InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De briefwisseling

De briefwisseling

OriëntalismeIgnác Goldziher

De briefwisseling

De briefwisseling

Het vorige artikel eindigde bij een boek en bij een schaduw. Terwijl Goldziher in zijn Boedapester studeerkamer de hadith ontleedde en Muhammedanische Studien voltooide, onderhield hij een briefwisseling met de enige tijdgenoot die zijn gelijke was in kennis van de islam, een Nederlander die de islam op een geheel andere en veel duisterder wijze had betreden. Die man was Christiaan Snouck Hurgronje, de hoofdpersoon van de eerste periode van dit thema, de geleerde die zich onder een valse naam in Mekka tussen de gelovigen had begeven en die zijn kennis daarna in dienst had gesteld van de langste koloniale oorlog uit de Nederlandse geschiedenis. Tussen deze twee mannen, de een uit Leiden en de ander uit Boedapest, ging over veertig jaar een stroom van brieven heen en weer, bijna vijfhonderd in getal, en in die brieven wordt iets zichtbaar dat geen van beide levens afzonderlijk kon tonen. Want hier raken de twee helften van dit thema elkaar aan, niet als tegenstelling en niet als gelijkenis, maar als een spiegel waarin elk van beiden de ander weerkaatst en waarin de vraag oplicht die deze hele periode draagt.

De briefwisseling is bewaard gebleven en zij is uitgegeven, want de hoeveelheid en de betekenis ervan waren zo groot dat zij een eigen wetenschappelijke ontsluiting verdiende. In 1985 verscheen in Leiden de editie van P. Sj. van Koningsveld, onder de titel Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, en zij bevatte 469 brieven van Snouck aan Goldziher, aangevuld met negentien brieven van andere leden van zijn familie aan het huis Goldziher. Het is dezelfde geleerde die ook in de eerste periode van dit thema als bronnenontsluiter optrad, wat een zekere continuïteit geeft aan het apparaat waarop deze vertelling steunt. Van Koningsveld gaf in dezelfde jaren nog meer van Snoucks correspondentie uit, onder meer die met Nöldeke, zodat het net van brieven waarin de vroege islamwetenschap zichzelf besprak, in kaart is gebracht en toegankelijk is geworden.

Reeds de titel die Van Koningsveld aan zijn editie meegaf, verdient aandacht, want hij vat in twee woorden samen wat deze correspondentie is: geleerdheid en vriendschap, scholarship and friendship. Het waren geen ambtelijke brieven en geen diplomatieke stukken, maar de vertrouwelijke uitwisseling van twee mannen voor wie de wetenschap en de genegenheid tot één weefsel waren geworden. In de vroege islamwetenschap, de discipline die in deze jaren pas haar naam en haar contouren kreeg, waren zulke banden het cement dat het geheel bijeenhield, en de historicus die de opkomst van dit vak wil begrijpen, komt aan de brieven niet voorbij. Zij tonen het vak niet zoals het zichzelf in zijn gedrukte werken presenteerde, gepolijst en zeker van zijn zaak, maar zoals het werkelijk werd bedreven, tastend, twijfelend, aangewezen op het oordeel van de enkele ander die men vertrouwde.

Twee jonge sterren

Zij leerden elkaar kennen in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, toen beiden nog jong waren en beiden al werden herkend als uitzonderlijke talenten. De moderne islamwetenschap, de Islamwissenschaft die in deze decennia als een zelfstandig vak gestalte kreeg, had haar grondleggers, en de geschiedschrijving van het vak noemt gewoonlijk drie namen in één adem: Theodor Nöldeke, die de oudste was en de leermeester van velen, Ignác Goldziher en Christiaan Snouck Hurgronje. Zij vormden een driehoek van geleerdheid die de toon zette voor generaties, en de twee jongsten van dit drietal vonden in elkaar een gesprekspartner van gelijke hoogte. Goldziher had in zijn jeugd onder meer in Leiden gestudeerd, aan dezelfde universiteit die Snouck had gevormd, zodat de wortels van beider vorming deels in dezelfde grond lagen, in de historisch-kritische methode die wij in het openingsartikel van dit thema hebben beschreven.

Nöldeke was de oudste van de drie, en hij was voor beide jongeren een ijkpunt. Zijn Geschichte des Qorans, die in het openingsartikel van de vorige periode ter sprake kwam, had de toon gezet voor de wetenschappelijke behandeling van de Koran, en zijn oordeel woog zwaar in de kleine wereld van het vak. Zowel Snouck als Goldziher onderhielden met hem een correspondentie, en Van Koningsveld heeft ook die brieven ontsloten, zodat men de drie hoekpunten van de driehoek elk met elk verbonden ziet. De methode die hen verenigde was dezelfde als die welke de Leidse School op de Bijbel had toegepast, de historisch-kritische lezing die een tekst als een product van zijn tijd behandelt, en wat de een op de Koran toepaste, de ander op de hadith en de derde op het recht en de politiek van de islam, was in de grond één en dezelfde benadering. Zij waren, om het beeld van dit thema te gebruiken, drie ambachtslieden die met hetzelfde gereedschap werkten aan verschillende delen van hetzelfde huis, en het gereedschap bepaalde de vorm van wat zij bouwden meer dan zij zelf beseften.

Het was een tijd van internationale congressen en gouden medailles, van een geleerde wereld die zich over de grenzen heen organiseerde en waarin de jonge oriëntalist zijn naam kon vestigen. In 1889, hetzelfde jaar waarin het eerste deel van Muhammedanische Studien verscheen, ontving Goldziher op het Oriëntalistencongres te Stockholm de grote gouden medaille, een erkenning die zijn statuur in het vak bevestigde ook al bleef de universitaire wereld van zijn eigen stad hem de leerstoel onthouden die hem toekwam. De congressen waar de oriëntalisten elkaar troffen, waaronder het congres te Leiden waarover de eerste periode van dit thema sprak, waren de plaatsen waar de vriendschap tussen Snouck en Goldziher zich kon voeden, en waar de twee mannen elkaar van aangezicht tot aangezicht spraken over de teksten en de vraagstukken die hen beiden bezighielden.

Men moet zich de kleinheid van deze wereld voorstellen om de betekenis van zo’n vriendschap te vatten. Het aantal mensen dat op het hoogste niveau de Arabische bronnen kon lezen, de handschriften kon ontcijferen en de fijnste kwesties van de vroege islam kon beoordelen, bedroeg in heel Europa niet meer dan een handvol, en zij kenden elkaar bijna allen, lazen elkaars werk, streden om elkaars gunst en waardering, en vormden een republiek van geleerden die zich over de landsgrenzen heen uitstrekte. Binnen die kleine republiek waren Snouck en Goldziher niet slechts collega’s maar bondgenoten, twee mannen die in elkaar de gelijke herkenden en die elkaar de erkenning gaven die hun eigen omgeving hun soms onthield. Voor Goldziher, die in Boedapest tussen ambtenaren en gemeentebestuurders zijn dagen sleet en die zich in zijn dagboek bitter zou beklagen over de bekrompenheid waarin hij was opgesloten, moet de correspondentie met de vriend in Leiden een venster zijn geweest op de wereld waartoe hij naar zijn diepste overtuiging behoorde en waaruit hij was buitengesloten.

Wat hen verbond was in de eerste plaats de wetenschap zelf. Zij correspondeerden over handschriften en overleveringen, over de datering van teksten en de betekenis van woorden, over de vondsten en de vergissingen van hun vakgenoten. De brieven zijn voor een groot deel het gesprek van twee vaklieden die elkaar op niveau treffen, die elkaars werk lezen voordat het verschijnt, die elkaar aanmoedigen en corrigeren, en die in elkaar de zeldzame ander herkennen die werkelijk begrijpt waaraan zij hun leven wijden. Voor een geleerde die zich met de vroege islam bezighield, waren zulke gesprekspartners uiterst schaars, want het vak was klein en de mannen die de bronnen in het Arabisch werkelijk beheersten waren met weinigen. Dat twee van hen elkaar vonden en veertig jaar lang trouw bleven, was voor beiden een zeldzaam geluk, en de brieven ademen die dankbaarheid, ook waar zij over de dorste filologische kwesties gaan.

In een brief uit 1886, een jaar na zijn terugkeer uit Mekka, schreef Snouck aan Goldziher woorden die de latere lezer treffen, want hij verklaarde daarin dat hij tegen de religieuze elementen van de islam nooit bezwaar had gehad. Uit de mond van de man die zich onder een valse bekering toegang tot de heilige stad had verschaft, krijgt zo’n uitspraak een dubbele bodem die de briefwisseling nergens oplost, en die de lezer zelf moet dragen. Want wat betekent het dat een man verklaart geen bezwaar te hebben tegen de godsdienst waarvan hij het meest heilige heeft betreden onder een aangenomen naam. Is het de oprechte waardering van een geleerde die de islam van binnenuit had leren kennen en er werkelijk iets van hield, of is het de afstandelijke welwillendheid van iemand voor wie de godsdienst een studieobject bleef dat men kon bewonderen zoals men een bouwwerk bewondert, zonder de gedachte dat het over de bewonderaar zelf iets te zeggen zou kunnen hebben. De brief zelf beslist die vraag niet, en Goldziher, die hem ontving, heeft er geen antwoord op nagelaten dat ons is overgeleverd. Maar de gedachte dringt zich op dat Goldziher, die op de verheven vrijdag in Caïro devoter was geweest dan ooit in zijn leven, de religieuze elementen van de islam anders had leren kennen dan zijn Leidse vriend, niet als een instituut waartegen men al dan niet bezwaar heeft, maar als een gebed dat men meebidt.

Brieven tussen Leiden en Boedapest

Over veertig jaar strekte deze correspondentie zich uit, en zij begeleidde de hele loopbaan van beide mannen. Toen Snouck zijn grote werk over Mekka voltooide, de vrucht van zijn omstreden verblijf in de heilige stad, was Goldziher een van de eersten die het las en beoordeelde, want wie anders in Europa kon de waarde van zo’n beschrijving werkelijk wegen. Toen Goldziher aan zijn studies over de hadith werkte, aan het boek dat het vorige artikel behandelde, had hij in de Leidse vriend een lezer die de bronnen kende en die zijn redeneringen kon volgen tot in hun fijnste vertakkingen. Zij deelden hun ontdekkingen en hun ergernissen, hun oordelen over vakgenoten en hun zorgen over de toekomst van het vak, en door de decennia heen groeide tussen hen een vertrouwdheid die de zeldzaamheid van hun beider positie weerspiegelde. Het is deze gestage, jarenlange trouw die de correspondentie tot meer maakt dan een verzameling geleerde notities. Zij is het spoor van een vriendschap die twee levens lang meeging.

Men moet zich hoeden voor de verleiding om in deze brieven meer te lezen dan zij dragen, en die terughoudendheid is hier een gebod van eerlijkheid en niet slechts van voorzichtigheid. De correspondentie is een wetenschappelijke correspondentie, en wie erin zoekt naar bekentenissen, naar diepe gewetensvragen of naar een verrekening tussen de twee levens, zal grotendeels teleurgesteld worden. De mannen schreven over hun vak, en het vak was voor beiden een bijna volledige wereld. Juist die nuchterheid maakt de weinige plaatsen waar het persoonlijke doorbreekt des te sprekender, en zij dwingt de verteller tot de discipline om niet in te vullen wat de bladzijden zwijgen.

Want er is een zwijgen in deze brieven, en het is een veelzeggend zwijgen. De ene correspondent, Snouck, was in de jaren waarin hij aan Goldziher schreef, verwikkeld in de koloniale politiek van Nederlands-Indië. Hij adviseerde het gouvernement, hij analyseerde de Atjehse weerstand, hij formuleerde de doctrine die de religieuze geleerden van Atjeh als de onverzoenlijke kern van het verzet aanwees, de doctrine waarover het dertiende artikel van de vorige periode sprak. De andere correspondent, Goldziher, weigerde zijn leven lang elke dienst aan enig imperium en bleef bij zijn wetenschap en bij zijn gemeente. Wat de een deed en wat de ander naliet, lag dus mijlenver uiteen, en toch schreven zij elkaar als vrienden en vakbroeders. Wat wist Goldziher van Atjeh, en wat vond hij ervan. De eerlijke vertelling moet hier haar handen thuishouden. De brieven die zijn uitgegeven, dragen niet het gewicht van een uitgesproken oordeel van Goldziher over Snoucks oorlogsadvies, en wie zo’n oordeel zou construeren, zou een roman schrijven en geen geschiedenis. Het zwijgen mag klinken als zwijgen. Het hoeft niet te worden ingevuld om betekenisvol te zijn.

Er is nog een tweede reden voor terughoudendheid, en zij raakt aan de aard van de bron zelf. De uitgegeven correspondentie bestaat vooral uit de brieven van Snouck aan Goldziher, want die zijn bewaard gebleven in de nalatenschap van de Hongaar, terwijl de andere helft van het gesprek, de brieven van Goldziher aan Snouck, veel onvollediger tot ons is gekomen. Wie de briefwisseling leest, hoort dus in de eerste plaats de ene stem, en moet de andere reconstrueren uit wat de eerste beantwoordt. Dat is een reden te meer om Goldziher niet in de mond te leggen wat hij niet aantoonbaar heeft geschreven, en om de vertelling te beperken tot wat de bladzijden werkelijk dragen. De geschiedenis wint niets bij een gefingeerd oordeel, hoe verleidelijk het ook zou zijn om de zwijgende vriend een stem te geven over de oorlog die de sprekende vriend hielp voeren.

Wat de brieven wél dragen, is de onmiskenbare warmte tussen de twee mannen, een genegenheid die de decennia overleefde en die zich uitte in de zorg voor elkaars welzijn, in de deelname aan elkaars vreugden en verdriet, in de trouw van een correspondentie die pas eindigde toen de dood haar afbrak. Het was een vriendschap tussen twee mensen die elkaar zelden zagen en elkaar toch nabij bleven, gedragen door de inkt en het papier die de afstand tussen Leiden en Boedapest overbrugden. En het is juist deze warmte die de spiegeling zo scherp maakt, want zij toont dat de twee levens niet door karakter of door hardheid van elkaar gescheiden werden. Zij waren beiden beminnelijke, geleerde, toegewijde mannen. Het onderscheid tussen hen lag niet in hun hart. Het lag in de wegen die zij insloegen met dezelfde kennis in handen.

De uitgeslotene en de ingewijde

Om de spiegeling in haar volle scherpte te zien, moet men de twee levens niet alleen naast elkaar leggen maar ze gelijktijdig laten lopen, want zij liepen door dezelfde decennia en die gelijktijdigheid maakt het contrast des te schrijnender. In de jaren waarin Snouck opklom, werd Goldziher buitengesloten, en het was dezelfde tijd, dezelfde wetenschappelijke wereld, dezelfde methode die de een tot adviseur van een koloniaal rijk maakte en de ander tot secretaris van een Joodse gemeente.

Terwijl Snouck in de jaren tachtig terugkeerde uit Mekka als een gevierd geleerde, wiens beschrijving van de heilige stad de wetenschappelijke wereld verbaasde en wiens carrière zich opende naar Leiden en naar Batavia, zat Goldziher in Boedapest de administratie van geboorten, huwelijken en begrafenissen bij te houden, omdat de universiteit van zijn eigen stad hem als Jood de leerstoel onthield die hem allang toekwam. Terwijl Snouck in de jaren negentig zijn De Atjehers schreef en de doctrine formuleerde die de loop van een oorlog zou bepalen, sloeg Goldziher de ene na de andere buitenlandse aanbieding af, een professoraat te Heidelberg in 1893, een aanbod uit Cambridge het jaar daarop, omdat hij zijn land en zijn gemeenschap niet wilde verlaten, en keerde hij na elke weigering terug naar zijn kantoor bij de gemeente. De een werd binnengelaten in de kamers van de macht en maakte van zijn kennis een instrument van bestuur. De ander werd buitengesloten uit de kamers van de wetenschap en hield zijn kennis, deels omdat hij niet anders kon en deels omdat hij niet anders wilde, vrij van elke dienst aan enige macht.

In die jaren van uitsluiting werd de vriendschap met Snouck voor Goldziher waarschijnlijk meer dan een collegiale band, want zij verbond hem met de wereld van erkenning en gelijkwaardigheid die zijn dagelijkse omgeving hem ontzegde. De man die in Boedapest werd behandeld als een ondergeschikte, als de secretaris die men opdrachten gaf, was in de correspondentie met Leiden een meester onder meesters, iemand wiens oordeel werd gezocht en wiens werk werd bewonderd. Het dagboek dat hij in het geheim bijhield en dat pas lang na zijn dood zou verschijnen, staat vol van de bitterheid over de vernederingen die hij thuis onderging, en tegen die achtergrond krijgt de trouw van de verre vriendschap iets ontroerends. Zij was een van de weinige plaatsen waar Goldziher zichzelf mocht zijn wat hij naar zijn diepste overtuiging was, een geleerde van de eerste rang, erkend door de enige tijdgenoot wiens erkenning in dit vak werkelijk telde.

Er is een bittere symmetrie in deze gelijktijdigheid, en zij verdiept de these van deze periode. Want als de vertekening van de oriëntalistische blik een privilege was geweest van de machtigen, van de geleerden die in dienst stonden van imperia en die hun wetenschap lieten betalen door ministeries van koloniën, dan had men haar kunnen verklaren uit die macht alleen, en dan was Goldziher, de uitgeslotene, ervan gevrijwaard geweest. Maar hij was er niet van gevrijwaard. De man die geen enkele macht diende, die zelf tot de vernederden behoorde, die als Jood in het Habsburgse rijk aan den lijve wist wat uitsluiting betekende, schreef niettemin het boek dat de hadith ontwaardde. De vertekening zat dus niet in de macht maar in de blik, niet in het imperium maar in de methode, en dat is precies wat deze periode zichtbaar wil maken. De spiegel vertekent ook in de handen van wie zelf voor de spiegel is gezet en niet is toegelaten tot de zaal.

De vriendschap als spiegel

Hier wordt de these van deze hele periode expliciet, en het is goed haar met zorg te formuleren, want zij is subtiel en laat zich gemakkelijk vergroven. Snouck en Goldziher deelden een methode. Zij hadden beiden de historisch-kritische benadering van de Leidse School in zich opgenomen, de benadering die de openbaring als een historisch document behandelt en die haar aanspraak op verticale herkomst buiten beschouwing laat. Zij deelden een vak, een netwerk, een reeks congressen en een wederzijds respect dat geen van beiden ooit heeft opgezegd. En toch liepen hun levens uiteen tot in het tegendeel. De een reisde onder een valse naam naar Mekka en stelde zijn kennis in dienst van een koloniaal bewind dat de moslims van Sumatra onderwierp. De ander weigerde elke aanbieding die hem uit zijn land en van zijn gemeente zou hebben weggevoerd, en hij hield zijn wetenschap vrij van elke dienstbaarheid aan de macht.

Wat leert deze tegenstelling. Zij leert allereerst dat de methode niet vanzelf tot het ene of het andere leven leidt, dat er tussen de historisch-kritische lezing van de islam en de koloniale onderwerping van moslims geen ijzeren noodzaak bestaat, maar een keuze. Snouck koos ervoor zijn kennis tot instrument van bestuur te maken. Goldziher weigerde die stap. De spiegel vertekent bij beiden het beeld van de openbaring, want beiden lezen haar als sediment van haar tijd en beiden ontzeggen haar het vermogen om iets te zijn dat de tijd te boven gaat. Maar de vertekening in het werk hoeft niet gepaard te gaan met een vergrijp in het leven, en zij ging dat bij Goldziher niet. Dat is de reden waarom deze periode hem meer warmte gunt dan de vorige periode aan Snouck gunde, en waarom die grotere warmte historisch verdiend is en geen sentimentaliteit.

Deze vaststelling is van belang, want zij behoedt de vertelling voor een determinisme dat de mensen van hun verantwoordelijkheid zou ontslaan. Wie zou beweren dat de methode Snouck onvermijdelijk tot de koloniale dienst dreef, zou hem daarmee ongewild vrijpleiten, alsof hij niet anders had gekund. De aanwezigheid van Goldziher in ditzelfde verhaal weerlegt die gedachte, want hij bezat dezelfde methode en maakte een andere keuze. Het instrument legt zijn gebruiker een bepaalde blik op, maar het dwingt hem niet tot een bepaalde daad, en tussen de blik en de daad blijft de vrije mens staan die verantwoordelijk is voor wat hij met zijn kennis doet. Snouck koos de macht. Goldziher koos zijn gemeente en zijn geweten. De spiegel gaf hun hetzelfde vertekende beeld, maar wat zij met dat beeld deden, was hun eigen zaak, en de geschiedenis houdt hen elk aan hun eigen keuze.

Maar de tegenstelling leert nog iets tweeds, en dat is het pijnlijker inzicht. Want ook de zuiverste van de twee, de man die niemand bedroog en niemand onderwierp, leverde met zijn wetenschap een vertekening op die tot ver na zijn dood heeft doorgewerkt. De methode deelt haar vrucht ongelijk uit over de daden van de mensen, maar zij deelt haar vertekening gelijk uit over het beeld van de openbaring. Snouck bedroog Mekka en bewapende Atjeh. Goldziher bleef eerlijk en bleef thuis. En toch schreef juist Goldziher het boek dat de hadith in westerse ogen ontwaardde, terwijl Snouck de politieke gevolgen van de oriëntalistische blik het scherpst belichaamde. De schuld ligt niet gelijk, en dit thema zal nooit beweren dat zij gelijk ligt. Maar de vertekening is dezelfde, en dat is wat de spiegel toont wanneer men de twee levens naast elkaar houdt.

De Koran spreekt over de wijze waarop mensen elkaar leren kennen, en het is een woord dat op deze vriendschap een eigenaardig licht werpt, want het handelt over het kennen dat verder reikt dan het waarnemen. Het is een woord waarin Allah ﷻ de verscheidenheid van volkeren en stammen niet als een hindernis voorstelt maar als een uitnodiging, als de reden zelf waarom de mensheid in haar veelheid is geschapen.

يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُم مِّن ذَكَرٍ وَأُنثَىٰ وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا

"O mensen, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar zouden kennen."

Soera al-Hoedjoerat 49:13

Het kennen waarvan dit vers spreekt is een kennen dat de ander erkent in zijn eigenheid, dat de grenzen van volk en taal overbrugt zonder ze uit te wissen, en dat de ander niet tot een object van bestudering maakt maar tot een tegenover dat men werkelijk hoort. Het is precies dit kennen dat de oriëntalistische methode, hoe geleerd ook, niet kon voortbrengen, want zij plaatste de kennende geleerde altijd boven het gekende voorwerp en liet de moslim wel bestuderen maar nooit als gezaghebbende stem terugspreken. Snouck en Goldziher kenden elkaar als vrienden, van gelijke tot gelijke, en die wederkerigheid ontbrak juist daar waar zij haar het meest nodig hadden gehad, in hun omgang met de traditie die zij bestudeerden.

Men ziet die asymmetrie het helderst wanneer men bedenkt hoe de twee mannen met elkaar en hoe zij met hun onderwerp omgingen. Tegenover elkaar waren zij bereid te luisteren, te herzien, hun oordeel op te schorten voor de argumenten van de ander. Tegenover de traditie die zij bestudeerden, en bovenal tegenover de overleveraars die de woorden van de Profeet ﷺ hadden doorgegeven, kenden zij die bereidheid niet. De Metgezellen ﵃ die de overlevering hadden gedragen, de geleerden die haar hadden getoetst, de gemeenschap die haar als een toevertrouwd goed had bewaard, kwamen in het werk van de oriëntalist niet voor als stemmen die men diende te horen, maar als verschijnselen die men diende te verklaren. De vriendschap bewees dat beide mannen tot wederkerigheid in staat waren. Hun wetenschap bewees dat zij die wederkerigheid aan de traditie onthielden. En daarin ligt, subtieler dan enige aanklacht het kan zeggen, de tekortkoming die geen van beider deugden kon goedmaken.

Wat de methode deelt, deelt de schuld niet gelijk

Er blijft, na dit alles, een verschil dat men niet mag uitvlakken in naam van de symmetrie, en het is een verschil dat de vertelling nadrukkelijk vasthoudt. De spiegeling van de twee levens is een leerzaam beeld, maar zij is geen weegschaal die beide mannen in evenwicht brengt. Snoucks kennis werd bloed, want zij ging over in beleidsaanbevelingen die dorpen deden branden en die de religieuze leiders van een volk als uit te roeien vijanden aanwezen. Goldzihers kennis werd een boek, een omstreden boek, een boek dat een verkeerde weg wees in het begrijpen van de hadith, maar een boek en niet een bevel. Het is een wezenlijk verschil tussen de vertekening die alleen het beeld raakt en de vertekening die het leven zelf verwondt, en dit thema heeft nooit de bedoeling gehad die twee gelijk te schakelen.

En toch, en dit is het paradoxale slot van dit tussenstuk, was de vriendschap tussen deze twee mannen misschien wel het zuiverste wat de vroege islamwetenschap heeft voortgebracht. Twee geleerden die elkaar over veertig jaar en over vele landsgrenzen heen trouw bleven, die elkaar hun gedachten toevertrouwden en elkaars werk met liefde lazen, die in een tijd van nationalisme en imperialisme een band onderhielden die aan geen enkel imperium schatplichtig was. Dat de vrucht van hun gedeelde methode zo verschillend uitviel, en dat zelfs de zuiverste vrucht een vertekening bleef, is de tragiek die dit thema wil laten zien, zonder haar op te lossen in een gemakkelijk oordeel.

Het is verleidelijk om aan het eind van zo’n beschouwing een oordeel te vellen dat de rekening sluit, om de een tot schurk en de ander tot heilige te maken, of om beiden in één moreel vonnis te vangen. Maar de brieven zelf verzetten zich tegen die eenvoud. Zij tonen twee mensen, met hun deugden en hun blinde vlekken, met hun genegenheid en hun beperkingen, die samen aan de wieg stonden van een wetenschap die de omgang tussen het Westen en de islam een eeuw lang zou vormgeven. Wie hen recht wil doen, moet leren leven met de spanning die zij belichamen, met de vaststelling dat oprechtheid en vertekening in dezelfde man kunnen huizen, dat liefde voor een traditie samen kan gaan met een methode die diezelfde traditie het zwijgen oplegt. Dat is geen comfortabele conclusie, en zij is ook niet bedoeld om te troosten. Zij is bedoeld om waar te zijn.

Deze afweging is geen relativering van Snoucks daden en evenmin een vergoelijking van Goldzihers boek, maar een poging om beide op hun eigen gewicht te schatten. De lezer van vandaag, die de gevolgen van beide levens kan overzien op een wijze die de tijdgenoten niet konden, mag die weegschaal hanteren zonder haar tot een tribunaal te maken. Het gaat er niet om een vonnis te vellen over twee mannen die zich niet meer kunnen verweren, maar om te begrijpen wat hun voorbeeld ons leert over de verhouding tussen kennis en gezindheid, tussen wat men weet en wat men met zijn weten doet. Dat is de vrucht die de briefwisseling voor ons draagt, en zij is rijker dan enig eenvoudig oordeel over goed en kwaad had kunnen zijn.

De briefwisseling loopt door tot vlak voor Goldzihers dood in 1921, en zij vormt daarmee de draad die de twee periodes van dit thema fysiek aaneenrijgt. Wanneer die draad breekt, wanneer de laatste brief is geschreven en de oude vriend is heengegaan, blijft er van Goldziher niet alleen dit netwerk van correspondentie over, maar ook een reeks late werken en een dagboek dat pas lang na zijn dood zou spreken, en waarin de bittere binnenkant van dit geleerdenleven eindelijk zichtbaar werd. Naar die laatste jaren, en naar het weerwoord dat de eeuw na hem op zijn werk zou geven, voert het slotartikel van deze periode.

Bronnen

  • P. Sj. van Koningsveld (ed.), Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, Leiden (1985)
  • Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill/Akadémiai Kiadó (1986)
  • Ignác Goldziher, Muhammedanische Studien, 2 delen, Halle (1889-1890)
  • Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021)
  • Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
واللّٰه أعلم

Sources

P. Sj. van Koningsveld (ed.), Scholarship and Friendship in Early Islamwissenschaft: The Letters of C. Snouck Hurgronje to I. Goldziher, Leiden (1985) Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill/Akadémiai Kiadó (1986) Ignác Goldziher, Muhammedanische Studien, 2 delen, Halle (1889-1890) Wim van den Doel, Snouck, Boom (2021) Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)