Arabië voordat de eerste letter neerdaalde
Voordat er in deze geschiedenis een enkel woord van de Quran werd neergeschreven, bestond de pen al. Voordat er een Boodschapper ﷺ was om te dicteren, en voordat er een schrijver was om te noteren, bestond het gereedschap waarmee genoteerd zou worden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het is het uitgangspunt van een strijd die anderhalve eeuw zou woeden in de studeerkamers van Europa, en het is de reden dat deze hele tijdlijn niet begint bij een grot in het jaar 610, maar op een rots in het jaar 512.
Het is een verleidelijke gedachte, en zij is eeuwenlang gekoesterd, dat het Arabië van vóór de Islam een land was zonder letters. Een woestijn van klank en geheugen, waar de dichter reciteerde en de karavaan onthield, maar waar niemand schreef. In dat beeld waren de Arabieren een volk van oren en tongen, niet van ogen en handen. Zij bewaarden hun geschiedenis in verzen die van mond tot mond gingen, hun genealogieën in de hoofden van de oude mannen, hun eer in de scherpte van een spotgedicht. Papier en perkament, zo werd verondersteld, waren de instrumenten van de beschaafde buurvolken: de Byzantijnen met hun Grieks, de kerken van Syrië met hun Aramees, de rabbijnen met hun Hebreeuws. De Arabier zelf zou pas een schrift hebben verworven toen hij het nodig had, en dat moment zou samenvallen, of bijna samenvallen, met de komst van de openbaring.
Als dat waar was, zou het gevolgen hebben die veel verder reiken dan een voetnoot over paleografie. Want als de Arabieren in het begin van de zevende eeuw amper konden schrijven, dan kon de Quran onmogelijk zijn opgetekend zoals de overlevering beweert: onmiddellijk, zorgvuldig, door tientallen geschoolde schrijvers, op perkament en leer en schouderbladen. Dan zou de geschreven Quran een latere constructie moeten zijn, opgetrokken in een tijd waarin het schrift wél volwassen was, generaties na de Profeet ﷺ. Zo werd, van het ontbreken van een alfabet, een argument gesmeed tegen de betrouwbaarheid van het hele Boek.
Dit artikel opent de tijdlijn van de compilatie van de Quran, en het opent haar met opzet niet bij de eerste openbaring maar ervóór. Om te begrijpen hoe de Quran werd opgeschreven, moet men eerst weten dat het schrift waarin hij werd opgeschreven, al bestond. Niet als een ruwe, pas geboren tekentaal, maar als een volwassen, gedateerd, herkenbaar Arabisch schrift, dat een eeuw en meer vóór de Profeet ﷺ op steen werd gehouwen en dat zo dicht bij het schrift van de eerste generatie moslims staat dat het geoefende oog er nauwelijks een grens tussen kan trekken. De Quran werd niet geschreven in een schrift dat voor hem werd uitgevonden. Hij werd geschreven in een schrift dat hij erfde.
Er zit iets bijna omgekeerds in deze volgorde. Wij zijn gewend om de geschiedenis van de Islam te laten beginnen met de openbaring, en terecht, want daar begint de boodschap. Maar de vraag naar het schrift is een vraag die vóór de boodschap ligt, zoals de vraag naar het perkament vóór de vraag naar de inkt ligt. Een boodschap kan pas worden opgeschreven wanneer er een schrift is om haar in op te schrijven, en een schrift wordt niet in één nacht geboren. Het rijpt over eeuwen, van hand tot hand, van steen tot steen, van generatie tot generatie. Wie wil weten of de Quran zoals de overlevering het beschrijft kón worden vastgelegd, moet daarom eerst kijken naar de eeuwen die aan de openbaring voorafgingen, en naar wat de handen van de voorouders daar al hadden achtergelaten.
Dat is het onderwerp van dit eerste deel. Wij dalen af in de zesde eeuw, in de tijd vóór de geboorte van de Profeet ﷺ, en wij kijken naar drie stenen. Het zijn geen spectaculaire stenen. Er staat geen goud op, geen naam van een koning die de geschiedenis heeft onthouden, geen slag die de wereld veranderde. Er staan alleen letters op, Arabische letters, met een datum erbij. Maar juist die nuchtere, gedateerde letters dragen een gewicht dat weinig gouden monumenten kunnen evenaren. Zij bewijzen dat het schrift bestond voordat de openbaring kwam, en daarmee halen zij het eerste blok weg uit een muur die anderhalve eeuw lang tegen de betrouwbaarheid van de Quran is opgetrokken.
De aanklacht van Mingana
Elke weerlegging heeft een aanklacht nodig, en de aanklacht heeft in dit geval een naam. Alphonse Mingana, de Chaldeeuwse priester wiens manuscriptenverzameling later in Birmingham zou belanden en wiens folio’s, ironisch genoeg, ooit een van de oudste materiële Korans ter wereld zouden blijken te bewaren, formuleerde in het begin van de twintigste eeuw een stelling die de toon zou zetten voor een hele school van kritisch Koranonderzoek. Zijn premisse was scherp en eenvoudig: de vroege Arabieren beschikten niet over een eigen, ontwikkeld alfabet dat in staat was een tekst als de Quran vast te leggen. Wat zij aan schrift bezaten, was in zijn ogen een geleend en gebrekkig instrument, ontleend aan het Syrische estrangelo of zelfs aan het Hebreeuws, en te onvolgroeid om te dragen wat de overlevering het liet dragen.
Het was geen terloopse opmerking. Het was een fundament. Wie aanneemt dat er geen volwassen Arabisch alfabet bestond in de tijd van de Profeet ﷺ, heeft de deur opengezet voor de conclusie dat de geschreven Quran een product van later moet zijn. De aanname over het schrift werd zo de eerste steen van een gebouw dat, verdieping na verdieping, de betrouwbaarheid van de Korantekst zou aanvechten. Latere geleerden zouden daarop voortbouwen met theorieën over een Koran die pas in de tweede of derde eeuw na de hijra zou zijn samengesteld, maar zij bouwden allemaal op dezelfde begane grond: het Arabië van de Profeet ﷺ zou een land zonder rijp schrift zijn geweest.
Men moet begrijpen waarom dit type argument zo aantrekkelijk was voor wie de traditionele geschiedenis wilde omverwerpen. De overlevering van de moslims is rijk, gedetailleerd en intern samenhangend; zij noemt namen van schrijvers, materialen waarop werd geschreven, gelegenheden waarbij werd gedicteerd. Om die overlevering aan te vechten met tegenoverleveringen is moeilijk, want de bronnen staan aan de kant van de traditie. Maar wie de premisse over het schrift aanvalt, hoeft de overlevering niet stuk voor stuk te weerleggen; hij hoeft alleen te beweren dat zij onmogelijk is. Als er geen alfabet was, dan kunnen alle verhalen over schrijvers en dictaten niet waar zijn, hoe gedetailleerd zij ook zijn. Het is een aanval niet op de takken maar op de wortel. Eén premisse, indien waar, zou een heel bos aan overleveringen in één keer laten omvallen.
Precies daarom is de weerlegging ervan zo beslissend. Een aanval op de wortel wordt gekeerd bij de wortel. Wanneer men aantoont dat het volwassen Arabische alfabet wél bestond, en ruimschoots vóór de Profeet ﷺ, dan valt niet één overlevering maar valt de hele aanval, en de overleveringen die zij wilde omverwerpen, blijven staan waar zij stonden. De stenen van dit artikel zijn daarom niet zomaar een aardig paleografisch weetje. Zij zijn de verdediging van de wortel van de hele geschreven Korantraditie.
Tegen die premisse richt Mohammad Mustafa Azami ﵀ een hoofdstuk van zijn standaardwerk over de geschiedenis van de Korantekst. Zijn aanpak is niet retorisch maar materieel. Hij voert geen argument aan waarvan de tegenstander kan zeggen dat het een vroom geloof is; hij voert stenen aan. Gedateerde stenen, met Arabische letters erop, uit een tijd die de aanklacht onmogelijk maakt. Azami stelt het voornemen expliciet: hij zal een aantal gedateerde en hoog ontwikkelde inscripties presenteren die duidelijk het tegendeel aantonen, inscripties uit de zesde eeuw na Christus die zeer dicht de Arabische paleografie benaderen die in de eerste eeuw na de hijra, de zevende eeuw na Christus, werd gebruikt. De formulering is precies, en de precisie doet ertoe: hij zegt niet dat de zesde-eeuwse inscripties gelijk zijn aan het latere schrift, maar dat zij het benaderen. Dat onderscheid zullen wij vasthouden, want de kracht van het argument ligt juist in zijn matiging.
Een oude taal met een oud alfabet
Om te begrijpen waarom Azami zo zeker is, moet men een stap terugzetten in de geschiedenis van het Arabische schrift zelf. Het schrift dat de moslims in de zevende eeuw gebruikten, kwam niet uit het niets. Het had voorouders, en die voorouders lopen terug tot een volk dat de meeste mensen niet met het Arabisch verbinden: de Nabateeërs.
De Nabateeërs waren de bouwers van Petra, de karavaanhandelaren van het noorden van het Arabische schiereiland, wier koninkrijk zich uitstrekte van vóór onze jaartelling tot het jaar 105 na Christus, toen Rome het inlijfde. Lang werd aangenomen dat hun taal en hun schrift Aramees waren. Azami betoogt, in navolging van historici die de kwestie opnieuw hebben bekeken, dat dit een misverstand is dat berust op een verkeerde benaming. De Nabateeërs spraken Arabisch, en hun schrift was een vroege vorm van het Arabische schrift. Dat men het “Nabatees” noemde, zegt Azami, is niet anders dan wanneer men van “Egyptisch Arabisch” of “Amerikaans Engels” spreekt: een regionale naam voor iets wat in wezen Arabisch is. De Arabische taal en het Arabische schrift, in hun vroege vormen, gaven het aanzien aan het Nabatese, en gingen in hun oorsprong waarschijnlijk vooraf aan het Syrisch.
Dat is een omkering van het beeld dat Mingana veronderstelde. Waar de aanklacht het Arabisch afschilderde als een late lener van het Syrische schrift, plaatst Azami het Arabisch juist vóór het Syrisch in de ontwikkeling. De letters die de moslims in Medina zouden gebruiken, hadden een stamboom die eeuwen terugreikte, dwars door het Nabatese heen, tot in een tijd waarin het Arabisch al een geschreven taal was.
Azami versterkt dit met een argument dat hij ontleent aan een tegenstander. Gruendler, die het Arabische schrift bestudeerde, merkte op dat bepaalde klanken van het Arabisch niet vertegenwoordigd zijn in het Aramees, en concludeerde dat de schrijvers van de Nabatese teksten Arabisch spraken, omdat zij anders die ongewone klanken niet in hun spelling hadden kunnen weergeven. Anders gezegd: de Nabatese taal en het Nabatese schrift waren in feite een vorm van Arabisch. Het is een concessie uit onverdachte hoek, en Azami weet haar te waarderen. Want als zelfs de geleerde die het Arabische schrift als een laat en afgeleid verschijnsel behandelde, moet toegeven dat de Nabateeërs Arabisch spraken en dat hun schrift die Arabische klanken droeg, dan is de gedachte dat het Arabisch pas rond de tijd van de Profeet ﷺ een schrift zou hebben verworven, van binnenuit al onhoudbaar.
Er loopt een nog oudere lijn door deze geschiedenis, die Azami eveneens aanstipt en die de wortels van het Arabische schrift verankert in de aartsvaders. Ismail ﵇, de oudste zoon van Ibrahim ﵇, groeide op te Mekka onder de stam der Jurhum en huwde binnen die stam. De Jurhum spraken Arabisch, en dus, zo redeneert Azami, sprak ook Ismail ﵇ het. Zijn nakomelingen, die uiteindelijk het Nabatese koninkrijk zouden stichten, namen de Arabische taal en het Arabische alfabet met zich mee toen zij naar het noorden trokken. Op deze wijze wordt de stamboom van het schrift teruggevoerd, niet tot een late ontlening aan de buren, maar tot een erfenis die met de nakomelingen van Ibrahim ﵇ en Ismail ﵇ meereisde. Het Arabische schrift is in deze visie geen geleend gewaad maar een familiebezit, doorgegeven van geslacht op geslacht, lang voordat het zijn hoogste opdracht zou ontvangen.
En er is een oudere getuige nog. De inscriptie van Imru’ al-Kais bij Namarah, ongeveer honderd kilometer ten zuidwesten van Bosra, wordt gedateerd op ongeveer 328 na Christus. Er is geleerd over gestreden of zij Nabatees dan wel Arabisch genoemd moet worden, waarbij een geleerde als Gruendler haar als Nabatees beschouwt en anderen, onder wie Cantineau en Abbott, haar als Arabisch behandelen. Maar Azami wijst op iets wat boven die ruzie uitstijgt: de scheidslijn tussen wat men Arabisch en wat men Nabatees noemt, is buitengewoon dun, en de Namarah-inscriptie geldt inmiddels als de oudste bekende gedateerde Arabische inscriptie. Meer dan tweehonderd jaar vóór de Profeet ﷺ stond er dus al een gedateerde Arabische tekst in steen gehouwen. De vraag is niet langer óf de Arabieren voor de Islam konden schrijven, maar hoe volwassen dat schrift al was tegen de tijd dat de openbaring kwam.
Op die vraag geeft Azami een antwoord in drie stenen. Zij vormen het hart van dit artikel, en zij vormen samen de weerlegging.
Zabad, ongeveer 512 na Christus
De eerste steen ligt in het noorden van Syrië, op een plaats die Zabad heet. Het is een pre-islamitische inscriptie, en zij is niet in één taal gesteld maar in drie: Arabisch, Grieks en Syrisch, naast elkaar op hetzelfde oppervlak. Azami dateert haar op ongeveer 512 na Christus, en hij ontleent haar aan het werk van de paleograaf al-Munajjid.
Laat het beeld even bezinken. Ongeveer een eeuw voordat de eerste openbaring neerdaalde, hakte iemand in het noorden van Syrië een tekst in steen waarin het Arabische schrift schouder aan schouder stond met het Grieks van de Byzantijnen en het Syrisch van de kerken. Het Arabisch was daar geen tweederangs gast, geen krabbel in de marge van rijkere talen. Het stond als gelijke tussen de twee schriftculturen die de omgeving beheersten. Een schrift dat men naast het Grieks en het Syrisch durft te plaatsen op één gedenksteen, is geen schrift dat men zich schaamt te tonen. Het is een schrift dat men vertrouwt.
De datering van ongeveer 512 is hier geen sierlijk detail maar de kern van het argument. Zij ligt bijna een volle eeuw vóór het jaar 610, waarin de Profeet ﷺ in de grot van Hira zijn eerste woorden ontving. Wie beweert dat de Arabieren in 610 nog geen behoorlijk alfabet bezaten, moet verklaren hoe er in 512 al een drietalige inscriptie kon staan waarin dat alfabet met vaste hand naast het Grieks en het Syrisch werd gehouwen. De steen van Zabad is ouder dan de aanklacht die hem probeert te ontkennen.
Het woord “ongeveer” verdient hier zijn plaats. Azami schrijft niet dat de inscriptie exact in 512 is vervaardigd, maar dat zij op ongeveer dat jaar wordt gedateerd. Zulke dateringen van vroege inscripties dragen altijd een marge; een tempelkalender, een regeringsjaar, een indictie, alles moet worden omgerekend en gewogen. Maar zelfs met een royale marge blijft de steen van Zabad staan waar hij staat: in de zesde eeuw, ruim vóór de Islam, met een volgroeid Arabisch schrift op zijn oppervlak.
Jabal Usays, ongeveer 528 na Christus
De tweede steen ligt honderdvijf kilometer ten zuidoosten van Damascus, op een plaats die in de bronnen onder meer dan één naam voorkomt. Azami spelt haar als Jabal Asis. In andere werken vindt men haar terug als Jabal Usays of als Jabal Says. Het is belangrijk om dit meteen recht te zetten, want de verschillende spellingen kunnen de indruk wekken dat het om verschillende vindplaatsen gaat, terwijl het één en dezelfde plek betreft. Jabal Usays, Jabal Asis en Jabal Says zijn drie schrijfwijzen van dezelfde naam, van dezelfde berg, van dezelfde inscriptie. Waar dit artikel de site aanhaalt onder de naam Jabal Usays, en waar het Azami’s eigen spelling Jabal Asis aanhoudt in de directe verwijzing, gaat het steeds over hetzelfde punt op de kaart.
De inscriptie is opnieuw pre-islamitisch en opnieuw Arabisch, en zij wordt gedateerd op ongeveer 528 na Christus. Azami ontleent de datering aan Hamidullah, in diens verzameling van de vroegste diplomatieke documenten. Wij zijn nu zestien jaar verder dan Zabad, en nog altijd meer dan tachtig jaar vóór de eerste openbaring. De steen ligt niet ver van Damascus, in de Syrische woestijn die de Arabische stammen doorkruisten op hun handelsroutes tussen het schiereiland en het noorden. Dit is geen schrift dat zich verstopt in een uithoek; het is een schrift dat langs de wegen van de handel wordt gebruikt, in het gebied waar Arabieren, Byzantijnen en Syrische christenen elkaar dagelijks tegenkwamen.
Twee stenen, twee dateringen, twee vindplaatsen, en telkens hetzelfde Arabische schrift, telkens ruim vóór de Profeet ﷺ. Het patroon begint zich af te tekenen. De bewering dat de Arabieren geen volwassen alfabet bezaten, wordt niet weerlegd met één toevallige vondst, maar met een reeks. En de reeks is nog niet af.
Harran, ongeveer 568 na Christus
De derde steen draagt de naam Harran, een plaats die de lezer van de oudere geschiedenis kent als een aloud centrum in het noorden van Mesopotamië en Syrië. Ook hier gaat het om een pre-islamitische Arabische inscriptie, en Azami dateert haar op ongeveer 568 na Christus, opnieuw op gezag van al-Munajjid.
Het jaar 568 ligt slechts een paar jaar verwijderd van de geboorte van de Profeet ﷺ, die de traditie in de buurt van het jaar 570 plaatst, in het Jaar van de Olifant. Dat is een treffende samenloop. In het decennium waarin de man geboren zou worden aan wie de Quran zou worden geopenbaard, stond het Arabische schrift al zo stevig dat men er gedateerde monumenten mee oprichtte. Toen de Profeet ﷺ als kind door de straten van Mekka liep, was het schrift waarin zijn openbaring ooit zou worden vastgelegd, al een generatie oud in steen.
Met deze derde inscriptie sluit de reeks die Azami opbouwt van de zesde eeuw naar de islamitische periode toe. Zabad rond 512, Jabal Usays rond 528, Harran rond 568: drie gedateerde punten, verspreid over meer dan een halve eeuw, alle drie in het noorden van de Arabische wereld, alle drie in een Arabisch schrift dat niet ruw of aarzelend is maar ontwikkeld. Het zijn geen krassen van iemand die net leert schrijven. Het zijn inscripties van een schriftcultuur die haar gereedschap beheerst.
Zeer nabij, niet identiek
Hier moet de zorgvuldige lezer op zijn hoede zijn, want juist op dit punt is het gemakkelijk om te overdrijven, en de overdrijving zou het argument verzwakken in plaats van versterken. Azami beweert niet dat het schrift van Zabad, Jabal Usays en Harran identiek is aan het schrift van de eerste generatie moslims. Hij beweert dat het dat schrift zéér dicht benadert.
Het onderscheid is fijn maar wezenlijk. Een schrift ontwikkelt zich, altijd en overal. De letters veranderen van vorm, de verbindingen worden vloeiender, de hand wint aan gemak. Tussen de zesde-eeuwse inscripties en de mushafs van de eerste eeuw na de hijra ligt een stuk van die ontwikkeling. Wie zou beweren dat de steen van Zabad er precies zo uitziet als een blad uit een vroege Koran, zou de historische werkelijkheid geweld aandoen en zou zichzelf blootstellen aan de terechte kritiek van elke paleograaf. Azami doet dat niet. Zijn claim is bescheidener en daardoor sterker: de zesde-eeuwse Arabische paleografie bevindt zich al zó dicht bij die van de eerste eeuw na de hijra, dat er geen ruimte overblijft voor de gedachte dat het volwassen Arabische alfabet pas ná de Profeet ﷺ zou zijn ontstaan.
Dat is precies wat de aanklacht nodig had om overeind te blijven, en dat is precies wat de stenen ontkennen. Mingana had een sprong nodig: een Arabië zonder rijp schrift in de zevende eeuw, waarin de geschreven Quran onmogelijk was en dus later moest zijn geconstrueerd. De inscripties nemen die sprong weg. Het schrift dat de eerste eeuw na de hijra kenmerkt, ligt in het verlengde van wat in de zesde eeuw al op steen stond; het is dezelfde traditie, een klein stuk verder in haar groei. Er is geen kloof waarin een latere uitvinding zou kunnen worden ondergebracht.
En dan komt de conclusie waar het hoofdstuk naartoe werkt. Deze inscripties, schrijft Azami, weerleggen genoegzaam de premisse van eerwaarde Mingana aangaande het vroege Arabische alfabet. Het is een nuchtere zin, zonder triomf, en juist daarom overtuigend. Het bewijs is neergelegd, de aanklacht is gewogen, en de aanklacht valt. De Arabieren van vóór de Islam bezaten een eigen, herkenbaar, gedateerd Arabisch alfabet. Wie iets anders beweert, moet de stenen wegredeneren, en de stenen laten zich niet wegredeneren.
Het schrift blijft groeien
Dat het Arabische alfabet al vóór de Islam volwassen was, betekent niet dat het stil bleef staan. Een levend schrift is als een levende taal: het blijft zich ontwikkelen zolang mensen het gebruiken. En toen de jonge islamitische staat zich uitstrekte van Azerbeidzjan en Armenië in het noorden tot Jemen in het zuiden, van Libië en Egypte in het westen tot Iran in het oosten, en al die uithoeken hun aanwijzingen uit Medina in het Arabisch ontvingen, versnelde die ontwikkeling zich sterk. Er ontstond een rijke gelaagdheid van schriftstijlen, waarbij een hoekige of niet-vloeiende variant zich in een zeer vroeg stadium naast het Hijazi ontwikkelde. Deze hoekige stijl heeft in de moderne wetenschap een naam gekregen die zelf een bron van verwarring is geworden: Kufisch. Azami tekent er uitdrukkelijk bezwaar tegen aan dat men met dat ene woord alle hoekige schriftstijlen op één hoop veegt, want de vroegste geleerden onderscheidden een dozijn of meer stijlen, waarvan het eigenlijke Kufische er slechts één was.
Rond juist dat hoekige schrift is een tweede aanklacht gebouwd, verwant aan die van Mingana maar één laag later geplaatst. Waar Mingana het schrift vóór de Islam wilde wegredeneren, wilden anderen het hoekige schrift ná de Islam laat dateren: elke Koran in Kufisch schrift, zo beweerden zij, zou pas uit de tweede of derde eeuw na de hijra kunnen stammen, en dus verdacht laat zijn. Het is dezelfde denkfout, één verdieping hoger: een aanname over het schrift ingezet om de tekst laat te dateren, en opnieuw te ontkrachten met gedateerde stenen uit de eerste eeuw zelf.
Die weerlegging verdient echter haar eigen behandeling, en zij krijgt die verderop in deze reeks. Wanneer wij later stilstaan bij een Kufisch koranfragment dat de natuurwetenschap zelf, buiten elke moslimhand om, tot de zevende eeuw heeft gedateerd, komen de gedateerde eerste-eeuwse voorbeelden waarop Azami zich beroept uitvoerig aan bod. Voor dit artikel, dat over de tijd vóór de Islam gaat, volstaat de vaststelling dat het schrift zich na de openbaring bleef ontwikkelen en vertakken, zonder ooit de kloof te vertonen waarin een latere uitvinding zou kunnen worden verstopt. De drie stenen van de zesde eeuw sluiten de wortel af; de eerste-eeuwse stenen, wanneer wij ze bereiken, sluiten de tak.
Waar de stenen liggen
Een woord over de plaats die deze drie vindplaatsen op de kaart innemen, want de lezer die deze tijdlijn op de kaart volgt, verdient te weten wat hij ziet en wat hij niet ziet.
Zabad ligt in het noorden van Syrië, ten zuidoosten van het huidige Aleppo. Jabal Usays ligt honderdvijf kilometer ten zuidoosten van Damascus, in de basaltwoestijn die zich uitstrekt naar het binnenland. Harran ligt in het grensgebied van het noorden van Syrië en Mesopotamië, aan de oude route tussen de rivieren. De coördinaten waarmee deze punten op de kaart worden geplaatst, zijn moderne schattingen; Azami zelf geeft geen coördinaten, en de exacte ligging van een inscriptie in steen laat altijd enige speelruimte. De lezer dient de spelden op de kaart dus te lezen als benaderingen van de streek, niet als geodetisch vastgelegde punten. Wat vaststaat, is niet de precieze breedtegraad, maar de streek en de datering: het noorden van de Arabische wereld, de zesde eeuw, een volwassen Arabisch schrift.
Het is geen toeval dat alle drie de stenen in het noorden liggen. Daar, langs de handelsroutes en aan de randen van de Byzantijnse en Syrische invloedssferen, ontmoetten de Arabische stammen de schriftculturen van hun buren, en daar bleef het meeste in steen bewaard. Het schiereiland zelf, met zijn droge lucht en zijn karige steen, heeft ons minder van dit soort gedateerde monumenten nagelaten, maar dat betekent niet dat het schrift daar onbekend was. De handel bracht het mee, de karavaan droeg het, de dichter en de koopman kenden het. Mekka, de handelsstad bij uitstek, was geen eiland van analfabetisme in een zee van geletterdheid; zij lag midden in de stroom.
Wat de weerlegging draagt en wat zij niet draagt
Zoals bij elk sterk argument moet ook hier scherp worden onderscheiden wat het bewijst en wat het niet bewijst, want de kracht van een weerlegging ligt in haar eerlijkheid over haar eigen grenzen.
Wat de inscripties bewijzen, is dit: een volwassen, gedateerd Arabisch alfabet bestond ruim vóór de Profeet ﷺ. De premisse dat de vroege Arabieren geen eigen ontwikkeld schrift bezaten, is daarmee weerlegd. Het fundament onder de latere theorie, dat de geschreven Quran een constructie van na de tijd van de Profeet ﷺ zou zijn omdat het schrift toen nog niet volwassen was, wordt weggeslagen. Als het schrift al in de zesde eeuw volwassen was, dan kan de geschreven vastlegging van de openbaring in de zevende eeuw niet worden afgewezen op grond van de onmogelijkheid van het schrift. De weg is vrij voor precies datgene wat de overlevering beschrijft: schrijvers die op aanwijzing van de Profeet ﷺ noteren wat wordt geopenbaard.
Wat de inscripties niet bewijzen, is even belangrijk om te zeggen. Zij bewijzen op zichzelf niet dat de Quran werd opgeschreven; dat is een aparte kwestie, met eigen bewijzen, die in de volgende artikelen aan bod komt. Zij bewijzen niet dat elke Arabier kon lezen en schrijven; geletterdheid was in de zesde en zevende eeuw overal ter wereld het bezit van een minderheid, en Arabië vormde daarop geen uitzondering. Zij bewijzen ook niet dat het schrift van 512 er hetzelfde uitzag als dat van 650; wij hebben gezien dat Azami juist het tegendeel benadrukt, dat het schrift zich ontwikkelde en dat de zesde-eeuwse vorm de latere slechts benadert.
Wat de inscripties wél doen, is de vloer wegtrekken onder een bepaalde manier van redeneren. Zij maken het onmogelijk om te zeggen dat de Arabieren de openbaring niet konden opschrijven bij gebrek aan een schrift. Het schrift was er. Het lag op de rotsen van Zabad, van Jabal Usays, van Harran, gedateerd en herkenbaar, ruim voordat de eerste openbaring neerdaalde. De vraag die overblijft, is niet of men de Quran kón opschrijven, maar hoe zorgvuldig men het déed. En op die vraag geeft de rest van deze geschiedenis een antwoord.
Er is nog een detail dat het beeld van een geletterde omgeving rond de Profeet ﷺ scherper maakt, en dat later in deze geschiedenis uitvoerig terugkeert. Toen een oriëntalist de echtheid van de bewaard gebleven brieven van de Profeet ﷺ in twijfel trok met het argument dat de handschriften onderling verschillen en dus niet van dezelfde staat konden komen, wees Azami dat af als onzin, met een reden die alles zegt over de geletterdheid van de vroege oemma: de Profeet ﷺ had meer dan zestig schrijvers, en te verwachten dat hun handschriften op elkaar zouden lijken, is ongerijmd. Dat getal is geen bijzaak. Een gemeenschap die zestig schrijvers kon inzetten voor de correspondentie en de openbaring van haar leider, is geen gemeenschap die worstelde met een pas geboren alfabet. Zij beschikte over een schrijverskorps, over een geoefend ambacht, over handen die vertrouwd waren met de pen. Het schrift dat op de rotsen van de zesde eeuw stond, was in de zevende eeuw uitgegroeid tot dagelijks werktuig in de handen van tientallen.
De inscripties en de schrijvers wijzen samen dezelfde kant op. Van de gedateerde steen bij Zabad tot de zestig schrijvers in Medina loopt één ononderbroken lijn: een schriftcultuur die volwassen was voordat de openbaring kwam en die klaar stond toen de openbaring kwam. De aanklacht van een schriftloos Arabië hangt daarmee in de lucht, zonder grond onder de voeten. Waar zij een leegte veronderstelde, staat een traditie.
Het schrift dat wachtte
Het is nuttig om, aan het eind van deze eerste episode, te overwegen wat dit alles betekent voor de wijze waarop de Quran zijn plaats in de geschiedenis innam.
De Quran werd niet neergezonden in een cultureel vacuüm. Hij werd neergezonden onder een volk dat een taal van ongeëvenaarde rijkdom bezat, waarvan de poëzie de gevoeligste snaren van de menselijke welsprekendheid raakte, en dat, zo blijkt uit de stenen, ook een schrift bezat om die taal vast te leggen. De uitdaging die de Quran de Arabieren stelde, was dan ook geen uitdaging aan een primitief volk zonder middelen om haar te beantwoorden. Zij was een uitdaging aan de meesters van de taal, in hun eigen taal, in hun eigen schrift. Dat maakt de aard van de Quran alleen maar scherper. Het Boek daagde niet de onwetenden uit maar de kenners, niet de sprakelozen maar de welsprekenden.
En het schrift dat de moslims gebruikten om de openbaring vast te leggen, was niet iets wat zij haastig moesten uitvinden terwijl de verzen neerdaalden. Het was een instrument dat klaar lag, geërfd van geslachten die vóór hen op steen hadden gehakt. Toen de Profeet ﷺ zijn schrijvers riep om te noteren wat werd geopenbaard, reikten zij naar een gereedschap dat al eeuwen in de handen van hun voorouders had gelegen. Het Arabische alfabet stond, zoals een geoefend werktuig staat in de werkplaats van een ambachtsman, gereed voor het werk dat het moest doen. De openbaring hoefde het schrift niet te scheppen; zij hoefde het slechts te gebruiken.
Dit is waarom de tijdlijn van de compilatie begint op een rots en niet in een grot. Voordat er iets werd geopenbaard, moest vaststaan dat er iets was om het in op te schrijven. De stenen van Zabad, Jabal Usays en Harran leggen die vaststelling vast in het hardste materiaal dat de geschiedenis kent. Zij zeggen, in een taal die geen tolk nodig heeft: het schrift bestond al.
En dus kan de geschiedenis nu verdergaan naar het moment waarop dat schrift zijn hoogste bestemming zou vinden. Ongeveer een eeuw na de steen van Zabad, in een grot boven Mekka, in een nacht in Ramadan, zou een engel tot een ongeletterde man zeggen: lees. En diezelfde man, die zelf niet kon lezen noch schrijven, zou schrijvers om zich heen verzamelen die dat wél konden, en zij zouden reiken naar de pen die hun voorvaderen hun hadden nagelaten. Het schrift dat op de rotsen van Syrië had liggen wachten, zou het schrift worden waarin de laatste openbaring aan de mensheid werd opgetekend, letter na letter, vers na vers, soera na soera. In het volgende deel dalen wij die eeuw af, naar de grot van Hira, naar de eerste vijf verzen, en naar de belofte die daarin besloten lag: dat de Heer de mens onderwijst met de pen.
والله أعلم