InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Stichting van Kufa & Basra

De stichting van Kufa en Basra: garnizoenssteden voor een nieuwe geografie

Tussen het veertiende en het zeventiende jaar na de Hijra, dat in de Gregoriaanse rekening overeenkomt met de jaren 635 tot 638, lagen aan beide zijden van de moerassen van Mesopotamië twee plaatsen die in de wereldatlas van de jahiliyya geen naam hadden gedragen. Aan de Eufraat, niet ver van de oude vlakte van al-Qadisiyya, ontstond Kufa. Aan de Shatt al-ʿArab, daar waar de Tigris en de Eufraat hun water mengden voor de Perzische Golf, ontstond Basra. Geen van beide steden bestond in het twaalfde jaar na de Hijra; toen ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ in het drieëntwintigste jaar werd gemarteld, hadden beide hun moskee, hun bestuurszetel, hun marktplaats, hun stamwijken en hun gevestigde gemeenschappen.

Suyuti ﵀ vat de stichting van Kufa samen in vijf woorden. “In dat jaar stichtte Saʿd ﵁ Kufa.” Het jaar dat hij bedoelt is het jaar zestien na de Hijra. Voor Basra geeft hij iets meer: in het veertiende jaar werd, naar zijn pen, Basra geopend bij geweld, samen met de oude haven Ubullah. “In het jaar veertien werd Damascus geopend, deels bij verdrag en deels met geweld, en Hims en Baalbek bij verdrag, en Basra en Ubullah bij geweld.” In dezelfde zin waarin hij de inname van Kufa noemt, voegt hij toe: “En ʿUmar ﵁ stelde regelmatige soldijen in voor de strijders, registers, en gaf toelagen volgens priorteit.”

Drie regels in zijn kroniek voor een bestuurlijke beslissing die de geografie van Iraq voor de daaropvolgende eeuwen heeft bepaald. Wij volgen Suyuti ﵀ in zijn beknoptheid; wij verlenen de lezer alleen dat wat nodig is om de functie van een garnizoensstad in de vroege Islamitische staat te begrijpen.

Het probleem van een leger na de overwinning

Toen de moslim-legers in het zestiende jaar Madāʾin innamen en de Sasanidische dynastie haar hoofdstad verloor, stond ʿUmar ﵁ in Medina voor een bestuurlijk probleem dat geen van zijn voorgangers had gekend. Een leger had de wereldhoofdstad van het Perzische rijk ingenomen. Wat zou met dat leger gebeuren.

In de bredere overlevering wordt verteld dat ʿUmar ﵁ aan zijn commandanten schreef dat de strijders niet in Madāʾin mochten blijven. De paleizen van Khosrau, de tapijten van goud, de marmeren zalen, de weelde die geen Arabier ooit had gezien, zouden de strijders verzwakken in geloof en hen losweken van de eenvoud die hen had gemaakt tot wie zij waren. “Zoek een plaats die niet de moerasse luchten van de Tigris draagt en waar de wind van de Arabische woestijn nog komt.” Zo wordt zijn opdracht in de overlevering samengevat. Suyuti ﵀ noteert deze opdracht niet uitdrukkelijk in zijn ʿUmar-sectie; wij geven haar hier alleen ter context van zijn stichting-zin.

Het probleem was niet alleen geestelijk; het was bestuurlijk. Een leger dat in een paleisstad blijft, vermengt zich met de plaatselijke bevolking. Het gaat handelen, trouwen, en grond bezitten in een stad waar het als bezetter binnentrad. Binnen één generatie is het onmogelijk om strijder en burger nog van elkaar te onderscheiden, en wie het bevel voert, voert het bevel over een veranderde gemeenschap. De Romeinen hadden dit probleem opgelost door hun legioenen in vaste kampen te legeren, gescheiden van de steden. De Sasaniden hadden hun garnizoenen in afgesloten kwartieren gehouden. ʿUmar ﵁ koos voor een eigen oplossing: hij stichtte nieuwe steden, gescheiden van de paleissteden, waar de strijders en hun families in een door de Islam ontworpen ruimte konden wonen.

Zo ontstonden Kufa en Basra. Niet als veroveringen, maar als stichtingen. Niet als ingenomen paleizen, maar als opgeworpen kampen die uitgroeiden tot steden. De Islamitische geschiedschrijving noemt hen “amsar”, meervoud van “misr”, wat tegelijk “stad” en “kamp” betekent. Het Arabische woord vat de aard van deze plaatsen samen: een gevestigd kamp, een verstedelijkte basis.

Saʿd ﵁ aan de Eufraat

Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁, de commandant van al-Qadisiyya en van de inname van Madāʾin, kreeg de opdracht om Kufa te stichten. Hij was, in het zestiende jaar, niet alleen militair bevelhebber in Iraq maar ook gouverneur namens de khalifah ﵁ over de regio die de moslims net hadden ingenomen. Suyuti ﵀ noteert eenvoudig dat “Saʿd ﵁ Kufa stichtte”; de keuze van de man en de keuze van de plaats verzwijgt zijn pen.

De plaats werd gekozen aan de westelijke oever van de Eufraat, niet ver van al-Hira, de oude hoofdstad van de Lakhmidische vazalstaat van de Sasaniden. De grond was hoog genoeg om boven het moerasgebied uit te steken; de lucht was droger dan in Madāʾin; de wind kwam uit de Arabische woestijn van Najd in plaats van uit de moerasse moerasse van de Tigris. Wat een Arabische strijder gewend was van zijn opvoeding in de Hijaz of Najd, vond hij ten dele terug in de lucht en in het klimaat van Kufa.

Kaart laden...

De stad werd opgebouwd rond een centraal punt: de moskee. Saʿd ﵁ liet de plaats van de moskee uitzetten, en daaromheen werden de stadswijken aangelegd volgens stamverband. Iedere stam kreeg haar eigen kwartier, met haar eigen straat, haar eigen waterput, haar eigen markt. De Quraysh, de Banu Tamim, de Banu Asad, de Banu Bakr ibn Waʾil, elk had haar plaats. De ruimtelijke ordening van Kufa weerspiegelde, in baksteen en in leem, de sociale ordening van de Arabische stammen die de Islam had verenigd.

Suyuti ﵀ verzwijgt deze details van de ruimtelijke aanleg. Wij geven hen hier alleen voor zoverre zij de opmerking van Suyuti ﵀ over de “stichting” verklaren. Kufa werd niet door één pen gesticht; zij werd door een hele gemeenschap, onder de hand van een commandant en met de opdracht van een khalifah ﵁, uit de grond opgeworpen.

Het soldijregister

In dezelfde zin waarin Suyuti ﵀ de stichting van Kufa noemt, voegt hij iets toe dat op het eerste gezicht niet bij de stadsstichting hoort. “En ʿUmar ﵁ stelde regelmatige soldijen in voor de strijders, registers, en gaf toelagen volgens priorteit.” De pen verbindt de stadsstichting en de instelling van het soldijregister in één regel, alsof zij twee zijden zijn van dezelfde handeling.

Inderdaad zijn zij dat. Wie een garnizoensstad sticht, moet voor het onderhoud van haar bewoners zorgen. De strijders waren geen burgers met een eigen erf of een eigen handel; zij waren in dienst van de oemma. Hun onderhoud kwam uit de schatkist, uit de jizyah en de kharaj die uit de veroverde provincies binnenstroomden. Maar zonder een register kon die schatkist niet rechtvaardig worden verdeeld.

Het register dat ʿUmar ﵁ instelde, het diwan, ordende de strijders en hun families naar priorteit. Wie eerder de Islam had omarmd, kreeg een hogere toelage; wie later was gekomen, een lagere. De vroege Muhajirun ﵃ stonden bovenaan; de Ansar ﵃ daarnaast; de latere bekeerlingen daaronder. Suyuti ﵀ noemt dit “naar priorteit” en hij verzwijgt de gedetailleerde bedragen die in de bredere overlevering werden opgetekend. Wat hij niet verzwijgt is het beginsel: wie eerder kwam, kreeg meer.

Dit beginsel was niet onomstreden. Sommigen in de gemeenschap betoogden dat alle moslims gelijk waren en dat de soldij gelijk moest worden verdeeld. Anderen, met ʿUmar ﵁ aan het hoofd, betoogden dat de priorteit van het geloof, de offers die in de vroege jaren waren gebracht, een eerbiedige plaats verdiende in de verdeling. ʿUmar ﵁ koos voor het tweede beginsel, en hij heeft het, volgens Suyuti ﵀, gehandhaafd tot zijn dood.

In het volgende artikel, dat de instelling van de Hijri-kalender behandelt, zullen wij opnieuw zien hoe ʿUmar ﵁ in deze maanden van het zeventiende jaar verschillende bestuurlijke beslissingen samenbracht. De stichting van Kufa, het soldijregister, de Hijri-kalender; alle drie behoren tot het bredere project van een gemeenschap die haar instellingen vormt op het ogenblik waarop zij van een gemeenschap rondom een Boodschapper ﷺ in Medina een staat wordt over drie continenten.

Basra aan de Shatt al-ʿArab

Basra is, bij Suyuti ﵀, ouder dan Kufa. In zijn jaar-veertien-zin noemt hij Basra samen met Ubullah als de plaatsen die “bij geweld” werden geopend in het veertiende jaar na de Hijra. Wij hebben in een eerder artikel, dat de Iraakse veldtocht van Khalid ibn al-Walid ﵁ in het twaalfde jaar onder Abu Bakr ﵁ behandelt, gezien hoe Ubullah viel. Wat Suyuti ﵀ hier in zijn jaar-veertien-zin noemt, is de hernieuwde inname of de bevestiging van de inname van diezelfde streek onder ʿUmar ﵁.

Kaart laden...

Maar Basra zoals wij haar kennen, met haar grote moskee en haar stamwijken en haar markten, ontstond niet door een veldslag. Zij ontstond door een stichting in hetzelfde patroon als Kufa, in dezelfde maanden van het veertiende en het vijftiende jaar. ʿUtbah ibn Ghazwan ﵁, een van de vroegste Muhajirun ﵃ en een van de eerste mannen die de Islam had omarmd in Mekka, kreeg van ʿUmar ﵁ de opdracht om een garnizoensstad te stichten aan de westelijke zijde van de Shatt al-ʿArab.

Suyuti ﵀ noemt ʿUtbah ﵁ niet uitdrukkelijk als stichter van Basra in zijn ʿUmar-sectie. Wij geven zijn naam hier alleen omdat de bredere overlevering hem benoemt als de man die de opdracht uitvoerde. Wat Suyuti ﵀ wel benoemt is dat Basra werd geopend bij geweld in het jaar veertien. De vrucht van die opening was de stichting van een nieuwe stad op de plaats die Ubullah als haven aanvulde.

De ligging van Basra weerspiegelde dezelfde overwegingen die de ligging van Kufa hadden bepaald. Hoog genoeg om boven de moerassen uit te steken; ver genoeg van de Perzische bevolkingscentra om een eigen ruimte te scheppen; dicht genoeg bij de havens en de handelsroutes om een knooppunt te vormen. Maar Basra had één voordeel dat Kufa miste: de toegang tot de zee. Via de Shatt al-ʿArab kon Basra de Perzische Golf bereiken, en via de Golf de Indische Oceaan. Wat Kufa was voor de oostgrens van het kalifaat aan de Eufraat, was Basra voor de zuidoostgrens aan de zee.

Basra werd, binnen een generatie, een centrum van Arabische geleerdheid van een omvang die geen Arabier in de tijd van de jahiliyya had kunnen voorzien. De grammatica van het klassieke Arabisch werd er gesystematiseerd; de eerste woordenboeken werden er samengesteld; de eerste school van Koran-recitatie werd er gevormd. Niet één van deze ontwikkelingen wordt door Suyuti ﵀ in zijn jaar-veertien-zin voorzien. Wat hij benoemt, is de inname; wat hij niet benoemt maar wel mogelijk maakt, is wat uit de inname is voortgekomen.

Het ontwerp van een garnizoensstad

Zowel Kufa als Basra werden ontworpen volgens een patroon dat in de Islamitische geschiedschrijving als het sjabloon van de “misr” zou worden hernomen. Het patroon kende vier elementen.

In het midden lag de moskee. Niet aan de rand, niet als bijgebouw, maar in het hart. Alle straten leidden naar de moskee. Het Vrijdaggebed verzamelde de hele stad in haar centrum. De moskee was niet alleen een gebedsplaats; zij was de plaats van het Vrijdagsprekersgestoelte van waaraf de gouverneur namens de khalifah ﵁ de gemeenschap toesprak.

Naast de moskee stond het gouverneurshuis, “dar al-imarah”. Daar resideerde de gouverneur, ontving hij gezanten, leidde hij de raadsvergaderingen, en sprak hij recht. De combinatie van moskee en gouverneurshuis in het centrum legde vast dat in de Islamitische staat het geestelijke en het bestuurlijke gezag niet werden gescheiden maar geconcentreerd. De khatib van de Vrijdagspreker was tegelijk de gouverneur of zijn vertegenwoordiger. Het Vrijdagsgebed was tegelijk een politieke samenkomst.

Rond dit centrum lagen de stamwijken. Iedere stam haar plaats; iedere plaats haar straat en haar waterput. De Arabische stamordening werd geëerbiedigd, niet ontmanteld. Wat de Islam had verenigd in geloof, bleef in zijn maatschappelijke organisatie zichtbaar in de stam. Maar de stam was niet langer een zelfstandige politieke eenheid; zij was een wijk in een door de oemma ontworpen stad, onder een gouverneur die namens de khalifah ﵁ regeerde.

Aan de rand lag de markt, “suq”. Daar werd gehandeld, daar kwamen de handelaars uit de omringende provincies binnen, daar kruisten de strijders en de niet-strijders elkaar in dagelijkse uitwisseling. De markt was de poort van de stad naar de wereld; zij hoorde bij de stad maar zij was niet haar hart.

Dit ontwerp, in zijn vier elementen, is bij Suyuti ﵀ verborgen in het woord “stichting”. Hij verzwijgt het patroon. Wij geven het hier alleen omdat het de functie van een garnizoensstad in de vroege Islamitische staat verklaart. Wat door zijn pen wordt benoemd in vijf woorden, was in werkelijkheid een nieuwe vorm van stedelijkheid die door geen voorgaande beschaving in deze gedaante was bedacht.

De rol van de garnizoensstad in de staat

Waarvoor diende een garnizoensstad. Zij diende in de eerste plaats voor de huisvesting van de strijders en hun families. Een leger op campagne kan niet permanent in tenten leven; ergens moeten de vrouwen, de kinderen, de zieke veteranen en de jongeren die opgroeien tot nieuwe strijders een vaste plaats hebben. Kufa en Basra boden die plaats.

Zij diende in de tweede plaats voor de bestuurlijke verbinding tussen Medina en de veroverde provincies. De gouverneur in Kufa of Basra ontving de bevelen van de khalifah ﵁ in Medina, droeg de jizyah en de kharaj af aan de schatkist, en zond verslagen terug. De stad was, in dit opzicht, een knooppunt in een communicatienetwerk dat zich over duizenden kilometers uitstrekte.

Zij diende in de derde plaats voor de geestelijke vorming van de gemeenschap. In de moskee van Kufa onderwezen de oudere Sahaba ﵃ de jongere generatie. Ibn Masʿud ﵁, de geleerde van Kufa, vestigde er zijn school van Koran-recitatie en hadith-overlevering. Wat een generatie later de “Kufische school” van Islamitische geleerdheid zou heten, vond in deze moskee zijn voedingsbodem. Wat in Basra een soortgelijk lot ondervond, gold voor de Basrische school: een eigen lijn van grammatica, van recht, van hadith.

Zij diende in de vierde plaats voor de etnische integratie. Naast de Arabische stammen vestigden zich in Kufa en Basra steeds meer niet-Arabische bekeerlingen, mawali, die uit Perzië, uit de moerassen, uit de oude steden van Mesopotamië kwamen. De stamwijken werden aangevuld met mawali-wijken; de markten werden gemengd; de huwelijken kruisten de etnische scheidslijnen. Binnen één generatie was de bevolking van Basra en Kufa geen pure Arabische bevolking meer; zij was een mengvorm waarin de Arabische taal en de Islamitische zeden het bindmiddel vormden tussen verschillende afkomsten.

ʿUmar ﵁ in Medina kon, in het jaar veertien of zestien, niet voorzien wat zijn stadsstichtingen in de generaties die volgden zouden worden. Wat hij wel voorzag, was de directe behoefte: een leger moest gehuisvest worden, een bestuur moest worden opgezet, een verbinding moest worden gemaakt tussen Medina en de nieuw veroverde provincies. Suyuti ﵀ vat dat voorzien samen in zijn vijf woorden.

De geografie van Kufa en de geografie van Basra

Tussen Kufa en Basra liggen, in vogelvlucht, ongeveer driehonderd kilometer. Maar de geografie tussen hen is geen vlakke geografie; zij wordt doorsneden door de moerassen van Centraal-Iraq, door de oude bedding van de Eufraat, en door het land van Maysan waar de stammen leefden die de Sasaniden tot het laatste toe hadden vastgehouden. De twee steden lagen aan twee uiteinden van een nat lijn die het hart van Iraq doorsneed.

Kufa beheerste het westen. Vanuit Kufa waren de wegen naar Syrië, naar de Hijaz, naar Arabia kort. Wie uit Damascus naar Medina reisde via de noordelijke route, passeerde dichtbij Kufa. Wie uit de Hijaz naar Iraq trok, kwam bij Kufa binnen. De stad lag op het kruispunt van de Arabische woestijn-handelsroutes en de Iraakse rivier-handelsroutes.

Basra beheerste het zuiden en het oosten. Vanuit Basra waren de wegen naar de Perzische Golf, naar Khuzestan, naar Fars en uiteindelijk naar de oostelijke provincies van het kalifaat kort. Wie uit Iran kwam, kwam bij Basra binnen. Wie naar Oman of naar de Indische Oceaan reisde, vertrok uit Basra.

De twee steden vulden elkaar aan zoals twee handen van dezelfde gemeenschap. De ene reikte naar het westen, de andere naar het oosten. Tussen hen bewoog de jizyah en de kharaj uit de Iraakse provincies; tussen hen bewogen de strijders die van het ene front naar het andere werden overgeplaatst; tussen hen bewogen de geleerden die de hadith van Medina overdroegen aan de leerlingen van Iraq.

Wat de stichting nalaat

Kufa zou, een kwart eeuw na haar stichting, de zetel van het kalifaat worden onder ʿAli ibn Abi Talib ﵁ in het vijfendertigste jaar na de Hijra. Het khilafah van ʿAli ﵁ verhuisde van Medina naar Kufa, een verhuizing die mogelijk werd doordat Kufa, hoewel jonger dan de heilige stad van de Boodschapper ﷺ, een gevestigde gemeenschap met een grote moskee en een dar al-imarah had die een khalifah ﵁ kon ontvangen. Suyuti ﵀ behandelt dit alles in zijn ʿAli-sectie. Hier benoemen wij het alleen om aan te geven hoe snel de stichting van Kufa onder ʿUmar ﵁ haar functie heeft uitgebreid: van garnizoensstad tot kalifaatszetel binnen één generatie.

Basra zou een soortgelijke uitbreiding ondergaan. Onder de Omajjaden werd zij het springplankcentrum voor de veroveringen van Khurasan, Sind en de oostelijke provincies. Onder de Abbasiden werd zij een van de grootste handelssteden van het bewoonde universum, met een haven die schepen ontving uit China, India en de oostkust van Afrika. Niet één van deze ontwikkelingen wordt door Suyuti ﵀ in zijn jaar-veertien-zin voorzien. Wat hij benoemt is de stichting; wat de stichting heeft voortgebracht, lag voorbij wat zijn pen op die plaats noteert.

In de geestelijke geschiedenis van de Islam behoort de Kufische school, die in de moskee van Kufa haar wortel had, tot de fundamenten van de Hanafi-fiqh; en de Basrische school behoort tot de fundamenten van de grammatica en de hadith-wetenschap. Imam Abu Hanifah ﵀ zou in Kufa zijn rechtsschool stichten. Hasan al-Basri ﵀ zou in Basra zijn school van zelfbeschouwing en geestelijke leiding stichten. Wat in het zestiende jaar als een leem-en-baksteen kamp werd opgeworpen, droeg in zijn baarmoeder de scholen die de oemma in de eeuwen na ʿUmar ﵁ haar geestelijke vorm zouden geven.

De gevolgen van het soldijregister

Wij keren nog eenmaal terug naar het diwan dat in dezelfde maanden werd ingesteld. De gevolgen van dit register strekten zich verder uit dan de eenvoudige verdeling van toelagen. Wie in het register stond, stond als strijder van de oemma. Wie niet stond, was burger of bekeerling zonder soldij. Het register werd daarmee een instrument van bestuurlijke ordening: het bepaalde wie tot de strijdende klasse behoorde en wie niet.

Naar priorteit verdeeld, beloonde het register de vroege bekering met een hogere toelage. De Muhajirun ﵃ van Badr stonden bovenaan; de latere Sahaba ﵃ daaronder. Dit beginsel zou in de eeuwen die volgden tot spanning leiden, omdat nieuwe generaties van strijders, die geen Badr hadden meegemaakt maar wel de overwinning van Yarmuk of Qadisiyya hadden bevochten, een eigen plaats opeisten. Onder de Omajjaden zou het register meermalen worden hervormd; onder de Abbasiden zou het in zijn oorspronkelijke vorm verdwijnen en plaatsmaken voor een ander soort fiscale ordening. Maar de eerste vorm, die ʿUmar ﵁ in deze maanden instelde, bleef het sjabloon waaraan de hervormingen werden afgewogen.

Suyuti ﵀ verzwijgt deze nageschiedenis. Wij geven haar hier alleen om te tonen hoe één bestuurlijke pen-trek van ʿUmar ﵁ in het zestiende jaar de structuur van het militaire bestuur voor eeuwen heeft bepaald. Wat in vijf woorden van zijn kroniek staat, was in werkelijkheid het ontwerp van een hele klasse-ordening binnen de Islamitische staat.

ʿUtbah ﵁ en de eerste khutbah in Basra

In de bredere overlevering wordt verteld dat ʿUtbah ibn Ghazwan ﵁, bij zijn aankomst aan de Shatt al-ʿArab voor de stichting van Basra, zijn manschappen toesprak in een khutbah die niet de bekendheid heeft van de khutbah van al-Jabiyah maar in dezelfde teneur is bewaard. Hij sprak hen aan op de tijd waarin zij niets bezeten hadden, op de tijd waarin de Boodschapper ﷺ in Mekka niet meer dan zijn boodschap had, en op de toekomst waarin zij in een nieuwe stad welvaart zouden vinden die hen kon doen wankelen in hun geloof.

“Ik herinner mij dat ik in Mekka zo arm was dat ik in honger een blad van een boom at en mijn lippen daarvan opzwollen. Vandaag bezitten wij steden, paleizen en schatten. Vrees dat de oemma haar zelf verlieze in haar bezit, en zoek de eenvoud die haar tot een gemeenschap heeft gemaakt.” Aldus de strekking van zijn khutbah in de overlevering. Suyuti ﵀ noemt deze khutbah niet uitdrukkelijk in zijn jaar-veertien-zin; wij geven haar hier alleen omdat zij in dezelfde geest staat als de khutbah van ʿUmar ﵁ in al-Jabiyah en omdat zij de eerste khutbah was die in Basra werd gehouden, zoals de Jumʿah van Saʿd ﵁ de eerste was in Madāʾin.

In beide steden begint de Islamitische gemeenschap met een waarschuwing tegen rijkdom. Beide khutbahs zetten de toon voor de geestelijke vorming van de bewoners van de nieuwe garnizoenssteden. Wie in Kufa of Basra opgroeide, hoorde van zijn ouderen de verhalen over de eerste khutbah die in zijn stad was gehouden, en in die verhalen leerde hij dat de stichting van zijn stad niet een viering van overwinning was geweest maar een vermaning aan de overwinnaars.

Naar wat volgt

In hetzelfde jaar zestien waarin Saʿd ﵁ Kufa stichtte en ʿUmar ﵁ het soldijregister instelde, nam de khalifah ﵁ nog een derde bestuurlijke beslissing. Hij stelde de Hijri-kalender in: een nieuwe rekening van de jaren die begon bij de Hijra van de Boodschapper ﷺ van Mekka naar Medina. Wat de stichting van Kufa was voor de geografie van de Islamitische staat, was de instelling van de kalender voor haar tijdrekening. Beide handelingen behoren tot hetzelfde project: een gemeenschap die haar instellingen vormt op het ogenblik waarop zij van een gemeenschap rondom een Boodschapper ﷺ een staat over drie continenten wordt.

Het volgende artikel volgt Suyuti ﵀ naar de instelling van de Hijri-kalender en naar de adviesraad waarin ʿAli ﵁ de doorslaggevende stem gaf. Wat hier in vijf woorden van de stadsstichting werd gezegd, krijgt daar zijn parallel in één regel over een datering.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 134, 135.