In februari 1804 verliet Usman dan Fodio ﵀ met zijn volgelingen de stad Degel. Sultan Yunfa van Gobir had de jama’a tot vijand verklaard en haar bewegingsvrijheid afgesneden. De Shehu trok met zijn broer Abdullahi dan Fodio ﵀, zijn zoon Muhammad Bello ﵀ en honderden gezinnen naar Gudu, een plek aan de westelijke rand van Gobir.
Voor Usman dan Fodio ﵀ was deze tocht een Hijra, een terugtrekking met religieuze betekenis, niet enkel een vlucht. In Gudu werd hij door de jama’a uitgeroepen tot Amir al-Mu’minin. Vanuit dat ogenblik was de breuk met Gobir definitief.
Yunfa zond opeenvolgende patrouilles uit om de jama’a te verstoren. Vee werd geroofd, voorraden geplunderd, kleine groepen gevangen. In de maanden tussen februari en juni groeide de overtuiging dat een grote botsing onvermijdelijk was.
Toen Yunfa hoorde dat de jama’a zich oostwaarts bewoog richting de meren bij Tabkin Kwatto, stelde hij zijn cavalerie op. Bij hem voegden zich krijgers van bondgenoten onder de Toeareg en de Sullubawa. Het Gobir-leger was talrijk, te paard, en uitgerust voor de open vlakte.