Twee handschriften, één belofte
In het voorgaande artikel volgden wij de codificatie van de zeven canonieke qurra’ onder Ibn Mujahid ﵀, en zagen wij hoe de leestraditie daarmee haar formele bezegeling kreeg. De tekst lag nu volledig vast: het geschreven skelet van Uthman ﵁, voorzien van de diakritische punten en de vocaaltekens die Abu al-Aswad ad-Du’ali ﵀ en Khalil ibn Ahmad ﵀ hadden uitgewerkt, en daaronder de mondelinge keten die de uitspraak van generatie op generatie tot de Profeet ﷺ terugvoerde. Elk woord vastgelegd, elke lezing getoetst, elke afwijking hoorbaar. Maar juist tegen die volgroeide zekerheid heeft de orientalistiek in de twintigste eeuw haar sterkste tegenkaart proberen te spelen. Want als de tekst zo vast lag, zo redeneerde men, dan moest er ergens, onder een laag inkt of in een vergeten zolder, een oudere en andere Koran te vinden zijn die de canon zou ontmaskeren als een latere constructie. Twee handschriften kwamen daarvoor in aanmerking, en twee geleerden hebben die “andere Quran” er met kracht in willen lezen: Alphonse Mingana en Gerd-Rüdiger Puin.
Dit artikel gaat over de twee handschriften waarmee de orientalistiek in de twintigste eeuw haar sterkste kaart heeft proberen te spelen: het idee van de “andere Quran”. Het idee dat er, ergens onder een laag inkt of onder het houtwerk van een oude moskee, een Koran ligt te wachten die anders is dan de Koran die de moslim vandaag reciteert. Een Koran met verschoven verzen, met andere woorden, met een tekst die de canon zou ontmaskeren als een latere constructie.
Het zijn twee handschriften, en men moet ze goed uit elkaar houden, want de journalistiek en de polemiek hebben ze bij herhaling met elkaar verward. Het eerste is een palimpsest die Alphonse Mingana in 1914 in Cambridge uitgaf. Het tweede is de berg perkament die in 1972 tevoorschijn kwam boven de gebedshal van de Grote Moskee van Sana’a en die Gerd-Rüdiger Puin in de jaren negentig bestudeerde. Twee handschriften, twee geleerden, twee eeuwen van dateringsclaims. En, zoals wij zullen zien, twee keer dezelfde uitkomst: de “andere Quran” lost op zodra men nauwkeurig kijkt.
Het is de moeite waard om vooraf te zeggen wat dit artikel niet doet. Het beschuldigt geen enkele geleerde van kwaadwilligheid zonder bewijs, en het overdrijft de bewijskracht van geen enkel fragment. Het volgt eenvoudig de tekst. Waar Mingana een variant meent te lezen, leggen wij zijn lezing naast het handschrift dat hij zelf publiceerde. Waar Puin een concessie heeft gedaan in zijn eigen brief, citeren wij die brief. De feiten spreken luider dan de framing die eromheen is gebouwd.
De man wiens naam de collectie draagt
Alphonse Mingana was de Chaldeeuwse priester die tussen 1924 en 1929 met het geld van de chocoladefabrikant Edward Cadbury meer dan drieduizend handschriften naar Birmingham bracht, de collectie die later zijn naam zou dragen. Maar Mingana was niet slechts een verzamelaar. Hij was ook een polemist, en zijn opvattingen over de Koran waren scherp en publiek.
Reeds in 1917 had hij in het tijdschrift The Moslem World betoogd dat de Arabieren in de tijd van de Profeet ﷺ nauwelijks een eigen schrift bezaten dat geschikt was om de openbaring vast te leggen. Die stelling, dat een volk zonder rijp alfabet onmogelijk een tekst als de Koran had kunnen optekenen, was het fundament onder een hele reeks van zijn conclusies. Wij hebben in een eerder artikel gezien hoe dat fundament wegviel: gedateerde Arabische inscripties bij Zabad, bij Jabal Usays en bij Harran, ruim een eeuw vóór de geboorte van de Profeet ﷺ, tonen een rijp Arabisch schrift dat de paleografie van de eerste eeuw na de hijra dicht benadert. Mingana’s premisse was al weerlegd door stenen die eeuwen ouder waren dan zijn essay.
Maar Mingana zette nog een stap. Als de Koran wél was opgeschreven, dan moest die opgeschreven tekst, zo redeneerde hij, sporen dragen van een periode vóór de canonisatie onder 'Uthman ﵁. Een pre-Uthmaanse Koran, een tekst uit de fase toen er nog geen standaard was, zou de varianten moeten bevatten die de latere standaardisatie had gladgestreken. En Mingana meende die tekst te hebben gevonden.
Voordat wij zijn vondst bekijken, past een oordeel over de man dat niet uit vijandigheid voortkomt maar uit zijn eigen werk. Azami ﵀ merkt op dat Mingana, die door sommigen “een groot geleerde van het Arabisch” is genoemd, in werkelijkheid een wankele beheersing van het onderwerp had. Toen Mingana een handschrift van de overleveringen van al-Bukhari ﵀ uitgaf en daarbij slechts een handvol regels overschreef, maakte hij een reeks fouten die Azami niet anders kan classificeren dan als onbekwaamheid: hij transcribeerde woorden verkeerd, liet woorden weg die hij niet kon lezen, voegde er letters bij die er niet stonden, en vertaalde termen fout. Dit is geen kleinigheid. Het gaat om een geleerde die niet eens de heldere handschriften van een hadith-compilatie foutloos kon overschrijven, laat staan de veel moeilijker leesbare inkt van een palimpsest.
Houd dat oordeel vast. Het is de sleutel tot alles wat volgt.
Men zou kunnen tegenwerpen dat een fout in het overschrijven van een hadith-tekst nog niets zegt over iemands vermogen om een Koran-palimpsest te lezen. Maar het omgekeerde is waar, en juist daarom weegt het. De overleveringen van al-Bukhari ﵀ zijn overgeleverd in heldere, verzorgde handschriften, met punten en klinkertekens, uitgegeven en herdrukt tot in de kleinste details. Wie zelfs zo’n tekst niet foutloos kan overschrijven, mist niet een detail maar een grondslag. En als diezelfde lezer zich vervolgens waagt aan de allermoeilijkste categorie die de paleografie kent, een half uitgewiste onderlaag onder een tweede tekst, in een schrift zonder punten, dan moet men zijn lezingen met de grootst mogelijke argwaan tegemoet treden. De gemakkelijke tekst ontmaskerde de lezer; de moeilijke tekst gaf hem de ruimte om te zien wat hij wilde zien. Azami maakt van deze volgorde geen retorische truc maar een methodologisch punt: beoordeel de betrouwbaarheid van een lezer aan de heldere gevallen, voordat je hem vertrouwt op de duistere.
Wat een palimpsest is
Om Mingana’s vondst te begrijpen, moet men eerst begrijpen wat hij in handen had. Het woord palimpsest komt uit het Grieks en betekent letterlijk “opnieuw geschraapt”. In een tijd waarin perkament kostbaar was, gebeurde het regelmatig dat een oude tekst van een vel werd afgeschraapt of afgewassen om plaats te maken voor een nieuwe. De oude inkt verdween nooit helemaal; onder de nieuwe tekst bleef een spookbeeld van de oude achter, een flauwe schaduw die met het blote oog vaak onleesbaar was.
Het handschrift dat Mingana uitgaf, was zo’n palimpsest, geschreven op vellum. Oorspronkelijk bevatte het verzen van de Koran. Die Korantekst was later weggewassen, en er was overheen geschreven door een christelijke Arabier. En hier komt een cruciaal fysiek detail dat men niet uit het oog mag verliezen: de twee teksten, de weggewassen Koran eronder en de christelijke tekst erboven, staan haaks op elkaar. De nieuwe schrijver had het vel een kwartslag gedraaid voordat hij begon. Dat is precies wat een palimpsest is: twee lagen die elkaar kruisen, waarvan de onderste half is uitgewist.
Omdat de onderste laag zo zwak was, gebruikte Mingana infrarood licht om het contrast te vergroten. Hij fotografeerde drie bladen onder dat licht en probeerde de onderliggende Korantekst te reconstrueren. Het resultaat gaf hij in 1914 uit onder een titel die zijn hele agenda blootlegt: Leaves from Three Ancient Qurâns, Possibly Pre-'Othmânic, with a List of their Variants, uitgegeven te Cambridge, samen met Agnes Smith Lewis. “Mogelijk pre-Uthmaans”, “met een lijst van hun varianten”. De titel belooft precies wat de orientalistiek zocht: een Koran van vóór de standaard, met een lijst van afwijkingen.
Men moet zich de moeilijkheid van de taak realiseren. Een geoefend paleograaf die een heldere, ononderbroken tekst leest, kan zich al vergissen. Mingana las een half uitgewiste onderlaag, dwars doorkruist door een tweede tekst, in een schrift zonder diacritische punten en zonder klinkertekens. In dat naakte geraamte, de rasm, ligt elke letter open voor meerdere interpretaties. Een enkele boog kan een ب zijn, een ت, een ث, een ن of een ي, afhankelijk van punten die er niet staan. En het is precies in die openheid dat Mingana zijn “varianten” vond.
De vier varianten van Mingana
Azami analyseert vier van de varianten die Mingana in het handschrift meende te lezen, en toont bij elk van de vier hetzelfde patroon. Het is niet moeilijk, schrijft hij, om Mingana’s oneerlijkheid op dit punt te ontdekken, een oneerlijkheid die vooral is gericht op lezers met weinig kennis van het Arabisch. Laten wij de vier langslopen, want zij vormen samen het hart van dit artikel.
De eerste variant betreft een woord dat Mingana las als اللكم, dat hij vertaalde als “slag, vuist, boksen”. Het gaat om een passage die correspondeert met de gedrukte Koran in Soera Ghafir. Waar de tekst spreekt over degenen die de gelovige niets kunnen aandoen, construeerde Mingana een lezing waarin sprake is van een “slag” of een “stoot”. Azami merkt droog op dat het woord dat Mingana meende te zien, thuishoort in de boksarena, niet in de Koran. De slotwoorden van Mingana’s lezing maken in deze context geen enkele zin. De meest welwillende vertaling die men van zijn constructie kan geven, luidt zoiets als: “uit slechtheid zullen zij u niet beschermen tegen de stoot”, een zin die nergens op slaat. Dat de laatste woorden aan een schrijffout te wijten zijn, is overduidelijk. Maar Mingana weigert het op te geven; hij houdt vast aan de absurditeit alsof zij een ontdekking is.
De tweede variant komt uit Soera Al-Isra, het eerste vers. Hier legde Mingana zijn eigen lezing naast de gedrukte Koran. De in Medina gedrukte Koran heeft op deze plaats een bepaalde spelling van het woord “Wij hebben gezegend”. Mingana voerde in zijn handschrift een alif in die er niet hoefde te staan, en creëerde zo een “variant”. Sterker nog, het woord in kwestie kan zowel “zegenen” als “knielen” betekenen, en van die dubbelzinnigheid maakte Mingana gebruik: door zijn zelf toegevoegde alif vertaalde hij de ene regel als “gezegend” en de andere als “geknield”. De variant was niet in het handschrift aanwezig; zij was door Mingana in het handschrift gelégd, met een letter die van zijn eigen pen kwam.
De derde variant komt uit Soera At-Tawba, vers zevenendertig. Het is geen geheim, schrijft Azami, dat vroege schrijvers af en toe klinkerletters weglieten in hun kopieën, de alif, de waw en de ya. Op deze plaats had de schrijver de laatste klinker weggelaten in een woord, eenvoudig omdat die klinker stil was. Mingana maakte daarvan opnieuw misbruik. Hij maakte een alif los van het ene woord en plaatste hem achter een ontkenning, waardoor een geheel nieuwe, ongrammaticale zinsnede ontstond die van elke betekenis is ontdaan. Azami vergelijkt de truc met het nemen van de Engelse woorden “tigers hunting”, “tijgers jagend”, en die om te vormen tot “tiger shunting”. De letters zijn dezelfde; door ze anders te groeperen ontstaat een onzin die alleen de manipulator zelf heeft geschapen.
De vierde variant komt uit Soera Ghafir, vers vijfentachtig. Hier gaat Mingana met iets meer verfijning te werk, maar het procedé blijft hetzelfde. Hij verplaatst een ya van het ene woord naar het andere, en, en dit is de kern, hij voegt zijn eigen punten toe aan de puntloze tekst om er een nieuw woord van te maken. De onderliggende Koran was geschreven in de naakte rasm, zonder diacritische punten. Mingana zette de punten die hij nodig had om zijn variant te construeren.
Ziet men het patroon? Vier varianten, één methode. In elk geval bestaat de “variant” niet in het handschrift zelf. Zij ontstaat op het moment dat Mingana een alif invoegt die er niet was, of een letter verplaatst, of punten toevoegt aan een puntloos geraamte. De “andere Quran” van Mingana is geen andere Koran. Het is Mingana’s eigen herlezing van een uitgewist skelet, in een tekst die alle kanten op te lezen valt zodra men de punten weglaat en er vervolgens zelf naar believen weer bij zet.
Hier ligt het diepste punt van dit hele artikel, en het verdient rust om te bezinken. Een tekst zonder diacritische punten is niet dubbelzinnig voor wie hem reciteert, want de mondelinge overlevering houdt de uitspraak vast. Maar hij is oneindig plooibaar voor wie hem manipuleert. Wie punten mag toevoegen waar hij wil, kan van vrijwel elk geraamte vrijwel elk woord maken. En dat is precies wat Mingana deed. Zijn “varianten” bewijzen niets over de vroege Koran; zij bewijzen alleen dat een puntloze rasm zich laat martelen tot een bekentenis die de traditie nooit heeft afgelegd. De onbekwaamheid die Azami eerder bij de hadith-transcriptie vaststelde, keert hier terug als methode: dezelfde man die de heldere Bukhari niet foutloos kon overschrijven, presenteert zijn misleespogingen van een uitgewiste palimpsest als tekstkritische ontdekkingen.
Het is nuttig om te zien hoe gewoon de bouwstenen zijn waarmee Mingana zijn sensatie optrok. Dat vroege schrijvers de klinkerletters alif, waw en ya af en toe weglieten, is geen geheim en geen gebrek; het is de spaarzame aard van de vroege rasm, die de mondelinge uitspraak aan het geheugen overliet en op het perkament alleen het geraamte vastlegde. Precies die weggelaten letters vormden Mingana’s grondstof. Waar een schrijver een stille klinker had overgeslagen, plaatste Mingana zijn eigen alif terug op een andere plek, of hij verschoof er een, en hij noemde het resultaat een variant. Waar een geraamte puntloos openlag, koos hij de puntering die zijn lezing diende. Het gereedschap was in beide gevallen hetzelfde onschuldige verschijnsel dat elke vroege mushaf kenmerkt; alleen de hand die het bediende was oneerlijk. Men moet dit goed vasthouden, want exact dezelfde onschuldige verschijnselen, de weggelaten alif en de plaatsing van tekens, zullen straks terugkeren als Puins eerste twee “eigenaardigheden”. De grondstof van de sensatie is telkens gewoon; het is de framing die haar buitengewoon laat lijken.
De sprong naar Sana’a
Wij verlaten nu Mingana en zijn palimpsest uit 1914, en wij springen ruim een halve eeuw vooruit, naar een geheel ander handschrift. Het is van het grootste belang dit onderscheid scherp te houden, want de twee zijn in de populaire pers eindeloos door elkaar gehaald. Mingana’s palimpsest is niet de Sana’a-vondst. Het zijn twee verschillende manuscripten, gescheiden door meer dan vijftig jaar, door duizenden kilometers, en door twee volstrekt verschillende geleerden.
In 1972 werden bij restauratiewerkzaamheden aan de Grote Moskee van Sana’a, in de zolderruimte boven de gebedshal, enorme hoeveelheden oud perkament ontdekt. Het was een boekengraf, een verzamelplaats van versleten en beschadigde mushafs die de gemeenschap door de eeuwen niet had willen vernietigen maar eerbiedig had opgeborgen. Onder die fragmenten bevonden zich enkele van de oudste Koran-perkamenten die de wereld kent, waaronder een beroemd palimpsest met een onderlaag en een bovenlaag.
Een van de voornaamste figuren die bij de restauratie en bestudering van de Sana’a-mushafs betrokken raakte, was de Duitse arabist Gerd-Rüdiger Puin. Zijn werk werd in het brede publiek bekend door een artikel van de journalist Toby Lester in The Atlantic Monthly van januari 1999, getiteld “What is the Koran?”. Dat artikel steunde zwaar op Puins bevindingen, en het presenteerde de Sana’a-fragmenten aan een miljoenenpubliek als een mogelijke bom onder de gevestigde geschiedenis van de Koran. Puins woorden wekten, schrijft Azami, zowel sensationele vreugde als diepe woede, afhankelijk van de vraag of men met orientalisten dan wel met vrome moslims sprak.
Wat had Puin dan precies gezegd? Azami vat het samen in drie “eigenaardigheden” die Puin in de Jemenitische fragmenten meende te hebben aangetroffen.
De eerste eigenaardigheid was het defectieve schrijven van de alif. In de Sana’a-fragmenten werd de alif vaker weggelaten dan in andere handschriften. De tweede eigenaardigheid betrof variaties in de positie van de aya-scheiders binnen bepaalde verzen. En de derde, door Puin zijn “grootste vondst” genoemd, was een fragment waarin het einde van Soera zesentwintig werd gevolgd door Soera zevenendertig, in plaats van de gebruikelijke volgorde.
Op het eerste gezicht klinken deze drie punten als iets. Een Koran met andere spelling, met verschoven scheidingstekens, met een andere volgorde van de soera’s. Is dat niet precies de “andere Quran”? Laten wij de drie punten, net als bij Mingana, één voor één bekijken.
De drie eigenaardigheden ontrafeld
De eerste eigenaardigheid, het defectieve schrijven van de alif, is geen ontdekking maar een bekend verschijnsel dat de moslimwetenschap al veertien eeuwen kent. Azami merkt op dat het defectieve schrijven van de alif reeds uitvoerig is behandeld, en dat het niets nieuws is. Wij hebben het in eerdere artikelen al gezien: de vroege rasm was een zuinige spelling waarin bepaalde lange klinkers niet werden uitgeschreven, omdat de mondelinge overdracht de uitspraak vasthield en het schrift slechts de hoeksteen was. De Birmingham-folio’s tonen dezelfde zuinige spelling. Elk vroeg handschrift toont haar. Dat de Sana’a-fragmenten alifs weglaten, plaatst hen precies waar men hen verwacht: in de vroegste fase van de mushaf-traditie, geheel in overeenstemming met wat de overlevering altijd heeft beschreven.
De tweede eigenaardigheid, de positie van de aya-scheiders, is evenmin nieuw. Azami schrijft dat de onregelmatigheden in de plaatsing van sommige aya-scheiders reeds zijn opgemerkt en gecatalogiseerd door vroege moslimgeleerden. De vroege gemeenschap kende verschillende, alle geldige tellingen van de verzen: de Koefische telling, de Basrische, de Medinensische, de Mekkaanse. Deze verschillen betroffen de vraag wáár een vers eindigde, niet wát het vers was. Geen enkel woord van de openbaring stond of viel ermee. Dat een vroeg fragment zijn scheidingstekens op een iets andere plek zet, is een weerspiegeling van die aloude, gedocumenteerde telverschillen, geen ontdekking van een verborgen variant.
Dan de derde eigenaardigheid, Puins “grootste vondst”: een fragment waarin het einde van Soera zesentwintig wordt gevolgd door Soera zevenendertig. Dit is het punt waar de framing het hardst werkte in de pers, en het is ook het punt waar zij het snelst instort. Azami merkt op dat deze vondst niet in het minst uniek is, zoals hij heeft aangetoond aan de hand van andere deel-mushafs op de pagina’s drieënzeventig tot zesenzeventig van zijn boek.
Hier moeten wij de kern van de zaak begrijpen, want zij raakt aan een principe dat de hele Korangeschiedenis draagt. De moslimwetenschap heeft altijd onderscheid gemaakt tussen twee dingen: de tékst van de Koran, en de vólgorde waarin de soera’s in een mushaf worden geplaatst. De tekst ligt vast en is onaantastbaar. De volgorde van de soera’s, daarentegen, was voor wie een gedeeltelijke, persoonlijke mushaf wilde schrijven, geen bindende voorschrift. Wie de hele Koran overschreef, volgde de volgorde van 'Uthman ﵁. Maar wie voor eigen gebruik een handvol soera’s bijeenbracht, mocht ze rangschikken zoals hem het beste uitkwam.
Waarom kon die vrijheid bestaan zonder de tekst zelf in gevaar te brengen? Omdat de tekst niet op de rangschikking van het perkament rustte, maar op iets veel steviger. De gemeenschap groeide, van het begin af aan, aan met de gelederen van de huffaz, de mensen die de hele Koran uit het hoofd kenden. Het schrift was een hulp voor de memorisatie en een barrière tegen bedervende invloeden, geen vervanging van het geheugen. Wie voor zichzelf een handvol soera’s op perkament zette, veranderde niets aan de tekst die hij en zijn hele gemeenschap in het hart droegen; hij koos alleen de volgorde waarin die soera’s op zijn eigen bladen stonden, meestal beginnend bij de kortere soera’s die men het eerst had gememoriseerd. De volgorde op het blad was een kwestie van persoonlijk gemak; de tekst van elke soera was een kwestie van gedeelde, meervoudige overlevering. Daarom kon de rangschikking vrij zijn zonder dat de tekst ooit dreef.
Azami documenteert dit met een indrukwekkende tabel. Uit één enkele bibliotheek, het Salar Jung Museum in Hyderabad in India, somt hij tientallen gedeeltelijke mushafs op, met hun soera-volgorde en hun datering. De handschriften dragen de nummers tweehonderdvierenveertig tot driehonderdtien, ontleend aan de catalogus van Muhammad Ashraf. En de volgorden lopen wild uiteen. Het ene handschrift begint met Soera zesendertig, het andere met Soera zeventien, een derde met Soera één gevolgd door zesendertig en achtenveertig. Nauwelijks twee zijn volledig gelijk.
En, dit is het beslissende punt tegen elke sensatie: deze Salar Jung-handschriften zijn niet oud in de zin die Puin suggereerde. Zij dateren grotendeels uit de tiende tot veertiende eeuw na de hijra. Handschrift tweehonderdachtenveertig draagt het jaartal tienhonderdzesenzeventig na de hijra, dat is zestienhonderdzesenzestig van de gewone jaartelling. Handschrift tweehonderdvijfenzeventig draagt zeshonderdzesentwintig na de hijra, dat is twaalfhonderdachtentwintig van de gewone jaartelling. Dit zijn kopiisten die eeuwen na 'Uthman ﵁ leefden, in een tijd waarin de canonieke Koran allang overal ter wereld in dezelfde tekst en dezelfde volledige volgorde beschikbaar was. En tóch schikten zij, wanneer zij voor privégebruik een deel-mushaf samenstelden, de soera’s naar eigen inzicht.
Azami trekt de conclusie die zich onontkoombaar opdringt: wie een gedeeltelijke mushaf wilde overschrijven, voelde zich vrij om de soera’s in welke volgorde dan ook te plaatsen die hem goeddunkte. Puins “grootste vondst” is dus niets anders dan een gewoon deel-mushaf, waarin een kopiist de soera’s naar eigen keuze rangschikte, precies zoals een kopiist uit de zeventiende eeuw dat in Hyderabad deed. Het bewijst niet dat er ooit een andere Koran bestond met een andere soera-volgorde als canon. Het bewijst dat de tekst vast was en de rangschikking in privékopieën vrij, een onderscheid dat de traditie zelf altijd expliciet heeft gemaakt.
Zo verdwijnt de “grootste vondst” niet omdat men haar wegredeneert, maar omdat men haar in haar juiste context plaatst. Een verschijnsel dat de moslimwetenschap veertien eeuwen lang openlijk heeft beschreven, kan geen omverwerping van diezelfde wetenschap zijn.
De brief
En nu komen wij bij het meest opmerkelijke deel van het hele verhaal. Want Puin heeft, ondanks de vaagheid en de suggestie waarmee zijn bevindingen in de pers werden gepresenteerd, zelf een document nagelaten dat zijn eigen sensatie ontkracht en de positie van de traditie versterkt.
Toby Lesters artikel in The Atlantic Monthly had onder de moslims van de straat grote onrust en wantrouwen gezaaid. Om die woede te bezweren en dat wantrouwen weg te nemen, schreef Puin een lange brief in het Arabisch aan al-Qādī al-Akwaʿ van Jemen. Die brief verscheen vervolgens in de krant ad-Thawra van Sana’a, en Azami heeft hem elders in zijn boek gereproduceerd. In het prijzen van de Sana’a-mushafs en het versterken van de moslimpositie, schrijft Azami, schreef Puin niettemin met genoeg subtiliteit en vaagheid om een schaduw te werpen over de hele geschiedenis van de Koran. Maar de kern van de brief, wanneer men de subtiliteit wegneemt en de woorden zelf leest, is een concessie van het hoogste gewicht. Azami vertaalt het beslissende gedeelte:
“De overblijfselen [van deze oude mushafs] gaan, wetenschappelijk verzekerd, terug tot de eerste eeuw na de Hijra! Vanwege het bestaan van deze handschriften in Sana’a … [beschikken wij over] het enige monumentale bewijs van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw van de Hijra! Natuurlijk mogen moslims zich afvragen wat het nut is van zulke informatie van een niet-moslimgeleerde, wanneer moslims er zeker van zijn dat de volledige mushaf heeft bestaan sinds de derde kalief, 'Uthman bin 'Affan ﵁. Voor hen is het eenvoudig een geloof dat te goeder trouw wordt gekoesterd.”
Uit Puins brief aan al-Qādī al-Akwaʿ, gepubliceerd in ad-Thawra, Sana’a
Men leze dit langzaam, want het is de spil waar dit hele artikel om draait. De man die door de wereldpers werd opgevoerd als degene die de Koran zou ontmaskeren, schrijft met zijn eigen hand dat de Sana’a-overblijfselen, wetenschappelijk verzekerd, teruggaan tot de eerste eeuw na de hijra. Hij noemt ze het énige monumentale bewijs van de voltooiing van de Koran in die eerste eeuw. Niet “mogelijk”. Niet “wellicht”. Wetenschappelijk verzekerd, monumentaal bewijs, van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw van de Hijra.
Azami vat Puins eigen hoofdpunten samen. Ten eerste: de Sana’a-handschriften zijn het enige monumentale bewijs van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw van de hijra, een gedegen weerlegging van de vele niet-moslimgeleerden die beweren dat de Koran pas in de vroege derde eeuw was voltooid. Ten tweede: moslims bezitten geen bewijs dat de volledige mushaf sinds 'Uthman ﵁ heeft bestaan; goede trouw is hun enige steun.
Het eerste punt is een geschenk aan de traditie. Het tweede punt is de subtiliteit waarmee Puin toch een schaduw probeert te werpen, en juist dat tweede punt is het punt waarop Azami hem corrigeert.
Precisie is het criterium
Puin doet, zo laat Azami zien, twee met elkaar verweven beweringen. Enerzijds trekt hij de dateringsclaim voor de voltooiing van de Koran van de derde eeuw terug naar de eerste eeuw, een enorme concessie ten gunste van de moslimpositie. Anderzijds, door zich te onthouden van elke nadere precisering dan “eerste eeuw”, opent hij subtiel een breed tijdvenster waarbinnen hij kan werken. “Eerste eeuw” is een periode van honderd jaar. Door niet nauwkeuriger te worden, laat Puin de deur openstaan voor het toewijzen van welke datum dan ook binnen die eeuw, en dus voor de suggestie dat de Koran misschien pas laat in die eeuw haar definitieve vorm kreeg.
Hier is Azami onverbiddelijk, en terecht. Precisie, schrijft hij, is een kernelement van serieuze wetenschap, en daaraan moeten wij ons houden. Vaagheid is geen deugd wanneer de feiten scherp zijn. En de feiten zijn scherp. Met het heengaan van de Profeet ﷺ in het begin van het jaar elf na de hijra kwam de openbaring tot haar natuurlijke einde. De verzen werden vervolgens tot hun uiterlijke vorm samengebracht tijdens het bewind van Abu Bakr ﵁, die heenging in het jaar dertien na de hijra. En de spelling werd gestandaardiseerd en de kopieën werden verzonden onder 'Uthman ﵁, tussen het jaar vijfentwintig en dertig na de hijra. Dat is de moslimvisie, en zij is niet vaag; zij is gedateerd tot op het decennium.
Puin, schrijft Azami, heeft nooit beweerd dat de volledige Koran niet vóór 'Uthman ﵁ tot stand kwam, en als hij dat wél beweert, dan spreekt hij zeker niet namens enige moslimtong. De canonisatie onder 'Uthman ﵁ tussen vijfentwintig en dertig na de hijra betrof niet het scheppen van de tekst, maar het standaardiseren van de spelling en het vervangen van uiteenlopende privékopieën door één gestandaardiseerde rasm. De tekst zelf was voltooid met het heengaan van de Profeet ﷺ. Wie “eerste eeuw” vaag laat om ruimte te scheppen voor twijfel, negeert de nauwkeurige, gedocumenteerde chronologie die de traditie altijd heeft overgeleverd, en die de materiële getuigen van Sana’a en Birmingham nu bevestigen tot binnen enkele decennia.
Waarom de “andere Quran” telkens oplost
Wij hebben nu twee handschriften bekeken, van twee geleerden, gescheiden door meer dan een halve eeuw, en wij hebben in beide gevallen dezelfde uitkomst gezien. Het is de moeite waard om te benoemen waaróm de “andere Quran” telkens oplost, want het patroon is geen toeval.
Bij Mingana ontstond de “andere Quran” uit een puntloos, half uitgewist geraamte waaraan hij zelf de punten en de alifs toevoegde die hij nodig had. Zijn varianten waren geen lezingen van het handschrift; het waren invoegingen ván Mingana ín het handschrift. Neem de zelf toegevoegde punten weg, en de variant verdwijnt. Er blijft de gewone Koran over.
Bij Puin ontstond de “andere Quran” uit drie verschijnselen die de moslimwetenschap alle drie al veertien eeuwen kende en had gedocumenteerd: de zuinige spelling van de alif, de gedocumenteerde verschillen in de verstelling, en de vrijheid van de soera-volgorde in gedeeltelijke privékopieën. Plaats deze drie in hun juiste context, en de sensatie verdampt. Er blijft de gewone Koran over, met precies de kenmerken die de overlevering ervan altijd had beschreven.
In beide gevallen berustte de “andere Quran” op een lezer die een verschijnsel uit zijn context tilde en het als een ontdekking presenteerde aan een publiek dat de context niet kende. En in beide gevallen leverde de geleerde in kwestie, wanneer men zijn eigen woorden en zijn eigen materiaal nauwkeurig las, het bewijs voor het tegendeel. Mingana verzamelde de collectie die in 2015 een Hijazi-mushaf uit de zevende eeuw zou blijken te bevatten, in tekstuele overeenstemming met de canon. Puin schreef met eigen hand dat de Sana’a-remnanten het enige monumentale bewijs zijn van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw.
Er is een oud principe in de rechtsleer dat hier van toepassing is: de sterkste getuige tegen een bewering is soms de getuige die haar naar voren bracht. Mingana’s collectie getuigt tegen Mingana. Puins brief getuigt tegen de framing van Puin. De “andere Quran” heeft geen ander bestaan dan in de framing zelf; zodra men het materiaal in handen neemt, lost zij op tussen de vingers.
Het monumentale bewijs
Men lette op het woord dat Puin koos. Hij noemde de Sana’a-fragmenten het enige monumentale bewijs van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw. Het woord “monumentaal” is geen kleine keuze. Een monument is iets wat blijft staan, iets wat getuigt over de tijd heen, iets wat men niet kan wegredeneren omdat het er fysiek ligt.
En dat is precies de kracht van de materiële getuigen die wij in dit en het voorgaande artikel hebben ontmoet. De hadith-overlevering en de geschiedwerken over de compilatie onder Abu Bakr ﵁ en de canonisatie onder 'Uthman ﵁ waren altijd al gedetailleerd. Maar de orientalistiek had daar tegenover gesteld dat de tekstuele overlevering geen materiële steun had, dat het zwijgen van de archeologie een argument was voor een latere herkomst. Sana’a en Birmingham vulden dat vermeende zwijgen op met perkament dat men kan dateren, kan fotograferen, kan aanraken. En het perkament zei niet wat de revisionisten hadden gehoopt. Het zei wat de traditie altijd had gezegd.
Het is een zeldzame situatie in de wetenschapsgeschiedenis dat de twee handschriften die als het zwaarste geschut tegen de canon werden ingezet, bij nadere beschouwing tot de sterkste getuigen ervóór blijken te behoren. De palimpsest die Mingana uitgaf om varianten te tonen, toont bij eerlijke lezing dat de varianten zijn eigen invoegingen waren. De Sana’a-fragmenten die Puin beroemd maakte, dragen zijn eigen schriftelijke verklaring dat zij het monumentale bewijs zijn van de voltooiing van de Koran in de eerste eeuw. Twee keer werd het zwaard omgesmeed tot een schild.
Men moet daarbij eerlijk blijven over wat Puins concessie precies inhoudt en wat niet. Zij maakt van Puin geen moslim en geen pleitbezorger van de traditie; hij bleef, ook in diezelfde brief, met genoeg vaagheid schrijven om een schaduw over het geheel te laten hangen. Maar juist daarom weegt zijn kernuitspraak zo zwaar. Het is geen getuigenis van een geloofsgenoot die zijn eigen overtuiging bevestigt; het is een verklaring van een buitenstaander, een niet-moslimgeleerde die het Jemenitische materiaal met eigen ogen heeft bestudeerd, en die tot de slotsom komt dat het teruggaat tot de eerste eeuw na de hijra. Een concessie tegen het eigen belang draagt in elke rechtszaal het grootste gewicht, en dat geldt ook hier. Toen de druk van de moslimstraat hem dwong helder te zijn, koos Puin niet de taal van de sensatie maar de taal van het monumentale bewijs. De vaagheid was voor de wereldpers; de precisie was voor de qadi die hem om rekenschap vroeg.
En zelfs waar Puin vaag bleef, laat Azami de vaagheid niet staan, want de traditie hoeft zich niet met een eeuw tevreden te stellen wanneer zij de decennia kent. De openbaring eindigde met het heengaan van de Profeet ﷺ in het begin van het jaar elf; de compilatie voltrok zich onder Abu Bakr ﵁, die in het jaar dertien heenging; de standaardisatie en verzending vonden plaats onder 'Uthman ﵁ tussen vijfentwintig en dertig na de hijra. Waar Puin een venster van honderd jaar openliet, wijst de traditie op een venster van hooguit twee decennia, en de materiële getuigen van Sana’a en Birmingham dringen dat venster van hun kant even scherp samen. De concessie van de criticus en de precisie van de traditie wijzen dezelfde richting uit; alleen is de traditie nauwkeuriger dan haar tegenstander durfde te zijn.
إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ
"Voorwaar, Wij hebben de Vermaning neergezonden, en Wij zijn er waarlijk de Bewakers van."
Soera Al-Hijr 15:9
Die belofte is in dit verhaal op een merkwaardige manier waar gemaakt. Zij werd niet alleen waar gemaakt door de zorgvuldigheid van de gelovigen die de tekst overleverden, maar zelfs door de pogingen van hen die haar wilden ondergraven. Wie de palimpsest uitgaf om de canon te verzwakken, verzamelde het handschrift dat de canon zou bevestigen. Wie de Sana’a-vondst gebruikte om twijfel te zaaien, schreef de zin die de twijfel zou wegnemen. De Bewaker van de Vermaning heeft Zijn belofte, zo blijkt, ook langs de weg van Zijn tegenstanders vervuld.
Van de weerlegde variant naar de vrije volgorde
Wij hebben de twee grote pogingen weerlegd om de oudste handschriften tot getuigen tegen de canon te maken. Wij hebben gezien dat de veronderstelde varianten van Mingana zijn eigen invoegingen waren, en dat de drie “eigenaardigheden” van Puin verschijnselen bleken die de moslimwetenschap al veertien eeuwen kende en had gedocumenteerd. In beide gevallen loste de “andere Quran” op zodra men het materiaal nauwkeurig las, en bleef de gewone Koran over.
Eén van die drie eigenaardigheden verdient nog een eigen behandeling, want zij raakt aan een principe dat de hele Korangeschiedenis draagt. Puins “grootste vondst” was een deel-mushaf waarin de soera’s in een afwijkende volgorde stonden, en wij hebben terloops al gezien hoe Azami die vondst ontwapende met een tabel uit het Salar Jung Museum in Hyderabad. Maar die tabel verdient meer dan een terloopse verwijzing, want zij toont met een kracht die geen redenering evenaart wat het onderscheid tussen de vaste tekst en de vrije volgorde in de praktijk betekent. Wie een deel-mushaf overschreef, mocht de soera’s rangschikken zoals het hem uitkwam, en toch bleef de tekst van elke soera onaantastbaar, eeuw na eeuw, kopiist na kopiist.
Want zo werkt deze geschiedenis. Een uitgewiste palimpsest in Cambridge, een boekengraf in Sana’a, een brief in een Jemenitische krant, en straks een stoffige boekenkast in Hyderabad. Geen enkele plaats bewaarde het volledig, geen enkele geleerde kon het ondergraven, geen enkele herlezing kon de tekst veranderen die veertien eeuwen lang in de harten van de gelovigen bewaard bleef. De Koran droeg zichzelf door de eeuwen, en zelfs wie hem uitwiste of betwistte, leverde onbedoeld het bewijs van zijn behoud. In het volgende artikel gaan wij daarom naar de deel-mushafs van Salar Jung, waar de vrije volgorde en de vaste tekst zwart op wit naast elkaar staan.