In de maand Ramadan van het tweede jaar na de Hidjra (624 n.Chr.) ontving de Profeet ﷺ het bericht dat een grote handelskaravaan van de Qoeraish, onder leiding van Aboe Soefyan, vanuit Al-Shaam terugkeerde naar Mekka. De karavaan bestond uit zo’n duizend kamelen beladen met koopwaar, begeleid door slechts dertig tot veertig bewakers.
De Profeet ﷺ riep de moslims op om de karavaan te onderscheppen en er werd een kleine groep van ongeveer 313 Metgezellen samengesteld om deze opdracht uit te voeren.
Aboe Soefyan had ondertussen ontdekt wat de moslims van plan waren en stuurde Damdam ibn Amr al-Ghifari vooruit om de Quraish in Mekka te waarschuwen en om versterking te vragen. De Qoeraish mobiliseerden een leger van circa 1.000 man, uitgerust met cavalerie (zowel paarden als kamelen), onder leiding van Aboe Jahl. Met grote haast vertrokken zij richting Badr.
Aboe Soefyaan slaagde erin de karavaan via een alternatieve kustroute in veiligheid te brengen. Hij berichtte Quraish dan ook dat de karavaan veilig was. Toch weigerde Aboe Jahl om terug te keren. “Bij Allah, wij zullen niet terugkeren totdat wij Badr hebben bereikt,” verklaarde hij.
