. Waarlijk, de rechte weg is duidelijk onderscheiden van de dwaling."

Soera Al-Baqarah 2:256

Er is geen dwang in de godsdienst. Het is een van de meest verheven beginselen van de islam, en men zou op het eerste gezicht denken dat Catharina’s beleid ermee in overeenstemming was, want zij dwong immers niemand tot het christendom en liet de moslim vrij te geloven wat hij geloofde. Maar het vers snijdt dieper dan de afwezigheid van openlijke dwang. Het spreekt over de aard van het geloof zelf: dat het geloof een zaak is tussen de mens en zijn Heer, dat de rechte weg zich aan de mens openbaart en dat hij hem uit vrije wil moet gaan. Het geloof is geen instrument in de hand van een macht; het is een verbond tussen de dienaar en Allah ﷻ. En daar, precies daar, faalt Catharina’s tolerantie, hoe zacht zij ook is. Want zij behandelt het geloof wél als een instrument. Zij drukt de Koran niet opdat de mens tot zijn Heer zal naderen, maar opdat de onderdaan tot het rijk zal naderen. Zij maakt van het verbond tussen de dienaar en Allah ﷻ een verbond tussen de onderdaan en de kroon, en dat is een verschuiving die het vers niet met zoveel woorden verbiedt maar die haaks staat op de geest ervan.

Dit is het verschil tussen de ware en de valse tolerantie, en het is een verschil dat men niet altijd aan de buitenkant kan zien maar dat men aan de vruchten herkent. De ware tolerantie laat het geloof met rust omdat het geloof heilig is; zij vraagt de gelovige niets terug. De valse tolerantie laat het geloof toe omdat het toegelaten geloof bestuurbaar is; zij vraagt de gelovige zijn loyaliteit terug, en zij behoudt zich het recht voor de toelating in te trekken. Onder de eerste tolerantie is de moslim vrij. Onder de tweede is hij verzorgd, beschermd, gedrukt zelfs, maar niet vrij, want zijn geloof is een aangelegenheid van de staat geworden, een zaak waarover niet hij maar de keizerin het laatste woord heeft.

En hier moeten wij, zoals dit thema ons oplegt, ook de andere kant onder ogen zien, want de moslim was niet louter het willoze slachtoffer van dit spel. De gemeenschap die de gedrukte Koran ontving, nam haar aan en gebruikte haar voor haar eigen doel, dat het doel van elke gelovige is: het woord van Allah ﷻ te lezen en het door te geven. De kalligraaf Usman Ismail ﵀ die aan de editie werkte, deed dat niet om de keizerin te dienen maar om de tekst correct te houden. De geleerden ﵀ die de gedrukte Korans in hun madrassa’s gebruikten, dienden daarmee niet het rijk maar de overdracht van kennis die al eeuwen liep, van borst tot borst en van leraar op leerling, lang voordat er een keizerin was om haar te bekostigen. De spiegel vertekende, maar de gemeenschap leerde erin te kijken zonder zichzelf te verliezen, en zij haalde uit het instrument van het rijk de zegen die zij zocht, alsof zij tegen de berekening van de macht in fluisterde dat het boek toch van Allah ﷻ bleef, wie het ook drukte.

Deze dubbelheid, dit vermogen van de gemeenschap om de zegen aan te nemen zonder de greep te aanvaarden, is geen bijkomstigheid maar een van de kernwaarheden die dit thema wil bewaren. De valse spiegel is machtig, maar zij is niet almachtig. Zij kan de Koran drukken, maar zij kan niet bepalen wat de Koran voor de gelovige betekent. Zij kan de moskee bouwen, maar zij kan niet bepalen wat er in het hart van de biddende omgaat. Zij kan de geleerde ﵀ een salaris geven, maar zij kan niet bepalen welke kennis hij aan zijn leerling doorgeeft, en of die kennis het rijk dient of de waarheid. De gemeenschap die haar geloof ontvangt van borst tot borst, in de keten die teruggaat tot de Profeet ﷺ, bezit iets wat geen keizerlijke drukpers en geen bestuurlijk decreet kan aanraken: de innerlijke betekenis van het geloof, die zich niet laat drukken en niet laat besturen. Dat is de grens van de macht van de spiegel, en het is de troost die aan het einde van dit artikel niet mag ontbreken.

Dat is de eerlijke slotsom van dit artikel, en zij is dubbel omdat de werkelijkheid dubbel was. Catharina’s gedrukte Koran was tegelijk een geschenk en een greep, een eerbetoon en een instrument, een zegen voor de gelovige en een zet van de macht. Wie alleen het geschenk ziet, begrijpt de valse spiegel niet. Wie alleen de greep ziet, doet de gemeenschap onrecht die het geschenk tot iets van haarzelf wist te maken. De waarheid is dat beide waar zijn, verstrengeld in dezelfde bladzijden, en dat het de opgave van de gelovige was, toen en later, om de zegen aan te nemen zonder de greep te aanvaarden.

Het is de moeite waard om, aan het einde van dit artikel, de lange lijn te zien die van dit ene beeld uitgaat, want die lijn is de ruggengraat van het hele thema. De gedrukte Koran van 1787 staat aan het begin van een geschiedenis die niet is opgehouden. De gedachte dat een staat de islam het beste beheerst door haar te organiseren in plaats van te bestrijden, dat men de geestelijkheid tot ambtenaar maakt en het geloof tot een aangelegenheid van het bestuur, is sinds Catharina niet meer uit de wereld verdwenen. Zij zou, in het volgende artikel, in Oefa gestalte krijgen in een blijvend instituut; zij zou, veel later, in de handen van de sovjetstaat een muftiaat worden dat de islam van boven bestuurde in dienst van een staat die zich atheïstisch noemde; en zij zou, een eeuw na Oefa en een werelddeel verderop, in de adviezen weerklinken die Snouck Hurgronje aan het koloniale bestuur van Batavia gaf, de adviezen waarmee dit thema begon. Steeds is het dezelfde gedachte: bescherm de private, rituele islam, en beheers de rest. Steeds draagt zij het gelaat van de tolerantie, en steeds is het de tolerantie van de macht die geeft opdat zij kan nemen.

Maar het gebaar van de gedrukte Koran, hoe onthullend ook, was nog slechts een gebaar. Het drukte een boek; het bouwde geen instituut. De echte blauwdruk van de staatsgestuurde islam, het apparaat dat de imams zou examineren en aanstellen, dat het gebed een vergunning zou geven en de geestelijke een salaris, dat de isnad van de vrije geleerdenketen zou vervangen door de licentie van de staat, moest nog gebouwd worden. Het werd gebouwd in Oefa, in het jaar 1788, door de baron die op de Krim had geleerd hoe men een volk inpast in plaats van het te breken. Naar de Geestelijke Vergadering van Oefa, de kritische piek van deze periode en het hart van dit hele thema, gaat het volgende artikel.

Bronnen

  • Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia, Harvard University Press (2006)
  • Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968)
  • Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007)
  • St. Petersburg State University, M. Gorky Scientific Library, onderzoek naar de eerste gedrukte Koran (St.-Petersburg-editie 1787)
  • Encyclopaedia of the Qur’an, “Russian Arabic Edition of the Qurʾān, St. Petersburg, 1787”, Brill
  • Quran Archive Project, “St. Petersburg 1787” (qrnr.org/1787)

Sources

Robert D. Crews, For Prophet and Tsar: Islam and Empire in Russia and Central Asia, Harvard University Press (2006) Alan W. Fisher, “Enlightened Despotism and Islam under Catherine II”, Slavic Review 27/4 (1968) Adeeb Khalid, “Tolerating Islam”, London Review of Books 29/10 (2007) St. Petersburg State University, M. Gorky Scientific Library, onderzoek naar de eerste gedrukte Koran (St.-Petersburg-editie 1787) Encyclopaedia of the Qur’an, “Russian Arabic Edition of the Qurʾān, St. Petersburg, 1787”, Brill Quran Archive Project, “St. Petersburg 1787” (qrnr.org/1787)