InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Oosterse Reis

De Oosterse Reis

OriëntalismeIgnác Goldziher

De Oosterse Reis

De Oosterse Reis

In het vorige artikel volgden wij de jonge Ignác Goldziher van zijn geboorte in Székesfehérvár tot zijn promotie in Leipzig en zijn eerste jaren als onbetaald privaatdocent in Boedapest, en wij zagen hoe drie tradities in hem samenkwamen, de orthodoxe Joodse vroomheid van zijn vaderhuis, de filologische strengheid van de Duitse oriëntalistiek en de zienswijze die religie leest als een groeiend organisme, als de spiegel van haar tijd. Wij zagen ook de vooronderstelling die hij met Nöldeke en Snouck deelde, de aanname dat de gelovige door zijn geloof gediskwalificeerd is om over zijn eigen traditie betrouwbaar te spreken. Maar er was in Goldziher iets dat de anderen misten, een oprechte, kloppende eerbied voor de wereld die hij bestudeerde, en die eerbied kwam nergens zo naakt aan het licht als tijdens de reis die hij als drieëntwintigjarige naar het Oosten maakte. Het is de reis die zijn leven zou tekenen, de reis waarnaar hij tot aan zijn dood zou terugverlangen, en het is tegelijk de reis die de tragische vraag van dit hele thema in haar scherpste vorm stelt. Hoe kan een mens de drempel van het geloof zo dicht naderen en er toch voor kiezen aan de buitenkant te blijven staan.

Wij naderen hier het warmste hoofdstuk van het portret, en het verdient die warmte, want wat Goldziher in Damascus en Caïro beleefde was geen toneelstuk en geen berekening. Waar Snouck een generatie later, zoals wij in het eerste deel van dit thema zagen, onder de valse naam Abdul Ghaffar en met een geveinsde bekering Mekka zou binnendringen, reisde Goldziher als zichzelf. Hij verborg niet dat hij een Jood was, hij verborg niet dat hij een Europese geleerde was, en juist als zichzelf werd hij toegelaten tot de lessen van de moskee die voor geen enkele ongelovige placht open te staan. Het contrast tussen de twee mannen kon niet groter zijn. De een verwierf zijn toegang door bedrog en gebruikte haar in dienst van een koloniale oorlog. De ander verwierf haar in openheid en droeg haar zijn leven lang met zich mee als een van de kostbaarste herinneringen die een mens kan bezitten. En toch zal dit thema uiteindelijk moeten laten zien dat ook deze eerlijke toegang uitmondde in een vertekening, want dat is de wet van de valse spiegel. Maar die conclusie hoort bij een later artikel. Hier gaat het om de reis zelf, en om de liefde die haar droeg.

Vertrek en route

In het najaar van 1873 verliet Goldziher Europa voor de studiereis waarvan hij zijn leven lang had gedroomd, een reis die hij kon maken dankzij een stipendium van de Hongaarse regering die de begaafde jonge oriëntalist naar de landen van de islam zond om zijn kennis aan de bron te verdiepen. Het was een uitzonderlijke gunst voor een man in zijn positie, een onbetaalde docent zonder leerstoel en zonder vermogen, en zij getuigt van het aanzien dat hij ondanks zijn jeugd reeds genoot. De reis voerde hem naar het hart van de islamitische wereld, door Syrië, Palestina en Egypte, met langere verblijven in de twee grote centra van de islamitische geleerdheid, Damascus en Caïro, en zij bracht hem in aanraking met een levende geleerdentraditie die hij tot dan toe alleen uit boeken had gekend.

De reis voerde hem langs de grote stations van het Ottomaanse Oosten, en al zijn de precieze etappes niet in elk opzicht even scherp overgeleverd, de hoofdlijn staat vast. Hij trok in de richting van Istanbul, de zetel van het kalifaat en de hoofdstad van het Rijk dat het grootste deel van de islamitische wereld nog altijd onder zijn bescherming schaarde, en van daar zuidwaarts naar Syrië en Palestina, waar hij Damascus en Jeruzalem aandeed voordat hij zijn weg vervolgde naar Egypte en de moskee van al-Azhar. Elk van deze plaatsen droeg voor de geleerde een eigen gewicht, want Jeruzalem was de stad die de drie tradities van de openbaring met elkaar verbond, Damascus het oude hart van het kalifaat, en Caïro het levende centrum van de soennitische geleerdheid. Voor een man die zowel het Joodse als het islamitische erfgoed van nabij kende, was deze reis een tocht door de gelaagde geschiedenis van de streek waaruit beide waren voortgekomen, en hij ondernam haar met de gevoeligheid van wie in elk van deze plaatsen iets van zichzelf herkende.

Wat de reis van Goldziher onderscheidt van die van talloze Europese bezoekers voor en na hem, is dat hij niet als toerist en niet als ontdekkingsreiziger kwam maar als geleerde die de taal beheerste. Hij sprak reeds vloeiend Arabisch toen hij aankwam, niet het geleerde boekenarabisch alleen maar de taal in een vorm die hem in gesprek bracht met de mensen die hij ontmoette, en die beheersing opende deuren die voor de taalloze reiziger gesloten bleven. Wie een land binnentreedt met zijn woordenboek in de hand ziet de buitenkant. Wie het binnentreedt met de taal in zijn mond, hoort de binnenkant, en Goldziher hoorde de binnenkant. Hij kon de colleges van de geleerden volgen, hij kon met de studenten spreken, hij kon de disputen bijwonen waarin de fijnste vragen van de rechtswetenschap werden gewogen, en hij deed dat alles met de honger van een man die eindelijk in levenden lijve aantrof wat hij op afstand had liefgehad.

De negentiende-eeuwse Europeaan die naar het Oosten reisde, droeg gewoonlijk een heel arsenaal van beelden met zich mee voordat hij een voet aan wal zette, en die beelden bepaalden wat hij zag. Het Oosten was voor hem de plaats van de verstarring en het verval, van een ooit grootse beschaving die tot stilstand was gekomen, van een geloof dat zijn volgelingen in onwetendheid gevangen hield, en van een menselijk landschap dat om de leiding van de verlichte Europeaan vroeg. Edward Said heeft in zijn studie over het oriëntalisme uit 1978 beschreven hoe hardnekkig dit web van vooroordelen was en hoe innig het verweven was met de macht die Europa over de islamitische wereld uitoefende, en hij heeft aangetoond dat de Europese kennis over het Oosten zelden een neutrale kennis was maar bijna altijd een kennis die de verhouding van meester en onderworpene weerspiegelde en versterkte. Het is een van de merkwaardigheden van Goldzihers geval, en Said heeft dit zelf opgemerkt, dat hij in deze studie opvallend mild over Goldziher oordeelt, want Goldziher paste maar ten dele in het beeld van de oriëntalist als agent van de macht. Hij reisde niet om te heersen en hij schreef niet om te dienen, en zijn liefde voor de islamitische beschaving was oprecht. En toch, zo zal dit thema betogen, ontsnapte ook hij niet aan de structuur die Said heeft blootgelegd, want de structuur zit niet alleen in de bedoelingen van de geleerde maar in de methode die hij hanteert, en de methode van Goldziher bleef die van de buitenstaander die oordeelt.

Men leest in de getuigenissen over deze reis, en bovenal in het dagboek dat hij haar toevertrouwde, een toon die men bij een Europese oriëntalist van de negentiende eeuw zelden aantreft. Er is geen neerbuigendheid, geen vertoon van meerderwaardigheid, geen koele registratie van het vreemde. Er is eerbied, er is verwondering, en er is bij tijden een ontroering die de jonge geleerde zelf verraste. Hij trad de islamitische wereld niet binnen om haar te veroordelen of te besturen maar om van haar te leren, en degenen die hij ontmoette voelden dat en beantwoordden het met een gastvrijheid die hem tot het einde van zijn dagen zou bijblijven. De reis was, met andere woorden, een ontmoeting, en dat is een woord dat men in de geschiedenis van het oriëntalisme maar zelden kan gebruiken.

Damascus en de geleerden

In Damascus, de oude hoofdstad van het Umayyadenkalifaat en een van de eerbiedwaardigste steden van de islamitische geschiedenis, verbleef Goldziher onder de geleerden en de vromen met een vertrouwelijkheid die hem verbaasde en verrukte. Hij bezocht de moskeeën, hij woonde de lessen bij, en hij knoopte betrekkingen aan met mannen van kennis die hem niet als een indringer maar als een gast en soms bijna als een leerling behandelden. De stad met haar oude binnenhoven, haar leerhuizen en haar onafgebroken traditie van geleerdheid die teruggreep tot de vroegste eeuwen van de islam, maakte een diepe indruk op de jonge man, want hier zag hij met eigen ogen wat hij in de boeken van Leipzig alleen als tekst had gekend. De overlevering waarover hij had gelezen was hier een levende praktijk, doorgegeven van mond tot mond, van leraar tot leerling, in een keten die niemand in Damascus als een verzameling latere verzinsels beschouwde maar als het kostbaarste bezit van de gemeenschap.

Het is een van de aangrijpendste ironieën van zijn leven dat Goldziher juist in Damascus, waar de levende keten van de overlevering hem in al haar warmte omringde, de indrukken opdeed die hij later zou verwerken tot een theorie die diezelfde keten van haar historische betrouwbaarheid zou beroven. Hij zag de eerbied waarmee de geleerden hun isnad reciteerden, de ketens van namen die elke overlevering verbonden met de Profeet ﷺ door een reeks van vertrouwde doorgevers heen, en hij zag hoe die eerbied het hele geestelijke leven van de stad droeg. En toch zou de man die dit alles had gezien later schrijven dat een groot deel van deze overleveringen niet teruggaat op de Profeet ﷺ maar de neerslag is van de partijstrijd en de vroomheidsidealen van latere generaties. Wij lopen op de gebeurtenissen vooruit, want die theorie hoort bij een volgend artikel, maar het is goed haar hier reeds te noemen, opdat de lezer de tragische spanning voelt die over deze reis hangt. De geleerde nam de gastvrijheid van de overlevering in ontvangst en zou haar met de instrumenten van zijn methode terugbetalen in een munt die haar gastheren als vals zouden hebben herkend.

De wetenschap die hij van dichtbij zag

Wat Goldziher in Damascus met eigen ogen aanschouwde, was niet de dode letter van een tekst maar een wetenschap in beoefening, en het is nuttig stil te staan bij wat die wetenschap inhield, omdat zijn latere werk juist haar in twijfel zou trekken. De islamitische geleerden hadden rondom de overlevering van de woorden en daden van de Profeet ﷺ een kritisch apparaat ontwikkeld dat in de premoderne wereld zijn gelijke niet kende. Elke overlevering, elke hadith, werd voorafgegaan door haar isnad, de keten van namen die haar verbond met de bron door een reeks van doorgevers heen, en de geleerden hadden een hele wetenschap opgebouwd om die ketens te wegen. Zij onderzochten of de doorgevers elkaar in de tijd hadden kunnen ontmoeten, of zij bekendstonden om hun betrouwbaarheid en hun geheugen, of hun levenswandel hen tot vertrouwde overleveraars maakte, en zij verzamelden over de doorgevers een biografische literatuur van een omvang en een nauwkeurigheid die de Europese geschiedschrijving pas veel later zou benaderen.

Deze wetenschap, de kritiek van de overleveraars en de beoordeling van de verborgen gebreken in de ketens, was geen naïef geloof maar een streng methodisch bedrijf, en de muhaddithin die haar beoefenden waren geen goedgelovige verzamelaars maar strenge rechters die het overgrote deel van wat hun ter ore kwam als zwak of vals verwierpen. Goldziher zag deze wetenschap in Damascus en Caïro in volle werking, hij zag de eerbied en de gestrengheid waarmee de geleerden haar hanteerden, en hij begreep haar mechaniek beter dan bijna enig Europeaan voor hem. Het maakt zijn latere positie des te opmerkelijker, want hij zou niet uit onwetendheid maar met volle kennis van zaken betogen dat deze hele wetenschap zich had laten misleiden, dat de ketens die de geleerden zo zorgvuldig wogen in werkelijkheid achteraf waren geconstrueerd om overleveringen van gezag te voorzien die pas in latere generaties waren ontstaan. Wij bewaren de weerlegging van die stelling voor het artikel waarin het hoofdwerk aan de orde komt, maar wij noteren hier dat Goldziher de wetenschap die hij zou aanvallen niet van horen zeggen kende. Hij had haar in Damascus aan het werk gezien.

In Damascus ontmoette Goldziher ook de spanningen die de islamitische wereld van zijn tijd doortrokken, want de negentiende eeuw was voor de moslims van het Ottomaanse Rijk een tijd van druk en verandering, van Europese inmenging, van hervormingen en van de vraag hoe de traditie zich moest verhouden tot de oprukkende moderniteit. Hij bewoog zich in kringen waar deze vragen leefden, en hij ontwikkelde er sympathieën die zijn hele leven zouden standhouden, sympathieën voor de moslimhervormers die de islam wilden vernieuwen van binnenuit, en een afkeer van de Europese overheersing die zich als beschaving aandiende maar als onderwerping werd ervaren. Anders dan Snouck, die zijn kennis in dienst zou stellen van de koloniale staat, zou Goldziher zijn leven lang aan de kant van de gekoloniseerde blijven staan, en die keuze, die wij in een later artikel scherper zullen tekenen, wortelt mede in wat hij op deze reis zag en voelde.

Al-Azhar, de gast tussen de vromen

Het hoogtepunt van de reis, en misschien wel van heel Goldzihers leven, wachtte hem in Caïro, in de moskee en de school van al-Azhar, de eerbiedwaardige instelling die sinds de tiende eeuw het hart van de soennitische geleerdheid vormde en waar de wetenschappen van de Koran, de hadith en de rechtsleer van generatie op generatie werden doorgegeven. Voor een Europese niet-moslim was deze wereld in beginsel gesloten, want de lessen van al-Azhar waren geen openbare voordrachten maar de heilige overdracht van kennis binnen de gemeenschap van de gelovigen, en dat een christen of een jood daartoe werd toegelaten was ongehoord. Goldziher gold, zo is later vaak herhaald, als de eerste Europese niet-moslim die tot de colleges van de sjeiks aan al-Azhar werd toegelaten, en hij verwierf die toegang niet door list maar door de erkenning van zijn kennis en zijn oprechtheid.

De toelating kwam hem niet vanzelf toe, want de sjeik die over de deur waakte onderwierp de jonge geleerde eerst aan een gestreng onderzoek, een examen van zijn kennis en zijn houding, voordat hij hem toestond zich onder de studenten te mengen. Men moet zich de betekenis van dit ogenblik indenken. Hier zat een Europese jood, geschoold in de filologie van Leipzig, tegenover de bewaarders van een traditie die dertien eeuwen teruggreep, en zij bevonden hem waardig. Niet omdat hij zich als moslim voordeed, want dat deed hij niet, maar omdat zijn kennis van de Arabische taal en de islamitische wetenschappen zo grondig was en zijn eerbied voor het geleerde erfgoed zo onmiskenbaar dat de geleerden van al-Azhar hem in hun midden opnamen. Het was een erkenning van geleerde tot geleerde over de grens van het geloof heen, en zij ontroerde Goldziher tot in het diepst van zijn wezen. Men bedenke wat deze openheid zegt over de traditie die haar mogelijk maakte, want de gastvrijheid van al-Azhar was geen naïviteit maar een uitdrukking van het vertrouwen dat de waarheid haar onderzoek niet hoeft te vrezen. De sjeiks die de jonge jood tot hun lessen toelieten, deden dat niet uit onverschilligheid voor hun geloof maar juist uit het zelfvertrouwen van wie meent dat zijn kennis het licht kan verdragen, en dat vertrouwen contrasteert schril met de angstige uitsluiting waarmee de Europese instellingen de Joodse geleerde tegemoet traden. De moskee die niets te verbergen had, opende haar deur. De universiteit die de neutraliteit predikte, hield haar gesloten. Het is een contrast dat Goldziher zijn leven lang met zich meedroeg, en het verklaart mede waarom zijn hart aan het Oosten verpand bleef terwijl zijn methode aan het Westen gebonden was.

De sfeer van al-Azhar in de jaren zeventig van de negentiende eeuw was die van een instelling die op het snijpunt stond van eeuwenoude traditie en de eerste onrust van de moderne tijd. De grote hervormers die de moskee-universiteit een generatie later zouden opschudden waren nog niet ten tonele verschenen, en de lessen verliepen nog goeddeels zoals zij eeuwenlang waren verlopen, in kringen rondom de zuilen van de moskee, waar de sjeik gezeten was en de studenten zich in halve cirkels om hem heen schaarden om zijn uitleg van een gezaghebbend werk te horen en te becommentariëren. De kennis werd niet uit een leerboek gepompt maar van mens tot mens overgedragen, met de tekst als aanleiding en de levende stem van de leraar als drager, en de student die een werk had doorgenomen ontving daarvoor een ijazah, een vergunning die hem machtigde de kennis op zijn beurt door te geven met vermelding van de keten waarlangs hij haar had ontvangen. Het hele bedrijf was doortrokken van het besef dat kennis een toevertrouwd goed is, een amana, die men niet bezit maar bewaart om haar getrouw door te geven.

Goldziher bewoog zich in deze wereld met een gemak dat hemzelf verraste, en hij verwierf er vriendschappen en achting die hem de rest van zijn leven dierbaar bleven. Hij correspondeerde nadien met geleerden die hij in Caïro had ontmoet, hij volgde de ontwikkelingen in de islamitische wereld met een betrokkenheid die ver uitging boven de professionele belangstelling van de vakgeleerde, en hij bleef zich rekenen tot de vrienden van de islamitische beschaving in een tijd dat het Westen haar overwegend met minachting of met koloniale begeerte bejegende. Deze trouw is echt en men moet haar erkennen, want zij onderscheidt Goldziher werkelijk van de meeste oriëntalisten van zijn generatie, en zij verklaart waarom zelfs zijn islamitische critici hem doorgaans met een zeker respect behandelen dat zij aan een Snouck niet gunnen.

Maandenlang zat hij in de kring van de studenten aan de voeten van de sjeiks en volgde hij de lessen in de theologie en de rechtswetenschap, en hij deed dat niet met de afstandelijke blik van de waarnemer maar met de betrokkenheid van wie deelneemt. Hij stelde vragen, hij nam deel aan de disputen, hij verwierf de achting van zijn leermeesters, en hij voelde zich, zo getuigt hij zelf, opgenomen in een gemeenschap van kennis en vroomheid waarin hij zich meer thuis voelde dan in de collegezalen van Europa waar zijn herkomst hem tot een buitenstaander maakte. Er ligt in dit gegeven een bittere waarheid die dit thema in een later artikel ten volle zal uitwerken. De moskee van Caïro nam de jood op die de universiteiten van Europa lange tijd buiten hielden, en de vromen van al-Azhar behandelden hem met een menselijkheid die de beschaafde instellingen van het Westen hem onthielden. De gast tussen de vromen vond in de vreemde wereld een gastvrijheid die de eigen wereld hem weigerde.

Een gesprek dat de reis samenvat

Onder de vele gesprekken die Goldziher in deze maanden voerde, laat zich een uitwisseling voorstellen die de kern van zijn ervaring samenvat, en die wij hier, uitdrukkelijk als een reconstructie en niet als een overgeleverd woordelijk verslag, weergeven om te tonen wat er op het spel stond. Een sjeik van al-Azhar ﵀, die de jonge geleerde onder zijn hoede had genomen, kon de vraag hebben gesteld die op ieders lippen moet hebben gelegen, de vraag waarom een jood zulke moeite deed voor een kennis die niet de zijne was.

De sjeik ﵀: Je bent van ver gekomen, en je bent niet van ons geloof. Wat zoek je hier, tussen de studenten van de moskee.

Goldziher: Ik zoek de kennis waar zij bewaard wordt. In de boeken van mijn land staat over uw wetenschappen geschreven, maar de boeken zwijgen over wat ik hier hoor.

De sjeik ﵀: De kennis die wij bewaren is niet als de kennis van uw boeken. Wij dragen haar over zoals onze vaderen haar aan ons hebben overgedragen, van hart tot hart, met de namen van hen die haar hebben doorgegeven. Wie de keten breekt, verliest het goud en houdt slechts het stof.

Goldziher: Daarom ben ik gekomen. Ik wil de keten horen uit de mond van wie haar draagt, voordat ik oordeel over wat mijn boeken zeggen.

Deze woorden zijn niet overgeleverd, en men moet ze lezen als een verbeelding van wat de ontmoeting inhield, niet als een document. Maar zij vatten de tragedie van Goldziher samen met een precisie die de feiten alleen niet kunnen bereiken, want de sjeik legt hem in deze verbeelding precies het punt voor waar het hele latere debat om zou draaien. De islamitische traditie draagt haar kennis over in een keten van vertrouwen, van hart tot hart, en zij houdt die keten voor de waarborg van de waarheid. Goldziher zou terugkeren naar Europa en met de instrumenten van zijn methode betogen dat de keten juist niet waarborgt wat zij beweert te waarborgen, dat het goud waarvan de sjeik sprak in werkelijkheid het stof is van latere eeuwen. Hij had de keten uit de mond van wie haar droeg gehoord, en hij oordeelde toch met zijn boeken.

De verheven vrijdag

Er is één ogenblik uit deze reis dat Goldziher zelf aan zijn dagboek toevertrouwde in woorden die sindsdien onlosmakelijk met zijn naam verbonden zijn, en het is het ogenblik waarin de eerbied die de hele reis droeg zich verdichtte tot een ervaring die de grens van de wetenschap ver overschreed. Het was een vrijdag in Caïro, de vrijdag die aan het feest van Muharram voorafging, en Goldziher bevond zich te midden van de biddende menigte in de moskee, tussen de duizenden gelovigen die zich in het gezamenlijke gebed voor hun Heer neerbogen. Wat hij daar beleefde, beschreef hij later in woorden die geen enkele afstand meer kennen.

Hij schreef dat hij te midden van de duizenden vromen zijn voorhoofd over de vloer van de moskee wreef, en dat hij nooit in zijn leven devoter was geweest, waarlijk devoter, dan op die verheven vrijdag. Men moet deze woorden lezen zoals zij geschreven zijn, als het getuigenis van een man die niet toneelspeelde en die niets te winnen had bij een leugen, want het dagboek was voor zijn eigen ogen bestemd en niet voor de wereld. De jonge geleerde die was opgevoed in de strikte vroomheid van het orthodoxe Jodendom en die geschoold was in de koelste filologie van Europa, knielde in een moskee in Caïro tussen moslims die hij niet kende, en hij ervoer daar een devotie die alles overtrof wat hij ooit had gevoeld. Het was niet het gebed van een geleerde die een ritueel observeert. Het was het gebed van een hart dat werd meegenomen.

De islamitische traditie kent bij uitstek het besef dat de ware godsdienst niet in de uiterlijke vorm ligt maar in de gesteldheid van het hart, en de Koran spreekt daarover met een klaarheid die het moment van Goldziher in een dieper licht plaatst. Toen de openbaring de gelovigen wilde leren dat het niet de ogen zijn die werkelijk kunnen verblinden maar de harten, sprak zij woorden die tot vandaag de kern van de vroomheid raken:

فَإِنَّهَا لَا تَعْمَى الْأَبْصَارُ وَلَٰكِن تَعْمَى الْقُلُوبُ الَّتِي فِي الصُّدُورِ

"Voorwaar, niet de ogen zijn blind, maar blind zijn de harten die in de borsten zijn."

Soera Al-Hajj 22:46

Het is een vers dat de tragedie van Goldziher als in een spiegel vasthoudt, want zijn ogen zagen alles. Hij zag de moskee, de biddende menigte, de eerbied van de geleerden, de schoonheid van de overlevering, en zijn ogen waren scherper dan die van welke Europeaan ook. Op die verheven vrijdag leek ook zijn hart voor een ogenblik open te gaan, geraakt tot in de diepte door wat het rondom zich voelde. En toch zou hij terugkeren naar de studeerkamer en de overlevering die hem zo diep had ontroerd behandelen als een historisch residu, en dan lijkt het bijna alsof het hart zich na dat ene ogenblik weer sloot en het oog het overnam. Wij oordelen hier niet over de staat van zijn ziel, want dat oordeel komt Allah ﷻ toe en niet de historicus. Maar wij mogen de vraag stellen die het vers ons opdringt. Wat baat het scherpste oog van Europa, indien het ziet zonder dat het hart mee mag zien.

Wat een mens meeneemt

In zijn dagboek ging Goldziher nog verder dan het getuigenis over de verheven vrijdag, want hij noteerde daar ook dat hij tijdens deze maanden innerlijk overtuigd raakte zelf een moslim te zijn, en dat de islam hem voorkwam als de enige religie die de eisen van de filosofische geest kon bevredigen. Deze woorden moeten met zorg en met eerlijkheid worden weergegeven, klinisch en zonder overdrijving in welke richting ook, want zij zijn onder de bewonderaars en de critici van Goldziher voorwerp van veel debat geweest. Het waren de woorden van een dagboek, geschreven in de gloed van een overweldigende ervaring, en zij drukken een innerlijke gesteldheid uit, geen daad. Goldziher legde de shahada niet af, hij bekeerde zich niet, hij bleef zijn leven lang een praktiserend lid van de Joodse gemeenschap en zou later, zoals wij zullen zien, zelfs de secretaris van de neologe gemeente van Pest worden. De uitspraak in het dagboek is dus geen bekering en men mag haar niet tot een bekering opblazen, maar zij is evenmin niets, en men mag haar niet wegpoetsen. Zij is het getuigenis van een hart dat de waarheid van de islam heeft aangeraakt en dat vervolgens de weg van de studeerkamer koos in plaats van de weg van de overgave.

De geleerden hebben zich sindsdien het hoofd gebroken over de vraag wat deze uitspraken werkelijk betekenen, en de meningen lopen uiteen van hen die er een bijna-bekering in zien tot hen die haar afdoen als de voorbijgaande geestdrift van een jonge reiziger. De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat het dagboek beide lezingen niet volledig toestaat. Wie er een bekering in leest, negeert dat Goldziher zijn hele verdere leven een trouw lid van de Joodse gemeenschap bleef en zijn Joodse identiteit met overtuiging droeg, zelfs toen die hem de deur van de universiteit voor de neus dichtsloeg. Wie de uitspraken afdoet als een bevlieging, negeert de ernst en de herhaling waarmee hij op zijn liefde voor de islam terugkwam en de pijn waarmee hij later de aftakeling van de islamitische wereld onder Europese druk beschreef. De waarheid ligt in het onherleidbare midden. Goldziher was een man wiens hart door de islam was aangeraakt en die desondanks, of misschien juist daardoor, zijn leven wijdde aan een wetenschap die de islamitische overlevering op afstand hield. Hij leefde in de spanning tussen wat hij had gevoeld en wat hij geloofde te moeten denken, en die spanning heeft hij nooit opgelost.

Het is deze spanning die Goldziher tot de tragische figuur van dit thema maakt, en het is goed haar niet te vroeg tot een sluitend oordeel te dwingen. Een mens neemt van zo’n reis mee wat hij meeneemt, en wat de een tot overgave brengt, brengt de ander tot een levenslang heimwee dat nooit tot een besluit rijpt. Goldziher droeg de herinnering aan de verheven vrijdag zijn leven lang met zich mee, en hij bleef het Oosten en zijn geloofstraditie liefhebben met een oprechtheid die geen enkele van zijn tijdgenoten in twijfel trok. En toch schreef diezelfde man het werk dat de hadith-literatuur in de ogen van het Westen zou ontwaarden. De liefde en de ontwaarding woonden in één hart, en wie dat niet onder ogen durft te zien, begrijpt noch de mens noch het probleem.

Wat een methode achterlaat

Wanneer men de reis van Goldziher naast die van Snouck legt, zoals dit thema onvermijdelijk doet, dan tekent zich het onderscheid af dat de twee periodes van deze reeks verbindt en scheidt tegelijk. Snouck kwam in vermomming, onder een valse naam, met een geveinsde bekering, en hij misbruikte de gastvrijheid die hem werd verleend voor doeleinden die zijn gastheren zouden hebben verafschuwd. Goldziher kwam in openheid, als zichzelf, en hij ontving de gastvrijheid als een eer die hij zijn leven lang in ere hield. Op het niveau van het karakter is er tussen de twee mannen een afgrond, en dit thema zal die afgrond nooit toedekken, want Goldziher verdient de warmte die Snouck niet verdient en het zou een vergissing en een onrechtvaardigheid zijn beiden over één kam te scheren.

En toch, en dit is het onherbergzame inzicht waarop dit thema is gebouwd, deelden de twee mannen een methode, en de methode liet in beide gevallen hetzelfde achter. Want wat Goldziher meebracht uit het Oosten was niet slechts de herinnering aan een verheven vrijdag maar ook de bevestiging van de blik waarmee hij was gekomen, de blik die de levende overlevering als een historisch verschijnsel behandelt en die de aanspraak van de gelovige dat zijn traditie waarheid draagt van goddelijke herkomst, terzijde legt als iets waarover de wetenschap niet hoeft te oordelen. Hij had de keten uit de mond van wie haar droeg gehoord, hij had geknield tussen de vromen, hij had de islam de enige religie genoemd die de filosofische geest kon bevredigen, en hij keerde terug naar Europa om te bewijzen dat de keten niet waarborgt wat zij belooft. De eerbied bleef in zijn hart, maar de methode zat in zijn koffer, en het was de methode die het werk zou schrijven.

Men zou kunnen tegenwerpen dat deze gestrengheid Goldziher onrecht doet, dat een geleerde nu eenmaal de plicht heeft zijn bronnen kritisch te wegen en dat het hem niet mag worden aangerekend dat hij die plicht ernstig nam. En het is waar dat de kritische weging van de overlevering geen uitvinding van het Westen is, want de islamitische geleerden hadden haar, zoals gezegd, tot een fijne wetenschap ontwikkeld eeuwen voordat Leipzig bestond. Het verschil ligt niet in het feit van de kritiek maar in haar vooronderstelling. De muhaddithin bekritiseerden de overlevering van binnenuit, vanuit de eerbied voor de bron en met de bedoeling het echte van het valse te scheiden opdat de gemeenschap op het echte kon bouwen. Goldziher bekritiseerde haar van buitenaf, vanuit de vooronderstelling dat de overlevering in beginsel het maaksel van de latere gemeenschap is en dat de bewijslast rust op wie beweert dat een hadith werkelijk teruggaat op de Profeet ﷺ. Het onderscheid lijkt subtiel en het is beslissend, want de eerste houding zoekt de waarheid binnen de traditie en de tweede plaatst zich erbuiten en verklaart de traditie tot verdachte. Wie als rechter begint met het vermoeden van schuld, komt zelden tot vrijspraak, en dat is de reden dat Goldzihers methode hem bijna onvermijdelijk naar zijn conclusies voerde.

Hier ligt de kern van wat een valse spiegel is. Een spiegel kan volmaakt gepoetst zijn, helder, zonder een enkele smet, en tóch geeft hij slechts een beeld terug en nooit de werkelijkheid zelf, want dat is de aard van een spiegel. Snoucks spiegel was vertroebeld door bedrog en eigenbelang, en men herkent haar vertekening gemakkelijk. Goldzihers spiegel was helder gepoetst door oprechtheid en liefde, en juist daarom is haar vertekening zo veel moeilijker te herkennen en zo veel leerzamer, want zij bewijst dat het niet de smet op de spiegel is die het beeld tot een beeld maakt, maar het spiegel-zijn zelf. Wie de openbaring alleen als het maaksel van haar tijd mag lezen, ziet altijd slechts de tijd en nooit de openbaring, hoe zuiver zijn blik ook is. Dat is de reden dat de eerlijkste oriëntalist het scherpst bewijst wat de bedrieger slechts vermoeden laat.

Wij hebben de jonge Goldziher gevolgd tot aan de drempel die hij niet overschreed, en wij hebben de liefde gezien die zijn hele leven zou dragen. In het volgende artikel keren wij met hem terug naar Boedapest, naar een leven dat geen leerstoel voor hem in petto had maar een lessenaar en een molensteen, want de begaafdste islamwetenschapper van Europa zou dertig jaar lang niet als hoogleraar maar als secretaris van een Joodse gemeente zijn brood verdienen. De verheven vrijdag lag achter hem. Voor hem lag de gesloten deur.

Bronnen

  • Raphael Patai, Ignaz Goldziher and His Oriental Diary: A Translation and Psychological Portrait, Wayne State University Press (1987)
  • Lawrence I. Conrad, “The Near East Study Tour Diary of Ignaz Goldziher”, Journal of the Royal Asiatic Society (1990)
  • Ignác Goldziher, Tagebuch, ed. Alexander Scheiber, Brill (1978)
  • Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill / Hongaarse Academie van Wetenschappen (1986)
  • P. Sj. van Koningsveld (ed.), Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, Leiden (1985)
  • Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)

Sources

Raphael Patai, Ignaz Goldziher and His Oriental Diary: A Translation and Psychological Portrait, Wayne State University Press (1987) Lawrence I. Conrad, “The Near East Study Tour Diary of Ignaz Goldziher”, Journal of the Royal Asiatic Society (1990) Ignác Goldziher, Tagebuch, ed. Alexander Scheiber, Brill (1978) Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill / Hongaarse Academie van Wetenschappen (1986) P. Sj. van Koningsveld (ed.), Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, Leiden (1985) Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)