InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Muhammedanische Studien

Muhammedanische Studien

OriëntalismeIgnác Goldziher

Muhammedanische Studien

Muhammedanische Studien

In het vorige artikel zagen wij hoe de begaafdste islamwetenschapper van Europa dertig jaar lang zijn brood verdiende als secretaris van een Joodse gemeente, hoe hij overdag de administratie van geboorten en begrafenissen bijhield en pas na sluitingstijd, bij het licht van een lamp, terugkeerde naar de teksten waarvan hij hield. Uit dat nachtwerk, uit die dubbele last van vernedering en wetenschap, kwam het boek voort dat zijn naam voorgoed zou verbinden aan de studie van de islam. Het verscheen in twee delen, het eerste in 1889 en het tweede in 1890, in Halle, onder een titel die in het Duits sober klonk en in haar gevolgen allesbehalve sober zou blijken: Muhammedanische Studien. Het was geen polemiek, geen aanklacht, geen strijdschrift tegen de islam. Het was iets dat op de lange duur zwaarder woog dan welke polemiek ook, want het was wetenschap, geschreven met liefde voor het onderwerp en met de kalme zekerheid van een man die meende dat hij eindelijk het gereedschap in handen had om de vroegste eeuwen van de islam te verstaan zoals zij werkelijk waren geweest.

En juist daarom is dit het moeilijkste artikel van deze periode. Want Goldziher was niet Snouck. Hij had niemand bedrogen, geen valse naam aangenomen, geen koloniaal leger van kennis voorzien. Hij was op de verheven vrijdag in Caïro devoter geweest dan ooit in zijn leven, en die devotie was oprecht. Maar in Muhammedanische Studien, en bovenal in het tweede deel, gebeurde iets waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag doorwerken in de westerse omgang met de hadith. De man die van de islamitische geleerdentraditie hield, leverde het wetenschappelijke wapen dat die traditie in westerse ogen zou ontwaarden. Om te begrijpen hoe dat kon gebeuren, moeten wij eerst nauwkeurig lezen wat het boek werkelijk beweert, zonder karikatuur en zonder verzachting. Pas daarna kan het antwoord klinken, en dat antwoord komt niet als preek maar als een tegenwicht dat de vertelling zelf draagt.

Wat het boek beweert

Het eerste deel van Muhammedanische Studien handelde over de spanning tussen de oude Arabische stammenidealen en de nieuwe ethiek van de islam, over muruwwa en din, over de wijze waarop de vroege moslimgemeenschap haar heidense erfenis herschikte rond de openbaring. Goldziher toonde daarin een vertrouwdheid met de Arabische poëzie en de vroege bronnen die zijn tijdgenoten versteld deed staan, en hij bezat de gave om uit een enkel vers of een terloopse anekdote een heel wereldbeeld te reconstrueren. Het was scherpzinnig en het bevatte veel dat blijvend van waarde is gebleken. Maar het is het tweede deel dat de geschiedenis van het vak heeft bepaald, want daar richtte Goldziher zijn volle aandacht op de hadith, op de overlevering van de woorden en daden van de Profeet ﷺ, en op de reusachtige literatuur die de moslimgemeenschap rond die overlevering had opgebouwd. Wat hij daar schreef was niet bedoeld als aanval en werd door hem ook niet als aanval ervaren, want hij meende oprecht dat hij een wetenschappelijke dienst bewees aan het begrijpen van de islam, en hij zou zich hebben verbaasd over de gedachte dat zijn werk ooit als een wapen tegen de godsdienst zou worden gehanteerd die hij bewonderde.

De centrale stelling laat zich in één zin samenvatten, en Goldziher zelf gaf haar een formulering die sindsdien ontelbare malen is geciteerd. De hadith, schreef hij, dient de geleerde niet als een document voor de kindertijd van de islam, maar als een spiegel van de tendensen die in de gemeenschap opkwamen gedurende de rijpere fasen van haar ontwikkeling. Men moet die zin langzaam lezen om zijn draagwijdte te vatten. Wat Goldziher beweerde was niet dat sommige overleveringen onbetrouwbaar waren, want dat had de islamitische traditie zelf altijd volmondig erkend en tot een wetenschap verheven. Wat hij beweerde was iets radicalers: dat de hadith als geheel geen venster was op de tijd van de Profeet ﷺ, maar een spiegel van de tijd waarin zij werd opgetekend. Wie een overlevering las, las volgens Goldziher niet in de eerste plaats iets over de zevende eeuw, maar iets over de tweede en de derde hijri-eeuw, over de partijen en de belangen en de vromen van die latere generaties die hun eigen zorgen in de mond van de Profeet ﷺ hadden teruggeprojecteerd.

Deze gedachte gaf Goldziher een historische verklaring die op het eerste gezicht van grote elegantie was. De islamitische gemeenschap van de eerste eeuwen was verscheurd door conflicten, want er waren de burgeroorlogen, de strijd tussen de aanhangers van Ali ﵁ en die van Muʿawiya, de opkomst en de val van de Umayyaden, de revolutie die de Abbasiden aan de macht bracht, en de eindeloze twisten tussen de rechtsscholen en de theologische richtingen. In al die conflicten, betoogde Goldziher, had elke partij behoefte aan gezag, en het hoogste gezag dat men zich kon voorstellen was het woord van de Profeet ﷺ zelf. Wie een uitspraak van de Profeet ﷺ aan zijn zijde had, had het pleit gewonnen. En dus, zo luidde de these, ontstonden er overleveringen die precies dat leverden wat de partijen nodig hadden, overleveringen die een juridisch standpunt bekrachtigden, een dynastie legitimeerden, een vrome praktijk aanmoedigden of een tegenstander veroordeelde. De hadith werd, in deze lezing, het slagveld waarop de latere gemeenschap haar geschillen uitvocht, gekleed in de taal van de vroegste tijd.

Goldziher merkte scherp op dat de sunna pas onder de Abbasiden haar volle officiële erkenning verwierf, en hij verbond die waarneming aan zijn bredere betoog. De verschuiving van de Umayyadische naar de Abbasidische periode ging gepaard, zo meende hij, met een verschuiving in de wijze waarop overleveringen werden gevormd, gebruikt en gesanctioneerd. Wat onder de ene dynastie diende, werd onder de andere aangepast of vervangen. En achter dit alles stond de figuur die Goldziher het meest fascineerde en het meest verontrustte: de vrome geleerde die, uit oprechte devotie en niet uit cynisme, materiaal in omloop bracht dat hij nuttig achtte voor de zaak van de godsdienst. Want dat was de subtielste en tegelijk de pijnlijkste wending van de these. Goldziher stelde niet dat de overleveraars leugenaars waren in de gewone zin van het woord. Hij stelde dat de vroomsten onder hen, juist omdat zij vroom waren, nieuw materiaal in omloop brachten waarvoor zij erkenning verwachtten, in de overtuiging dat zij daarmee de godsdienst dienden.

Hier raakt de these aan wat voor de moslimgemeenschap heilig is, en de eerlijkheid vereist dat men die reikwijdte benoemt zonder haar te herhalen alsof zij vaststond. Want de keten van overlevering loopt terug tot de Metgezellen ﵃, tot de mannen en vrouwen die de Profeet ﷺ met eigen ogen hadden gezien en met eigen oren hadden gehoord, en onder hen tot een figuur als Abu Hurayra ﵁, aan wie een groot deel van de overlevering wordt toegeschreven. Goldzihers redenering, tot haar uiterste doorgetrokken, plaatste een schaduw van verdenking over deze keten, tot aan de eerste generatie toe. Het is precies deze implicatie die dit artikel klinisch benoemt en niet uitvergroot, want de insinuatie zelf reproduceren zou betekenen dat men haar retorische kracht leent die zij bij nadere toetsing niet verdient. Wat telt, is dat men begrijpt hoe ver de these reikte, en waarom zij, eenmaal aanvaard, de hele overleveringswetenschap in westerse ogen tot een verdacht bouwwerk maakte.

De methode van Kuenen op de hadith

Om te begrijpen waar deze these vandaan kwam, moeten wij terugkeren naar het begin van dit thema, naar het eerste artikel van de vorige periode, waarin de Leidse School en haar historisch-kritische methode werden beschreven. Daar zagen wij hoe Abraham Kuenen de Bijbel had leren lezen als een sediment van eeuwen, als een bibliotheek in plaats van een boek, waarin elke laag haar eigen tijd verried en de taak van de geleerde was die lagen bloot te leggen en aan elke laag haar plaats in de geschiedenis terug te geven. Wij zagen ook hoe die methode een interne logica bezat die haar universeel maakte, of zij was niets: als de Bijbel een menselijk document was dat men moest verklaren uit de belangen en de conflicten van zijn tijd, dan gold hetzelfde voor elk ander geschrift dat aanspraak maakte op openbaring, en dus ook voor de bronnen van de islam.

Goldziher was de man die deze methode op de hadith toepaste, en hij deed dat met dezelfde ernst, dezelfde geleerdheid en dezelfde onbarmhartigheid waarmee Kuenen de profeten van Israël had behandeld. Waar Kuenen in de boeken van Jesaja en Jeremia de interpolaties van een latere hand had gezocht, zocht Goldziher in de overleveringen van de Profeet ﷺ de terugprojecties van een latere gemeenschap. Waar Kuenen de zelfduiding van de profeet ondergeschikt had gemaakt aan de duiding van de historicus, maakte Goldziher de zelfduiding van de moslimgemeenschap ondergeschikt aan de zijne. De gelovige zei: dit is overgeleverd van de Profeet ﷺ door een betrouwbare keten. De geleerde antwoordde: bewijs het, want ik ken alleen de tekst en de tendens die zij verraadt, en die tendens wijst naar een latere tijd dan zij voorgeeft.

Er is in deze overeenkomst iets dat men niet mag wegpoetsen, want zij verklaart zowel de kracht als de blinde vlek van Goldzihers onderneming. De kracht lag in de scherpte waarmee hij zag dat teksten sporen dragen van de handen die ze hebben aangeraakt, dat overlevering nooit in een luchtledig plaatsvindt, dat de zorgen van een generatie zich onvermijdelijk aftekenen in wat zij bewaart en doorgeeft. Dat is een waarheid die geen enkele serieuze wetenschap kan ontkennen, en de islamitische overleveringswetenschap heeft haar nooit ontkend. De blinde vlek lag in de aanname dat deze waarheid het laatste woord had, dat een tekst die door een gemeenschap werd doorgegeven daarmee tot die gemeenschap moest worden herleid en tot niets daarbuiten. Wie de openbaring alleen als sediment van haar tijd mag lezen, zoals wij in de vorige periode formuleerden, kan niet anders dan haar lezer aan diezelfde tijd uitleveren. En wie de hadith alleen als spiegel van de latere gemeenschap mag lezen, zal in de hadith alleen die latere gemeenschap vinden, want hij heeft zichzelf bij voorbaat verboden er iets anders in te zoeken.

Dat is de cirkel waarin de methode zich beweegt, en het is een cirkel die zich met grote geleerdheid laat aankleden zonder dat hij daarmee opengaat. Goldziher bracht duizenden overleveringen bijeen, hij ordende ze, hij vergeleek de varianten, hij traceerde de tegenstrijdigheden en hij liet zien hoe verschillende partijen verschillende versies in omloop hadden. Dit alles was echt werk, geleerd werk, en veel van zijn waarnemingen over specifieke overleveringen zijn scherpzinnig gebleven. Maar de conclusie die hij eruit trok, de gevolgtrekking dat het corpus als geheel een spiegel van tendensen was en geen document van gebeurtenissen, volgde niet uit de waarnemingen zelf. Zij volgde uit de methode die hij had meegebracht, uit de vooronderstelling dat een religieuze tekst zich moest verantwoorden voor de rechtbank van de filologie en dat zijn eigen aanspraak op verticale herkomst bij voorbaat niet meetelde. De hadith werd veroordeeld voordat het proces begon, want de rechter had de belangrijkste getuige, de overleveringswetenschap zelf, niet toegelaten.

Wat de muhaddithin deden

Want dat is de kern van de zaak, en het is een kern die Goldziher grotendeels ongemoeid liet: de islamitische gemeenschap had lang voor de negentiende eeuw een wetenschap ontwikkeld die precies bedoeld was om te doen wat Goldziher meende als eerste te doen, namelijk het kaf van het koren scheiden in de overlevering. Deze wetenschap heette de 'ulum al-hadith, de wetenschappen van de overlevering, en zij was geen vroom terzijde maar een van de meest verfijnde kritische disciplines die enige beschaving voor de moderne tijd heeft voortgebracht. Wie Goldziher wil begrijpen, en wie hem wil beantwoorden, moet weten wat de muhaddithin ﵀ werkelijk deden, want zonder die kennis lijkt de these van de spiegel onweerlegbaar, en met die kennis blijkt zij een reusachtige leemte te bevatten.

Het hart van de overleveringswetenschap was de isnad, de keten van overleveraars die elke hadith voorafging. Een overlevering werd niet aanvaard omdat zij vroom klonk of omdat zij nuttig was, maar omdat zij kon worden teruggevoerd langs een ononderbroken keten van betrouwbare mensen tot aan de Profeet ﷺ. En om die keten te toetsen ontwikkelden de geleerden een tweede wetenschap, de 'ilm al-rijal, de kennis van de mannen, waarin het leven van elke overleveraar tot in de details werd onderzocht. Wanneer leefde hij, waar leefde hij, wie waren zijn leraren en wie zijn leerlingen, kon hij de persoon die hij als bron noemde werkelijk hebben ontmoet, was hij bekend om zijn nauwkeurigheid of om zijn slordigheid, was hij vroom of berucht, sterk van geheugen of vergeetachtig op zijn oude dag. Deze biografische wetenschap groeide uit tot een literatuur van vele duizenden namen, waarin de overleveraars werden gewogen en gerangschikt, en waarin een enkele twijfelachtige schakel voldoende was om een hele keten te verzwakken.

Naast de kritiek op de keten stond de kritiek op de tekst zelf, en ook die was hoog ontwikkeld. De 'ilm al-'ilal, de wetenschap van de verborgen gebreken, hield zich bezig met overleveringen die op het oog gaaf waren maar bij nadere beschouwing een subtiele fout verrieden, een verwarring van namen, een onderbreking die zich achter een schijnbaar sluitende keten verborg, een tekst die in strijd was met wat betrouwbaarder was overgeleverd. Dit was werk voor de meesters, voor de weinigen die zoveel overleveringen uit het hoofd kenden dat zij de valse noot konden horen die de leerling ontging. En boven dit alles stond het beginsel van de jarh wa taʿdil, het verwerpen en het rechtvaardigen, waarin de betrouwbaarheid van elke overleveraar met genadeloze eerlijkheid werd vastgesteld, ook wanneer het een geliefde leraar of een vrome tijdgenoot betrof.

Er zit in dit alles een verwarring die Goldziher nooit heeft opgehelderd en die de kern van het geschil vormt. Dat er in de eerste eeuwen overleveringen werden verzonnen, was voor de moslimgeleerden geen onthulling maar een uitgangspunt, want juist tegen de verzinning was hun hele wetenschap gebouwd. Zij kenden de fabricanten bij naam, zij hadden lijsten van de leugenaars, zij hadden categorieën voor de zwakke, de afgebroken, de omgekeerde en de verzonnen overlevering, en zij hebben tienduizenden overleveringen als onbetrouwbaar verworpen met een gestrengheid die geen negentiende-eeuwse criticus overtrof. Het bestaan van de vervalsing bewees voor hen dus niets over de betrouwbaarheid van het geheel, want het geheel was juist datgene wat na de zeving overbleef. Goldziher maakte van het bestaan van de vervalsing een oordeel over het geheel, en dat is de sprong die de bronnen niet dragen. Wie aantoont dat er valse munten in omloop zijn geweest, heeft daarmee niet aangetoond dat alle munten vals zijn, en al helemaal niet wanneer er een gilde van keurmeesters bestond wiens levenswerk het was de valse munten uit de omloop te nemen.

Uit deze wetenschappen kwamen de grote verzamelwerken voort, en het is geen toeval dat zij ontstonden in precies de periode die Goldziher als de tijd van de fabricage bestempelde. Imam Bukhari ﵀, gestorven in het jaar 256 van de hijra, reisde volgens de overlevering jarenlang door de landen van de islam en verzamelde honderdduizenden overleveringen, waarvan hij er na strenge toetsing slechts enkele duizenden opnam in zijn Sahih, zijn verzameling van het gezonde. Zijn tijdgenoot Imam Muslim ﵀, gestorven in 261, deed hetzelfde met een eigen methode en een eigen strengheid. Wat deze mannen dreef was niet de wens om een corpus op te bouwen dat de belangen van hun tijd diende, maar de vrees om iets aan de Profeet ﷺ toe te schrijven wat hij niet had gezegd, een vrees die in de overlevering zelf verankerd lag, want de Profeet ﷺ had gewaarschuwd dat wie opzettelijk een leugen aan hem toeschreef zijn plaats in het vuur moest opmaken. De overleveringswetenschap was, met andere woorden, geboren uit precies de zorg die Goldziher meende te introduceren, en zij was die zorg eeuwen vóór hem, en met een fijnmazigheid die de negentiende-eeuwse filologie op belangrijke punten reeds vooruit was.

Hier ligt het bewuste parallellisme met de vorige periode, en het is een parallellisme dat het thema met opzet trekt. Toen wij Theodor Nöldeke bespraken en zijn Geschichte des Qorans, zagen wij dat hij de rijke traditie van de 'ulum al-Qur’an niet kende of terzijde schoof, dat hij de interne chronologie van de openbaring zoals overgeleverd door de Metgezellen ﵃ als onbetrouwbaar beschouwde omdat zij van gelovigen kwam. Precies hetzelfde gebeurde nu met de hadith. De westerse geleerde behandelde de islamitische kritische wetenschap niet als een gesprekspartner maar als deel van het te verklaren materiaal, als een vroom bouwwerk dat zelf verklaring behoefde in plaats van een instrument dat men serieus moest nemen. De overleveringswetenschap werd niet weerlegd. Zij werd overgeslagen, en in het overslaan lag het hele oordeel besloten.

Het geschreven woord

Aan de these van de spiegel lag een stille vooronderstelling ten grondslag die zo vanzelfsprekend leek dat Goldziher haar nauwelijks hoefde uit te spreken, en die juist daarom het zwaarst weegt. Het was de aanname dat de overlevering in de eerste eeuwen uitsluitend mondeling had bestaan, dat er tussen het spreken van de Profeet ﷺ en het optekenen van de grote verzamelwerken in de derde hijri-eeuw een lange, schemerige periode lag waarin de woorden alleen van mond tot mond gingen, buigzaam en vormeloos, en dus vatbaar voor de veranderingen die elke generatie eraan wilde aanbrengen. Wie zo naar de overlevering keek, kon niet anders dan haar wantrouwen, want mondelinge doorgifte over anderhalve eeuw laat ruimte voor eindeloze bewerking, en in die ruimte plaatste Goldziher zijn hele reconstructie van de terugprojectie.

De aanname was aantrekkelijk en zij was onjuist, en het is de moderne wetenschap zelf, deels westers en deels islamitisch, die haar heeft ontkracht. Want er is een groeiend en inmiddels goed gedocumenteerd bewijsmateriaal dat het optekenen van overleveringen niet in de derde eeuw begon maar reeds in de eerste, en zelfs al tijdens het leven van de Profeet ﷺ. Verschillende Metgezellen ﵃ bezaten geschreven bladen met overleveringen, en de vroege gemeenschap kende het schrift en gebruikte het. Een van de bekendste getuigen daarvan is de verzameling die aan Abu Hurayra ﵁ wordt verbonden en die door zijn leerling werd opgetekend, een bladzijden tellend document dat generaties later nagenoeg ongewijzigd terugkeert in de grote verzamelwerken, wat betekent dat de tekst niet vormeloos door de tijd zweefde maar met opmerkelijke stabiliteit werd doorgegeven. Wie de vroegste geschreven getuigen naast de latere gedrukte versies legt, vindt niet de wildgroei die de these van de mondelinge buigzaamheid voorspelt, maar een trouw die haar tegenspreekt.

Het is een historische ironie dat juist de figuur die Goldziher het diepst verdacht, de veelbesproken Abu Hurayra ﵁, aan wie hij een onwaarschijnlijke overvloed aan overleveringen toeschreef en over wie hij de zwaarste twijfels uitsprak, in dit opzicht tot een kroongetuige van de tegenpartij is geworden. Want dat aan hem verbonden geschreven blad laat zien dat er een schriftelijk anker bestond op precies het punt waar de these een vrije mondelinge ruimte veronderstelde. Dit is geen sluitend bewijs dat elke overlevering authentiek is, en de verdediging moet zich hoeden voor die overspanning evenzeer als de kritiek zich voor de hare had moeten hoeden. Maar het ontneemt aan de these haar stilzwijgende fundament, want zodra vaststaat dat er van meet af aan werd geschreven, verliest de gedachte van een eeuwenlange vormeloze doorgifte haar grond, en daarmee verliest de reconstructie van de terugprojectie het lege tijdvak dat zij nodig had. De geleerden die dit materiaal in de twintigste eeuw hebben blootgelegd en geordend, keren in het slot van deze periode terug, want hun werk is het eigenlijke weerwoord op het boek dat wij hier lezen.

De casus van al-Zuhri

Geen voorbeeld toont de these van Goldziher scherper, en geen voorbeeld toont haar zwakte scherper, dan het geval dat hij maakte rond de figuur van Ibn Shihab al-Zuhri ﵀, een van de grootste geleerden van de tweede generatie, aan wie een enorme hoeveelheid overlevering wordt toegeschreven. Goldziher bouwde rond deze man een reconstructie die als een sluitend betoog oogde en die, wanneer men haar toetst aan de feiten, uiteenvalt in haar samenstellende delen.

De reconstructie luidde als volgt. De Umayyadische kalief Abd al-Malik ibn Marwan, zo betoogde Goldziher, wilde de bedevaart naar Mekka verhinderen omdat Mekka in handen was van zijn rivaal, en daarom bouwde hij de Rotskoepel in Jeruzalem om de gelovigen daarheen te leiden in plaats van naar de Kaʿbah. Om deze omleiding godsdienstig te rechtvaardigen, zo vervolgde de these, kreeg de vrome al-Zuhri ﵀ de opdracht een overlevering in omloop te brengen volgens welke de gelovige naar drie moskeeën op bedevaart mocht gaan, die van Mekka, die van Medina en die van Jeruzalem. De vrome geleerde, gebogen onder de macht van de kalief, verzon dus een woord van de Profeet ﷺ om een politiek besluit een religieus aanzien te geven. Men ziet onmiddellijk waarom dit voorbeeld voor Goldziher zo aantrekkelijk was, want het verenigde alle elementen van zijn these in één verhaal: de politieke druk, de vrome overleveraar, de gefabriceerde traditie, de spiegel van de latere belangen die zich voordeed als het venster op de vroegste tijd.

Het probleem is dat vrijwel elk onderdeel van dit verhaal de toets van de feiten niet doorstaat, en dat de latere wetenschap, zowel islamitisch als westers, dit een voor een heeft aangetoond. Abd al-Malik bouwde de Rotskoepel niet om de bedevaart te verleggen, en er is geen enkele aanwijzing dat de hadj ooit van Mekka naar Jeruzalem is verlegd of dat iemand dat serieus heeft geprobeerd. De overlevering over de drie moskeeën is langs meerdere ketens overgeleverd en niet alleen door al-Zuhri ﵀, wat de gedachte van een enkele gefabriceerde bron ondergraaft. En wat het zwaarst weegt: de chronologie laat de ontmoeting die Goldziher veronderstelt eenvoudigweg niet toe, want in de periode waarin de omleiding zou hebben plaatsgevonden, toen Mekka nog in handen was van de rivaal van de kalief, was al-Zuhri ﵀ nog jong en had hij de positie aan het hof die het verhaal vereist nog helemaal niet. De vrome geleerde kon de opdracht die Goldziher hem toeschrijft niet hebben ontvangen, om de eenvoudige reden dat hij de kalief in de betreffende jaren niet in die hoedanigheid kon hebben ontmoet.

Wat blijft er dan over van de casus. Er blijft een geleerde over die een historische mogelijkheid tot een zekerheid verklaarde, die een keten van veronderstellingen aaneenreeg en het geheel presenteerde als een bewijs van zijn algemene these, terwijl elk van de schakels bij toetsing verzwakte of brak. Dit is geen klein detail, want al-Zuhri ﵀ was voor Goldziher niet een willekeurig voorbeeld maar de spilfiguur, het model van de vrome fabricant, en de latere verdedigers van de Sunna hebben dan ook juist rond deze casus hun tegenbetoog opgebouwd. Dat men zich moet hoeden voor een omgekeerde naïviteit spreekt vanzelf, want ook de verdediging kan overdrijven en ook zij moet zich aan de bronnen houden. Maar de nuchtere vaststelling blijft dat de meest geprononceerde toepassing van Goldzihers these op een concreet geval een reconstructie was die meer berustte op de innerlijke logica van de methode dan op de weerstand van de feiten.

De cirkel van de methode

Wij naderen nu het punt waar de vertelling van kritiek naar antwoord draait, en het is goed dat antwoord niet als een tegenaanval te laten klinken maar als een vaststelling over de aard van het kennen zelf. Want de diepste weerlegging van Goldziher ligt niet in dit of dat feit over al-Zuhri ﵀ of over de Rotskoepel, hoezeer die feiten ook tellen. Zij ligt in de vraag of de methode die hij hanteerde ooit had kunnen vinden wat zij bij voorbaat had uitgesloten.

Stel dat de hadith in werkelijkheid, voor het overgrote deel, betrouwbaar de woorden en daden van de Profeet ﷺ had bewaard. Stel dat de overleveringswetenschap grotendeels had gewerkt zoals zij pretendeerde te werken, dat de ketens waren wat zij voorgaven te zijn en dat de strengheid van de meesters echte strengheid was. Zou Goldzihers methode dat hebben kunnen vaststellen. Het antwoord is nee, en dat is de kern van de zaak. Want de methode was zo opgezet dat elke overlevering die een latere belang leek te dienen als terugprojectie werd gelezen, en aangezien vrijwel elke overlevering wel bij een of ander later belang aansluit, kon vrijwel elke overlevering als terugprojectie worden gelezen. De vroomheid van de overleveraar werd geen reden tot vertrouwen maar juist een reden tot verdenking, want de vrome had een motief om te fabriceren voor de goede zaak. De ononderbroken keten werd geen waarborg maar een te verklaren fenomeen, want ook een gefabriceerde overlevering kon zich achteraf van een sluitende keten voorzien. Er was, kortom, geen enkel gegeven dat de these had kunnen weerleggen, en een these die door geen enkel gegeven kan worden weerlegd is geen wetenschappelijke ontdekking maar een gesloten kader.

Dit is de plaats waar de vertelling stil moet staan bij wat de moslimtraditie zelf over het bewaren van de openbaring zegt, niet als bewijsstuk in een debat maar als de andere pool waartegen de methode zich aftekent. Want de gemeenschap die deze overleveringen bewaarde, deed dat niet in het besef dat zij een menselijk archief opbouwde dat aan de tand van de historicus zou worden gevoeld. Zij deed dat in het besef dat zij een toevertrouwd goed bewaarde, en dat het bewaren zelf onder een belofte stond.

إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ

"Voorwaar, Wij zijn het die de vermaning hebben neergezonden, en voorwaar, Wij zijn het die daarover waken."

Soera al-Hijr 15:9

De gelovige leest in dit vers een belofte die de hele overleveringswetenschap draagt, want het bewaren van de dhikr omvat in de klassieke uitleg niet alleen de tekst van de Koran maar ook de verklaring ervan, en die verklaring is de sunna. De methode van Goldziher kon met dit besef niets aanvangen, want zij lag buiten haar bevoegdheid, precies zoals de aanspraak op de onnavolgbaarheid van de Koran buiten de bevoegdheid van de Bijbelkritiek lag. En daar ligt de eigenlijke tragiek van dit boek. De man die in Caïro devoter was geweest dan ooit, die de vromen had gadegeslagen en had gevoeld dat hij bijna een van hen was, schreef een werk dat de vroomheid van de overleveraars tot een verdachtmaking maakte, niet uit kwade trouw maar omdat de methode die hij liefhad hem geen andere uitkomst toestond. Wie alleen sediment mag zien, vindt alleen sediment. Dat is geen ontdekking over de hadith. Dat is een gevolg van de wijze van kijken.

Een boek dat langer werkte dan zijn schrijver

Muhammedanische Studien werd niet onmiddellijk het strijdschrift waartoe latere generaties het zouden maken, want het was daarvoor te geleerd en te veelzijdig, en het bevatte naast de omstreden these over de hadith een schat aan waarnemingen die tot vandaag worden geraadpleegd. Maar de these over de hadith was de erfenis die de diepste sporen trok, en zij trok die sporen in twee richtingen tegelijk. In het Westen werd Goldziher de grondlegger van wat men de hadith-scepsis is gaan noemen, de aanname dat de overlevering pas betrouwbaar wordt geacht nadat zij zich tegenover de historicus heeft bewezen in plaats van andersom. Op deze grondslag zou halverwege de twintigste eeuw Joseph Schacht voortbouwen, die in zijn onderzoek naar de vroege islamitische rechtsleer de scepsis nog verscherpte en tot een stelsel maakte, met redeneringen die van het zwijgen van de bronnen een bewijs trachtten te smeden en die de ketens van overlevering als achteraf geconstrueerd voorstelden. De weg van Goldziher naar Schacht is de weg waarlangs de westerse twijfel aan de hadith zich institutionaliseerde tot een schoolse orthodoxie, die op haar beurt weer haar eigen critici zou oproepen.

Want dat is de andere richting waarin het boek werkte, en zij is voor dit thema de belangrijkste. Juist omdat Goldziher zo scherp en zo geleerd had geformuleerd, riep hij een weerwoord op dat zich niet tevreden stelde met verontwaardiging maar dat hem op zijn eigen terrein antwoordde, met de bronnen in de hand, met de wetenschappelijke strengheid die hij zelf had gepredikt. Dat weerwoord zou pas in de twintigste eeuw zijn volle gestalte krijgen, in het werk van geleerden als Mustafa al-Siba’i ﵀ en Muhammad Mustafa al-Azami ﵀, die de overleveringswetenschap van binnenuit kenden en die de leemte konden aanwijzen waar de westerse kritiek overheen was gestapt. Naar hun antwoord keert dit thema in het laatste artikel van deze periode terug, want zonder dat antwoord blijft het beeld onvolledig en zou de spiegel het laatste woord houden.

Maar voordat wij daar aankomen, moeten wij nog iets begrijpen dat het boek en zijn schrijver van elk gemakkelijk oordeel vrijwaart. De man die Muhammedanische Studien schreef, was in diezelfde jaren verwikkeld in een vriendschap en een briefwisseling met de enige tijdgenoot die zijn gelijke was in kennis van de islam, een Nederlander die de islam op een heel andere en veel duisterder manier had betreden dan hij. Terwijl Goldziher in zijn Boedapester studeerkamer de hadith ontleedde, correspondeerde hij met de man die zich in Mekka onder een valse naam tussen de gelovigen had gemengd en die zijn kennis in dienst had gesteld van een koloniale oorlog. Twee levens in spiegelbeeld, verbonden door bijna vijfhonderd brieven, en juist in die spiegeling wordt de these van deze hele periode zichtbaar. Daarover gaat het volgende artikel.

Bronnen

  • Ignác Goldziher, Muhammedanische Studien, 2 delen, Max Niemeyer, Halle (1889-1890)
  • Ignaz Goldziher, Muslim Studies, vert. C.R. Barber en S.M. Stern, 2 delen, George Allen & Unwin (1967-1971)
  • Muhammad Mustafa al-Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge (1968)
  • Mustafa al-Siba’i, As-Sunnah wa-makanatuha fi at-tashri’ al-islami, Caïro (1961)
  • Abraham Kuenen, De Godsdienst van Israël, 2 delen (1869-1870)
  • Theodor Nöldeke, Geschichte des Qorans, Dieterich (1860)
  • Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978)
  • Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill/Akadémiai Kiadó (1986)
واللّٰه أعلم

Sources

Ignác Goldziher, Muhammedanische Studien, 2 delen, Max Niemeyer, Halle (1889-1890) Ignaz Goldziher, Muslim Studies, vert. C.R. Barber en S.M. Stern, 2 delen, George Allen & Unwin (1967-1971) Muhammad Mustafa al-Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge (1968) Mustafa al-Siba’i, As-Sunnah wa-makanatuha fi at-tashri’ al-islami, Caïro (1961) Abraham Kuenen, De Godsdienst van Israël, 2 delen (1869-1870) Theodor Nöldeke, Geschichte des Qorans, Dieterich (1860) Edward Said, Orientalism, Pantheon Books (1978) Róbert Simon, Ignác Goldziher: His Life and Scholarship as Reflected in his Works and Correspondence, Brill/Akadémiai Kiadó (1986)