De secretaris van de gemeente
In het vorige artikel volgden wij Ignác Goldziher op zijn Oosterse Reis, naar Damascus en naar de moskee van al-Azhar, en wij zagen hoe de jonge geleerde die als eerste Europese niet-moslim tot de lessen van de sjeiks werd toegelaten, op een verheven vrijdag in Caïro tussen de biddende menigte knielde en devoter was dan ooit in zijn leven. Wij zagen de liefde die de hele reis droeg, en wij zagen de tragische vraag die zij openliet, want dezelfde man die zijn hart door de islam had laten aanraken zou terugkeren om de wetenschap te beoefenen die de islamitische overlevering op afstand hield. Wij lieten hem achter op de drempel van zijn terugkeer naar Boedapest, met de verheven vrijdag achter zich en de gesloten deur voor zich. Dit artikel gaat over die gesloten deur, en het is het donkerste en het meest menselijke hoofdstuk van dit hele portret, want het toont ons de begaafdste islamwetenschapper van Europa niet op de katheder van de hoogleraar maar achter de lessenaar van een gemeentesecretaris, dertig jaar lang, terwijl zijn grote werk in de nachturen tot stand kwam.
Er is een reden om bij deze jaren stil te staan die verder reikt dan het medelijden met een miskend geleerde, want de vernedering die Goldziher onderging bevat een inzicht dat de kern van dit thema raakt. Wij hebben in het eerste deel van deze reeks gezien hoe de valse spiegel van het oriëntalisme verweven was met de macht, met het koloniale bestuur en met de zelfverzekerdheid van een Europa dat meende de wereld te mogen ordenen. Men zou daaruit kunnen afleiden dat de vertekening een privilege van de machtigen is, een fout van hen die van bovenaf op de gekoloniseerde neerkijken. Het geval Goldziher weerspreekt die geruststellende gedachte. Hier hebben wij een man die zelf werd buitengesloten, die aan den lijve ondervond wat het is om door de heersende cultuur te worden geduld en niet toegelaten, en tóch bleef zijn blik op de islam de blik van de buitenstaander die oordeelt. De vertekening zit dus niet alleen in de macht maar dieper, in de methode zelf, en juist de uitgeslotene bewijst dat, want ook hij die niets te heersen had, hield de openbaring op afstand.
De gesloten deur
Toen Goldziher in 1874 van zijn Oosterse Reis terugkeerde, was hij vierentwintig jaar oud en gold hij reeds als een van de meest belovende oosterse geleerden van zijn generatie. Hij bezat een beheersing van de Arabische taal en de islamitische wetenschappen die zijn Europese leeftijdgenoten verre overtrof, hij had de levende geleerdentraditie van Damascus en Caïro van binnenuit leren kennen, en hij was sinds 1872 als privaatdocent aan de universiteit van Boedapest verbonden. Alles leek hem voorbestemd voor een schitterende academische loopbaan, en zijn beschermheer József Eötvös, de Hongaarse minister van eredienst en onderwijs die zijn talent had onderkend en zijn studiereis mogelijk had gemaakt, had hem een leerstoel in de Semitische filologie in het vooruitzicht gesteld. De weg naar de katheder leek open te liggen voor de begaafde jongeman.
Maar de weg lag niet open, en het uitzicht bedroog. Eötvös was reeds in 1871 overleden, nog voordat Goldziher van zijn reis terugkeerde, en met zijn beschermheer verloor de jonge geleerde de machtige hand die de deur voor hem had kunnen openen. De belofte van de leerstoel bleef een belofte, en de jaren verstreken zonder dat zij werd ingelost. De reden lag niet in een gebrek aan verdienste, want zijn verdienste was buiten kijf, maar in iets dat geen wet meer verbood en dat toch overal werkzaam bleef. Goldziher was een jood, en het Hongarije van de late negentiende eeuw, dat zijn Joden in 1867 de burgerlijke gelijkstelling had verleend, was nog lang niet bereid een jood de volwaardige leerstoel en het aanzien te gunnen die daarbij hoorden. De emancipatie had de voorhal geopend en de binnenzaal gesloten gehouden, precies zoals wij in het eerste artikel van deze reeks voorzagen, en Goldziher stond in de voorhal.
De uitsluiting die Goldziher trof was geen Hongaars gebrek alleen, want het antisemitisme dat hem de leerstoel onthield was een verschijnsel dat de geleerde wereld van heel Midden- en West-Europa doortrok, en Goldziher ondervond de kilte ervan ook van instellingen buiten zijn vaderland. Het is een pijnlijk gegeven dat de wetenschappelijke wereld die zich op haar verlichting en haar universaliteit beroemde, in de praktijk vol zat van vooroordelen die zij in haar zelfbeeld verloochende, en de begaafde Joodse geleerde stuitte telkens weer op de onzichtbare muur die de beleden gelijkheid van de werkelijke gelijkheid scheidde. Wij zullen ons ervoor hoeden deze uitsluiting aan bepaalde personen toe te schrijven, want zij was een structuur en geen samenzwering, en de vriendschappen die Goldziher over de grenzen heen onderhield, waaronder de veertigjarige vriendschap met Snouck die een later artikel zal behandelen, bewijzen dat het niet aan persoonlijke welwillendheid ontbrak. Het ontbrak aan iets dieper, aan de bereidheid van de instellingen om de jood de plaats te geven die zijn talent verdiende, en tegen die diepere onwil kon zelfs de meest oprechte persoonlijke achting niet op.
De positie van privaatdocent, die hij bekleedde, was een positie zonder inkomen. Zij verleende het recht te doceren en droeg het aanzien van de geleerde, maar zij bracht geen salaris mee, want de privaatdocent werd geacht van eigen middelen te leven of uit de bijdragen van zijn studenten, en van beide had Goldziher niet genoeg om een bestaan op te bouwen. Een man van vermogen had zich deze positie kunnen veroorloven als een eervolle liefhebberij in afwachting van de leerstoel, maar Goldziher was de zoon van een koopman van bescheiden welstand, en hij had geen vermogen dat hem de weelde van het onbetaalde wachten toestond. Hij stond dus voor de nijpende noodzaak in zijn onderhoud te voorzien, en de wetenschap die hij liefhad kon hem dat onderhoud niet verschaffen. Hij moest zijn brood elders zoeken.
Slaaf van de gemeente
De oplossing die zich aandiende was tegelijk een redding en een vernedering, want in 1876 aanvaardde Goldziher het ambt van secretaris van de neologe Joodse gemeente van Pest, de modern-hervormde gemeente waartoe hij ondanks zijn orthodoxe afkomst was gaan behoren. Het was een betrekking die hem een inkomen verschafte en hem in staat stelde in Boedapest te blijven en zijn wetenschappelijke arbeid voort te zetten, maar het was administratief werk, kantoorwerk, het beheer van de zaken van de gemeente, en het had met de islamwetenschap die zijn ware roeping was niets te maken. De begaafdste kenner van de islam die Europa in die jaren bezat, bracht zijn dagen door met het bestuur van een geloofsgemeenschap, en hij ervoer dat als een molensteen om zijn nek.
Hoe diep de vernedering hem trof, weten wij uit zijn eigen woorden, want Goldziher hield een dagboek bij dat pas lang na zijn dood, in 1978, door Alexander Scheiber werd uitgegeven, en dat de bittere binnenkant van zijn leven blootlegde die hij tijdens zijn leven achter een waardige buitenkant verborgen had gehouden. Over de tijd waarin hij het secretariaat op zich nam, tekende hij in dat dagboek terugblikkend een zin op die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Nu is het beklonken, schreef hij, dat ik een slaaf zal zijn. Men moet die woorden laten staan in hun harde eerlijkheid, want zij tonen ons wat de buitenwereld niet mocht zien. De man die in zijn geschriften de kalme meesterschap van de geleerde uitstraalde, die zijn boeken publiceerde en zijn eer als wetenschapper opbouwde, voelde zich in de werkelijkheid van zijn dagelijks bestaan een geknechte, een gevangene van een ambt dat hem was opgedrongen door een wereld die zijn talent prees en zijn plaats aan de universiteit weigerde.
Men moet zich hoeden voor het misverstand dat Goldziher zijn ambt met louter tegenzin en zonder toewijding zou hebben vervuld, want de werkelijkheid was ingewikkelder en menselijker dan de bittere dagboekaantekening op het eerste gezicht suggereert. De gemeente die hij diende was de neologe, de modern-hervormde gemeente van Pest, en al was Goldziher opgevoed in de strikte orthodoxie van zijn vaderhuis, hij had zich aangesloten bij deze hervormingsgezinde richting die het Jodendom in overeenstemming wilde brengen met de eisen van de moderne tijd zonder het van zijn wezen te beroven. In dat streven herkende Goldziher iets van zichzelf, want ook hij zocht een vorm van geloof die de trouw aan de traditie kon verenigen met de eerlijkheid van de wetenschap, en het is niet zonder betekenis dat de man die de islamitische overlevering als historisch verschijnsel behandelde, in zijn eigen geloofsgemeenschap de hervorming aanhing die de Joodse traditie eveneens aan de tijd wilde aanpassen.
Zijn dienst aan de gemeente was dan ook niet die van een lusteloze ambtenaar die zijn plicht met tegenzin afdraait. Vanaf 1886 stond Goldziher aan het hoofd van de organisatie van godsdienstleraren van Pest, en hij bemoeide zich met ernst en toewijding met het godsdienstonderwijs en de opleiding van de leraren die de jeugd van de gemeente in het geloof moesten onderrichten. Hij nam deze taak serieus, hij bracht er zijn geleerdheid in en zijn zorg voor de vorming van de jonge generatie, en men zou hem onrecht doen door hem af te schilderen als een man die alleen maar leed onder een ambt dat hem niets zei. Hij leed onder de tijd die het hem ontroofde, maar hij vervulde het met een gewetensvolheid die zijn karakter tekent. De tragiek ligt niet in een gebrek aan toewijding maar juist in de overvloed ervan, want Goldziher gaf zich met heel zijn ernst aan een werk dat zijn ware roeping in de weg stond, en dat is een zwaarder lot dan de onverschilligheid ooit zou zijn geweest.
Het is van belang de aard van deze slavernij goed te verstaan, want zij was niet die van de armoede of de honger. Goldziher leed geen materiële nood, en het secretariaat verschafte hem een fatsoenlijk bestaan. De slavernij die hij voelde was die van de tijd en de roeping, want elke ochtend die hij aan de zaken van de gemeente moest wijden was een ochtend die hij niet aan zijn wetenschap kon geven, en elke plicht die het ambt hem oplegde was een plicht die hem afhield van het werk waarvoor hij in de wieg was gelegd. Voor een man die de wetenschap als zijn levensdoel beschouwde, was er geen wredere gevangenis denkbaar dan een bestaan dat hem het brood gaf en de tijd ontnam. Hij was vrij van gebrek en onvrij in alles wat hem waarlijk toebehoorde.
Nachtwerk, de geleerde na sluitingstijd
Hoe schreef een man in deze omstandigheden het werk dat hem onsterfelijk zou maken. Het antwoord is even eenvoudig als ontnuchterend. Hij schreef het in de uren die hem overbleven wanneer de zaken van de gemeente waren afgedaan, in de avonden en de nachten, in de marges van een leven dat overdag aan een ander behoorde. De grote studies waarop zijn roem berust, en bovenal het tweedelige hoofdwerk dat hij aan het einde van de jaren tachtig zou publiceren en dat het onderwerp van een volgend artikel vormt, kwamen niet tot stand in de beschutte rust van een leerstoel maar in de gestolen uren van een overbelast man. De wetenschap die de universiteiten van Europa niet aan Goldziher wilden toevertrouwen, beoefende hij als het ware clandestien, na sluitingstijd, met de volharding van wie zijn roeping niet laat verstikken door de omstandigheden.
Men moet de omvang van wat in deze gestolen uren tot stand kwam voor ogen houden om de prestatie te kunnen wegen. Het waren niet de kleine bijdragen van een liefhebber die zich in zijn vrije tijd met de wetenschap vermeide, maar de fundamentele studies waarop de moderne westerse kennis van de islam voor een groot deel is gebouwd. In de jaren van het secretariaat rijpte de arbeid die zou uitmonden in het tweedelige hoofdwerk van 1889 en 1890, de studie die de hadith-literatuur tot voorwerp van historische kritiek maakte en die de naam van Goldziher voor altijd zou verbinden met de westerse benadering van de islamitische overlevering. Dat een werk van deze reikwijdte en deze invloed niet in de beschutting van een leerstoel maar in de marges van een overbelast bestaan werd geschreven, is een gegeven dat de geschiedenis van de wetenschap maar zelden kent, en het dwingt een bewondering af die geheel los staat van het oordeel over de inhoud van dat werk. Men kan de stellingen van Goldziher verwerpen, zoals dit thema ze in een later artikel met kracht zal weerleggen, en tegelijk ontzag hebben voor de wilskracht waarmee zij tot stand kwamen.
Er ligt in dit gegeven een grootheid die men niet mag laten ondersneeuwen door het medelijden, want het getuigt van een toewijding aan de kennis die alle bewondering verdient. Een minder gedreven mens zou onder de last van het secretariaat zijn wetenschappelijke ambities hebben opgegeven en zich hebben neergelegd bij een bestaan van administratie en gemeenschapsdienst. Goldziher gaf niet op. Hij hield gedurende dertig jaar twee levens tegelijk staande, het openbare leven van de gemeentesecretaris en het verborgen leven van de geleerde, en hij bracht in dat verborgen leven een oeuvre voort dat de loop van de westerse islamwetenschap zou bepalen. Het is een prestatie die des te opmerkelijker is omdat zij tot stand kwam onder omstandigheden die de meeste geleerden tot stilstand zouden hebben gebracht, en zij toont ons de ijzeren wil die achter de kalme geleerdheid van zijn bladzijden schuilging.
En toch mag deze bewondering ons niet blind maken voor de tragiek, want de tol die dit dubbelleven van hem eiste, was hoog. Het dagboek dat na zijn dood verscheen, onthult een man die onder de last van zijn bestaan gebukt ging, die verbitterd was over de miskenning die hij onderging en die de vernedering van zijn positie nooit werkelijk verwerkte. De waardige buitenkant die hij aan de wereld toonde, was een masker over een innerlijk dat door wrok en verdriet werd geteisterd, en het is een van de aangrijpendste aspecten van zijn leven dat hij deze pijn zo goed wist te verbergen dat zijn tijdgenoten er nauwelijks weet van hadden. Pas het dagboek, dat meer dan een halve eeuw op zijn openbaarmaking wachtte, liet zien wat het de geleerde had gekost om geleerde te blijven in een wereld die hem de plaats onthield die hem toekwam.
Het dagboek dat wachtte
Dat wij deze binnenkant van Goldzihers leven kennen, danken wij aan een document dat hijzelf niet voor de openbaarheid bestemde en dat pas meer dan een halve eeuw na zijn dood het licht zag. Zijn dagboek, het Tagebuch, was een persoonlijk geschrift waarin hij de gevoelens neerlegde die hij aan de buitenwereld onthield, de bitterheid over de miskenning, de wrok over de vernedering, en ook de vreugden en de verwondingen van een gecompliceerd innerlijk leven. Het bleef na zijn dood in 1921 lange tijd ongepubliceerd, en het was Alexander Scheiber die het in 1978 uitgaf en daarmee een gestalte van Goldziher openbaarde die zijn tijdgenoten niet hadden gekend. Wie Goldziher tijdens zijn leven had ontmoet, kende de waardige, beheerste geleerde die zijn leed achter een gladde oppervlakte verborg. Wie het dagboek leest, ontmoet de gewonde mens daarachter.
Het is een merkwaardige omstandigheid dat het intiemste getuigenis over de man die de betrouwbaarheid van de overlevering in twijfel trok, zelf een halve eeuw op zijn overlevering moest wachten, en dat het pas tot ons kwam door de zorg van een latere geleerde die het bewaarde en uitgaf. Men zou er bijna een les in kunnen lezen over de aard van de overlevering zelf, want ook Goldzihers eigen woorden bereikten het nageslacht alleen doordat een keten van bewaarders ze getrouw doorgaf, en wij vertrouwen op de betrouwbaarheid van die overdracht wanneer wij zijn dagboekaantekeningen aanhalen als het echte getuigenis van zijn hart. De overlevering die hij bij anderen wantrouwde, is de overlevering waardoor wij hemzelf kennen. Maar deze bespiegeling loopt vooruit op het artikel dat aan zijn hoofdwerk is gewijd, en wij keren terug naar de jaren van zijn geknechte bestaan.
De aanbiedingen die hij afsloeg
De miskenning die Goldziher in eigen land onderging, staat in een des te schrijnender licht wanneer men bedenkt dat het buitenland hem wél de eer bood die Hongarije hem weigerde. De faam van de geleerde reikte ver over de grenzen, en de grote universiteiten van Europa wisten heel goed wie de man was die in Boedapest als gemeentesecretaris zijn brood verdiende. Meer dan eens werd hem een leerstoel in het buitenland aangeboden, een positie die hem in één klap zou hebben bevrijd uit de slavernij van het secretariaat en hem het aanzien en het inkomen zou hebben verschaft die zijn verdienste rechtvaardigde, en meer dan eens sloeg Goldziher het aanbod af.
In 1893 werd hem een leerstoel aan de universiteit van Heidelberg aangeboden, en het jaar daarop, in 1894, riep de universiteit van Cambridge hem om de leerstoel te bezetten die was opengevallen door de dood van William Robertson Smith, de vermaarde godsdiensthistoricus en semitist. Het waren aanbiedingen van de eerste rang, van instellingen die tot de meest gezaghebbende van Europa behoorden, en zij zouden een einde hebben gemaakt aan alles wat Goldziher in Boedapest verbitterde. Hij weigerde ze beide, en hij bleef in Hongarije. Hij bleef in het land dat hem de leerstoel weigerde en het secretariaat gunde, hij bleef bij zijn gemeente en zijn vaderstad, en hij zou zijn hele leven Hongarije alleen voor korte tijd verlaten om academische bijeenkomsten bij te wonen, de congressen van oriëntalisten die wij in het eerste deel van dit thema tegenkwamen.
De Cambridge-leerstoel verdient een ogenblik van aandacht, want zij verbindt Goldziher met een van de figuren die het onderzoek van de religie in het Engelse taalgebied hadden gevormd. William Robertson Smith was een Schots geleerde geweest die de historisch-kritische methode op het Oude Testament en op de vroege godsdienst van de Semitische volken had toegepast, en die daarvoor door de kerk van zijn vaderland was vervolgd voordat Cambridge hem een toevlucht bood. Toen hij in 1894 stierf, viel zijn leerstoel open, en de universiteit wendde zich tot Goldziher als de man die het best in staat was hem te vervullen. Dat een van de meest prestigieuze leerstoelen van de Engelssprekende wereld aan de Boedapester gemeentesecretaris werd aangeboden, meet de afstand tussen de faam die hij in het buitenland genoot en de miskenning die hij thuis onderging, en het maakt zijn weigering des te raadselachtiger. Hij had de deur naar de vrijheid en de eer wijd open zien staan, en hij had haar zelf gesloten.
Waarom een man de bevrijding afsloeg die hem werd aangeboden en de gevangenis verkoos die hem knechtte, is een vraag die tot in het hart van Goldzihers karakter reikt. Het antwoord ligt deels in zijn Hongaarse vaderlandsliefde, want hij was een patriot die zijn lot met dat van zijn land had verbonden en die het niet over zijn hart kon verkrijgen zijn vaderland en zijn gemeenschap in de steek te laten, hoe bitter dat vaderland hem ook behandelde. Het ligt deels in zijn gehechtheid aan de Joodse gemeenschap van Pest, die hem als secretaris nodig had en die hem ondanks alles een thuis bood. En het ligt wellicht ook in een trots die weigerde te vluchten voor de miskenning, die het land dat hem onrecht deed niet de voldoening wilde gunnen dat het hem had verdreven. Wat de precieze verhouding van deze beweegredenen ook was, het feit blijft dat Goldziher zichzelf de bevrijding ontzegde die anderen hem boden, en dat hij de last die hij droeg voor een deel zelf verkoos te blijven dragen. De slavernij was hem opgelegd door de wereld. Dat hij haar niet ontvluchtte toen de kans zich bood, was zijn eigen keuze, en zij maakt de tragedie menselijker en niet minder zwaar.
De vrijheid, één keer
De verlossing kwam pas laat, en zij kwam met een bitterheid die zelfs de vreugde niet geheel kon verdrijven. In 1905, toen Goldziher vijfenvijftig jaar oud was en dertig jaar lang het secretariaat had gedragen, werd hem eindelijk de volwaardige leerstoel in de Semitische filologie aan de universiteit van Boedapest verleend en werd hij het hoofd van de afdeling die hem een generatie eerder was beloofd. Een jaar tevoren had de universiteit van Cambridge hem reeds tot eredoctor benoemd, een van de vele buitenlandse eerbewijzen die zich over zijn late jaren uitstortten, maar het was pas deze leerstoel in zijn eigen stad die hem de vrijheid teruggaf waarvan hij zo lang verstoken was geweest. Hij kon nu het secretariaat neerleggen, hij kon zijn dagen aan de wetenschap wijden, en de gevangenis van dertig jaar viel eindelijk van hem af.
Men kan zich afvragen wat het voor een man betekent om op zijn vijfenvijftigste eindelijk te ontvangen wat hem op zijn vijfentwintigste was beloofd, en het antwoord is niet louter vreugde. De leerstoel die hem in 1905 werd verleend was geen begin maar een laat herstel, en de jaren die hij aan de wetenschap had willen wijden en die het secretariaat had opgeslokt, kwamen niet terug. Een jonge geleerde die zijn leerstoel ontvangt, staat aan de voet van een leven dat zich voor hem uitstrekt. Goldziher stond aan de voet van zijn ouderdom, met het grootste deel van zijn werkzame leven achter zich, en de vrijheid die hij eindelijk verwierf was de vrijheid van een man die haar te laat kreeg om er nog volop van te genieten. Het is deze bijklank van te laat, van een gerechtigheid die pas kwam toen zij haar volle waarde al had verloren, die zijn late jaren tekent en die zelfs zijn triomfen een schaduw meegeeft.
Op de dag dat hij afscheid nam van het ambt dat hem zo lang had geknecht, greep Goldziher naar zijn dagboek, en hij schreef daar op de eerste juli van dat jaar de woorden die de tegenhanger vormen van de bittere aantekening waarmee alles was begonnen. Vanaf vandaag, schreef hij, ben ik een vrij man, en hij voegde eraan toe dat hij de smerigste band kwijt was die ooit het leven van een geleerde had verlamd. Men leze deze twee dagboekaantekeningen naast elkaar, de eerste uit 1876 en de tweede uit 1905, en men heeft in twee zinnen de geschiedenis van dertig jaar. Nu is het beklonken dat ik een slaaf zal zijn. Vanaf vandaag ben ik een vrij man. Tussen die twee zinnen lag een mensenleven, de beste jaren van een geleerde, verteerd in de dienst van een ambt dat hem was opgedrongen door een wereld die hem geen betere plaats gunde.
De pen die deze woorden schreef, moet in de hand van de vijfenvijftigjarige zwaarder hebben gewogen dan de vreugde alleen zou doen vermoeden, want de vrijheid die hij eindelijk terugkreeg was de vrijheid van een man wiens beste jaren waren geroofd. Er is in de kortheid van die tweede aantekening iets dat de decennia van ingehouden bitterheid laat doorschemeren, een verluchting die niet juicht maar ademt, de ademhaling van wie een last die hij te lang heeft gedragen eindelijk mag neerleggen en pas dan voelt hoe zwaar zij al die tijd was geweest. De geleerde die dit schreef was geen jonge man meer die de wereld nog moest veroveren maar een man op leeftijd die terugkeek op wat het hem had gekost geleerde te blijven, en de vrijheid smaakte hem daarom niet als een triomf maar als een late en onvolledige rechtzetting van een langgerekt onrecht.
De uitgeslotene die insloot
Nu wij deze donkere jaren hebben overzien, keren wij terug naar het inzicht waarmee dit artikel begon, want het geval Goldziher stelt ons voor een vraag die het gemakkelijke begrip van het oriëntalisme doorbreekt. Wij zijn geneigd de vertekening van de westerse blik op de islam te verbinden met de macht, met de zelfverzekerdheid van de heerser die van bovenaf oordeelt over de onderworpene, en die verbinding is in het geval van Snouck en de koloniale wetenschap volkomen terecht. Maar Goldziher was geen heerser. Hij was zelf een uitgeslotene, een man die door de heersende cultuur van Europa werd geduld en niet toegelaten, die de vernedering van de miskenning aan den lijve kende, en die zijn hele leven aan de kant van de gekoloniseerde en de verdrukte bleef staan. Als de vertekening louter een zaak van de macht was geweest, dan had juist deze man ervan gevrijwaard moeten zijn.
En toch was hij het niet, want ook Goldziher, de uitgeslotene, hield de islamitische openbaring op afstand en behandelde de levende overlevering als een historisch residu. De man die op de verheven vrijdag in Caïro tussen de vromen had geknield en die de islam de enige religie had genoemd die de filosofische geest kon bevredigen, was dezelfde man die het werk zou schrijven dat de hadith in de ogen van het Westen ontwaardde. Zijn uitsluiting bevrijdde hem niet van de vertekening, en dat is precies het bewijs waarop dit thema heeft aangestuurd. De valse spiegel is geen instrument dat alleen de machtigen hanteren. Zij is de methode zelf, de manier van kijken die de openbaring uitsluitend als het maaksel van haar tijd wil lezen, en die manier van kijken vertekent in de handen van de heerser en in de handen van de verdrukte gelijkelijk. Wie door de methode kijkt, ziet altijd de tijd en nooit de openbaring, onverschillig of hij van bovenaf of van onderaf kijkt.
Er ligt in dit inzicht ook een merkwaardige verzoening, en het is goed dat aan het slot van dit menselijke artikel te noemen. De wereld die Goldziher uitsloot was de beschaafde, verlichte, wetenschappelijke wereld van het christelijke Europa, en de wereld die hem insloot, die hem als eerste niet-moslim tot haar heiligste lessen toeliet en die hem behandelde met de gastvrijheid die hij nergens anders vond, was de islamitische wereld die hij bestudeerde. De uitgeslotene werd ingesloten door precies de traditie die hij op afstand hield, en men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er in zijn hart een besef leefde van deze paradox, een besef dat de bron was van zowel zijn levenslange liefde voor de islam als van het heimwee dat nooit tot overgave rijpte. Hij had de gastvrijheid geproefd en de deur was voor hem opengegaan, en toch koos hij de studeerkamer boven de drempel.
Wij hebben Goldziher gevolgd door zijn donkerste jaren, van de gesloten deur van 1876 tot de late vrijheid van 1905, en wij hebben de mens gezien die achter de geleerde schuilging, met zijn bitterheid, zijn volharding en zijn onopgeloste heimwee. Wij hebben de sympathie opgebouwd die de eerlijkheid vereist, want zonder haar zou het volgende artikel een aanklacht worden in plaats van een weging. In dat volgende artikel treden wij binnen in de studeerkamer waar het grote werk tot stand kwam, en wij nemen het hoofdwerk ter hand dat Goldziher in de gestolen uren van zijn geknechte jaren schreef, het werk dat de hadith-literatuur voor het Westen ontwaardde en dat de zwaarste vraag van dit hele thema aan de orde stelt. Wij zullen het met de warmte tegemoet treden die wij hier hebben verzameld, en met de gestrengheid die de waarheid verlangt, want alleen wie de mens heeft liefgehad, mag zijn werk eerlijk wegen.
Bronnen
- Ignác Goldziher, Tagebuch, ed. Alexander Scheiber, Brill (1978)
- Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill / Hongaarse Academie van Wetenschappen (1986)
- Raphael Patai, Ignaz Goldziher and His Oriental Diary: A Translation and Psychological Portrait, Wayne State University Press (1987)
- Memorial Website Ignaz Goldziher, Hongaarse Academie van Wetenschappen (goldziheren.mtak.hu)
- P. Sj. van Koningsveld (ed.), Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, Leiden (1985)
- Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
