De instelling van de Hijri-kalender: het advies van ʿAli ﵁ en het beginpunt van een nieuwe tijdrekening
In de maand Rabīʿ al-Awwal van het zestiende jaar na de Hijra, dat in de Gregoriaanse rekening overeenkomt met april van 637, nam ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ in Medina een beslissing die de tijdrekening van de Islamitische wereld voor de daaropvolgende veertien eeuwen heeft bepaald. Hij stelde, op advies van ʿAli ibn Abi Talib ﵁, in dat de jaren van de oemma niet langer zouden worden geteld vanaf willekeurige gebeurtenissen of vanaf een keizerlijke regering, maar vanaf de Hijra van de Boodschapper ﷺ van Mekka naar Medina. Vanaf dat ogenblik was het verleden van de gemeenschap voor het eerst in haar eigen tijd verankerd. Niet meer “het jaar van de olifant” of “het jaar van de gezant van Heraclius”, maar het eerste jaar, het tweede jaar, het zestiende jaar na de Hijra.
Suyuti ﵀ vat deze hele beslissing samen in één regel. “In Rabīʿ al-Awwal werd het dateren begonnen vanaf de Hijra op het advies van ʿAli ﵁.” Eén regel, één maand, één naam in de adviesraad, en de geboorte van de tijdrekening van een hele beschaving. Verderop in zijn kroniek geeft Suyuti ﵀ een aanvullend bericht uit de overlevering van al-Hakim, waarin het beeld van de uitvoering van de beslissing wordt geconcretiseerd. ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ schreef de eerste datum onder een document, en daarmee werd de Hijri-rekening in de praktijk van het bestuur opgenomen.
Dit hoofdstuk volgt de pen van Suyuti ﵀. Wij houden ons aan wat hij schrijft. Op het punt waar zijn beknoptheid om uitleg vraagt, plaatsen wij de beslissing in haar bestuurlijke context, en wij maken niet meer van haar dan zij in zijn pen is.
Het probleem van een gemeenschap zonder tijdrekening
Voor het zestiende jaar na de Hijra had de Islamitische oemma geen eigen tijdrekening. De Boodschapper ﷺ had bij leven zijn brieven gedateerd op de wijze van de Arabische gewoonte, met verwijzing naar de maand en het jaar van een opmerkelijke gebeurtenis. Zijn metgezellen ﵃ noemden de jaren naar de feiten die er in hadden plaatsgevonden: het jaar van de toestemming, het jaar van de vreugde, het jaar van de Hijra, het jaar van Badr, het jaar van Uhud, het jaar van Hudaybiyah, het jaar van het Afscheid. Een jaar was, in deze rekening, niet een nummer; het was een naam.
Voor een gemeenschap die in Medina was, voor wie de namen van die jaren onder elkaar bekend waren, werkte deze rekening. De Sahaba ﵃ wisten wanneer een gebeurtenis had plaatsgevonden door haar te ankeren aan een andere gebeurtenis. “Dit gebeurde in het jaar dat Hudaybiyah viel.” Iedereen die in Medina was en bij Hudaybiyah was geweest, wist wanneer dat was; iedereen die later kwam, hoorde van zijn ouderen wanneer dat was. De rekening was mondeling en relationeel.
Maar in het zestiende jaar werkte deze rekening niet meer. De oemma had Damascus, Hims, Jeruzalem, Madāʾin en Ahwaz ingenomen. Zij stuurde gouverneurs naar steden waar geen Sahabi ﵁ uit Medina ooit was geweest. Zij correspondeerde met provinciale ambtenaren in vreemde streken. Zij ontving belastingen uit gebieden waarvan de bewoners geen idee hadden welk jaar het in Medina heette. De gouverneurs die brieven aan elkaar of aan de khalifah ﵁ stuurden, hadden geen gemeenschappelijke datering om hun correspondentie in tijd te plaatsen. Wat in Kufa “het jaar van Yarmuk” heette, kon in Damascus “het jaar van Hims” heten en in Madāʾin “het jaar van al-Qadisiyya”. Een gemeenschap die zich uitstrekt over drie continenten kan niet langer leven met een mondelinge en relationele tijdrekening.
De aanleiding tot het advies
Suyuti ﵀ vat de aanleiding niet in zijn ene regel uit. Maar in de bredere overlevering, en in de aanvullende narratie van al-Hakim die Suyuti ﵀ elders in zijn kroniek opneemt, is de aanleiding bewaard. Een gouverneur, in sommige bronnen Abu Musa al-Ashʿari ﵁, schreef aan ʿUmar ﵁ een brief waarin hij klaagde over de verwarring die door de gebrekkige datering werd veroorzaakt. Een bevel kwam binnen zonder te kunnen worden vastgesteld of het oud of nieuw was. Een belastingafrekening werd betwist omdat geen van beide partijen kon vaststellen op welk jaar zij betrekking had. Een verdrag werd in twijfel getrokken omdat zijn datum onleesbaar was geworden.
ʿUmar ﵁ riep zijn adviesraad in Medina bijeen. Suyuti ﵀ noemt hen niet bij naam in zijn Hijri-kalender-regel; wij geven hier alleen dat zijn pen één naam uitdrukkelijk noemt, en dat is ʿAli ibn Abi Talib ﵁. Anderen waren aanwezig, en zonder twijfel werden hun standpunten gehoord; maar de pen die in de overlevering wordt vastgehouden, plaatst het advies van ʿAli ﵁ in het centrum.
In de bredere overlevering werden verschillende voorstellen besproken. De ene partij stelde voor om het geboortejaar van de Boodschapper ﷺ als beginpunt te nemen. Een andere stelde voor om het jaar van zijn eerste openbaring als beginpunt te kiezen. Een derde stelde voor het jaar van zijn overlijden te nemen, naar de wijze waarop de Perzen hun keizers tijdens hun regering dateerden. ʿAli ibn Abi Talib ﵁ verwierp al deze voorstellen. Hij voorstelde dat het jaar van de Hijra het beginpunt moest zijn, omdat de Hijra het ogenblik was waarop de oemma haar eerste politieke gestalte aannam: een gemeenschap met haar eigen stad, haar eigen huis, en haar eigen vorm van zelfbestuur.
ʿUmar ﵁ aanvaardde het advies. Suyuti ﵀ schrijft eenvoudig: “op het advies van ʿAli ﵁.” De pen plaatst de naam van ʿAli ﵁ in haar centrum als blijvende erkenning van wie de doorslaggevende stem heeft gegeven. In de geestelijke geschiedenis van de Islam is dit een van de meest sprekende illustraties van de waarde die ʿUmar ﵁ hechtte aan het inzicht van ʿAli ﵁. Hoewel de twee mannen in stijl, in temperament en soms in oordeel verschilden, vroeg ʿUmar ﵁ in cruciale aangelegenheden ʿAli ﵁ om advies, en hij voerde dat advies uit wanneer hij het overtuigend vond. De Hijri-kalender draagt, in haar oorsprong, de samenwerking tussen de tweede khalifah ﵁ en de neef-en-schoonzoon van de Boodschapper ﷺ.
Waarom de Hijra
De keuze voor de Hijra als beginpunt is niet vanzelfsprekend. Andere beschavingen kozen voor andere ankerpunten. De Romeinen telden vanaf de stichting van Rome. De Christenen, in de eeuwen na het concilie van Nicea, gingen ten slotte tellen vanaf de geboorte van ʿIsa ﵇. De Joden telden vanaf de schepping van de wereld zoals zij door hun rabbijnen werd berekend. De Perzen telden vanaf de troonsbestijging van hun keizers, en zij begonnen een nieuwe rekening bij iedere nieuwe keizer.
De Hijra is geen geboorte, geen schepping, geen troonsbestijging. Zij is een verplaatsing. Het advies van ʿAli ﵁ om juist deze gebeurtenis als beginpunt te kiezen, draagt een eigen theologische weging. De Islam telt haar tijd niet vanaf de individuele oorsprong van haar Boodschapper ﷺ; zij telt haar tijd vanaf het ogenblik waarop een gemeenschap als gemeenschap ontstond. De Hijra is de geboorte van de oemma, niet de geboorte van een persoon.
Wie de Islamitische geschiedenis schrijft, schrijft daarmee de geschiedenis van een gemeenschap, niet van een individu. Het beginpunt van de jaartelling weerspiegelt dit. Wat het westen telt vanaf de geboorte van een mens, telt de oemma vanaf de geboorte van zichzelf. ʿUmar ﵁ aanvaardde dit beginsel, omdat het past bij de aard van de Islam zoals hij die kende: een religie die niet alleen een persoonlijke verhouding met Allah ﷻ leert maar ook een collectieve vorm van leven, een politiek lichaam, een wettige gemeenschap.
Suyuti ﵀ benoemt deze theologische diepte niet uitdrukkelijk in zijn ene regel. Wij geven haar hier alleen omdat zij verklaart waarom de beslissing die hij in een paar woorden vat, in de gemeenschap is bewaard als een handeling van bijzonder gewicht.
Rabīʿ al-Awwal als maand van invoering
Suyuti ﵀ noemt uitdrukkelijk dat de Hijri-kalender werd ingevoerd in de maand Rabīʿ al-Awwal van het zestiende jaar. De keuze van Rabīʿ al-Awwal is, in zichzelf, betekenisvol. Rabīʿ al-Awwal is de maand waarin de Boodschapper ﷺ in Medina aankwam na zijn Hijra. Hij arriveerde in Quba op een maandag, op de twaalfde of zestiende dag van die maand naar de verschillende overleveringen, en hij stichtte in dezelfde maand de eerste moskee in Medina.
Maar Suyuti ﵀ voegt iets toe dat opmerkelijk is: de Hijri-rekening telt niet vanaf Rabīʿ al-Awwal van het eerste jaar maar vanaf Muharram. Muharram is de eerste maand van het Arabische jaar; en de adviesraad onder ʿUmar ﵁ besloot dat het jaartal zou worden geteld vanaf de Muharram die de Hijra voorafging, niet vanaf de Rabīʿ al-Awwal waarin de Boodschapper ﷺ Medina binnentrad. De Hijra wordt daarmee gedateerd op het eerste jaar van de Hijri-rekening, maar het eerste jaar begint bij Muharram in plaats van bij Rabīʿ al-Awwal.
Het verschil is enkele weken. Maar het beginsel is gewichtig: de oemma houdt de Arabische maand-orde van het jaar aan en past haar aan op de Hijra zonder het jaarbegin zelf te verleggen. Het oude Arabische jaar, met zijn rotatie van Muharram tot Dhul-Hijjah, blijft staan; alleen de telling van de jaren verandert. Wat in de jahiliyya de twaalf maanden waren, blijven de twaalf maanden in de Islam. Wat in de jahiliyya het jaar van een gebeurtenis heette, wordt in de Islam het zoveelste jaar na de Hijra.
Suyuti ﵀ verzwijgt dit chronologische onderscheid in zijn ene regel. Wij geven het hier omdat het verklaart waarom de invoering in Rabīʿ al-Awwal van het zestiende jaar het beginpunt wordt voor de toepassing, maar het beginpunt van de telling al in Muharram van het jaar één is geplaatst. Het is de logica van een datering die haar eigen geschiedenis aanvaardt: zij telt vanaf de Hijra, maar zij wordt ingevoerd op een ogenblik dat zij past binnen het Arabische jaar dat haar voorging.
De uitvoering door ʿUthman ﵁
Verderop in zijn kroniek, op pagina honderdvijftig, geeft Suyuti ﵀ een aanvullend bericht uit de overlevering van al-Hakim. “al-Hakim heeft overgeleverd dat ʿUthman ﵁ aan een document de datering schreef.” Met dit detail wordt de bestuurlijke uitvoering van de beslissing geconcretiseerd. De Hijri-kalender werd niet alleen op advies van ʿAli ﵁ ingesteld door ʿUmar ﵁; zij werd in de praktijk van het bestuur opgenomen door ʿUthman ﵁, de derde van de Rashidūn ﵃, die op dat ogenblik nog niet khalifah was maar als een van de naaste raadslieden in Medina diende.
Wat in dit aanvullende bericht in de overlevering wordt benoemd, is een sprekend beeld. ʿUthman ﵁, de schrijver van de openbaring tijdens het leven van de Boodschapper ﷺ en in de vroege jaren van het kalifaat, plaatst zijn pen onder een document en noteert er voor het eerst een Hijri-datum. Vanaf dat ogenblik draagt iedere bestuurlijke brief, ieder belastingbevel, ieder verdrag dat uit Medina vertrekt of in Medina aankomt, zijn datum in een rekening die voor de hele oemma geldt.
De adviesraad heeft besloten; de khalifah ﵁ heeft het besluit aangenomen; de uitvoerende ambtenaar heeft het in zijn praktijk gebracht. Het is een sprekend portret van bestuur in de geest van de Rashidūn ﵃: een advies dat van ʿAli ﵁ komt, een besluit dat van ʿUmar ﵁ komt, een uitvoering die van ʿUthman ﵁ komt. Drie van de vier latere khaliefen ﵃ raken aan deze ene beslissing voordat ʿAli ﵁ zelf de hoogste verantwoordelijkheid op zich neemt. De Hijri-kalender draagt, in zijn ontstaansgeschiedenis, de handtekening van de hele Shura die in Medina rondom ʿUmar ﵁ functioneerde.
ʿUmar ﵁: ʿAli ﵁, wij hebben de stichting van Kufa en de instelling van het diwan voltooid. Wat nu met de datering, opdat de brieven uit Khurasan en die uit Egypte in één rekening worden gevoerd.
ʿAli ﵁: Reken vanaf de Hijra van de Boodschapper ﷺ, want de Hijra is wat waarheid van valsheid scheidde.
Deze dialoog is een reconstructie in de geest van de bredere overlevering, niet een woordelijke optekening uit de ʿUmar-sectie van Suyuti ﵀. De pen van Suyuti ﵀ verzwijgt de exacte woordwisseling; wij geven haar hier alleen ter illustratie van de teneur die de overlevering aan dit beraad heeft toegekend.
Wat het verschil maakt
Een datering is, op het eerste gezicht, een administratieve bijzaak. Wie zou veronderstellen dat de keuze van een jaartal een bredere betekenis heeft, voorbij het ordenen van brieven en belastingen. Maar bij nader inzien werkt een datering de zelfbeschouwing van een gemeenschap in.
Wie zijn jaren telt vanaf een gebeurtenis, beschouwt die gebeurtenis als grondslag. De Romeinen die telden vanaf de stichting van Rome, dachten in elke briefwisseling aan Romulus. De Christenen die telden vanaf de geboorte van ʿIsa ﵇, droegen in iedere datum de herinnering aan Bethlehem mee. De Joden die telden vanaf de schepping, plaatsten in elke datum de erkenning dat Allah ﷻ de wereld had geschapen.
De moslims, die vanaf de Hijri-rekening hun jaren telden vanaf de Hijra, droegen in iedere datum de herinnering aan het ogenblik waarop hun gemeenschap was geboren. Iedere brief van een gouverneur, iedere ontvangstbevestiging van belasting, iedere geboorteakte van een kind, iedere overlijdensakte van een overledene, droeg de Hijra in zijn datum mee. De gemeenschap herinnerde zich, telkens als zij iets dateerde, dat zij ooit van Mekka naar Medina was getrokken, dat zij ooit door een Boodschapper ﷺ in een nieuwe stad was gegrondvest, dat zij ooit van een vervolgde minderheid in haar geboortestad een gevestigde gemeenschap in haar nieuwe stad was geworden.
Suyuti ﵀ verzwijgt deze diepte van overweging in zijn ene regel. Wij geven haar hier omdat zij verklaart waarom de keuze van het beginpunt in de geestelijke geschiedenis van de Islam wordt herinnerd als een keuze met gewicht. Een rekening is niet alleen een administratieve handeling; zij is ook een vorm van geheugen.
De Hijri-kalender en het ritme van de oemma
De Hijri-kalender is een maan-kalender. Zij telt twaalf maanden van negenentwintig of dertig dagen, gemeten naar de waarneming van de nieuwe maan. Een Hijri-jaar telt daarmee ongeveer driehonderdvierenvijftig dagen, ongeveer elf dagen minder dan een zonne-jaar. De maanden verschuiven daarom door het jaar van het zonne-jaargetijde gezien. Wat in het ene Hijri-jaar in de zomer valt, valt in het volgende Hijri-jaar iets vroeger in de zomer, en zo door tot het over enige decennia de hele cyclus van de seizoenen heeft doorlopen.
Deze verschuiving heeft praktische gevolgen. Ramadan, de vastenmaand, verschuift door het jaar; soms valt zij in de winter, soms in de zomer. Hajj, in de twaalfde maand Dhul-Hijjah, verschuift mee. Voor de oemma in haar geheel betekent dit dat geen enkele generatie van moslims Ramadan altijd in dezelfde seizoens-omstandigheden beleeft. Wie in een ene fase van zijn leven Ramadan in de korte winterdagen vast, beleeft in een latere fase Ramadan in de lange zomerdagen.
Dit ritme van verschuiving is in zichzelf een geestelijke vorming. De oemma is niet aan een seizoen gebonden. Haar tijdrekening dient haar geloof, niet haar landbouw of haar handelsseizoenen. Wat de Romeinen en de Perzen hadden met hun zonne-kalenders, was een tijdrekening die zich naar de seizoenen voegde; wat de oemma had met haar maan-kalender, was een tijdrekening die de seizoenen los liet en de gelovige bevroor in het ritme dat Allah ﷻ had geopenbaard.
Suyuti ﵀ verzwijgt deze ritmische bezinning in zijn ene regel. Maar zij is in de structuur van zijn keuze besloten. Het advies van ʿAli ﵁, dat ʿUmar ﵁ aannam, was niet om een zonne-kalender in te voeren maar om de bestaande Arabische maan-kalender voort te zetten met een nieuwe telling. Daarmee werd de oemma in haar tijdrekening aan haar geloof gebonden, niet aan haar geografie.
Wat de invoering nalaat
Sinds Rabīʿ al-Awwal van het zestiende jaar is de Hijri-kalender de officiële tijdrekening van de Islamitische wereld geweest. Vierhonderd, achthonderd, duizend, twaalfhonderd, veertienhonderd jaar lang heeft iedere brief van een khalifah, iedere ferman van een sultan, iedere fatwa van een mufti, iedere geboorte- en overlijdensakte van een moslim haar datum gedragen in de telling die in deze ene maand werd ingesteld.
Onder de Omajjaden bleef de Hijri-kalender in gebruik. Onder de Abbasiden eveneens. Onder de Fatimiden, de Mamluken, de Osmanen, en alle dynastieën die elkaar op de bodem van de Islamitische wereld opvolgden, werd dezelfde rekening voortgezet. Geen enkele dynastie heeft het, in haar officiële bestuur, gewaagd om de Hijri-kalender te vervangen door een eigen jaartelling. Wat ʿUmar ﵁ op advies van ʿAli ﵁ in het zestiende jaar instelde, heeft veertien eeuwen overleefd.
In de moderne tijd, na de instorting van het Osmaanse rijk in het twintigste eeuw, hebben sommige islamitische landen voor bepaalde administratieve doeleinden de Gregoriaanse kalender geadopteerd, vooral in commerciële en internationale aangelegenheden. Maar de Hijri-kalender bleef en blijft de kalender van de godsdienst: van Ramadan, van Hajj, van de vrome feesten, van de moskee-bouw, en van de hoogste handelingen van het Islamitische bestuur in landen waar de fiqh nog de norm geeft. Zelfs in landen waar de Gregoriaanse kalender de dagelijkse gang van zaken bepaalt, kent geen moslim het datum van Eid al-Fitr of Eid al-Adha behalve in de Hijri-telling.
De bestuurlijke methode van ʿUmar ﵁
In de drie artikelen die in dit deel achter elkaar staan, hebben wij drie bestuurlijke handelingen van ʿUmar ﵁ gevolgd in hetzelfde jaar. De stichting van Kufa, de instelling van het soldijregister, de instelling van de Hijri-kalender. Zij behoren tot hetzelfde project: een gemeenschap die haar instellingen vormt op het ogenblik waarop zij van een gemeenschap rondom een Boodschapper ﷺ een staat over drie continenten wordt.
Wat ʿUmar ﵁ in deze handelingen tekent, is een bestuurlijke methode die in de Islamitische geschiedschrijving haar eigen plaats heeft. De methode kent drie elementen.
In de eerste plaats, raadpleging. Geen van deze handelingen werd genomen zonder de adviesraad in Medina. De khalifah ﵁ luisterde, woog de verschillende voorstellen, en koos. Hij koos niet altijd het voorstel dat hij aanvankelijk zelf in zijn hoofd had; hij koos het voorstel dat in het overleg het meest overtuigend was. Het advies van ʿAli ﵁ om de Hijra als beginpunt te nemen is een sprekend voorbeeld; zijn advies voor de jaarlijkse verdeling van het binnengekomen geld is een ander, dat in de bredere overlevering wordt herinnerd.
In de tweede plaats, verankering in het Islamitische beginsel. De gekozen oplossing moest passen bij wat de Boodschapper ﷺ had geleerd. De Hijra als beginpunt past omdat zij de oprichting van de gemeenschap markeert. De stichting van Kufa als garnizoensstad past omdat zij de strijders weghoudt van de paleizen. Het soldijregister naar priorteit past omdat het de waardigheid van de vroege bekering eerbiedigt.
In de derde plaats, uitvoering door betrouwbare handen. Saʿd ﵁ in Kufa, ʿUtbah ﵁ in Basra, ʿUthman ﵁ in de bestuurlijke datering. ʿUmar ﵁ delegeerde de uitvoering aan de Sahaba ﵃ wier vakmanschap en wier integriteit hij kende uit eigen ervaring. Hij voerde niet alles zelf uit; hij stelde uit, hij vertrouwde, hij controleerde.
Suyuti ﵀ benoemt deze methode niet uitdrukkelijk in zijn ʿUmar-sectie. Wij geven haar hier omdat zij de samenhang verklaart tussen de drie artikelen die in dit deel achter elkaar staan en omdat zij in de bredere overlevering geldt als kenmerkend voor de tweede khalifah ﵁.
Naar wat volgt
De vier artikelen die in dit deel achter elkaar zijn behandeld (de val van Madāʾin Kisra, de val van Jeruzalem met de Umariyya, de stichting van Kufa en Basra, en de instelling van de Hijri-kalender) tekenen samen het zestiende jaar als het brandpunt van het khilafah van ʿUmar ﵁. Drie steden vielen of werden gesticht; één heilige stad werd opgenomen onder verdrag; één tijdrekening werd ingesteld die de hele oemma haar eigen geheugen gaf.
In het volgende artikel volgt de pen ʿUmar ﵁ in de jaren die volgen, naar gebeurtenissen die het khilafah haar zwaarste beproevingen brachten. Het jaar van As en de pest van Amwas zouden de gemeenschap testen met een lijden dat geen overwinning kon verlichten. Wat in dit deel als bouwen wordt verteld, wordt in het volgende deel als doorstaan verteld.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 135, 150.
