De uitbreiding van de twee Heiligdommen onder ʿUmar ﵁
Twee muren die meer mensen moesten dragen
In het jaar 17 na de Hijra, het Gregoriaanse jaar 638, stond de jonge moslimstaat aan een grens die in steen werd zichtbaar. Het was het jaar waarin de Kalief uit Medina vertrok om Bayt al-Maqdis in ontvangst te nemen, het jaar waarin de khutbah van al-Jabiyyah klonk en de Umariyya-verdrag werd geschreven. Het was ook het jaar waarin de Hijri-kalender voor het eerst in gebruik werd genomen, en waarin de eerste tekenen van een uitdijende ummah zichtbaar werden in de aantallen die naar de twee Heilige Moskeeën stroomden. Suyuti ﵀ noteert het in één enkele zin, kort en bondig, op de bladzijde waar hij het jaar 17 AH inleidt: “In het jaar 17 AH vergrootte ʿUmar ﵁ het oppervlak van de Moskee van de Profeet ﷺ.” Tien woorden in vertaling, een uitspraak die op het oog niet meer is dan een notitie van een bouwhandeling. En toch ligt achter die enkele zin een ontwikkeling die het hele karakter van het khalifaat in dat jaar tekent.
De gemeenschap die zich na de Hajj van Abu Bakr ﵁ in 12 AH had vastgelegd op één kalifaat en één Mushaf, was in de jaren onder ʿUmar ﵁ tot een gemeenschap geworden die over twee continenten heen vergaderde. De Slag bij Yarmuk had de Levant geopend, de Slag bij al-Qadisiyyah had Iraq geopend, en in het jaar 16 AH was Madāʾin Kisra zelf gevallen. Bayt al-Maqdis stond op het punt zijn poorten te openen. En te midden van deze uitstromende geschiedenis bleven de twee moskeeën van de Hijaz, Masjid al-Haram in Makkah en Masjid an-Nabawi in Medina, het binnenste hart waar alles wat over de horizon werd gewonnen, vroeg of laat weer terugkwam om gemeld te worden. Aan de pelgrim die uit Egypte of Syrië of Iraq kwam, had de Kalief één plicht: dat het hart ruimte had om hem te ontvangen.
De Moskee van de Profeet ﷺ in haar oudste vorm
Kaart laden...
Wie zich de Masjid an-Nabawi van de eerste dagen wil voorstellen, moet veel van wat hij later kent loslaten. Toen de Profeet ﷺ in Rabīʿ al-Awwal van het jaar van de Hijra aankwam in Yathrib, was er nog niets dat een moskee heette. De kameel knielde op de grond van twee weeskinderen, Sahl en Suhayl ﵃, en de plaats werd gekocht voor tien dinar. De Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃ legden zelf de stenen, mengden zelf de leem, en ʿAmmar ibn Yasir ﵁ droeg dubbele lasten. De moskee die zij bouwden, was een open binnenhof van ongeveer dertig bij vijfendertig el, omgeven door lemen muren die de hoogte van een man amper te boven gingen. Aan de noordzijde een afdak van palmstammen en palmbladeren. Aan de oostzijde de hujurat, de vertrekken van de moeders van de gelovigen ﵂. Aan de zuidzijde, na de wijziging van de qiblah, de gebedsrichting naar Makkah. In het midden enkele palmstronken die als zuilen dienden. Het was, in alle eenvoud, een huis voor wie zonder huis was, een onderdak voor de Ahl as-Suffah die op de bank tegen de noordwand sliepen, en bovenal een plaats voor het gebed.
In het zesde jaar van de Hijra had de Profeet ﷺ haar eenmaal vergroot, na de terugkeer van Khaybar, om plaats te bieden aan de nieuwe gelovigen die uit elke richting toestroomden. Onder Abu Bakr ﵁ was zij verder onaangeroerd gebleven. De Kalief van een schiereiland in oorlog had geen tijd voor het optillen van muren; hij had het zwaard gericht naar de afvalligen en de losse bladen van de Quran in eigen bewaring genomen. Drie jaar lang stond de moskee zoals de Profeet ﷺ haar had achtergelaten, met haar nederige muren, haar palmstronken, haar afdak.
En toen kwam de tijd waarin het niet meer ging. De jaren onder ʿUmar ﵁ waren de jaren van de grote toestroom. Pelgrims uit het noorden, gezanten uit Yemen, soldaten die naar het Sham trokken en op de terugweg in Medina pauzeerden, vrijgelaten slaven uit Khaybar en Wadi al-Qura die zich rond de moskee vestigden. Op het Vrijdaggebed paste de gemeenschap niet meer binnen de muren van de Profeet ﷺ. Pelgrims stonden tot ver buiten op de straten van Medina te bidden, in het stof van paardenhoeven en de schaduw van karavaanmuren. De Kalief, die elke vrijdag het volk leidde, zag het week na week aanzwellen.
Het besluit van de Kalief
Suyuti ﵀ geeft ons de overweging van ʿUmar ﵁ in deze passage niet woordelijk. Hij geeft ons alleen het feit: in het jaar 17 AH vergrootte hij het oppervlak van de Moskee van de Profeet ﷺ. Maar de redenering van een Kalief die op andere bladzijden van diezelfde Suyuti ﵀ zo helder spreekt, is niet moeilijk te recontrueren binnen de grenzen van wat de bron toelaat. Hij die in de eerste khutbah van zijn kalifaat had gezegd “Wie hier aanwezig is, wij zullen hun zaken persoonlijk afhandelen, en wie niet bij ons is, over hen zullen wij sterke en betrouwbare mensen aanstellen”, zou nooit kunnen aanvaarden dat een man die de zware tocht naar Medina had ondernomen, geen plek vond in de moskee van zijn Profeet ﷺ.
Hij had de hujurat van de moeders van de gelovigen ﵂ niet aangeroerd; zij bleven aan de oostzijde staan zoals de Profeet ﷺ ze had laten staan. Hij had het gedeelte waarin de Profeet ﷺ en Abu Bakr ﵁ rustten niet verstoord. Wat hij verbreedde, was wat de gemeenschap nodig had om binnen de muren van haar moskee te bidden: de noordwand schoof noordwaarts, de westwand schoof westwaarts, het afdak werd versterkt en uitgebreid met nieuwe palmstammen die uit Aliya werden aangevoerd. De fundamenten bleven van leem en steen. De Kalief weigerde marmer, weigerde gebakken steen, weigerde alles wat de eenvoud van het oorspronkelijke gebouw zou doorbreken. Wat de Profeet ﷺ had gebouwd uit klei en palm, bouwde ʿUmar ﵁ uit klei en palm, alleen breder.
Het was de ootmoed van de man die de Kufa-stichters had laten weten dat hun stad alleen mocht worden gebouwd met riet en leem, en die later, toen Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ een poort had laten zetten van gebakken klei tegen het gehoor van de straat, hem persoonlijk had laten roepen om die poort weer af te breken. Voor ʿUmar ﵁ was de pracht van het gebouw nooit de pracht van de moskee. De pracht van de moskee waren de gezichten die er hun voorhoofd ter aarde brachten.
Masjid al-Haram aan de overzijde van de Hijaz
Kaart laden...
In dezelfde jaren steeg ook de druk op het andere heiligdom, het oudste. De Masjid al-Haram in Makkah was, in de tijd van de Profeet ﷺ, weinig meer geweest dan de Kaʿbah zelf en de hofruimte die haar omringde. Er waren geen muren rond het hof. De huizen van de Quraish stonden tot vlak tegen de plek van de tawaaf aan. De pelgrim in de tijd van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ liep zijn zeven rondes om de Kaʿbah heen, en daarna stootte hij vrijwel meteen tegen de muur van een woning die ooit van Abu Sufyan ﵁ was geweest, of van Abu Jahl, of van een van de andere clans van Quraish.
Suyuti ﵀ noemt in deze passage de uitbreiding van Masjid al-Haram niet uitdrukkelijk als één van de bouwhandelingen van ʿUmar ﵁ in het jaar 17 AH. Wij moeten daar voorzichtig in zijn, en wij blijven binnen de grenzen van wat de bron geeft. Wat Suyuti ﵀ wel verschillende malen vermeldt op de bladzijden over het kalifaat en de aansturing van Makkah, is dat ʿUmar ﵁ persoonlijk de Hajj leidde in elk jaar van zijn ambt, dat hij Makkah als pelgrim en als heerser betrad, en dat hij ingrepen pleegde rond de Kaʿbah die de toegang voor de toestromende gelovige moesten beschermen. De pelgrim van het jaar 17 AH stond in een ruimte rond de Kaʿbah die voor de oude inwoners van Makkah ruim was geweest, maar voor de gemeenschap van de gehele ummah benauwd werd.
Wat de Kalief in Medina voor de Moskee van de Profeet ﷺ deed, weerklonk dus ook in Makkah. De omringende huizen werden, met instemming en met betaling uit het bait al-mal, terug gekocht en afgebroken. De vrije ruimte rond de Kaʿbah werd verbreed. Een lage muur werd opgericht, niet om de pelgrim binnen te sluiten, maar om de heilige ruimte van het profane straatleven van Makkah af te bakenen. De Kalief volgde daarbij eenzelfde lijn als in Medina: geen marmer, geen pracht, geen pilaren van gebakken steen. De pelgrim die in 17 AH naar Makkah kwam, vond meer ruimte rond de Kaʿbah dan zijn vader er een generatie eerder had gevonden. Maar hij vond geen paleis. Hij vond een wijdere hof, met dezelfde Kaʿbah in het midden, en met dezelfde Zwarte Steen in haar oostelijke hoek.
De symboliek van twee muren tegelijk
Het is niet zonder betekenis dat juist het jaar 17 AH het jaar werd waarin de Kalief beide moskeeën aanpakte. Het was hetzelfde jaar waarin de Hijri-kalender werd ingesteld, op advies van ʿAli ibn Abi Talib ﵁, op de bladzijde waar Suyuti ﵀ noteert “In Rabīʿ al-Awwal werd de datering vanaf de Hijra begonnen op het advies van ʿAli ﵁.” Het was hetzelfde jaar waarin Bayt al-Maqdis viel en de Umariyya-verdrag werd opgesteld onder de hand van de Kalief in eigen persoon. De ummah die in 11 AH bijna uiteen was gevallen, was in 17 AH een wereldgemeenschap met een kalender, een hoofdstad in Medina, en twee heilige steden waarvan de muren werden verbreed om de gelovigen die uit elke richting kwamen te kunnen ontvangen.
De Kalief die de hand had gelegd op twee moskeeën tegelijk, was dezelfde Kalief die in de stilte van de nacht de straten van Medina afstapte om te zien of er een hongerige weduwe in haar lemen huis zat. Dezelfde Kalief die zou zeggen, in Suyuti’s overlevering van Aslam ﵀, “Ik was de meest barse van de mensen tegenover de Boodschapper van Allah ﷺ”. Hij die zo bars was geweest tegen de Profeet ﷺ in de jaren vóór zijn bekering, was na zijn bekering de barse beschermer van zijn moskee geworden, en in zijn kalifaat was die barsheid omgesmeed tot een zorg om de pelgrim. De muren die hij liet verbreden, waren een vorm van zijn ootmoed, niet van zijn trots.
De Profeet ﷺ tussen de palmstronken
Wie Masjid an-Nabawi na de uitbreiding van ʿUmar ﵁ binnenstapte, kwam de plek niet binnen waar Bilal ﵁ ooit voor het eerst de adhan vanaf het dak had geroepen. Hij kwam een ruimere ruimte binnen, maar de oude moskee was er nog. De palmstronken waar de Profeet ﷺ tegen had geleund tijdens zijn khutbah, stonden nog. De grond waarop hij had gestaan tijdens het gebed, was nog dezelfde grond. De minbar die uit drie treden bestond, getimmerd door een Romeinse vrijgelaten slaaf op verzoek van de Profeet ﷺ in zijn latere jaren, stond nog op zijn oude plek. ʿUmar ﵁ had niets daarvan aangeraakt. Hij had alleen ruimte gemaakt voor wie van verder kwam.
Hij wist, als geen ander, wat het betekende om in deze moskee te bidden. Hij had hier de Profeet ﷺ horen voordragen uit de Quran. Hij had hier naast hem gestaan in het rij-gebed. Hij had hier rouwgebed gedaan over zijn meester ﷺ in Rabīʿ al-Awwal van 11 AH. Hij had hier zijn eigen baiʿah ontvangen van het volk, in Jumādā al-Akhirah van 13 AH, toen Abu Bakr ﵁ na zeer korte ziekte was heengegaan. Elke palmstam droeg een geheugen van een gebeurtenis waarvoor de hele gemeenschap zich nu verzamelde. De muren die hij liet verbreden, waren dus niet alleen muren van klei. Zij waren de uitdrukking in steen van een geloof dat het verleden niet weggooit, alleen omsluit met meer ruimte.
Het bait al-mal en de bouwkosten
Hoe werd dit alles betaald. Suyuti ﵀ noemt het bedrag niet en ook geen specifieke financiële regelingen voor deze ene bouw. Wat hij ons wel geeft, is een patroon van hoe de Kalief omging met openbare middelen. Hij was de eerste die het diwan instelde, het systematische soldijregister, in Muharram van 20 AH. “ʿUmar ﵁ stelde het register in al-Muharram van het jaar 20 AH.” Hij was de eerste die de oorlogsbuit en de tribuutgelden gecentraliseerd op één plaats verzamelde en weer aan de gemeenschap uitkeerde volgens een vaste schaal naar voorrang in de Islam. Het bait al-mal in Medina, in de jaren 16, 17, 18 AH, ontving de tribuutgelden uit Sham en uit Iraq, en het was uit die middelen dat de Moskee van de Profeet ﷺ verbreed kon worden zonder dat één enkele Madinese gezin daarvoor extra heffing moest dragen.
De Kalief stond bekend om zijn nauwkeurigheid in elke dirham die hij uit het bait al-mal liet vloeien. Suyuti ﵀ overlevert later, in de overlevering van Salman ﵁, het diepe principe waaraan hij elke uitgave maat: “Als u een dirham heft uit het land van de moslims, of minder of meer, en u zet het in voor een ongeoorloofd doel, dan bent u een koning, niet een khalifah.” Voor ʿUmar ﵁ was de uitbreiding van een moskee een geoorloofd doel. Hij hield daar niets van achter. Hij gaf opdracht, hij liet de bouwmaterialen aanvoeren, hij liet de mannen werken, en hij keek toe dat geen dinar werd verspild aan versiering die de moskee niet ten goede kwam.
Wie in Medina in 17 AH naar de moskee kwam, zag de Kalief soms zelf bij de muren staan, gehuld in dezelfde wollen mantel die hij in elke andere context van zijn dagen droeg, en met de zweep die hij in zijn rechterhand placht te dragen niet om mensen mee te straffen, maar om de honden bij de markt op te schrikken. Hij sprak met de werklieden zonder onderscheid van rang. Hij vroeg of het hout van een goede kwaliteit was. Hij liet zich het ontwerp uitleggen. En hij liep dan verder naar de markt om de prijzen te controleren of naar de poort om naar de boodschappers uit het noorden te luisteren.
De spirituele betekenis van de twee verbredingen
Wat ʿUmar ﵁ deed in het jaar 17 AH was, op het oog, een bouwhandeling. Wat zij in zichzelf droeg, was een belijdenis. De Islam was niet meer de godsdienst van de smalle moskee in de smalle stad van een omringd schiereiland. Zij was de godsdienst geworden van de wijde ummah, van Bayt al-Maqdis tot Madāʾin, van Egypte tot Khurasan in de jaren die kwamen, en de twee Heiligdommen die in haar centrum stonden moesten zo wijd zijn dat geen pelgrim er uit hoefde te blijven.
Tegelijk was het een belijdenis tegen de pracht. De Kalief had de mogelijkheid om de moskee in marmer te zetten. De buit uit Madāʾin Kisra, de schat van Khosrau, was nog kort geleden in dezelfde stad uitgekeerd onder de Metgezellen ﵃. Goud en zilver en zijde waren in deze jaren in overvloed in Medina aanwezig. Een vorst die zijn naam wilde inschrijven in steen, had genoeg materiaal. ʿUmar ﵁ weigerde. Hij verbreedde met klei en palmstammen. Hij liet de muren wit kalken; hij liet ze niet bekleden. Hij wist, en het was de wijsheid die zijn hele kalifaat tekende, dat de glorie van Allah ﷻ niet in marmer woont en dat de Hijaz die in marmer zou worden gezet, zijn ziel van de woestijn zou verliezen.
Hij is daarmee de Kalief geweest die het scharniermoment van de architectuur van de Islam heeft bewaakt. Na hem zou ʿUthman ﵁ de Moskee opnieuw uitbreiden, en met enige kostbaarder materialen. Onder de Omajjaden zou al-Walid ibn ʿAbd al-Malik de Moskee van de Profeet ﷺ in steen en marmer en mozaïek zetten, en zou de Masjid al-Haram in een vorm worden gebracht die meer op een paleis leek. Maar in het jaar 17 AH stond de muur nog van leem. De pelgrim die binnenkwam, raakte aan dezelfde aarde waar de Profeet ﷺ zijn voorhoofd in had gelegd. Dat was wat ʿUmar ﵁ heeft willen behouden, en dat heeft hij behouden.
Een laatste blik op de twee muren
Toen het jaar 17 AH ten einde liep, stonden in Medina de muren van de uitgebreide Masjid an-Nabawi te drogen onder de zon van de Hijaz, en stond in Makkah de hof rond de Kaʿbah wijder dan zij sinds de dagen van Ibrahim ﵇ ooit had gestaan. De Kalief had in dat jaar Bayt al-Maqdis ontvangen, de Hijri-kalender ingesteld, en twee moskeeën verbreed. Geen van die drie zou hij zelf hebben opgesomd als zijn werk. Hij zou hebben gezegd dat de Hand van Allah ﷻ alles deed, en dat hij niet meer was dan de dienaar die mocht uitvoeren wat hem werd opgedragen.
In het volgende artikel volgen wij hem terug binnen die muren, om te zien hoe hij in de gewone dagen van zijn kalifaat regeerde. Niet als de Kalief die de muren liet bouwen, maar als de man die in een wollen mantel met patches over de straten van Medina liep, die 's nachts patrouilleerde om te horen of er ergens een huilend kind was, en die op de minbar bad: O Allah, ik ben streng, maak mij zacht; ik ben zwak, sterk mij; ik ben gierig, maak mij gulle.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 135 (uitbreiding Masjid an-Nabawi), p. 143 (eerste khutbah), p. 145 (Salman over koning vs. khalifah), p. 150 (instelling diwan).