InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Slag bij Yarmuk
De Rechtgeleide KhaliefenʿUmar ibn al-Khattab ﵁

Slag bij Yarmuk

De slag bij Yarmuk

De bedding waarin een rijk werd verloren

Ten zuiden van het Meer van Tiberias, op de grens van wat vandaag Syrië en Jordanië heet, snijdt een rivier diep door het basaltlandschap van de Hauran. De Yarmuk verzamelt water uit de hellingen van de Golan en de bergen van Ajloun en stort zich westwaarts naar de Jordaanvallei. Aan haar zuidoever lopen ravijnen die honderden meters lager liggen dan de hoogvlakte erboven. Wie in de zomer van het vijftiende jaar van de Hijra langs deze ravijnen reed, kon de blauwe lucht boven de basaltvelden zien, de stille hete wind tussen de zwarte stenen voelen, en in de verte aan de horizon de tenten van twee legers zien staan die elkaar in de komende dagen zouden ontmoeten.

In het vorige artikel sloten wij bij de eerste khutbah van ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ en de aanvaarding van zijn titel Amir al-Muʾminin. Drie maanden waren sindsdien verstreken. De Sahaba ﵃ in Medina waren bezig met het bestuur dat hun nieuwe khalifah had ingericht. Aan de Iraakse grens vorderden de troepen onder Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ naar de Sassanidische heerlegers. En in het noorden, in wat ooit de Romeinse provincie Syria Palaestina heette, stond een ander, ouder rijk klaar om zijn antwoord te geven op de moslimse opmars die onder Abu Bakr ﵁ was begonnen en onder ʿUmar ﵁ werd voortgezet. Byzantium, het Oost-Romeinse rijk, had zich in deze maanden tot een ongekende inspanning gerold. Heraclius, de keizer die jaren tevoren de Sassaniden definitief had geslagen en het Ware Kruis naar Jeruzalem had teruggebracht, was nu opnieuw op het slagveld geconfronteerd met een vijand. Ditmaal kwam de vijand niet uit het oosten over de Eufraat; hij kwam uit het zuiden, uit de woestijn, met de boodschap van Muhammad ﷺ.

Kaart laden...

Suyuti’s getuigenis in één zin

Voor wie de slag bij Yarmuk uit de pen van Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀ wil lezen, zoals dit artikel zich verplicht heeft te doen, is de basisgegeven kort. Suyuti behandelt het hele oorlogsjaar 15 van de Hijra in één samenvattende zin. Het is opmerkelijk hoe deze grote geleerde, in zijn Tarikh al-Khulafa, de meest verstrekkende gebeurtenissen niet uit hun grootsheid maar uit hun uitkomst beschrijft.

Suyuti ﵀: In het jaar 15 van de Hijra werd heel Jordanië voor de Islam geopend, met geweld, met uitzondering van Tiberias, dat door verdrag werd geopend. In dit jaar vonden de slagen van Yarmuk en al-Qadisiyyah plaats.

Eén zin voor wat in de wereldgeschiedenis een van de grootste keerpunten is geweest. Wij volgen Suyuti ﵀ in dit register voor de feitelijke kern, en wij keren voor de uitvoerige fase-narratieven van het slagveld naar de battle-story die wij in de cyclus van Siera Kaart afzonderlijk hebben uitgewerkt.

Veldslag laden...

De historische aanloop onder Abu Bakr ﵁

Voor wie de slag bij Yarmuk in haar volle gewicht wil verstaan, dient men terug te gaan tot de eerste maanden van het kalifaat van Abu Bakr ﵁. In de winter van het twaalfde jaar van de Hijra, toen de riddah-oorlogen op het Arabisch schiereiland nog niet ten volle waren afgesloten, had Abu Bakr ﵁ reeds in een vergadering van senior Sahaba ﵃ de vraag opgeworpen of de gemeenschap, eenmaal verzekerd van haar interne eenheid, niet de blik naar de horizon moest richten. Het Byzantijnse rijk had in de afgelopen eeuwen de Arabische stammen aan de Syrische grens als bondgenoten of als cliënten in zijn dienst gehouden; het Sassanidische rijk had hetzelfde gedaan aan de Iraakse grens. Beide rijken waren in 632, op het moment dat de Profeet ﷺ overleed, uit hun jarenlange onderlinge oorlog uitgeput en kwetsbaar.

ʿUmar ﵁, destijds nog rechter en raadsman in Medina, had in deze vroege beraadslagingen het standpunt ingenomen dat de Islam haar boodschap niet binnen de grenzen van Arabië kon houden, omdat haar opdracht universeel was; maar tegelijkertijd had hij gewaarschuwd dat overhaaste expansie de jonge gemeenschap zou kunnen breken. Abu Bakr ﵁ had het midden gehouden: hij stuurde eerste verkenningsmachten naar Syrië en naar Iraq, met instructies om de Byzantijnse en Sassanidische posities te peilen en om bondgenoten onder de Arabische stammen aan beide grenzen te zoeken. Wat in eerste instantie een verkenning was, werd binnen twee jaar een veldtocht; en wat een veldtocht was, werd binnen vier jaar een rijksgewijze verovering.

De strategische voorbereiding

Onder Abu Bakr ﵁ was Khalid ibn al-Walid ﵁, de “Sayf Allah”, in Iraq aan het front gestaan tegen de Sassaniden. Hij had Hira ingenomen, hij had de Sassanidische grensforten verbroken, en hij stond op het punt verder oostwaarts door te dringen, toen het bevel uit Medina kwam: hij moest met spoed naar Syrië trekken om de troepen onder Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁, Shurahbil ibn Hasanah ﵁, ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ en Yazid ibn Abi Sufyan ﵁ te versterken. Het was Abu Bakr ﵁ die deze beweging in gang had gezet; ʿUmar ﵁ erfde de troepen aan twee fronten en bevestigde de keuze van zijn voorganger.

Khalid ﵁ had de woestijntocht door de Samawa volbracht, een tocht die in elke krijgsgeschiedenis van de zevende eeuw tot de meest stoutmoedige bewegingen behoort. Negen dagen door waterloos land, met kamelen die in de eerste dagen waren volgedrongen met water dat zij in hun magen vasthielden, en die op de moeilijkste etappes werden geslacht om hun maaginhoud aan de paarden en de mannen te geven. Aan het einde van die tocht stond een man die de Byzantijnse vooruitgeschoven posities in Syrië verbaasde door zich plotseling in hun rug te bevinden. Vanaf dat moment waren de slagen van Marj as-Suffar, Ajnadayn, Fihl en de inname van Damascus reeds achter de moslims toen ʿUmar ﵁ zijn ambt overnam.

In Medina ontving de nieuwe khalifah de berichten van zijn veldheren met de strenge nauwgezetheid die hem zou kenmerken. Hij gaf zijn instructies schriftelijk. Hij zag toe op de verdeling van de buit volgens de regels die Abu Bakr ﵁ had vastgesteld en die hijzelf zou uitbreiden. En in een van zijn vroege bestuurshandelingen nam hij een besluit waarvan de wijsheid pas later in deze slag zou blijken: hij verzette Khalid ﵁ van het opperbevel naar het ondergeschikte commando, en stelde Abu ʿUbaydah ﵁ aan het hoofd van de troepen in Syrië. Het was geen afzetting uit ongenoegen; het was een herordening, omdat ʿUmar ﵁ wenste dat geen mens in de gemeenschap kon menen dat de overwinning aan de hand van één persoon hing. De zwaard van Allah ﷻ blijft in de strijd; het opperbevel berust bij wie de khalifah daartoe roept. Abu ʿUbaydah ﵁ aanvaardde de aanstelling met de bescheidenheid die hem in het hele veld bekend maakte, en Khalid ﵁ aanvaardde de degradatie met de erkenning dat hij in dienst van de zaak was, niet van zijn eigen rang.

De legermacht aan beide zijden

Heraclius had zijn opperbevelhebber Vahan, een Armeniër in keizerlijke dienst, met een leger van verzamelde troepen op de Yarmuk-vlakte gepositioneerd. De cijfers die uit de Byzantijnse en Arabische bronnen tot ons komen, lopen sterk uiteen, en wij houden ons in dit artikel aan terughoudendheid. Wat wel vaststaat, is dat de Byzantijnse legermacht een veelheid aan strijdgroepen omvatte: Armeense voetsoldaten, Slavische hulptroepen, Ghassanidische Arabische bondgenoten onder Jabalah ibn al-Ayham, Griekse cavalerie, gepantserde cataphractarii, en een grote eenheid huurlingen die in de afgelopen jaren waren geworven. Het was een leger dat in zijn omvang en in zijn samenstelling het grootste was dat het Oost-Romeinse rijk in de zevende eeuw op de been zou brengen.

De moslimse strijdmacht was kleiner, in elk denkbare verhouding, en zij was eenvoudiger gewapend. Hun cavalerie was minder gepantserd, hun voetsoldaten droegen geen plaatpantser maar leren of geweven bescherming, hun pijlen waren kort van schacht en sterk van punt. Wat zij in materiële uitrusting misten, dat brachten zij in beweeglijkheid en in geestelijke gerichtheid. Onder de mannen die op de Yarmuk-vlakte stonden, bevonden zich enkele van de bekendste Sahaba ﵃ van het eerste uur: Abu Sufyan ibn Harb ﵁, die ondanks zijn hoge leeftijd op het slagveld stond en wiens schreeuw boven het tumult uit zou worden gehoord; ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, die later de veroveraar van Egypte zou worden; Yazid ibn Abi Sufyan ﵁; Shurahbil ibn Hasanah ﵁; Saʿid ibn Zayd ﵁; en honderden anderen wier namen tot ons zijn gekomen door de overleveraars.

De aanloop in maanden

Tussen de bayʿah aan ʿUmar ﵁ in Jumada al-Akhirah van het jaar 13 van de Hijra en het uitbreken van de slag bij Yarmuk in Rajab van het jaar 15 lagen ongeveer twee jaar. In deze twee jaar veranderde de toestand op het Syrische theater grondig. Onder Abu Bakr ﵁ waren de eerste expeditiekorpsen onder Abu ʿUbaydah ﵁, Yazid ibn Abi Sufyan ﵁, Shurahbil ibn Hasanah ﵁ en ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ in het zuiden van Syrië aangekomen, ieder met enkele duizenden manschappen, in vier afzonderlijke leger-eenheden die over een breed front opereerden. Zij hadden de eerste schermutselingen met Byzantijnse troepen gewonnen, maar zij stonden tegenover een Byzantijns rijk dat tijdens de winter van het jaar 13 en het voorjaar van het jaar 14 zijn legers in Antiochië verzamelde voor een tegenoffensief. Het was in deze situatie dat Khalid ibn al-Walid ﵁ met zijn woestijntocht vanuit Iraq de afzonderlijke moslimse korpsen onder één bevel verenigde.

Onder ʿUmar ﵁ in Medina werden de instructies aan de veldheren in Syrië in een gestroomlijnde correspondentie samengebracht. Elke twee weken vertrok er een bode uit Medina naar het noorden, met brieven, met instructies, met benoemingen, met aanvullingen op de regels voor de behandeling van de bevolking. Elke twee weken kwam er een bode terug, met verslagen, met namen van gevallenen, met cijfers van veroverde landerijen, met vragen die in Medina moesten worden beantwoord. Het was een communicatiesysteem dat in zijn snelheid en in zijn precisie de Sassanidische en Byzantijnse imperiale post evenaarde, en het werd gedragen door enkele tientallen vertrouwde boodschappers die hun rijdieren onderweg in tussenposten verwisselden.

Het Byzantijnse antwoord kwam in de zomer van het jaar 15. Heraclius had in Antiochië een leger op de been gebracht waarvan de samenstelling Vahan tot opperbevelhebber maakte, met aan zijn zijde Theodore Trithyrius en Jabalah ibn al-Ayham als bevelhebber van de Ghassanidische Arabische bondgenoten. Dit leger marcheerde zuidwaarts. De moslimse korpsen, op dat moment verspreid over Damascus, Hims en Beqaʿa, kregen via boodschappers van Khalid ﵁ en Abu ʿUbaydah ﵁ het bevel om zich te verzamelen op de Yarmuk-vlakte. De terugtocht uit de pas veroverde steden geschiedde geordend; de jizyah-betalingen werden aan de inwoners voor de duur van de afwezigheid terugbetaald, met de toezegging dat zij na de slag zouden worden hervat. Het was deze ongebruikelijke handeling, die Suyuti ﵀ elders in zijn werk vermeldt als kenmerkend voor de eerste generatie, die de Levantijnse bevolking de welwillendheid van de moslimse heersers liet zien voordat de slag werd uitgevochten.

Het slagveld

De Yarmuk-rivier vormt in haar westelijke loop een diepe kloof, de Wadi ar-Raqqad, die loodrecht op haar bedding loopt en in een afgrond van basaltwanden eindigt. De Byzantijnen hadden zich op de oostelijke vlakte opgesteld, met hun rug naar deze kloof. De moslims hadden zich tegenover hen geplaatst, op een terrein dat hun een betere terugtocht bood. Vahan hoopte de moslims naar het oosten te drijven en hen tussen zijn cavalerie en de Eufraat te klemmen; het zou Khalid ﵁ zijn die in de loop van de zes dagen die de slag duurde, deze opzet zou omkeren en de Byzantijnen zelf op de kloof zou drijven.

Wat in de fasen van de slag gebeurde, is in de bronnen van Tabari ﵀ en Ibn Kathir ﵀ uitvoerig beschreven, en wij vertellen het in detail in onze battle-story die boven dit artikel is gelinkt. Het volstaat hier om de grote lijn samen te vatten: zes dagen lang stonden de twee legers tegenover elkaar; de eerste vier dagen waren een geleidelijke aftasting, met aanvallen door één van de Byzantijnse vleugels op de moslimse linie, gevolgd door tegenaanvallen waarbij de moslimse mannen telkens hun positie wisten te behouden. Khalid ﵁ leidde de moslimse cavalerie, terwijl Abu ʿUbaydah ﵁ het algemene bevel hield over de hoofdmacht. Op het vijfde en zesde dag wendde Khalid ﵁ de slag door een gerichte aanval op de Byzantijnse linkervleugel, die in wanorde naar het noorden en het westen vluchtte. De Byzantijnse rechtervleugel werd vervolgens van haar achterhoede afgesneden en in een omtrekkende beweging tegen de kloof gedrukt. De Wadi ar-Raqqad, die de Byzantijnen veiligheid had moeten bieden, werd hun graf.

De zesde dag in detail

De zesde dag, de dag waarop de slag werkelijk werd beslist, begon met een Fajr-gebed dat door Khalid ﵁ in de moskee-tent van het kamp werd voorgegaan. Mannen die in de voorafgaande dagen verwond waren, knielden naast mannen die nog ongeschonden in de strijd zouden gaan. Khalid ﵁ las uit Soera al-Anfal, het hoofdstuk van Badr, en hij liet de mannen na het gebed in stilte enkele minuten zitten voordat hij hun opdroeg op te staan. Daarna verdeelde hij zijn cavalerie in vier groepen. Hij hield zelf het centrum vast. Hij plaatste Qaʿqaʿ ibn ʿAmr ﵁ aan de rechterflank, ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ aan de linkerflank, en hij stuurde Dirar ibn al-Azwar ﵁ met een kleinere groep om de Byzantijnse achterhoede in de rug aan te vallen.

Toen de zon halverwege haar baan stond, gaf Khalid ﵁ het bevel tot de gecoördineerde charge. De moslimse cavalerie sloeg op de Byzantijnse linies in als een hamer op een al gebarsten beker. De Byzantijnse linkervleugel, die op de vorige dagen reeds was uitgedund, verbrak haar gelederen na de eerste stoot. Wat volgde, was geen ordelijke strijd meer maar een verwarring van vluchtende mannen, gevallen paarden, opgejaagde wagens, en een ravijn aan de zuidzijde waarin de vluchtelingen één voor één werden gedreven. Tegen de avond was het Byzantijnse leger geen leger meer. Tegen de nacht waren de moslimse manschappen, doodmoe maar zonder verloren standvastigheid, in hun kamp teruggekeerd om hun martelaren te tellen.

De vrouwen op het slagveld

Een element dat in elk overlevering van Yarmuk terugkeert en dat ook in Suyuti’s bronnenkring wordt vermeld, is de aanwezigheid van de vrouwen van de Sahaba ﵃ achter de linies. Hind bint ʿUtbah ﵂, de moeder van Muʿawiyah ﵁ en de vrouw van Abu Sufyan ﵁, was op het slagveld aanwezig, samen met andere vrouwen uit de Quraysh en de Ansar. Toen op een moment in de tweede dag van de slag een groep moslimse soldaten in paniek vanaf de frontlinie naar achteren vluchtte, kwamen de vrouwen hen tegemoet met stokken en met tentpalen, en zij dreven hun mannen met scherpe woorden terug naar de vijand. Asma bint Yazid ﵂ wordt in sommige overleveringen genoemd als degene die met een gebroken tentpaal een Byzantijnse soldaat zou hebben verslagen. De geest die uit deze episodes spreekt, is geen schoolboekromantiek; zij was de werkelijkheid van een gemeenschap die op deze dagen in haar geheel, mannen en vrouwen, op de slagveld voor haar bestaan stond.

De rol van Khalid ibn al-Walid ﵁

Suyuti ﵀ noemt Khalid ﵁ niet in zijn enkele Yarmuk-zin, maar in de bredere literatuur die rond deze slag is samengebracht, neemt zijn naam een centrale plaats in. Op de vijfde dag, toen Vahan via een onderhandelaar een aanbod tot terugtrekking deed, en de moslimse veldheren overwogen of zij dit aanbod zouden aanvaarden, was het Khalid ﵁ die met de woorden tussenkwam dat een vijand die om vrede vraagt nadat hij verloren is, geen vrede zoekt maar tijd. Hij overtuigde Abu ʿUbaydah ﵁ van de noodzaak om door te zetten. De volgende dag bracht hij de cavalerie tot een doorbraak in de Byzantijnse linkervleugel, die de slag voor de moslims besliste.

Wat in Khalid ﵁ verenigd was, en wat Suyuti ﵀ in andere passages over hem nadrukkelijk vermeldt, was een militair instinct dat in de Arabische krijgsgeschiedenis zijn gelijke nauwelijks vindt. Hij las een slagveld zoals een schaakmeester een bord leest. Hij wist welke beweging op welk moment de andere partij in een onhoudbare positie zou brengen. En hij combineerde dit met een spirituele gerichtheid die hem maakte tot wat hij wenste te zijn: niet een veldheer voor zichzelf, maar een instrument in dienst van de zaak. Toen hij na deze slag bericht ontving van het overlijden van Abu Bakr ﵁ in Medina, dat hem in volle slag bereikte maar dat hij voor de mannen verborgen hield tot na de overwinning, sprak hij geen woord van klacht. Toen hij door ʿUmar ﵁ van het opperbevel was teruggezet naar het ondergeschikt commando, sprak hij ook geen woord van klacht. Wat hij wel sprak, was de smeekbede dat Allah ﷻ hem het martelaarschap zou geven dat hij op zoveel slagvelden had gezocht en dat hem nooit te beurt zou vallen.

De Quranische context

De slag bij Yarmuk werd door de gelovigen niet beleefd als een louter militaire confrontatie. Zij werd beleefd als een toetsing in de zin die de Quran reeds in de Mekkaanse en Medinaanse openbaringen had vastgelegd. Toen op de vooravond van de zesde dag de moslimse legercommandanten hun mannen tot het laatste offensief opriepen, werd herhaaldelijk uit Soera al-Hashr het vers van standvastigheid geciteerd, en uit Soera al-Anfal de verzen over Badr:

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا لَقِيتُمْ فِئَةً فَاثْبُتُوا وَاذْكُرُوا اللَّهَ كَثِيرًا لَّعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ

"O u die gelooft, wanneer u een vijandelijke schare ontmoet, staat dan vast, en gedenkt Allah ﷻ overvloedig, opdat u zult slagen."

Soera al-Anfal 8:45

Dit vers, dat de gelovigen in Badr en in Uhud en in Hudaybiyyah hadden gehoord, klonk op de oever van de Yarmuk opnieuw. De mannen die voor de Byzantijnse legermacht stonden, waren niet alleen krijgers; zij waren gelovigen die op een specifieke wijze hun positie in de geschiedenis verstonden. Zij wisten dat de uitkomst niet aan hun aantallen lag, en niet aan hun pantser, en niet aan hun cavalerie. Zij wisten dat de uitkomst aan Allah ﷻ lag, en dat hun taak was om standvastig te zijn.

Het bericht van het overlijden van Abu Bakr ﵁

Een element dat in de overleveringen over Yarmuk een eigen plek heeft, is het moment waarop Khalid ibn al-Walid ﵁ bericht ontving van het overlijden van Abu Bakr ﵁ en de bayʿah aan ʿUmar ﵁. Anders dan in de chronologische telling die dit artikel volgt, kwam dit bericht volgens sommige overleveringen tijdens de slag zelf bij Khalid ﵁ aan. Hij had de bode laten opvangen voordat het bericht in de gelederen kon worden verspreid. Hij wilde niet dat de mannen, in het kritieke moment van de strijd, hun aandacht zouden verdelen tussen het slagveld voor hun ogen en de gebeurtenissen in Medina achter hen. Het bericht omvatte twee onderdelen: het overlijden van de eerste khalifah, en de aanstelling van ʿUmar ﵁ als zijn opvolger met de toevoeging dat ʿUmar ﵁ Khalid ﵁ van het opperbevel had teruggezet en Abu ʿUbaydah ﵁ in zijn plaats had benoemd.

Khalid ﵁ las het bericht. Hij liet niemand merken wat hij had gelezen. Hij vocht door tot de overwinning was binnengehaald. Toen, na het laatste gevecht, ging hij naar Abu ʿUbaydah ﵁ en overhandigde hem het bevel. Hij maakte geen scène, hij protesteerde niet, hij verzocht niet om uitstel. Hij accepteerde zijn nieuwe positie als ondergeschikt commandant onder Abu ʿUbaydah ﵁ met dezelfde kalmte waarmee hij vele jaren daarvoor zijn bekering tot de Islam had ondergaan: zonder dramatiek, met directe gehoorzaamheid. Wanneer hij later door een Sahabi ﵁ werd gevraagd waarom hij niet had aangedrongen op het opperbevel, antwoordde hij dat zijn vechten niet voor zijn eigen rang was, maar voor de zaak van Allah ﷻ; en dat een bevelhebber die om zijn rang vecht in plaats van om zijn opdracht, in het uur van de overwinning reeds verloren is.

Dit detail werd in de eeuwen die volgden tot een toetsteen voor de geestelijke aard van de leiderschapsfiguur in de Islam. Wie zich aan een ambt hecht, mist het. Wie zich aan zijn opdracht hecht, vervult het, of het ambt nu in zijn hand is of in de hand van een ander.

De uitkomst en de geografie van de overwinning

Op de avond van de zesde dag was het Byzantijnse leger niet langer een leger; het was een verstrooide menigte van overlevenden die het noorden trachtten te bereiken. Vahan zelf is volgens sommige bronnen op het slagveld omgekomen; volgens andere is hij naar Antiochië gevlucht, waar hij later in ongenade bij Heraclius is gestorven. De keizer zelf, in Antiochië, ontving het bericht van de nederlaag met de berusting van een man die wist dat zijn rijk een provincie had verloren waaraan eeuwen van Byzantijnse politiek geen einde hadden kunnen brengen.

Suyuti ﵀ vat de geografische uitkomst samen in de zin die wij boven citeerden: heel Jordanië werd voor de Islam geopend. Wat dit in concrete plaatsnamen betekent, is in de daaropvolgende maanden zichtbaar geworden. Damascus, dat reeds onder Abu Bakr ﵁ was ingenomen, werd nu definitief vastgehouden. Hims, Baalbek, Antiochië, en de hele Levantijnse kust kwamen in moslimse handen. Tiberias, dat Suyuti ﵀ uitzondert, werd door verdrag opgenomen. De Heilige Stad Jeruzalem zou in het volgende jaar haar overgave aan ʿUmar ﵁ persoonlijk geven, in een gebeurtenis die in een eigen artikel van deze cyclus wordt behandeld. Egypte zou drie jaar later vallen. De landerijen die in deze jaren in moslimse handen kwamen, vormen de basis van wat tot vandaag de Arabisch-islamitische wereld heet.

De politieke gevolgen voor Byzantium

Voor het Oost-Romeinse rijk was Yarmuk het einde van een langdurige Levantijnse aanwezigheid die teruggreep tot Pompeius en de eerste eeuw voor de christelijke jaartelling. De provincies Syria Palaestina, Syria Phoenice, Syria Coele en Arabia, die honderden jaren onder Romeinse en Byzantijnse vlag hadden gestaan, waren in één slag verloren. Heraclius bracht de rest van zijn jaren in Constantinopel door, een gebroken man die in zijn jonge jaren de Sassaniden had geslagen en in zijn oude jaren door de moslims werd verslagen. Hij stierf vier jaar na Yarmuk. Zijn opvolgers zouden zich beperken tot de verdediging van Klein-Azië en de Egeïsche kust. Het rijk dat zichzelf “Romeins” bleef noemen tot in de vijftiende eeuw, was na Yarmuk een Anatolisch rijk, niet langer een Levantijns of een Egyptisch.

Voor de oude Levantijnse bevolking was de verandering minder schokkend dan men vanuit Constantinopel zou hebben verwacht. De moslims hadden in hun verdragen, vanaf het verdrag dat Khalid ﵁ in Damascus had gesloten, een uitzonderlijk milde regeling voorgesteld: behoud van leven, eigendom, geloofsuitoefening en kerkelijke instellingen, in ruil voor de jizyah, een belasting die voor de meeste Levantijnen lager uitviel dan de Byzantijnse belastingen die zij voorheen hadden afgedragen. De miafysitische en monofysitische christenen, die onder Byzantijns bestuur als ketters waren vervolgd, vonden onder de moslimse heerschappij een rust die zij eeuwen niet hadden gekend. Joodse gemeenschappen, die in Antiochië en in de Galilea onder zware Byzantijnse repressie hadden geleden, ondervonden eveneens een verlichting. Wat in de moderne pers vaak als “verovering” wordt aangeduid, kwam in de levens van de inwoners van Syrië en Palestina aan als een wisseling van bestuur die hun dagelijks leven slechts in administratieve zin raakte.

De spirituele betekenis

Voor de gelovigen die op de Yarmuk-vlakte hadden gestaan en voor degenen die in Medina naar het bericht uit Syrië hadden uitgekeken, was deze overwinning niet een militaire prestatie maar een teken. Toen de bode uit het noorden Medina bereikte met het nieuws van de overwinning, ging ʿUmar ﵁ niet zitten om te dineren met de prominenten van de stad. Hij dankte Allah ﷻ in de moskee, beval dat de families van de gevallen martelaren onmiddellijk uit het bait al-mal werden voorzien, en gaf bevel dat geen mens in de gemeenschap in trots over deze overwinning zou spreken, want trots is de poort waardoor de eerste nederlaag binnenkomt na de eerste overwinning.

Suyuti ﵀ verbindt deze overwinning in zijn algemene karakteristiek van het kalifaat van ʿUmar ﵁ aan de woorden van Anas ibn Mālik ﵁ die wij in een vorig artikel reeds aanhaalden: Hij ondernam het bevel ten volle, en in zijn dagen waren er zeer veel openingen. Yarmuk was de eerste van die openingen onder zijn ambt. Het was niet de laatste. In hetzelfde kalenderjaar zou aan de Iraakse grens de slag bij al-Qadisiyyah worden uitgevochten, en in het volgende artikel volgen wij die gebeurtenis, waarin Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ de Sassanidische opperbevelhebber Rustam zou ontmoeten op een vlakte die in de Arabische krijgsgeschiedenis een eigen plek zou krijgen.

Wat Yarmuk de gemeenschap heeft achtergelaten

Wie vandaag aan de oever van de Yarmuk staat en uitkijkt over de basaltvlakte waar de slag heeft plaatsgevonden, ziet een landschap dat in zijn fysieke gestalte nauwelijks is veranderd. Dezelfde wind blaast, dezelfde stenen liggen er, dezelfde rivier zoekt zijn weg naar de Jordaan. Wat in dat landschap is bewaard, is de herinnering aan zes dagen waarin een leger uit Medina, gemiddeld in omvang en eenvoudig in wapenuitrusting, het keizerlijke leger van een van de twee grootste rijken van de zevende eeuw definitief versloeg.

De gevolgen waren onmiddellijk geografisch en politiek, maar zij waren ook geestelijk. Voor de generaties Sahaba ﵃ en Tabiʿun ﵀ die na de slag in Syrië bleven wonen, was de overwinning niet een rechtvaardiging van trots, maar een verplichting. Wie was beloond met de openheid van een land, was verplicht zich aan de rechtvaardigheid te binden die in dat land moest worden uitgevoerd. ʿUmar ﵁ zou in de jaren die volgden, op de minbar in Medina herhaaldelijk de overwinning van Yarmuk gebruiken niet als reden tot zelfvoldoening, maar als reden tot dankbaarheid en als waarschuwing. Hij zou zeggen dat een gemeenschap die haar overwinningen in zich opvangt zonder ze met haar rechtvaardigheid te vergezellen, voor haar volgende test niet bestand zal zijn.

De terugkeer van de boodschappers naar Medina

Toen de eerste verzamelde berichten uit Syrië Medina bereikten, ontving ʿUmar ﵁ ze in dezelfde sobere stijl waarin hij zijn dagelijkse bestuur voerde. Een boodschapper, bedekt met het stof van een tocht van vele dagen, daalde af van zijn rijdier voor de moskee van de Profeet ﷺ. Hij vroeg waar de khalifah was, en de mannen die in de schaduw bij de muur stonden, wezen naar een man in een eenvoudige mantel die water uit een put haalde voor een groep arme bedoeïenen die in de stad waren aangekomen. De boodschapper herkende in deze man niet onmiddellijk de heerser van een rijk dat zojuist Syrië had ingenomen; hij vroeg naar de khalifah, en kreeg het antwoord dat dit hijzelf was. ʿUmar ﵁ ontving het bericht, knielde voor Allah ﷻ neer in de open ruimte voor de moskee, en bleef enige tijd in deze houding voordat hij opstond om de inhoud van het bericht aan de Sahaba ﵃ rondom hem mede te delen.

Hij beval onmiddellijk dat de namen van de gevallen martelaren werden bijgehouden, dat hun families uit het bait al-mal werden voorzien, dat de buit die uit het Byzantijnse legerkamp was meegevoerd, eerlijk werd verdeeld onder de strijders, met inachtneming van de vastgestelde regels: een vijfde voor het bait al-mal, vier vijfde voor de manschappen, met toebedeling per persoon, met dubbele aandelen voor de ruiters wegens de verzorging van hun paarden. Hij stuurde brieven naar Abu ʿUbaydah ﵁ in het noorden waarin hij hem instrueerde om de bevolking van de pas veroverde streken niet onder druk te zetten, om de jizyah-betalingen niet te verzwaren boven wat in de verdragen was vastgelegd, en om de kerken en kloosters die in het gebied stonden, met respect te behandelen.

Deze instructies, in hun stijl van de eerste maanden van ʿUmar’s khilafah, zouden de blauwdruk worden voor wat in alle latere veroveringen onder de Rashidun-khaliefen werd toegepast. Geen plundering. Geen vernieling. Geen gedwongen bekering. Een wisseling van bestuur waarbij de inwoners hun geloof, eigendom, en levenswijze konden behouden, in ruil voor een belasting die de zorg van de moslimse staat voor hun veiligheid bekostigde.

In het volgende artikel

In het volgende artikel volgen wij de tweede grote overwinning van het jaar 15, in al-Qadisiyyah aan de Eufraat, waar Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ tegenover de Sassanidische opperbevelhebber Rustam stond. Wat in Yarmuk voor Byzantium gold, zou in al-Qadisiyyah voor het Sassanidische rijk gelden: het einde van een keizerrijk dat eeuwen had bestaan, in een slag van enkele dagen. De gemeenschap die op deze zomerse Rajab-dagen van het jaar 15 voor het eerst de naam Amir al-Muʾminin op haar lippen had genomen, zou in dezelfde maanden voor het eerst de schat van een rijk in haar handen krijgen, en zij zou daarmee voor het eerst de werkelijke aard van haar verantwoordelijkheid voor de mensheid leren kennen.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 135.
  • Voor de fase-narratieven van het slagveld: zie de battle-story umar-yarmuk in deze cyclus, die put uit at-Tabari ﵀, Tarikh ar-Rusul wa-l-Muluk (vert. Yarshater, SUNY) en Ibn Kathir ﵀, al-Bidaya wa-l-Nihaya.