Sundiata Keita was teruggekeerd uit zijn ballingschap. De jaren waarin hij van hof naar hof was getrokken, van Mema tot het land van de Tabon Wana, hadden hem een coalitie opgeleverd die ouder en breder was dan welk Mande-leger ook voor hem.
Tegenover hem stond Sumanguru Kanté, koning van Sosso. De Tarikh al-Fattash en de overleveringen van de griots schilderen hem als een heerser die met ijzer en vrees regeerde. Hij had de koningen van Mande verdreven, hun vee weggevoerd en hun smeden in zijn dienst gedwongen.
Volgens de traditie die Niane optekende uit de mond van Mamadou Kouyaté, droeg Sundiata zijn coalitie samen uit verschillende richtingen. Vanuit het westen kwamen de eigen Mande-troepen. Vanuit het noorden de Tabon Wana onder Fakoli Koroma. Vanuit het oosten de smeden en jagers die Sumanguru’s heerschappij ontvluchtten.
Sumanguru rukte op vanuit het Sosso-hartland, langs de oude weg richting de Niger. Zijn troepenmacht was groter, getrainder, en in lichaamsgewicht zwaarder bewapend. Hij geloofde dat hij Sundiata’s coalitie zou breken op de open vlakte van Kirina, op een dag die hijzelf had uitgekozen.
De griot Balla Fasséké zou later overleveren dat de twee legers elkaar voor het eerst zagen op de avond voor de slag. De vuren van Sosso brandden tegenover die van Mande, gescheiden door enkele honderden passen en door een geschiedenis die ouder was dan de mannen die er stonden.
Al-Umari ﵀ noteert in zijn beschrijving van Mali, geschreven generaties later, dat de overwinning van Sundiata tegen Sumanguru gold als de stichtingsdaad van het rijk. Wat in Kirina werd beslist, hield acht eeuwen lang stand in het geheugen van de Mande.