Ibn Khuzaymah ﵀ en het folio van zijn Sahih
Een laatste overlevend folio
In het vorige artikel zagen wij hoe de muhaddithun de betrouwbaarheid van de overleveraars zelf tot een wetenschap uitbouwden: Jarh wa-Ta’dil, de gedetailleerde kritiek en bevestiging van de mannen in de keten. Wij volgden hoe drie generaties geleerden in Basra, Bagdad en Nishapur een apparaat ontwierpen met een eigen vocabulaire, eigen graden van betrouwbaarheid en eigen biografische woordenboeken, en wij zagen dat dit apparaat de canonieke zes verzamelingen mogelijk maakte. Aan het slot van dat artikel stelden wij vast dat de wetenschap van de overleveraarskritiek zich met de canon niet afsloot, maar dat zij, generatie na generatie, in dienst bleef van geleerden die de canon niet kopieerden maar hem met dezelfde middelen opnieuw toetsten.
Juist dat is het spoor dat wij in dit artikel volgen. De canonieke zes waren geen eindpunt; in de eeuw die volgde, in de late derde en de vroege vierde eeuw AH, werd een tweede laag aan kritische compilaties gebouwd. Maar zelfs daarmee was de bouwactiviteit niet afgelopen. In de late derde en de vroege vierde eeuw na de hijra, toen al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ allang in hun graven lagen, ging in Khurasan een tweede laag aan kritische compilaties open. Die laag verdient meer aandacht dan zij doorgaans krijgt, want zij toont iets wat men niet altijd verwacht: dat de canonieke zes geen eindpunt waren, maar een drempel waarna de hadithkritiek nog generaties lang doorging, vaak op het werk van de canon zelf, en altijd met dezelfde apparatuur die de canon mogelijk had gemaakt.
Een van de centrale namen in die tweede golf is Imam Abu Bakr Muhammad ibn Ishaq ibn Khuzaymah an-Naysaburi ﵀, geboren in Nishapur in 223 AH en gestorven in dezelfde stad in 311 AH. Hij wordt door zijn tijdgenoten en door de generaties na hem aangesproken met een titel die in de hele klassieke literatuur slechts aan een handvol mannen is toegekend: Imam al-A’imma, imam van de imams. Zijn voornaamste werk, al-Mukhtasar min al-Musnad as-Sahih, beter bekend als de Sahih van Ibn Khuzaymah ﵀, is een hadithverzameling die door de klassieke kritiek wordt gerangschikt onmiddellijk na de twee canonieke Sahihs en boven de vier Sunan. Het is, in moderne taal, een post-canoniek bouwwerk dat met dezelfde methodologische strengheid als al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ een onafhankelijke verificatie van het hadithcorpus aflevert.
Van dat bouwwerk is een fysiek spoor bewaard gebleven. Mohammad Mustafa Azami ﵀ nam in Studies in Early Hadith Literature een appendix op met een fotografische plaat van een overlevend folio uit een handschrift van Ibn Khuzaymah’s ﵀ Sahih. Het onderschrift is nuchter en precies: folio tweeënveertig uit het manuscript van de Sahih van Ibn Khuzaymah. Geen betoog, geen datering, geen beschrijving van de hand; alleen de plaat en, op de aangrenzende foto’s, de bronvermeldende voetnoten in het Arabisch. En toch is dat kale beeld voor de vraag naar de betrouwbaarheid van de overdracht van groot belang. Waar een tekst in theorie verdacht kan worden van late fabricatie, ligt hier een tastbaar document: geen reconstructie, geen vermoede bron achter een vermoede bron, maar een geschreven pagina uit een vroeg handschrift van een werk dat een halve eeuw na al-Bukhari ﵀ in Nishapur werd samengesteld.
Dit artikel volgt de figuur achter dat folio. Wij volgen Ibn Khuzaymah’s ﵀ leven in Nishapur, zijn vorming bij de meesters van Khurasan, zijn methodologische principes, het overlevende folio dat Azami reproduceert, en zijn doorwerking via twee leerlingen wier namen ieder islamitische student van hadith vandaag nog kent: Ibn Hibban ﵀ en Ibn al-Mundhir ﵀. Het artikel sluit af bij de brug tussen dit Nishapuri-manuscript en de verdediging van een proefschrift in een Britse universiteit, twaalf eeuwen later, in 1966.
Nishapur in de derde en vierde eeuw AH
Wie de hadithwetenschap van de eerste vijf eeuwen na de hijra geografisch wil begrijpen, kan niet om Nishapur heen. De stad lag in Khurasan, het uitgestrekte gebied dat zich vanaf de oostelijke Iraanse hoogvlakte uitstrekte tot diep in wat vandaag Centraal-Azië heet, en zij was, naast Bukhara en Samarkand, een van de drie grote intellectuele knooppunten waar het Arabische en het Iraans-Khurasanische erfgoed elkaar ontmoetten. Nishapur was gebouwd in de Sassanidische tijd en herstart door de moslimveroveraars in de eerste eeuw AH. Tegen de derde eeuw AH was zij uitgegroeid tot een metropool met tienduizenden inwoners, ommuurd, doorsneden door waterkanalen, in het bezit van een grote vrijdagsmoskee waarin de geleerde lessen tot diep in de nacht doorgingen.
Wat Nishapur bijzonder maakte, was haar geografische positie aan het kruispunt van meerdere hadithtradities. Vanuit het zuidwesten kwam de Hijazitisch-Iraakse traditie van Mekka, Medina, Basra, Koefa en Bagdad. Vanuit het noorden kwam de Transoxanische traditie van Bukhara, Samarkand en Tirmidh. Vanuit het zuidoosten kwam de Indo-Iraanse traditie via Sijistan en de havens van de Indische Oceaan. Een Nishapuri-geleerde kon, zonder de stad te verlaten, leerlingen ontvangen uit al deze richtingen. En een Nishapuri-student kon, met een redelijke reisbeurs, in een paar maanden de meesters bezoeken die elders nog jaren reizen kostten.
Drie namen markeren de Khurasanische bloei van de hadithwetenschap in opeenvolgende generaties, en alle drie zijn Nishapuri’s of werkten een groot deel van hun leven in Nishapur. Muslim ibn al-Hajjaj an-Naysaburi ﵀, geboren in 206 AH en gestorven in 261 AH in zijn geboortestad, schreef daar zijn Sahih, het tweede van de canonieke twee. Een halve generatie later werd Ibn Khuzaymah ﵀ geboren, in 223 AH, terwijl Muslim ﵀ nog in volle wetenschappelijke activiteit was; de twee leefden een tijd lang in dezelfde stad, al is er geen aanwijzing dat de jonge Ibn Khuzaymah ﵀ bij Muslim ﵀ op de gebruikelijke wijze heeft gestudeerd. Een halve generatie na Ibn Khuzaymah ﵀ kwam al-Hakim Muhammad ibn Abdullah an-Naysaburi ﵀, geboren in 321 AH, gestorven in 405 AH, schrijver van de Mustadrak 'ala as-Sahihain, een werk dat hadiths verzamelt die volgens al-Hakim ﵀ aan de voorwaarden van de twee Sahihs voldoen maar daarin niet zijn opgenomen.
Tussen deze drie Nishapuri’s, Muslim ﵀, Ibn Khuzaymah ﵀ en al-Hakim ﵀, ligt de bloei van de Khurasanische hadithwetenschap. Zij waren niet de enigen; om hen heen bewogen tientallen geleerden van rang. Maar als men de stamboom van het post-canonieke kritische apparaat tekent, lopen de hoofdlijnen door hun handen. De stad die hen huisvestte, was in het laatste kwart van de derde eeuw en de hele vierde eeuw AH iets wat westerse universiteitssteden pas veel later zouden bereiken: een academisch ecosysteem met openbare colleges, met manuscriptkopiisten op de markt, met halqas in tientallen moskeeën, met biografische registers die door geleerden van de stad zelf werden bijgehouden, met een hadithgemeenschap die zichzelf naar achteren kon verifiëren en naar voren kon plannen.
De politieke context speelde mee. Nishapur viel onder het bestuur van de Tahiriden en daarna de Samaniden, twee dynastieën die de Abbasidische khaliefen in Bagdad nominaal erkenden maar de facto Khurasan zelfstandig bestuurden. Beide dynastieën waren cultureel uitgesproken pro-soennitisch en moedigden de bouw van moskeeën, madrasahs en bibliotheken aan. Toen Ibn Khuzaymah ﵀ in 311 AH stierf, regeerde de Abbasidische khalief al-Muqtadir in Bagdad over een rijk dat politiek aan het uiteenvallen was, maar wetenschappelijk juist een hoogtepunt beleefde. De achterstand die in de hoofdstad heerste door interne machtsstrijd en militaire ineenstortingen, werd door Khurasan ruimschoots gecompenseerd. Wie in het jaar 300 AH werkelijk wilde studeren, ging niet naar Bagdad. Hij ging naar Nishapur.
Loading map...
Wie was Ibn Khuzaymah ﵀
Abu Bakr Muhammad ibn Ishaq ibn Khuzaymah as-Sulami ﵀ werd geboren in Nishapur in het jaar 223 AH, ongeveer 838 CE. Zijn afkomst was Arabisch; de stam Sulaym, waartoe zijn familie behoorde, was generaties eerder vanuit de Hijaz naar Khurasan getrokken in het kielzog van de eerste veroveringscampagnes. Zijn vader Ishaq was een welgestelde koopman die zijn zoon vroeg het Arabisch en het schrift bijbracht. Het verhaal dat in de biografische literatuur over zijn jeugd terugkeert, is dat hij op elfjarige leeftijd reeds bij de meesters van Nishapur in de hadithcolleges zat, en dat hij op zeventienjarige leeftijd zijn eerste rihla ondernam, naar Marw, om bij Ali ibn Hujr as-Sa’di ﵀ te studeren.
Wat de jonge Ibn Khuzaymah ﵀ in zijn voordeel had, was de samenloop van twee dingen. Ten eerste woonde hij in de stad waar de hadithwetenschap juist op haar tweede hoogtepunt was. Ten tweede leefde hij in een tijd waarin de generatie die met Muslim ﵀ en al-Bukhari ﵀ had gestudeerd nog grotendeels in leven was. Zijn leraren waren mannen die zelf de canon hadden meegemaakt of er nauw aan verbonden waren. Onder hen worden in de klassieke bronnen genoemd: Ishaq ibn Rahawayh ﵀, de grote geleerde uit Marw, in wiens college zowel al-Bukhari ﵀ als Muslim ﵀ hadden gezeten; Muhammad ibn Humayd ar-Razi ﵀; Bishr ibn Mu’adh al-Aqadi ﵀; Mahmud ibn Ghaylan al-Marwazi ﵀; Ahmad ibn Mani’ al-Baghdadi ﵀; Abd al-Jabbar ibn al-‘Ala’ ﵀; Abu Kurayb Muhammad ibn al-‘Ala’ al-Hamdani ﵀; en Ali ibn Hujr ﵀, de leraar in Marw bij wie hij als zeventienjarige zijn eerste lessen volgde. De biografen benadrukken dat hij bij een groot aantal meesters heeft gezeten, verspreid over Khurasan, Irak, de Hijaz, Egypte, Syrië en Iran.
Maar wat zijn tijdgenoten en zijn latere biografen vooral aan hem opviel, was niet zijn rihla en niet het aantal van zijn leraren. Het was zijn geheugen, gecombineerd met een onverbiddelijk kritisch oordeel. Adh-Dhahabi ﵀ tekent in Siyar A’lam an-Nubala’ een uitspraak van een tijdgenoot op die luidt: “Onder de hemel was er geen man die de hadith van de Boodschapper van Allah ﷺ beter kende dan Ibn Khuzaymah.” Een andere tijdgenoot zegt: “Ibn Khuzaymah was de imam der imams in zijn tijd.” Deze titel, Imam al-A’imma, werd hem bij leven gegeven; zij was geen postuum eerbetoon. In de hele klassieke biografische literatuur dragen slechts enkele mannen deze titel: Malik ﵀, ash-Shafi’i ﵀, Ahmad ibn Hanbal ﵀, al-Bukhari ﵀, en daarna Ibn Khuzaymah ﵀. De aanwezigheid van zijn naam in dit rijtje zegt voldoende.
De man die de titel droeg, leefde sober. Adh-Dhahabi ﵀ vermeldt dat Ibn Khuzaymah ﵀, ondanks de welstand van zijn familie en de schenkingen die hem in de loop van zijn leven werden gedaan, eenvoudig gekleed ging en het meeste van zijn inkomsten besteedde aan boeken en aan zijn leerlingen. Tegen het einde van zijn leven onderwees hij dagelijks aan een grote kring studenten in de vrijdagsmoskee van Nishapur, waar zijn lessen tot in de avond doorgingen.
Hij bleef vrijgezel tot ver in zijn dertiger jaren en huwde uiteindelijk laat. Hij had een zoon, Abu Tahir Muhammad, die zelf hadithgeleerde werd en die na zijn vaders dood de bewerking en overdracht van diens werken op zich nam. De relatie tussen vader en zoon was, naar de overlevering, methodologisch zo nauw dat Abu Tahir ﵀ wist bij welke hadith zijn vader bepaalde keuzes had gemaakt en waarom; veel van wat wij vandaag over de redactionele werkwijze van Ibn Khuzaymah ﵀ weten, is via Abu Tahir ﵀ aan ons doorgegeven.
Hij stierf in Nishapur op de tweede dag van de maand Dhu al-Qa’da van het jaar 311 AH, op de leeftijd van negenentachtig jaar. Zijn begrafenis werd, volgens de biografische bronnen, bijgewoond door een menigte die de straten van Nishapur vulde. Zijn boeken werden door zijn zoon en door zijn directe leerlingen aan de bibliotheken van Nishapur en van Bagdad nagelaten, en daarmee aan de wereld.
Zijn Sahih als post-canoniek bouwwerk
Het hoofdwerk van Ibn Khuzaymah ﵀ heet voluit al-Mukhtasar min al-Musnad as-Sahih min al-Akhbar 'an Rasul Allah ﷺ, het Beknopte uit de Authentieke Musnad van de Berichten over de Boodschapper van Allah ﷺ. In de klassieke en moderne literatuur wordt het kortweg Sahih Ibn Khuzaymah genoemd. De volledige tekst van het werk, zoals Ibn Khuzaymah ﵀ het ontwierp, was groot; latere bronnen schatten de oorspronkelijke omvang op enkele duizenden hadiths, ingedeeld naar juridische thematiek volgens de hoofdstukkenindeling die in zijn tijd standaard begon te worden. Van het oorspronkelijke werk is een aanzienlijk deel verloren gegaan in de eeuwen van politieke ineenstortingen en bibliotheekbranden die Khurasan troffen. Wat ons in volledigheid heeft bereikt, is een gedeelte van de oorspronkelijke omvang, genoeg om vele honderden hadiths in betrouwbare overdracht te bewaren. Het is dat overlevende gedeelte dat in de moderne tijd is uitgegeven, naar verluidt in een wetenschappelijke editie die door Mohammad Mustafa Azami zou zijn verzorgd. Dat juist zijn naam met de moderne uitgave van dit werk wordt verbonden, is voor het verhaal van dit artikel veelzeggend; wij komen daar in de slotparagraaf op terug.
Wat maakt het werk methodologisch een post-canoniek bouwwerk en niet eenvoudig een laatkomer in dezelfde rij als de zes? Drie kenmerken springen eruit.
Het eerste kenmerk is de zelfstandige authenticiteitstoets. Ibn Khuzaymah ﵀ nam in zijn Sahih uitsluitend hadiths op waarvan hij zelf, met zijn eigen kritische apparaat, kon vaststellen dat zij sahih waren. Dat betekent: hij vertrouwde niet blind op het oordeel van al-Bukhari ﵀ of Muslim ﵀, ook al gold dat oordeel in zijn tijd reeds als hoogste norm. Hij toetste opnieuw. Iedere keten werd op haar eigen aaneengeschakeldheid onderzocht, iedere overleveraar werd in zijn eigen biografische dossier nagetrokken, ieder mogelijk subtiel defect werd tegen het achtergrondcorpus afgewogen. Het resultaat was een verzameling die op veel plaatsen overlapt met de twee Sahihs, maar die op andere plaatsen hadiths bevat die de canonieke twee niet hadden, en omgekeerd hadiths uitsluit die de canonieke twee wel opnamen. Dat is in de klassieke wetenschap geen tekortkoming maar een aanwijzing: het toont dat Ibn Khuzaymah ﵀ niet kopieerde, hij verifieerde.
Het tweede kenmerk is de explicitering van twijfel. In de canonieke twee Sahihs vindt men, na een grondige selectie, alleen hadiths waarvan de auteurs zonder voorbehoud overtuigd waren. In Ibn Khuzaymah’s ﵀ Sahih daarentegen markeert de auteur op verschillende plaatsen zelf zijn aarzeling. Bij een hadith schrijft hij in het opschrift “in shaa Allah sahih”, indien Allah ﷻ het wil authentiek. Bij een andere noteert hij dat de keten naar zijn oordeel sterk is maar dat één overleveraar door enkele meesters licht zwakgemaakt is, en hij citeert de tegenargumenten. Deze transparantie is, voor de student van de wetenschap, goud waard. Zij laat de werkplaats van een hadithgeleerde uit het begin van de vierde eeuw zien, met zijn eigen onzekerheden inzichtelijk gemaakt.
Het derde kenmerk is de cumulatieve relatie tot de canon zelf. Ibn Khuzaymah’s ﵀ Sahih is, in moderne taal, een werk dat het canonieke project bevestigt door het te herhalen met onafhankelijke middelen. Wanneer twee onafhankelijke geleerden, gebruikmakend van hetzelfde apparaat maar van eigen rihla en eigen leraren, voor dezelfde hadith tot hetzelfde authentiekoordeel komen, neemt de epistemologische waarde van die hadith toe. Wanneer een derde geleerde, met dezelfde methode maar opnieuw eigen reizen en eigen meesters, opnieuw tot hetzelfde oordeel komt, neemt de waarde nogmaals toe. Het is wat in de moderne wetenschapsfilosofie triangulatie heet. Meerdere onafhankelijke meetinstrumenten die een identiek resultaat aflezen, geven een betrouwbaarder beeld van het te meten verschijnsel dan één instrument alleen, hoe nauwkeurig dat ene ook is. Ibn Khuzaymah’s ﵀ Sahih is, voor honderden hadiths die ook bij al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ voorkomen, juist die derde onafhankelijke meting.
Aan die verificatiedichtheid geeft Azami één concreet en meetbaar voorbeeld. In zijn bespreking van de enorme aantallen ketens die de hadithliteratuur voortbracht, wijst hij erop dat Ibn Khuzaymah ﵀ voor één enkele hadith, over een handeling van Aisha ﵂ bij het reinigen van de stof, ongeveer dertig verschillende isnads aanvoert, alle in één hoofdstuk. Dertig ketens voor één overlevering is geen retorische overdrijving; het is de neerslag van een geleerde die dezelfde tekst langs zovele onafhankelijke lijnen naar boven volgde als hij maar kon vinden, en die de veelheid zelf documenteerde. Waar de sceptische lezing van de hadith een schaars en manipuleerbaar bewijsmateriaal veronderstelt, laat één zulk hoofdstuk het tegendeel zien: een overvloed aan parallelle overdracht, die juist door haar overvloed moeilijk te fabriceren is.
In de klassieke rangschikking van de hadithcollecties wordt de cumulatieve verhouding erkend. De geleerden van de vijfde eeuw en daarna, onder wie al-Hakim ﵀, al-Bayhaqi ﵀ en al-Khatib al-Baghdadi ﵀, plaatsten Ibn Khuzaymah’s ﵀ Sahih op de derde plaats van de authentieke werken, onmiddellijk na de twee canonieke Sahihs en boven de vier Sunan. Adh-Dhahabi ﵀ herhaalt dat oordeel in zijn Siyar. Ibn Hajar al-Asqalani ﵀ bevestigt het opnieuw in zijn methodologische geschriften. Geen van deze meesters had een polemische reden om Ibn Khuzaymah ﵀ te verheffen of te verlagen; zij oordeelden op basis van het werk zelf en van wat het apparaat van Jarh wa-Ta’dil hen aanwees.
Het overlevend folio
Wat Azami reproduceert, is niet de hele Sahih van Ibn Khuzaymah ﵀; het is een enkel folio uit een handschrift van het werk, een fotografische plaat met een sober onderschrift en verder niets. Juist die soberheid maakt het beeld belangrijk. Azami geeft er geen betoog bij, dateert de hand niet en beschrijft het schrift niet; hij legt de foto naast de andere manuscriptfoto’s in zijn boek en laat het document voor zichzelf spreken. Het volgende is dus niet zijn duiding maar de onze: wat betekent het dat zo’n pagina bestaat?
Een handschriftfolio van een werk als dit volgt het vertrouwde structurele patroon van het klassieke hadithmanuscript. Men verwacht bovenaan het isnad-opschrift, de keten van overdracht waarmee de bezitter van het exemplaar zijn afschrift terugvoert op de auteur; in het geval van deze Sahih loopt die lijn via de zoon van de auteur, Abu Tahir Muhammad ibn Khuzaymah ﵀, die het werk van zijn vader aan zijn leerlingen doorgaf, en vervolgens via de reeks kopiisten en overleveraars die ieder het manuscript in een formele sama’-sessie of qira’a-sessie hadden ontvangen. Onder het opschrift volgen de hadiths zelf, ieder beginnend met haddathana of akhbarana, de naam van de directe leraar, de keten naar boven tot de Profeet ﷺ of een Metgezel ﵁, de hadithtekst, en waar aanwezig een korte opmerking van de auteur. Op zulke folio’s staan bovendien vaak in de marge de muqabala-tekens en correcties die werden aangebracht wanneer de eigenaar zijn exemplaar tegen een ander exemplaar collationeerde. Dat is de fysieke vingerafdruk van het kruisreferentieproces dat in de wetenschap van de overleveraarskritiek als kernprincipe werd beschreven.
Het punt is niet de precieze paleografie van deze ene pagina, die wij hier niet aan Azami toeschrijven en waarvoor wij geen datering van experts inroepen. Het punt is dat er überhaupt een fysiek, geschreven exemplaar bestaat van een post-canonieke Sahih, en dat Azami het als beeld heeft vastgelegd. Waar een tekst in de sceptische theorie het karakter krijgt van een vermoede, mogelijk verzonnen overlevering, ligt hier een tastbaar object: perkament of papier, inkt, een hand, een keten van namen die in de biografische woordenboeken terug te vinden zijn. De namen die bij zulke overdracht horen, laten zich chronologisch en geografisch narekenen: hun data zijn bekend, hun woonplaatsen gedocumenteerd, de mogelijkheid van een ontmoeting tussen leraar en leerling controleerbaar. Wie zou willen volhouden dat een dergelijk document een late fabricatie is, moet verklaren waarom de vervalser voor elke schakel in zijn keten een biografisch consistent personage koos, en hoe hij die personages ook nog eens overeenkomstig in andere, onafhankelijke bronnen liet verschijnen.
Hier verdient één ding nadruk, omdat het gemakkelijk overtrokken wordt. Het folio dat Azami afbeeldt, is één document. Het draagt op zichzelf niet de last van een sluitend bewijs, en het is niet zo dat Azami dit ene beeld als een gerichte weerlegging van deze of gene geleerde presenteert; hij plaatst het eenvoudig in de reeks manuscriptfoto’s die zijn onderzoek opleverde. De kracht ligt niet in het losse blad maar in de cumulatie. Een enkel document laat zich, met enige verbeelding, wegwuiven. Meerdere onafhankelijke documenten, uit verschillende eeuwen en verschillende steden, die elk keurig passen in het bredere biografische netwerk dat in Tahdhib at-Tahdhib, in Tarikh Baghdad en in Siyar A’lam an-Nubala’ is opgetekend, veronderstellen samen een coördinerende intelligentie die over generaties heen zou hebben gewerkt. De hypothese van zo’n coördinatie is, voor wie haar serieus probeert te formuleren, minder geloofwaardig dan de eenvoudige verklaring die zij wilde vervangen: dat de overdracht echt was.
Doorgegeven aan Ibn Hibban ﵀ en Ibn al-Mundhir ﵀
Een geleerde van het kaliber van Ibn Khuzaymah ﵀ bestaat niet in isolatie. Hij komt voort uit een college van leraren, en hij geeft op zijn beurt door aan een college van leerlingen. De doorwerking van zijn werk in de generatie na hem is, voor de geschiedenis van de hadithwetenschap, minstens zo belangrijk als zijn eigen Sahih.
Twee van zijn leerlingen zijn voor de latere wetenschap centraal. De eerste is Muhammad ibn Hibban al-Busti ﵀, geboren in Bust in het huidige zuidoostelijke Afghanistan omstreeks 270 AH en gestorven in 354 AH. Ibn Hibban ﵀ studeerde uitvoerig bij Ibn Khuzaymah ﵀ in Nishapur en nam de methodologische strengheid van zijn meester mee naar zijn eigen werk. Hij schreef twee biografische standaardwerken die wij bij de overleveraarskritiek al noemden, Kitab ath-Thiqat en Kitab al-Majruhin, en, belangrijker voor het verhaal van deze kaart, hij schreef een hadithverzameling van eigen vinding die al-Musnad as-Sahih ‘ala at-Taqasim wa-l-Anwa’ heet, gewoonlijk Sahih Ibn Hibban genoemd. Het werk telt enkele duizenden hadiths in een unieke thematische rangschikking en wordt door de klassieke kritiek vlak na de Sahih van Ibn Khuzaymah ﵀ geplaatst, op de vierde plaats in de hiërarchie van de authentieke werken.
Wat Ibn Hibban ﵀ van zijn meester overnam, was niet alleen de naam, maar het apparaat. Wanneer men de methodologische inleidingen van Sahih Ibn Hibban en Sahih Ibn Khuzaymah naast elkaar legt, ziet men dezelfde categorieën, dezelfde drempelvoorwaarden, dezelfde behandeling van twijfelgevallen. Ibn Hibban ﵀ was iets ruimhartiger dan zijn meester in het beoordelen van overleveraars als thiqa, een trek waarvoor latere kritiek hem zacht heeft berispt, maar de structuur van zijn werk volgt onmiskenbaar de structuur die Ibn Khuzaymah ﵀ in Nishapur had aangereikt.
De tweede leerling is Abu Bakr Muhammad ibn Ibrahim Ibn al-Mundhir an-Nisaburi ﵀, geboren in Nishapur omstreeks 242 AH en gestorven in Mekka in 318 AH. Ibn al-Mundhir ﵀ was qua leeftijd nauwelijks jonger dan Ibn Khuzaymah ﵀, maar hij erkende zijn medestadsgenoot als leraar en zat in zijn college. Hij ontwikkelde zich tot een van de grootste juridische comparatisten van zijn tijd; zijn werken al-Awsat en al-Ishraf 'ala Madhahib al-‘Ulama’ zijn vergelijkende fiqh-verhandelingen die de standpunten van de Metgezellen ﵃, de Tabi’un en de rechtsscholen op honderden juridische punten naast elkaar leggen, telkens met de hadithbewijzen erbij. Voor iedere hadith die hij aanvoert, is hij methodisch overtuigd door het apparaat van Jarh wa-Ta’dil dat ook Ibn Khuzaymah ﵀ hanteerde.
De doorwerking gaat verder dan deze twee. Ibn Khuzaymah’s ﵀ zoon Abu Tahir Muhammad ﵀ en diens nakomelingen werden zelf leerstoelhouders in Nishapur en gaven het werk door aan al-Hakim an-Naysaburi ﵀, de auteur van de Mustadrak die wij hierboven al noemden. Al-Hakim ﵀ noemt in zijn methodologische werk Ma’rifat 'Ulum al-Hadith Ibn Khuzaymah ﵀ als een van zijn meest geciteerde autoriteiten en behandelt hem als de man wiens authenticiteitsoordeel hij, na al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀, het zwaarst weegt.
Wij volgen deze keten een halve eeuw verder. Al-Hakim ﵀ gaf door aan al-Bayhaqi ﵀, gestorven in 458 AH, wiens monumentale as-Sunan al-Kubra in tien delen de doorwerking van het Khurasanische apparaat in de juridische literatuur van de vijfde eeuw bevestigt. Al-Bayhaqi ﵀ gaf door aan al-Khatib al-Baghdadi ﵀, gestorven in 463 AH, die in zijn Tarikh Baghdad en in zijn methodologische werken het hele systeem van sama’ en ijaza tot een handboek voor de student maakte. Van al-Khatib ﵀ loopt de lijn door naar Ibn al-Salah ash-Shahrazuri ﵀ in de zevende eeuw, en van hem naar de meesters die wij bij de overleveraarskritiek al noemden: al-Mizzi ﵀, adh-Dhahabi ﵀, Ibn Hajar al-Asqalani ﵀.
De keten die uit Ibn Khuzaymah’s ﵀ studeerkamer in Nishapur omhoogklimt, eindigt dus niet in zijn eigen eeuw. Zij loopt door, generatie na generatie, met op iedere drempel een geleerde wiens naam, data, geheugen en geloofwaardigheid in de biografische woordenboeken zijn opgetekend. Het folio dat Azami reproduceert, is, in dit verband bekeken, geen geïsoleerd ding. Het is de fysieke neerslag van één scharniermoment in een ketting die generatie na generatie zonder werkelijke onderbreking heeft gewerkt.
Wat dit betekent
Hier moeten wij stilstaan en de oogst van het artikel op een rij zetten. Want de figuur van Ibn Khuzaymah ﵀ en het folio uit zijn Sahih zijn niet alleen biografische curiositeiten. Zij raken aan een specifieke twintigste-eeuwse voorstelling van de hadithwetenschap, dezelfde voorstelling die in de zaal van Cambridge in 1966 ter discussie zou komen.
Die voorstelling, in haar meest scherpe formulering, luidt als volgt. De canonieke zes hadithcompilaties, samengesteld tussen ongeveer 250 AH en 280 AH, zouden de eerste en enige laag van kritisch geverifieerde hadith in de Islamitische beschaving zijn geweest. Wat daarna kwam, zou reproductie zonder onafhankelijke toetsing zijn geweest. De compilaties van na de canon golden in deze lezing hetzij als dubbel werk dat de canon herkauwde, hetzij als ongeloofwaardige verzamelingen die alles opnamen wat zich aandiende. Een tweede, post-canonieke kritische laag bestond, in deze voorstelling, niet of nauwelijks; de gemeenschap zou na de generatie van al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ haar kritische beoordelingsvermogen hebben overgedragen aan vrome herhaling.
Op een grondslag als deze bouwden Ignaz Goldziher in 1890 en Joseph Schacht in 1950 hun invloedrijke systemen. Wanneer er na de derde eeuw AH geen wezenlijke kritische laag meer was, kon men aan de canonieke compilaties twijfelen zonder dat een latere, onafhankelijke verificatie die twijfel hoefde te ontkrachten. Het apparaat zou in zijn eigen tijd gesloten zijn gegaan; latere geleerden werden dan niet als kritische instanties beschouwd maar als overschrijvers van een oudere kritiek.
Wat dit artikel heeft laten zien, is dat die voorstelling feitelijk moeilijk vol te houden is. Ibn Khuzaymah ﵀ schreef zijn Sahih een halve eeuw na al-Bukhari ﵀ en leverde daarin een onafhankelijke verificatie van het canonieke project. Ibn Hibban ﵀ deed het een generatie later opnieuw. Al-Hakim ﵀ deed het in de generatie daarna. Al-Bayhaqi ﵀ deed het in de vijfde eeuw. Iedere generatie tot ten minste de zesde eeuw AH bracht ten minste één geleerde voort die met hetzelfde apparaat, met zelfstandige rihla, eigen leraren en eigen biografische dossiers, de canon onafhankelijk toetste. Soms bevestigde de toetsing de canon. Soms voegde zij hadiths toe die de canon niet had opgenomen. Soms wees zij subtiele defecten aan in hadiths die de canon wel had opgenomen. Het apparaat was niet stilgevallen. Het bleef werken.
En het werkte niet op grond van vroomheid alleen. Het werkte op grond van een fysieke documentenstroom die in folio’s, in nuskhah-handschriften en in formele sama’-certificaten generatie na generatie was vastgelegd. Het folio dat Azami afbeeldt, is daarvan één tastbaar spoor. Het toont, geheel in overeenstemming met wat de klassieke overdracht altijd heeft beweerd, dat een hadith die door een geleerde uit het begin van de vierde eeuw AH onafhankelijk als authentiek werd geverifieerd, ook fysiek in een geschreven exemplaar is nagelaten, in een lijn van overdracht die de biografische woordenboeken bevestigen. De ontkenning daarvan vereist niet alleen een hypothese van vervalsing van de overlevering, maar ook een hypothese over het geschreven materiaal zelf en over de vele handen die het hebben aangeraakt.
Bovendien laat het werk zien dat de redacteur, in dit geval Ibn Khuzaymah ﵀ zelf en na hem zijn zoon en zijn leerlingen, in directe dialoog stond met de canon. Hij vermeldt waar hij van al-Bukhari ﵀ afwijkt en waarom. Hij citeert overwegingen die in de canonieke twee niet waren opgenomen. Hij voegt bewijzen toe. Hij wijst defecten aan. Het is precies het gedrag dat in een levende, kritische wetenschap te verwachten is en dat in een gestold corpus van vrome reproductie zou ontbreken. Wie Ibn Khuzaymah ﵀ leest, leest een geleerde die met de canon in gesprek is, niet een kopiist die haar nazingt.
Het is in deze context belangrijk om iets te zeggen over wat de hadithwetenschap zelf nooit heeft verzwegen. Vervalsingen hebben in de tweede en derde eeuw AH bestaan. Politieke fracties, sektarische groepen en vrome ijveraars hebben allemaal getracht hun standpunten van de gezagsvolheid van een hadith te voorzien. De gemeenschap heeft deze vervalsingen niet ontkend; zij heeft ze gecatalogiseerd in werken zoals Ibn al-Jawzi’s ﵀ Kitab al-Mawdu’at en al-Suyuti’s ﵀ al-La’ali al-Masnu’a. Wie deze vervalsingsboeken naast de canonieke en post-canonieke compilaties legt, ziet onmiddellijk een patroon. De vervalsingen treffen vooral materiaal buiten de canon en buiten de post-canonieke kritische werken. De Sahih van al-Bukhari ﵀, de Sahih van Muslim ﵀, de Sahih van Ibn Khuzaymah ﵀ en de Sahih van Ibn Hibban ﵀ staan, voor het overgrote deel van hun inhoud, niet in deze vervalsingscatalogi. Het apparaat werkte. Het scheidde wat het beweerde te scheiden.
De brug naar 1966
Mohammad Mustafa Azami heeft, voor de jonge geleerde die hij in de jaren vijftig en zestig was, een werkleven in archieven gevoerd. Zijn doctoraatsstudie aan Cambridge, voltooid in 1966, was niet de vrucht van bibliotheekonderzoek alleen. Zij was de vrucht van fysieke reizen naar handschriftbewaarplaatsen in verschillende steden, waar hij met eigen ogen de folio’s en nuskhah-handschriften onderzocht die de westerse oriëntalistiek tot dan toe vooral uit secundaire vermeldingen kende. Hij fotografeerde, beschreef en publiceerde wat hij vond. Achter in zijn boek nam hij een reeks appendices op, en de laatste daarvan bevat de fotografische plaat van het Ibn-Khuzaymah-folio waar dit artikel om draait.
Die plaat staat er niet alleen. In dezelfde reeks appendices behandelt Azami onder meer de kwestie van de enorme aantallen ketens die de hadithliteratuur voortbracht, en het is in die bespreking dat de ongeveer dertig isnads van Ibn Khuzaymah ﵀ voor de ene hadith van Aisha ﵂ ter sprake komen, met een voetnoot die naar precies deze folioplaat verwijst. Het tekstuele argument en het fysieke beeld staan zo naast elkaar in hetzelfde boek: het ene laat de dichtheid van de overdracht in getallen zien, het andere laat een geschreven pagina zien die uit die overdracht is voortgekomen. Meer dan dit legt Azami over dit ene folio niet vast; de bredere gevolgtrekkingen die dit artikel eraan verbindt, zijn de onze.
Wat Azami in de zaal van Cambridge in 1966 voor zijn jury legde, was dan ook geen abstract betoog alleen, maar een dossier van foto’s, transcripties en vergelijkende tabellen, gedragen door de manuscripten die hij zelf had onderzocht. Het werk kwam tot stand in de Cambridge-omgeving van de gerespecteerde Britse arabist Arthur John Arberry, de vertaler van de Koran in eigentijds Engels, die zich naar verluidt bij het proefschrift betrokken toonde. Dat het werk in die academische omgeving als een serieuze wetenschappelijke bijdrage werd beoordeeld, is een van de redenen dat Studies in Early Hadith Literature zijn plaats in het vakgebied kreeg. De precieze rolverdeling van begeleiders en examinatoren bespreken wij in het slotartikel nader.
De brug die in 1966 werd geslagen, liep dus precies over de fysieke documenten waarvan dit artikel er één heeft besproken. Tussen een vroeg hadithmanuscript en het Cambridge-college van 1966 CE liggen vele eeuwen van overdracht. Iedere stap in die overdracht is, door iemand, in een biografisch register, in een sama’-certificaat of op een manuscriptmarge, vastgelegd. Het is geen geloofsbelijdenis. Het is een papierspoor. Wie het wil ontkennen, moet niet alleen het papier weerleggen maar ook de mensen die het hebben aangeraakt.
Het Ibn-Khuzaymah-folio is in dit licht meer dan een biografisch curiosum. Het is een fysieke voetnoot bij een wetenschap die zichzelf nooit heeft losgelaten. Het is een herinnering aan een Nishapuri-imam wiens scherpzinnigheid een instrument achterliet waarmee, eeuwen later, een geleerde in een Britse universiteit een academische discussie op nieuwe voet kon zetten.
Sluiting
De Muwatta’ van Imam Malik ﵀, het eerste publiek gepubliceerde hadithboek, was de eerste publieke kapel van de hadithwetenschap. Het folio van Ibn Khuzaymah ﵀, waar dit artikel om draaide, is een van de laatste fysieke stenen van het late-canonieke gebouw dat op die kapel volgde. Tussen deze twee momenten ligt anderhalve eeuw van georganiseerde, gedocumenteerde, biografisch verifieerbare wetenschappelijke arbeid waaraan honderden geleerden in tientallen steden hebben deelgenomen, met op iedere drempel een naam, een datum, een keten, een manuscript.
Wij hebben in dit artikel gezien wie Ibn Khuzaymah ﵀ was, hoe hij in het Nishapuri ecosysteem van de derde en vierde eeuw AH opgroeide, welk methodologisch werk hij verrichtte, welke transparantie hij in zijn Sahih over zijn eigen twijfels bood, hoe het overlevende folio dat Azami reproduceert een tastbaar spoor van dat werk vormt, en welke leerlingen, Ibn Hibban ﵀ en Ibn al-Mundhir ﵀ in de voorste rij, het apparaat de generatie daarna doorgaven. Wij hebben ook gezien waarom dit alles de voorstelling van een gesloten canonieke laag feitelijk verzwakt. Het apparaat bleef werken, generatie na generatie, met fysieke neerslagen die wij vandaag nog kunnen aanraken.
Wat resteert is de directe brug naar het volgende artikel. In het slotartikel betreden wij de zaal van Cambridge, op een dag in oktober 1966. Een geleerde verdedigt daar een proefschrift dat rust op zijn eigen archiefwerk, met onder de bewijsstukken het folio dat dit artikel heeft besproken. Hij staat tegenover een academische traditie die sinds Goldziher’s Muhammedanische Studien van 1890 grote invloed had gehad, en in zijn hand houdt hij de gereedschappen van Shu’ba ﵀, Yahya ibn Ma’in ﵀, Ahmad ﵀ en Ibn Khuzaymah ﵀. Wat in die zaal gebeurt, en hoe een wetenschap die in een Nishapuri studeerkamer in 311 AH werd verfijnd eeuwen later in een Engels universiteitsgebouw nog steeds bleek wat zij altijd was geweest, is het onderwerp van het slotartikel van deze kaart.