InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënSiera in 3D

maart – juni 633 n.Chr. · Muharram – Safar 12 AH

Khalid ibn al-Walid ﵁'s Iraakse veldtocht: Kazima tot Hira

فتوحات خالد في العراق

De Rechtgeleide Khaliefen · Abu Bakr as-Siddiq ﵁

Khalid ibn al-Walid ﵁ opent het Sasanidische front. Zes fasen: de Strijd der Ketenen bij Kazima, de Slag van al-Madhar, de Slag van Walaja met zijn beroemde tangbeweging, de Slag van Ullais waar de Nahr ad-Damm zijn naam kreeg, de opmars naar Hira, en het verdrag waar de Lakhmidische hoofdstad zich overgaf voor zestigduizend dirham jizyah.

Lees het volledige artikel
Fase 1

De Strijd der Ketenen (Dhat as-Salasil) bij Kazima

Toen Khalid ﵁ de orders ontving om door te stoten naar het noordoosten, was hij nog in al-Yamamah aan het herorganiseren. Abu Bakr ﵁ had hem geschreven dat al-Muthanna ibn Haritha ash-Shaybani ﵁ al maandenlang langs de Sasanidische grens schermutselingen voerde, en dat een gecoördineerde campagne nodig was. Khalid ﵁ moest met zijn hoofdmacht aansluiten bij al-Muthanna ﵁, het zuidelijke Iraq binnenstoten, en de Lakhmidische hoofdstad Hira bedreigen.

De geografie was nieuw voor de Arabieren van het schiereiland. De Eufraat-delta, de zoutmoerassen rond Basra, de irrigatiekanalen die kruisten als een weefsel, de palmgaarden die schaduw boden tot aan de horizon. Khalid ﵁ koos voor een snelle benadering vanuit de woestijn. Hij verzamelde achttienduizend man op de rand van de Nafud, en hij stuurde een brief vooruit naar Hormuz, de Sasanidische marzban van het zuidelijke front in Kazima.

De brief was kort. “Aanvaard de islam, en u krijgt veiligheid. Weiger, en betaal de jizyah. Weiger ook dat, en houd uzelf gereed voor mannen die de dood meer liefhebben dan u het leven.”

Hormuz lachte. Hij was een door de shah aangestelde militair gouverneur, een man met een gouden tulband, een eigen palatijnse wacht, en een Sasanidische opvatting van de oorlog die de Arabische bedoeïenen als ongeordende plunderaars zag. Hij verzamelde zijn troepen bij Kazima, aan de Perzische Golf, en hij liet zijn elite-infanterie ketenen om hun enkels en polsen sluiten. De ketenen, in groepen van tien, betekenden dat de eerste rang niet kon vluchten. Wie staan bleef, hield de hele rij staan. Wie vluchtte, sleepte negen anderen mee.

Khalid ﵁ kwam in de vroege morgen aan. Hij stelde zijn cavalerie aan beide flanken op en zijn infanterie in het centrum. Hormuz, conform Sasanidische gewoonte, riep om een mubaraza, een duel tussen de twee commandanten voor de hoofdslag begon. Khalid ﵁ reed naar voren. Hormuz reed naar voren. De Sasanidische bevelhebbers maakten een traditie van vergiftigde dolken die in een mubaraza op het laatste moment gebruikt werden. Een van zijn officieren stond gereed om Khalid ﵁ in de rug aan te vallen tijdens het duel.

Het duel duurde minder dan een minuut. Khalid ﵁ greep Hormuz vast in een worstelgreep, slingerde hem opzij, en doodde hem met één slag op de keel. Op datzelfde moment sprong al-Qaʿqaʿ ibn ʿAmr ﵁, Khalid ﵁'s lijfwacht, naar voren en doodde de officier die zich vanachter wilde verraden.

Met Hormuz dood en zijn geketende infanterie machteloos om te wijken, brak de Sasanidische linie. De vlucht werd massaal. De geketende eenheden konden niet vluchten en werden ter plekke afgeslacht. Khalid ﵁ liet de overige ketenen die overbleven als trofee naar Medina sturen. Abu Bakr ﵁ verdeelde de gouden tulband van Hormuz, naar de overlevering, aan Khalid ﵁ als persoonlijk aandeel, en zegende daarmee de campagne.

Kazima viel binnen een dag. Khalid ﵁ rustte twee dagen, herstelde de gewonden, en zette koers noordwaarts, de Eufraat op, waar nieuwe Sasanidische strijdmachten zich verzamelden om hem tegen te houden.

Fase 2

De Slag van al-Madhar

Na Kazima trok Khalid ﵁ noordwaarts langs de oostzijde van de woestijn, parallel aan de Eufraat en de benedenloop van de Tigris. De Sasaniden hadden, ondanks het verlies van Hormuz, tijd gehad om een nieuw leger op de been te brengen. Het werd geleid door Qarin ibn Qaryana, een ervaren marzban die door de hofadministratie van Madaʾin Kisra rechtstreeks naar het zuiden was gestuurd om de bres die in Kazima was geslagen, weer dicht te trekken. Samen met de Lakhmidische bondgenoten Qubadh en Anushjan verzamelde Qarin zijn strijdmacht bij al-Madhar, in de moerassen ten oosten van de rivier, ongeveer dertig farsakh van Kazima.

De Slag bij al-Madhar viel in april 633. Khalid ﵁ wist van de Sasanidische verzameling door verkenners van de Banu Bakr-stam, die de regio kenden als de palm van hun hand. De Banu Bakr-aanvoerders hadden Khalid ﵁ in Kazima ontvangen na de overwinning daar en waren bij zijn voorhoede aangesloten. Zij wezen hem op de moerasdammen die als enige doorgangen door de zoutmoerassen golden, en zij brachten hem in stilte tot binnen een dag mars van Qarin’s kamp.

Khalid ﵁ koos opnieuw voor snelheid. Hij liet zijn infanterie minder tijd om te rusten dan een Sasanidische bevelhebber redelijk zou rekenen, en arriveerde bij al-Madhar voor de Lakhmidische versterkingen onder Anushjan aansluiting hadden gevonden met Qarin’s hoofdlinie. De Sasanidische opstelling was conventioneel. Zware infanterie in het centrum, cavalerie op beide flanken, boogschutters achter de linie. De moerasbodem maakte een grootschalige cavalerie-charge moeilijk en dwong de slag tot een infanterie-aangelegenheid.

Bij al-Madhar werd opnieuw om een mubaraza gevraagd. Qarin, die Hormuz had gekend en wraak wilde, reed naar voren tussen de linies en riep de Muslim-officieren uit. Een van de Sahabah ﵁ daagde Qarin uit voor het tweegevecht en doodde hem in de zadel met één gerichte stoot door de keel. De Sasanidische voorhoede zag haar veldcommandant vallen voor de hoofdslag was begonnen. Daarop kwamen Qubadh en Anushjan naar voren in een tweevoudig duel met al-Qaʿqaʿ ibn ʿAmr ﵁ en ʿAsim ibn ʿAmr ﵁. Beiden vielen onder de slagen van de Muslim-officieren. De Sasanidische voorhoede miste in één enkel uur drie bevelhebbers.

De hoofdslag, toen die uiteindelijk begon, was kort. De Sasanidische infanterie, zonder haar veldcommandanten en zonder duidelijke order, brak voor de Muslim-cavalerie die over de drogere randen van de moerassen op de flanken inreed. De overlevenden vluchtten over de moerasdammen naar het noorden, in de richting van Walaja, waar zij hoorden dat een tweede Sasanidische strijdmacht onder Andarzaghar zich aan het vormen was. De buit aan wapens en lastdieren werd verdeeld volgens de gebruikelijke verdelingsregels, en Khalid ﵁ stuurde het khums met een koerier naar Medina.

Khalid ﵁ gunde zijn manschappen één dag rust en zette daarna koers naar het noordwesten, langs de oever van de Eufraat. Walaja lag een vier dagen mars verderop. Het was hem ondertussen duidelijk geworden dat de Sasanidische hofadministratie niet één maar een reeks strijdmachten in opmars had, en dat snelheid de enige manier was om hen één voor één te verslaan voordat zij zich konden verenigen.

Fase 3

De Slag van Walaja

Walaja lag in een open vlakte ten zuiden van Hira, daar waar de moerassen aan een rij van wadi’s overgingen. Het terrein was, anders dan al-Madhar, geschikt voor zware cavalerie. Andarzaghar, een hoge Sasanidische edelman met een directe verbinding aan het hof van Madaʾin Kisra, had hier zijn linies in een open veld opgesteld, zijn flanken beschermd door ruiterij, zijn centrum versterkt door Sasanidische elite-infanterie. Zijn leger was aanzienlijk groter dan dat van Khalid ﵁, mogelijk met een factor twee of meer, met versterkingen uit Madaʾin Kisra die in haast naar het zuiden waren gestuurd.

Khalid ﵁ ontwikkelde voor het eerst in deze campagne een tactiek die hij niet eerder zo had toegepast. Hij verdeelde zijn cavalerie in twee verborgen detachementen, één onder Busr ibn Abi Artat ﵁ en één onder Saʿid ibn Murra ﵁, en plaatste hen nachtelijk in twee wadi’s links en rechts achter de positie waar de Sasanidische linie zich naar verwachting de volgende morgen zou ontplooien. De manschappen kregen bevel zich onzichtbaar te houden, geen vuur te maken, en pas te bewegen op het signaal van Khalid ﵁'s hoorn. Daarna stelde hij zijn hoofdmacht frontaal op tegen Andarzaghar, in het centrum van de vlakte.

De slag begon recht-toe-recht-aan. Khalid ﵁ liet zijn centrum eerst wijken, deed alsof zijn linie kwetsbaar was onder de Sasanidische druk. Hij gaf bevel langzaam terug te trekken, stap voor stap, zonder de formatie te breken. Andarzaghar drong door. Wat hij zag was een Arabisch leger dat eindelijk zijn meerdere ontmoette en op het punt stond uit elkaar te vallen. Zijn elite-infanterie versnelde haar opmars. De Sasanidische cavalerie op de flanken volgde, in een poging de Muslims te omsingelen.

Op het moment dat de Sasanidische voorhoede zich te ver had losgemaakt van zijn reservelijnen, blies Khalid ﵁ in zijn hoorn. De twee verborgen cavalerie-eenheden kwamen tegelijkertijd uit de wadi’s en sloegen op de Sasanidische rug. Busr ﵁ vanuit het noorden, Saʿid ﵁ vanuit het zuiden, en op datzelfde moment keerde Khalid ﵁'s centrum zijn schijnbare terugtocht om in een tegenaanval.

De omsingeling was perfect. Andarzaghar’s leger werd op het slagveld tussen drie strijdmachten geplet. De Sasanidische infanterie kon niet wijken, want zij was nu in alle richtingen ingesloten. De cavalerie probeerde door te breken naar de flanken, maar werd door Busr ﵁ en Saʿid ﵁ van de paarden gehaald. Tegen de middag was de slag voorbij. Andarzaghar’s leger was geheel vernietigd. Andarzaghar zelf vluchtte in de schemering met enkele lijfwachten in de richting van de woestijn ten westen van Hira en stierf, naar de overlevering, later van dorst in een wadi waarvan de Banu Bakr-verkenners zijn lichaam pas dagen later vonden.

De tangbeweging van Walaja zou een van de meest bestudeerde manoeuvres in de Arabische militaire traditie worden. Latere kroniekschrijvers vergeleken haar met de manoeuvre van Hannibal bij Cannae, hoewel Khalid ﵁ zelf, in latere overleveringen, ontkende ooit van Hannibal te hebben gehoord. Hij had het, zei hij, in een droom gezien voor de slag, en hij voegde eraan toe dat het maar één van vele manieren was om een groter leger te verslaan, en dat de echte les niet de manoeuvre maar de tucht van zijn manschappen was geweest.

De rivier-vlakten ten zuiden van Hira lagen nu open. De Sasanidische defensie van de zuidelijke Eufraat-corridor was gebroken. Maar één leger stond nog tussen Khalid ﵁ en Hira, en dat verzamelde zich op dat moment al bij Ullais.

Fase 4

De Slag van Ullais (Nahr ad-Damm)

Na Walaja regroepeerden de Sasaniden zich nog één keer. Christelijke Arabische stammen, vooral van de Banu Bakr ibn Wail en de Banu Taghlib, vormden samen met Sasanidische reservelijnen onder Jaban een laatste verdedigingslinie bij Ullais, niet ver van de monding van de Khaseef-zijrivier in de Eufraat. Voor veel van die christelijke Arabieren was het de eerste keer dat zij samen met Sasaniden vochten, en zij hadden persoonlijke wraak op de Muslim-strijdmacht voor verwanten die in eerdere schermutselingen waren gevallen.

Toen Khalid ﵁ Ullais naderde, ving hij een verkenningseenheid van de Banu Bakr op en hoorde uit hun mond welke stammen tegenover hem stonden. Een aantal van de Banu Bakr-aanvoerders waren mannen wier vaders zakat-inzamelaars in Bahrein hadden vermoord een jaar tevoren. Hij keerde zich naar zijn officieren en sprak een woord dat alle latere kronieken hebben bewaard. “O Allah, als U mij overwinning geeft over hen, dan zweer ik dat ik geen man van hen in leven laat zolang ik kan strijden, en dat ik de rivier van Ullais zal laten stromen met hun bloed.”

De slag bij Ullais was de bloedigste die Khalid ﵁ ooit had geleid op puur menselijk niveau. De christelijke Arabieren vochten met de woede van mannen die nergens anders heen konden. De Sasanidische reserve onder Jaban bleef koel en georganiseerd. De Muslim-strijdmacht moest drie uur lang doorbijten voordat de linie aan de overzijde wankelde.

Toen het brak, brak het catastrofaal. Khalid ﵁ liet zijn cavalerie doorstoten over de zijrivier. Hij beval, ongekend in deze campagne, dat geen gevangenen genomen werden tot zonsondergang. De rivier werd letterlijk rood. De overlevering vertelt dat het water nog drie dagen lang rood was, en dat in latere overleveringen al-Qaʿqaʿ ﵁ aan ʿUmar ﵁ vertelde dat hij ooit, jaren later, voor het laatst water dronk uit die rivier en herinneringen kreeg aan dat moment.

In de avond viel het bevel om de gevangenen die nog zwaaiden, te sparen. Khalid ﵁ had zijn eed niet letterlijk willen voltrekken, maar symbolisch. Zijn officieren overtuigden hem dat het bloed dat de rivier had laten stromen genoeg was om de eed te eren, en dat het verder doden van weerloze mannen niet in overeenstemming was met de adab van de Profeet ﷺ. Khalid ﵁ aanvaardde de redenering. De rivier kreeg vanaf die dag in alle latere geografische verzamelingen de bijnaam Nahr ad-Damm, de Rivier van Bloed.

De Sasanidische reserve onder Jaban werd verstrooid. Jaban zelf werd gevangen en later in vrijheid gesteld nadat een Arabische officier hem aanvankelijk niet had herkend en hem amaan had gegeven. Khalid ﵁ honoreerde de amaan. Jaban kreeg vrije terugreis naar Madaʾin Kisra. Daar diende hij later als getuige aan het hof van de shah over de manier waarop deze nieuwe vijand vocht, en zijn rapport droeg bij aan de paniek die de Sasanidische elite begon te bevangen.

Met Ullais was de weg naar Hira open. Geen Sasanidisch leger stond er meer tussen Khalid ﵁ en de Lakhmidische hoofdstad. De rivier van bloed was zijn laatste hindernis, en die had hij overgestoken.

Fase 5

De opmars naar Hira

Na Ullais lag de zuidelijke Eufraat-corridor open. Khalid ﵁ liet zijn manschappen één nacht rusten aan de oever van de Khaseef, verzorgde de gewonden, en stelde toen koers noordwestwaarts langs de oever van de Eufraat richting Hira. De afstand was kort, niet meer dan een paar dagen mars, maar het terrein was nieuw. Palmgaarden en irrigatiekanalen vervingen de woestijnranden waarop zijn cavalerie eerder gevochten had. De Banu Bakr-verkenners, die het gebied kenden, gingen voor de hoofdmacht uit en wezen op de smalle paden tussen de waterlopen.

Het nieuws van Ullais snelde de strijdmacht vooruit. De rivier die nog rood stond, de duizenden lichamen die door de Khaseef werden meegevoerd, het waren beelden die door koeriers, vluchtelingen en handelaren naar het noorden werden gedragen voordat Khalid ﵁ zelf de poorten van Hira in zicht kreeg. De Sasanidische garnizoenen die langs de Eufraat verspreid lagen, in kleinere forten en posthuizen, namen elk een andere beslissing. Sommigen brandden hun voorraden en vluchtten, anderen lieten hun wapens in de modder achter en boden de eerste verkenners die hen bereikten een onderwerping aan in ruil voor lijfsbehoud. Geen van die kleinere posten bood enige weerstand.

In Hira zelf, de Lakhmidische hoofdstad sinds twee eeuwen, ontstond paniek. Azadhbeh, de door de shah aangestelde Sasanidische garnizoenscommandant, had het bevel gekregen Madaʾin Kisra te beschermen tegen elke verdere doorbraak. Hij las het rapport van Ullais, woog zijn kansen, en koos voor wat hij later zou rechtvaardigen als strategische terugtocht. Met zijn cavalerie en de Sasanidische ambtenaren verliet hij Hira in de richting van het noordoosten, langs de oever van de Tigris, met als doel Ctesiphon. De stad bleef achter zonder Sasanidisch garnizoen, alleen met haar eigen Arabische burgerwacht en de paleisbewaking van de Lakhmidische edelen.

De Lakhmidische adel, christelijke Arabieren van de Banu Lakhm die generaties lang als vazallen van de shah hadden geregeerd, vergaderde in de vier paleisburchten van de stad. Al-Khawarnaq, as-Sadeer, al-Qasr al-Abyad, en de vierde burcht naast de hoofdkerk, allemaal van wit gepleisterde steen, allemaal in volle bewapening maar zonder de Perzische ruggesteun die hen altijd hun militaire gewicht had verleend. De aanvoerders die op die avonden vergaderden waren Iyas ibn Qabisah, het officiële stamhoofd dat door de shah was bevestigd, en de oude ʿAbd al-Masih ibn ʿAmr ibn Buqayla, een wijze man wiens stem in de raad zwaar woog ondanks dat hij geen officiële titel droeg.

De raad debatteerde dagenlang. Drie opties lagen op tafel. Vechten zonder de Sasaniden, wat na het nieuws van Ullais door iedereen als zelfmoord werd gezien. Vluchten naar het noorden achter Azadhbeh aan, wat hun landerijen, hun palmgaarden, en hun kerken in de handen van de overwinnaar zou achterlaten. Of onderhandelen, wat een ongekende stap was voor de Lakhmidische adel die altijd haar wapens had laten spreken namens de shah. Iyas ibn Qabisah hield aanvankelijk vol dat de eer van zijn huis een gevecht eiste. ʿAbd al-Masih sprak hem tegen. “Een man die zijn dorpen voor zijn eer offert, heeft beide verloren”, zei hij naar de overlevering. De raad neigde langzaam naar zijn standpunt.

Op de dag dat Khalid ﵁ met zijn voorhoede de buitenwijken van Hira in zicht kreeg, was de beslissing van de raad bijna definitief. Hij zette zijn hoofdmacht op in een halve cirkel rond de westelijke kant van de stad, op een afstand die zijn intentie duidelijk maakte maar geen onmiddellijke aanval inhield. Hij zond twee emissaries vooruit naar de poorten, met de standaard drievoudige boodschap die hij in elke confrontatie van deze campagne had gebruikt. Islam, jizyah, of het zwaard. Hij verzocht antwoord binnen één dag.

Uit een van de poorten kwam een delegatie onder een witte vlag. Aan het hoofd liep een oude man, gesteund door twee jongere edelen, met een gerimpeld gezicht zoals een verdroogde dadel en een Arabisch in een Hira-accent dat in Mekka nooit was gehoord. Het was ʿAbd al-Masih ibn ʿAmr. Hij vroeg om audiëntie bij de bevelhebber. Khalid ﵁ ontving hem zittend op een eenvoudige mat. Voor het eerst in deze campagne, sinds Kazima, sinds Hormuz, sinds al-Madhar, sinds Walaja, sinds Ullais, stond een Sasanidische bondgenoot voor hem die niet was gekomen om te vechten maar om te spreken.

De page van de geschiedenis was aan het keren, en de oude man en de jonge bevelhebber wisten het allebei.

Fase 6

De val van Hira

Hira was geen veroverde stad in de zin van een belegering. Toen Khalid ﵁ in juni 633 met zijn hoofdmacht voor de muren verscheen, was de Sasanidische garnizoenscommandant Azadhbeh al gevlucht naar Madaʾin Kisra. De Lakhmidische edelen, die generaties lang als Arabische vazallen van de shah hadden geregeerd, vergaderden in de paleisburchten en kwamen tot een gezamenlijke beslissing. Zij zouden onderhandelen. Geen open slag, geen belegering, geen verdere bloedvergieten.

De stad had vier burchten van wit gepleisterde steen, elk genoemd naar een Lakhmidische stamtak. De delegatie die naar Khalid ﵁ uittrok werd geleid door ʿAbd al-Masih ibn ʿAmr ibn Buqayla, een oude christelijke Arabier die naar verluidt al meer dan tweehonderd Hijri-jaren onder de eigenste rekening had gediend bij meerdere paleizen. Of dat letterlijk waar was of niet, de man die naar Khalid ﵁'s kamp kwam was ongetwijfeld zeer oud, gerimpeld als een verdroogde dadel, en hij sprak Arabisch met een Hira-accent dat in Mekka nog nooit gehoord was.

Khalid ﵁ ontving hem zittend op een eenvoudige mat. Hij bood hem dadels aan. ʿAbd al-Masih nam er een, kauwde, en spuugde de pit uit op de mat tussen hen. Toen Khalid ﵁ hem vroeg waarom hij dat deed, antwoordde de oude man dat hij zo lang geleefd had dat hij elke pit van een dadel die hij at, automatisch uitspuwde uit angst voor de tand die hij verloren zou kunnen hebben. Khalid ﵁ lachte. Hij vond de oude man verfrissend. De onderhandelingen begonnen met een toon van wederzijds respect.

De voorwaarden waren als volgt. Hira zou een jaarlijkse jizyah betalen van zestigduizend dirham. De inwoners zouden vrij blijven hun eigen godsdienst, voor de meesten christelijk, te belijden, en hun eigen lokale autoriteiten te behouden. De Sasanidische administratie zou verdwijnen, vervangen door een directe relatie met de khaliefa in Medina. In ruil daarvoor garandeerde Khalid ﵁ veiligheid voor leven, eigendom, en eerbied van kerken en kloosters.

Het verdrag werd in tweevoud opgesteld, één in het Arabisch en één in het Syrisch. Het werd door de vier hoofden van de Lakhmidische stamtakken ondertekend en door Khalid ﵁ namens Abu Bakr ﵁ bevestigd. De zestigduizend dirham werd binnen drie dagen aangedragen, deels in gouden munt en deels in zilveren staaf. Een afschrift werd met de eerste koerier naar Medina gestuurd.

Toen het verdrag in Medina arriveerde, ontving Abu Bakr ﵁ het in de moskee van de Profeet ﷺ na de fajr. Hij liet het hardop voorlezen. Hij keerde zich tot de Sahabah ﵃ aanwezig en zei iets in de trant van: “Wie van jullie zou, een jaar geleden, gedacht hebben dat de hoofdstad van de Lakhmiden zonder strijd in onze hand zou vallen? Voorwaar, Allah houdt Zijn beloften aan degenen die geduldig zijn.” De koerier werd terug naar Khalid ﵁ gezonden met een eenvoudige instructie. Doorgaan. Anbar in het noorden was het volgende doel.

Khalid ﵁ rustte twee weken in de paleizen van Hira. Hij liet zijn officieren de stad rondleiden, accepteerde geschenken van de Lakhmidische edelen, en hield audiëntie met de bisschop van de plaatselijke kerk. De bisschop verzocht om bevestiging dat de relikwieën in zijn kerk niet zouden worden aangetast. Khalid ﵁ gaf het schriftelijke bevestiging.

Met Hira begon de Muslim-omgang met geërfde imperiale structuren. De jizyah-modaliteiten die hier voor het eerst werden vastgesteld, zouden binnen drie jaar het model worden voor de provincies van Syrië, en binnen twintig jaar voor het hele oude Sasanidische rijk. Khalid ﵁ wist het niet toen hij het verdrag tekende. Hij wist alleen dat de eerste sprong over de grens van het schiereiland gemaakt was, en dat de weg naar Madaʾin Kisra, hoe ver ook, niet meer onbegaanbaar was.

In Medina zou de campagne van Khalid ﵁ in Iraq korter gestopt worden dan iedereen verwachtte. Abu Bakr ﵁ had besloten dat het Syrische front, waar Byzantijnse legers zich begonnen te verzamelen tegen de Muslim-eenheden onder Abu ʿUbaydah ﵁, Yazid ibn Abi Sufyan ﵁, en Shurahbil ﵁, de prioriteit moest krijgen. Een nieuwe order werd gestuurd. Khalid ﵁ moest met een deel van zijn leger door de Syrische woestijn marcheren en daar de Byzantijnen ontmoeten. Iraq zou verder worden afgehandeld door al-Muthanna ﵁ alleen. De mars die Khalid ﵁ vervolgens zou maken, van Hira naar Bosra over de woestijn van Samawah, is een van de beroemdste in de Arabische militaire geschiedenis. Maar dat is een ander verhaal.

Khalid ibn al-Walid ﵁'s Iraakse veldtocht: Kazima tot Hira – kaart

Deze veldslag is fase voor fase te volgen op de interactieve 3D-kaart, van de openingszetten tot de uiteindelijke afloop. De kaart behandelt de volgende fasen:

  • Fase 1:De Strijd der Ketenen (Dhat as-Salasil) bij Kazima
  • Fase 2:De Slag van al-Madhar
  • Fase 3:De Slag van Walaja
  • Fase 4:De Slag van Ullais (Nahr ad-Damm)
  • Fase 5:De opmars naar Hira
  • Fase 6:De val van Hira
Open de interactieve slagkaart

Veelgestelde vragen

Wat was de Iraakse veldtocht van Khalid ibn al-Walid ﵁?

De Iraakse veldtocht van Khalid ibn al-Walid ﵁, van Muharram tot Safar 12 AH (maart tot juni 633), opende het Sassanidische front: met ongeveer achttienduizend man versloeg hij de Perzen en hun bondgenoten bij Kazima, al-Madhar, Walaja en Ullais, en nam hij de Lakhmidische hoofdstad Hira in. Abu Bakr ﵁ had hem opgedragen aan te sluiten bij al-Muthanna ibn Haritha ﵁, die al maanden langs de grens schermutselingen voerde. Snelheid was de kern van de campagne, elke Sassanidische strijdmacht werd verslagen voordat zij zich met een volgende kon verenigen.

Wat was de Strijd der Ketenen (Dhat as-Salasil)?

De Strijd der Ketenen bij Kazima aan de Perzische Golf, de openingsslag van de Iraakse veldtocht van Khalid ﵁ in 12 AH (633), dankt zijn naam aan de Sassanidische bevelhebber Hormuz, die zijn elite-infanterie in groepen van tien aan elkaar liet ketenen zodat de eerste rang niet kon vluchten. Khalid ﵁ doodde Hormuz in een tweegevecht met één slag op de keel, terwijl al-Qaʿqaʿ ibn ʿAmr ﵁ de officier neersloeg die hem tijdens het duel in de rug wilde aanvallen. De geketende eenheden konden niet wijken en de Sassanidische linie brak.

Wat gebeurde er bij de Slag van Walaja?

Bij Walaja, in een open vlakte ten zuiden van Hira, vernietigde Khalid ﵁ in 633 het aanzienlijk grotere leger van de Sassanidische edelman Andarzaghar met een dubbele omsingeling: twee verborgen cavalerie-eenheden onder Busr ibn Abi Artat ﵁ en Saʿid ibn Murra ﵁ vielen op zijn hoornsignaal de Perzische rug aan, terwijl het centrum zijn schijnbare terugtocht omkeerde. Latere kroniekschrijvers vergeleken de tangbeweging met Hannibals manoeuvre bij Cannae, al ontkende Khalid ﵁ ooit van Hannibal te hebben gehoord. Andarzaghar vluchtte de woestijn in en stierf daar naar de overlevering van dorst.

Waarom heet de rivier bij Ullais de Nahr ad-Damm (Rivier van Bloed)?

Na de Slag van Ullais in 633, de bloedigste van de Iraakse veldtocht van Khalid ﵁, kreeg de zijrivier van de Eufraat de bijnaam Nahr ad-Damm, Rivier van Bloed, omdat het water naar de overlevering nog drie dagen rood stond van het bloed van de gevallen Sassaniden en hun christelijk-Arabische bondgenoten. Khalid ﵁ had voor de slag gezworen de rivier met het bloed van de vijand te laten stromen. Zijn officieren overtuigden hem na de slag dat de eed symbolisch was vervuld en dat het doden van weerloze gevangenen niet paste bij de adab van de Profeet ﷺ.

Hoe viel Hira in handen van de moslims?

Hira, de Lakhmidische hoofdstad, gaf zich in juni 633 zonder beleg over aan Khalid ﵁: de oude christelijke edelman ʿAbd al-Masih ibn ʿAmr onderhandelde een verdrag waarbij de stad een jaarlijkse jizyah van zestigduizend dirham betaalde in ruil voor veiligheid van leven en eigendom en eerbied voor kerken en kloosters. Het Sassanidische garnizoen onder Azadhbeh was al gevlucht naar Madaʾin Kisra voordat de onderhandelingen begonnen. De jizyah-afspraken van Hira werden binnen enkele jaren het model voor Syrië en later voor het hele voormalige Sassanidische rijk.

Waarom verliet Khalid ﵁ Iraq na de val van Hira?

Kort na de val van Hira in 633 beval Abu Bakr ﵁ dat Khalid ﵁ met een deel van zijn leger door de Syrische woestijn moest marcheren, omdat Byzantijnse legers zich begonnen te verzamelen tegen de Muslim-eenheden op het Syrische front, dat voortaan de prioriteit kreeg. Iraq werd verder afgehandeld door al-Muthanna ﵁ alleen. De mars die Khalid ﵁ vervolgens maakte, van Hira naar Bosra dwars door de woestijn van Samawah, werd een van de beroemdste uit de Arabische militaire geschiedenis.