Na de verpletterende nederlaag bij Badr brandden de Qoeraish van verlangen naar wraak. Aboe Soefyan ibn Harb had gezworen zijn haar niet te wassen totdat hij de moslims had bevochten. In Shawwal van het derde jaar na de Hidjra (maart 625) verzamelde hij een machtig leger van 3.000 strijders, onder wie 700 gepantserden en 200 ruiters, met 3.000 kamelen als lastdieren. Vrouwen van de Qoeraish, aangevoerd door Hind bint 'Oetba (de echtgenote van Aboe Soefyan), vergezelden het leger om de mannen aan te vuren en te verhinderen dat zij zouden vluchten zoals bij Badr.
Toen het bericht Medina bereikte, riep de Profeet ﷺ de metgezellen bijeen voor overleg. Zelf gaf hij de voorkeur aan een verdediging vanuit Medina: de stad had stevige stenen huizen en nauwe straten die een verdedigingsvoordeel boden. 'Abdoellah ibn Oebayy ibn Saloeloel, het hoofd van de hypocrieten, steunde dit plan.
Echter, jongere metgezellen die Badr hadden gemist en vurig verlangden naar het martelaarschap, drongen aan op een open confrontatie buiten de stad. Hamza ﵁ riep uit: “Bij Degene Die de Koran heeft neergezonden, ik zal vandaag niet eten totdat ik hen met mijn zwaard buiten Medina heb bevochten!” De Profeet ﷺ, die de wens van de meerderheid volgde, trok zijn wapenuitrusting aan en marcheerde met 1.000 man richting het noorden.
Onderweg, bij de lavarotsen van al-Shawt, keerde 'Abdoellah ibn Oebayy om met 300 van zijn volgelingen. Hij rechtvaardigde zijn desertie met de woorden: “Hij gehoorzaamde hen en negeerde mij. Waarom zouden wij onszelf doden, mensen?” Dit verraad, het verlies van een derde van het leger vlak voor de strijd, was een zware klap. Slechts 700 moslims bleven over om de 3.000 Qoeraish het hoofd te bieden. Allah ﷻ openbaarde hierover: “En opdat Hij degenen die huichelachtig zijn zou aanwijzen”
Soera Ali 'Imran (3:167).