Imam Malik ﵀ en de Muwatta’ van Medina
Een geschreven boek, decennia voor al-Bukhari ﵀
In het vorige artikel hebben wij al-Layth ibn Sa’d ﵀ in Egypte gevolgd, de geleerde die met zijn correspondentie aan Medina liet zien dat de hadith-wetenschap aan het einde van de tweede eeuw AH geen kring-aangelegenheid van één stad meer was, maar een netwerk van schrift dat hoofdsteden verbond. Wij hebben gezien hoe zijn beroemde brief aan Imam Malik ﵀ tussen Fustat en Medina heen en weer reisde, in een dialoog over de status van amal ahl al-Madina die alleen mogelijk was omdat beide geleerden hun materiaal in geordende schriftelijke vorm bij de hand hadden. De brief van al-Layth ﵀ was, in haar genre, een academisch document. De geadresseerde was de man die in zijn eigen stad het boek had voltooid dat aan de Egyptische schrijver de aanleiding had gegeven om in pen en perkament te antwoorden.
Dat boek is de Muwatta’. De man is Imam Malik ibn Anas ﵀, geboren in Medina rond 93 AH en daar overleden in 179 AH. En het boek dat hij heeft achtergelaten, doorbreekt in zijn bestaan en in zijn verspreiding één van de meest hardnekkige stellingen die de westerse hadith-kritiek in de loop van honderd jaar over de vroege Islam in omloop heeft gebracht. Die stelling, in de scherpste formulering bij Joseph Schacht in 1950, luidt dat een geautoriseerde, schriftelijk vastgelegde en publiek-circulerende hadith-compilatie pas in de derde eeuw AH heeft bestaan, met de Sahih van al-Bukhari ﵀ in 256 AH als ankerpunt. Wat daarvoor was, zou óf privé-notitie zijn geweest, óf mondelinge overlevering die door niemand in gepubliceerde vorm te raadplegen was. Het hadith-corpus zou, in deze voorstelling, zijn beslissende stabilisering pas hebben ondergaan toen al-Bukhari ﵀ er zijn selectie op uitvoerde.
De Muwatta’ breekt deze stelling honderd jaar vóór haar voorgestelde geboortemoment. Het boek werd door Imam Malik ﵀ zelf op schrift gesteld, niet door een latere redacteur uit losse aantekeningen samengesteld. Het werd door zijn auteur niet één keer gepubliceerd en daarna aan het lot overgelaten, maar over decennia herzien, met de auteur zelf die zijn studenten correcties dicteerde en passages omschreef. Het werd publiek in Medina onderwezen; honderden studenten hebben het gelezen en het tekstueel aan hem afgemeten. Het reisde, in de hoofden en in de codices van zijn leerlingen, naar Egypte, naar Iraq, naar Sham, naar Yemen en, in de meest beroemde tocht, naar al-Andalus, waar het in de versie van Yahya ibn Yahya al-Laythi ﵀ tot in onze tijd is overgeleverd. En het werd door al-Bukhari ﵀ zelf, anderhalve eeuw later, niet als concurrent maar als fundament behandeld; de meest geprezen isnad-keten van de Sahih, de keten die de klassieke hadith-geleerden asahh al-asanid zijn gaan noemen, de meest authentieke aller ketens, loopt via Malik ﵀ naar Nafi’ ﵀ naar Ibn Umar ﵁ naar de Profeet ﷺ.
Dit artikel volgt de Muwatta’ in haar wording, haar inhoud, haar verspreiding en haar nawerking. Wij doen dit met twee doelen tegelijk. Het eerste is biografisch: wij willen Imam Malik ﵀ in zijn eigen Medinese omgeving zien staan, met zijn leraren, met zijn boek-praktijk, met zijn weigering om zijn boek aan een kalifale wetgeving te onderwerpen. Het tweede is structureel: wij willen aan de hand van zijn werk laten zien wat het werkelijk wil zeggen dat de hadith-wetenschap aan het einde van de tweede eeuw AH een gepubliceerde, gecontroleerde en geïnternationaliseerde discipline was, en niet de privé-praktijk die de oriëntalistische geschiedschrijving er in de twintigste eeuw nog van wilde maken.
Wie was Imam Malik ﵀
Malik ibn Anas ibn Malik ibn Abi 'Amir al-Asbahi werd in Medina geboren in een familie waarvan de wortels in de Yemenitische stam Asbah lagen, maar die zich na de Profetische periode in de hoofdstad van de oemma had gevestigd. Zijn overgrootvader, Malik ibn Abi 'Amir ﵁, was Sahabi en behoorde tot de generatie die de Profeet ﷺ persoonlijk had ontmoet. Hij was bovendien een van de mannen uit de commissie die Uthman ibn Affan ﵁ in 25 AH belast had met de definitieve redactie van de Quran-mushaf. Door deze familielijn stond Malik ﵀ vanaf zijn geboorte in de directe nabijheid van de hoogste niveaus van de Medinese kennis-overlevering. Hij was geen import-geleerde die zich met moeite een plaats bij de gevestigde families moest verwerven; hij was zelf een van die families.
Zijn geboortejaar wordt door de biografische literatuur doorgaans op 93 AH geplaatst, hetzelfde jaar waarin Anas ibn Malik ﵁, de laatste Sahabi van Medina, in Basra overleed. Dat is een symbolisch toeval. Op het moment dat de directe schakel naar de Profeet ﷺ in Anas ﵁ uit Medina verdwenen was, werd in dezelfde stad de jongen geboren die deze schakel via de Tabi’in en de tabi-tabi’in in een boek zou organiseren. Maliks ﵀'s opleiding begon op een leeftijd die in onze tijd ondenkbaar zou zijn, maar die in het Medina van de eerste decennia van de tweede eeuw AH normaal was. Hij begon op zeer jonge leeftijd hadith te memoriseren, en hij was, zoals zijn latere leerling Sufyan ibn Uyayna ﵀ heeft overgeleverd, een student die van het allereerste begin af aan opschreef wat hij ontving.
Azami ﵀ noteert in zijn samenvatting van Maliks ﵀'s leerpraktijk een veelzeggend detail. Hij is een van de autoriteiten op het gebied van hadith. Hij begon hadith te leren door te schrijven. Het lijkt dat hij van al zijn leraren schreef en niet alleen op het geheugen vertrouwde. Sufyan ibn Uyayna ﵀ heeft gezegd dat de geleerden Malik ﵀ volgden in het testen van de overbrenger. Indien Malik ﵀ van hem had geschreven, zouden zij van hem schrijven. Het detail is niet bijkomstig. Het zegt dat Maliks ﵀'s schrift-praktijk in zijn eigen tijd niet alleen als persoonlijke gewoonte werd gezien, maar als een toets-instrument; als Malik ﵀ een overbrenger op schrift had gezet, was die overbrenger geaccrediteerd in de bredere geleerden-kring.
Zijn leraren waren de bloem van Medina in de eerste decennia van de tweede eeuw AH. Twee van hen springen er in het isnad-materiaal van de Muwatta’ uit: Nafi’ ﵀ en al-Zuhri ﵀ waren, zoals Azami vaststelt, beide de voornaamste bronnen van Malik ﵀ voor zijn boek. Bovenaan stond Muhammad ibn Shihab al-Zuhri ﵀, de systematische compilator wiens leven en aanval-geschiedenis wij eerder hebben gevolgd. Al-Zuhri ﵀ was reeds een gevestigde autoriteit toen Malik ﵀ als jongen aan zijn voeten kwam zitten, en hij is, in het isnad-materiaal van de Muwatta’, de meest geciteerde individuele leraar. Een tweede pijler was Nafi’ ﵀, de mawla van Abdullah ibn Umar ﵁. Nafi’ ﵀ had decennia in het huishouden van Ibn Umar ﵁ doorgebracht en was de man die de gigantische Umar-Ibn-Umar-overlevering met de grootste detailgetrouwheid had vastgelegd. Door Nafi’ ﵀ kreeg Malik ﵀ rechtstreeks toegang tot wat de tweede kalief in juridische en rituele kwesties had geoordeeld, en tot wat de Profeet ﷺ door tussenkomst van Umar ﵁ en zijn zoon over twee generaties was overgeleverd.
Een derde leraar was Hisham ibn Urwa ﵀, zoon van Urwa ibn az-Zubayr ﵀, en dus de man via wie de overlevering van Aisha ﵂ in twee generaties bij Malik ﵀ kwam. De Profetische intimiteit die in Aisha ﵂'s herinnering bewaard was, kwam via deze ketting in de Medinese fiqh terecht, met Hisham ﵀ als de directe schakel die Malik ﵀ persoonlijk had gehoord. Een vierde was Rabi’ah ibn Abi Abd ar-Rahman, bekend als Rabi’ah ar-Ra’y ﵀, de Medinese jurist wiens analytisch-redenerende stijl Malik ﵀ in zijn jonge jaren intens beïnvloedde. Yahya ibn Sa’id al-Ansari ﵀, Abu az-Zinad ﵀ en Ibn Hurmuz ﵀ vulden de rij aan, en uit de bredere fiqh-context kwam ook Ja’far as-Sadiq ﵀, de afstammeling van Ali ﵁ en Fatimah ﵂, met wie Malik ﵀ in Medina meermaals in dialoog stond.
Een leraar die in geen enkele biografie ontbreekt, en wiens patronage Malik ﵀'s status in zijn eigen tijd vastlegde, was Ibn Hurmuz ﵀. Malik ﵀ heeft over hem gezegd dat hij bijna vijftien jaar in de buurt van diens huis bleef wonen om geen enkele zitting te missen. Het cijfer komt boven op de acht jaar die al-Zuhri ﵀ in de buurt van Sa’id ibn al-Musayyib ﵀ had gewoond, zoals wij eerder hebben gezien. Wij krijgen door deze beide cijfers samen een beeld van de geleerden-vorming in Medina dat ver afligt van het beeld van losse colleges. Een Medinese student van betekenis bouwde zijn relatie tot een leraar in tien tot vijftien jaar van dagelijkse nabijheid op, met de bedoeling om diens hele materiaal, zijn hele werkwijze en zijn hele beoordelingscriteria over te nemen. Wat zo’n student vervolgens uit zijn leraren samenstelde, was geen compilatie van losse notities; het was de gesynthetiseerde uitvoering van een opleiding die de gesynthetiseerde uitvoering was van twee voorgaande opleidingen.
Op deze fundering bouwde Malik ﵀ zijn eigen kring. Vanaf zijn vroege dertiger jaren gaf hij in de Profetische Moskee zelf onderricht. De plaats waar hij zat, niet ver van de minbar, werd door alle latere bezoekers van Medina opgezocht en behoort tot de geschiedenis van de stad. Hij gaf hadith en fiqh tegelijk; hij gaf de overlevering van de Profeet ﷺ, de athar van de Sahaba ﵃, de praktijk van de Medinese Tabi’in en zijn eigen fiqh-conclusies in één gesynthetiseerde sessie, en hij liet zijn leerlingen schrijven. Toen ash-Shafi’i ﵀, decennia later, terugkeek op zijn jaren in Medina, vatte hij zijn leraar in één formulering samen die in de hele islamitische geleerdheidsgeschiedenis spreekwoordelijk is geworden: Wanneer de geleerden over hadith ter sprake komen, dan is Malik ﵀ de ster.
De Muwatta’ als boek
Wat is de Muwatta’. Het woord muwatta’ betekent letterlijk “het gebaande”, of “het effen-gemaakte”, in de zin van een terrein dat door langdurig gebruik zo glad is geworden dat eenieder erop kan lopen. De Arabische naam vat in één woord samen wat Imam Malik ﵀ met zijn boek voor ogen had. Het was geen verzameling van obscure overlevering, geen archief van zeldzame ketens, geen vitrine van bijzonderheden. Het was een boek waarin alleen die hadith en die athar waren opgenomen die in de praktijk van de Medinese geleerden-gemeenschap zo veel-gebruikt en zo onbetwist waren dat zij als gemeenschappelijk bezit, als bekend terrein, golden. Naar de klassieke overlevering heeft Malik ﵀ oorspronkelijk een veel groter materiaal voor opname overwogen en dat in herhaalde herzieningen sterk teruggebracht, omdat alleen een kern het criterium van muwatta’ haalde.
Het boek is georganiseerd naar fiqh-onderwerp, niet naar overbrenger en niet chronologisch. Het opent met Kitab Waqut as-Salah, het Boek van de Tijden van het Gebed, en doorloopt vervolgens de complete topografie van het islamitische rituele en juridische leven: reinheid, gebed, vasten, hajj, jihad, eden, contracten, huwelijk, scheiding, erfenis, hudud, qisas, slavenrecht, handel, drinkgelegenheid, kleding, etiquette, voorspraak, qadar. Elk hoofdstuk opent met de hadith van de Profeet ﷺ die het onderwerp bepalen, daarna komen de athar van de Sahaba ﵃ die in concrete gevallen oordeel hebben geveld, daarna de praktijk van de bekende Medinese Tabi’in, en tenslotte Maliks ﵀'s eigen fiqh-conclusie waarin hij de drie lagen synthetiseert. Het resultaat is een boek dat in zijn structuur drie lagen tegelijk bedient, en dat in zijn lezer drie bewegingen tegelijk uitvoert: hij leert wat de Profeet ﷺ heeft gezegd, hij ziet hoe de Sahaba ﵃ het hebben toegepast, en hij krijgt de Medinese rechtspraktijk gepresenteerd als de uitgewerkte vorm waarin het in een levende gemeenschap gestalte heeft gekregen.
Het aantal overleveringen in de standaard-uitgave van de Yahya-recensie van Yahya ibn Yahya al-Laythi ﵀ ligt in de orde van zeventienhonderd, verdeeld over de twee categorieën van marfu’ (rechtstreeks aan de Profeet ﷺ toegeschreven) en mawquf (stoppend bij de Sahaba ﵃ of de Tabi’in). Het aandeel Sahaba-en-Tabi’in-materiaal weegt daarin zwaarder dan het rechtstreeks-Profetische, wat zegt dat de Muwatta’ bewust niet als een pure hadith-collectie maar als een uitgewerkt fiqh-handboek is samengesteld. Hier raakt het boek aan een dimensie die voor de hele oriëntalistische scheiding tussen hadith en fiqh een onhandig feit is. De westerse geschiedschrijving van de Islam heeft, in de lijn van Schacht, geprobeerd hadith en fiqh als twee opeenvolgende historische lagen te presenteren: eerst was er fiqh, gebaseerd op lokale gewoonten en later-gefabriceerde Profetische uitspraken, en pas daarna kwam de hadith-discipline die de vroege fiqh van retroactieve isnad voorzag. De Muwatta’ is in deze constructie een onmogelijk boek. Het is een boek waarin hadith en fiqh van geboorte af verstrengeld zijn, waarin Profetische uitspraken, Sahaba-praktijk en geleerden-redenering in elk hoofdstuk in dezelfde tekstruimte samenkomen, en waarin het lezerlijke kunststuk er juist in bestaat te zien hoe elke fiqh-positie in elk van de drie lagen geworteld is.
Dat Malik ﵀ deze structuur niet heeft uitgevonden maar van zijn leraren heeft overgenomen, en haar slechts heeft uitgewerkt tot een boek-formaat, is voor onze argumentatie een belangrijk punt. De Medinese kring rond al-Zuhri ﵀ werkte reeds in deze samenstelling van Profetische woorden, Sahaba-praktijk en Tabi’in-toepassing. De Muwatta’ is, in dat opzicht, niet de uitvinding van een genre maar de eerste publicatie van een methode die in de Medinese leraren-keten al een eeuw lang in mondelinge en in semi-schriftelijke vorm bestond. Malik ﵀ heeft niet iets nieuws gemaakt; hij heeft iets bestaands voor de eerste keer in boek-vorm aan de hele islamitische wereld beschikbaar gesteld.
De gouden ketting
Op één enkele isnad-keten in de Muwatta’ wil de hadith-traditie ons in dit verband nader laten kijken, want zij is het bewijsstuk waarop honderdvijftig jaar later al-Bukhari ﵀‘s eigen bouwwerk rustte. De keten loopt van Malik ﵀ naar Nafi’ ﵀ naar Abdullah ibn Umar ﵁ naar de Profeet ﷺ. Vier mannen, drie tussenschakels, een ononderbroken aaneenschakeling van geheugen en toetsing in vier opeenvolgende generaties. In de klassieke ulum al-hadith is deze keten tot een vaste categorie geworden. De muhaddithun zijn haar asahh al-asanid gaan noemen, de meest authentieke aller isnaden. Aan wie deze rangschikking precies moet worden toegeschreven, is onder de klassieke geleerden zelf niet uitgemaakt; zij wordt in de mustalah-literatuur wisselend aan al-Bukhari ﵀, aan Ishaq ibn Rahwayh en aan anderen verbonden. Wat vaststaat is dat de latere hadith-geleerden, onder wie Ibn Hajar al-Asqalani ﵀ en adh-Dhahabi ﵀, de Malik-Nafi’-Ibn-Umar-keten als een van de allerhoogst gewaardeerde ketens hebben opgetekend.
أَصَحُّ الْأَسَانِيدِ : مَالِكٌ عَنْ نَافِعٍ عَنِ ابْنِ عُمَرَ ﵁
"De meest authentieke aller isnaden is: Malik ﵀, van Nafi' ﵀, van Ibn Umar ﵁."
Klassieke rangschikking van de muhaddithun, opgetekend bij onder anderen Ibn Hajar al-Asqalani ﵀, Hady as-Sari, en adh-Dhahabi ﵀, Siyar A'lam an-Nubala
Wat zegt deze keten in haar interne structuur. Ibn Umar ﵁ heeft, van zijn vroege jeugd tot aan de dood van de Profeet ﷺ, in de directe nabijheid van zijn vader Umar ibn al-Khattab ﵁ en in regelmatige contact met de Profeet ﷺ zelf, een geheugen opgebouwd dat de jonge jaren van het kalifaat, de Hudaybiyya-onderhandelingen, de Hajj-ritus in zijn definitieve Profetische vorm, en honderden details van het Medinese rituele leven met fotografische precisie heeft bewaard. Hij is gestorven in 73 of 74 AH, op een leeftijd van ruim tachtig jaar, na een halve eeuw van fiqh-uitgifte in Medina. Nafi’ ﵀ was zijn mawla, oorspronkelijk een gevangene uit Khurasan die door Ibn Umar ﵁ was vrijgekocht en die vervolgens decennia in zijn huishouden had geleefd. Wanneer Ibn Umar ﵁ een hadith voor de zoveelste keer aan een bezoeker dicteerde, zat Nafi’ ﵀ ernaast. Wanneer een vragensteller een twijfelpunt over een Profetisch handelen voorlegde, was het Nafi’ ﵀ die het detail naliep. Wanneer Ibn Umar ﵁ door een ziekte een dag niet kon spreken, was het Nafi’ ﵀ die in zijn plaats antwoord gaf. De hadith-traditie heeft over Nafi’ ﵀ geschreven dat zijn overlevering van Ibn Umar ﵁ niet als een toeschrijving moet worden gelezen, maar als een vertegenwoordiging; hij sprak niet over Ibn Umar ﵁, hij sprak voor hem.
Malik ﵀ heeft Nafi’ ﵀ in zijn vroege leerjaren persoonlijk gehoord. Nafi’ ﵀ overleed in 117 AH, toen Malik ﵀ ongeveer vierentwintig jaar oud was. De jonge Malik ﵀ heeft, in de jaren tussen zijn zestiende en zijn vierentwintigste, intensief aan Nafi’ ﵀‘s voeten gezeten, en hij heeft de Ibn-Umar-overlevering in haar volledige Nafi’iyya-vorm overgenomen. Juist dit gegeven heeft Azami tegen Schacht ingebracht: leraar en leerling leefden beiden in één stad tot Malik ﵀ vierentwintig jaar oud was, zodat de keten geen latere reconstructie kan zijn maar een rechtstreeks doorgegeven overlevering. Zijn vermogen om deze keten in de Muwatta’ op tientallen plaatsen te activeren, is niet een literaire keuze maar een eenvoudige consequentie van wat hij persoonlijk had ontvangen.
Vier mannen, drie tussenschakels, één Profeet ﷺ. Geen van de drie schakels is een toeschrijving; alle drie zijn zij overleveringsrelaties van decennia. Het is in deze materiële werkelijkheid dat de klassieke rangschikking asahh al-asanid haar betekenis krijgt. Een keten waarin elk lid zijn voorganger tien jaar of langer dagelijks heeft gehoord, en waarin de voorganger zijn eigen voorganger op zijn beurt tien jaar of langer dagelijks heeft gehoord, is een keten waarin de mogelijkheid van vervalsing of misverstand structureel buiten beeld is. Wanneer al-Bukhari ﵀ honderdvijftig jaar later zijn Sahih bouwde, koos hij voor veel van zijn meest centrale rechtspraak-hadith juist deze keten als de drager. Dat is geen literaire voorkeur. Dat is een professioneel oordeel van een man die alle alternatieven kende en wist welke het zwaarste woog.
De publieke circulatie
Een boek dat door zijn auteur is geschreven en in een lade is opgeborgen, is geen publiek-circulerende compilatie. Een boek dat door zijn auteur publiek wordt onderwezen, dat aan honderden leerlingen wordt gedicteerd, dat in tientallen onafhankelijke transmissielijnen door zijn leerlingen wordt meegenomen naar verschillende hoofdsteden, en dat daar in vergelijkbare vorm wordt voorgedragen aan derde-generatie-publiek, is wat de hadith-wetenschap onder een publiek werk verstaat. De Muwatta’ was, in deze tweede betekenis, van het begin af aan een publiek boek.
Azami noteert dat de Muwatta’ keer op keer is gepubliceerd en dat honderden studenten het boek hebben gelezen. Hij vermeldt dat het boek in ongeveer vijftien overgeleverde versies bestaat, en dat ad-Daraqutni ﵀ in de vierde eeuw AH een eigen werk heeft samengesteld waarin hij de verschillende versies naast elkaar legt om de varianten te documenteren. Het werd vroeger gedacht dat dit het eerste boek was dat in Hadith of Fiqh werd samengesteld, maar nu hebben wij, gelukkig, enkele van Maliks ﵀'s bronnen tot onze beschikking. De terloopse opmerking is in onze argumentatie geen kleine. Zij zegt dat de Muwatta’ lange tijd in zowel de islamitische als in de oriëntalistische academische literatuur als de eerste van haar genre is beschouwd, en dat zelfs deze veronderstelling, die de Muwatta’ al een eeuw vóór al-Bukhari ﵀ plaatst, recente vondsten heeft gehad die nog vroegere voorlopers aan het licht hebben gebracht. De stelling dat de hadith-compilatie pas in de derde eeuw AH zou zijn begonnen, breekt niet alleen op de Muwatta’, maar zelfs op de bronnen waarop de Muwatta’ zelf weer leunt.
Wie waren de leerlingen die deze publicatie naar buiten droegen. Wij volgen er een aantal in detail, geografisch gespreid, omdat zij in hun verspreiding de structurele werkelijkheid laten zien die wij in de hele argumentatie aanvoeren.
In al-Andalus ging de Muwatta’ via Yahya ibn Yahya al-Laythi ﵀, overleden in 234 AH, geboren in Córdoba in 152 AH. Yahya ﵀ reisde als jonge man naar Medina, zat anderhalf jaar in Maliks ﵀‘s kring, hoorde de Muwatta’ van de meester zelf in haar volledige vorm met op één na alle hoofdstukken (een welbekend detail in de biografische literatuur, waarover hieronder meer), en bracht het werk in 179 AH, het sterfjaar van Malik ﵀, terug naar het Iberisch schiereiland. Zijn versie van de Muwatta’ werd in de eeuwen daarna de standaard-tekst in de hele Maghreb en in al-Andalus, en het is deze recensie die in de hedendaagse uitgaven dominant is. Yahya ﵀ leerde in Córdoba een hele generatie Andalusische fuqaha op, en de Muwatta’ werd, via de gerechtelijke positie die de Maliki-school in het Umayyad-emiraat van Córdoba innam, de drager van de rechtspraktijk in steden aan de uiterste westrand van de bewoonde wereld, duizenden kilometers van Medina.
In Egypte ging het werk via meerdere ketens tegelijk. Abdullah ibn Wahb ﵀, overleden in 197 AH, was een van Maliks ﵀‘s meest minutieuze leerlingen en stelde zelf in Fustat een verzameling samen die de Muwatta’-overlevering met materiaal uit andere leraren combineerde. Abd ar-Rahman ibn al-Qasim ﵀, overleden in 191 AH, was een tweede Egyptische verkondiger, en zijn leerling Sahnun ﵀ in Kairouan stelde op grond van Ibn al-Qasim ﵀‘s notities de Mudawwana samen, het tweede grote Maliki-rechtsboek van de westelijke wereld, dat de Muwatta’ aanvulde en uitwerkte. De derde Egyptische lijn liep via Abdullah ibn Yusuf at-Tinnisi ﵀, overleden in 218 AH, en het is precies via deze laatste man dat de Muwatta’ de Sahih van al-Bukhari ﵀ binnenkomt: een aanzienlijk aantal hadith in de Sahih draagt de isnad Bukhari → Abdullah ibn Yusuf → Malik → Nafi’ → Ibn Umar ﵁ → Profeet ﷺ. Azami noteert overigens dat Malik ﵀ in de Muwatta’ van Nafi’ ﵀ tachtig Profetische overleveringen heeft opgetekend, goed voor ongeveer vijftien pagina’s in de gedrukte tekst van Ibn Abd al-Barr. Honderdvijftig jaar nadat de Muwatta’ was geschreven, was zij in al-Bukhari ﵀'s eigen werkproces een directe bron, in één enkele overleveringsstap naar Malik ﵀ zelf.
In Iraq ging de Muwatta’ via Muhammad ibn al-Hasan ash-Shaybani ﵀, overleden in 189 AH, de meest beroemde leerling van Abu Hanifa ﵀ en de man die de Hanafi-fiqh in geschreven boekvorm heeft vastgelegd. Ash-Shaybani ﵀ reisde naar Medina, hoorde de Muwatta’ van Malik ﵀ in persoon, en stelde op grond daarvan zijn eigen Muwatta’ samen, een recensie waarin hij na elke hadith aangaf hoe de Hanafi-school het materiaal zou benaderen. Deze ash-Shaybani-recensie circuleerde in Iraq, in Khurasan en in de oostelijke wereld, en zij was eeuwenlang het kanaal waarlangs Hanafi-juristen met de Maliki-overlevering in dialoog stonden. Dat een leerling van Abu Hanifa ﵀ persoonlijk naar Medina afreisde om de Muwatta’ aan de bron te horen, en dat hij vervolgens in Iraq een eigen recensie samenstelde, is op zichzelf reeds een bewijs van het werk-karakter dat Maliks ﵀'s boek in zijn eigen tijd droeg. Een privé-notitie wordt niet door de tegenstander van de school ter plaatse opgehaald en in een gepubliceerde editie verwerkt. Een gepubliceerd-en-erkend werk wel.
In Medina zelf zorgde Abu Mus’ab az-Zuhri ﵀, overleden in 242 AH, voor een transmissielijn die het werk in de hoofdstad zelf in zijn volledige Medinese vorm bewaarde. Suwayd ibn Sa’id al-Hadathani ﵀ leverde een vierde belangrijke recensie. Ibn Bukayr ﵀ in Egypte, Ali ibn Ziyad in Ifriqiya, en nog een reeks anderen vulden de lijst aan. De ongeveer vijftien volledig overgeleverde versies waarvan ad-Daraqutni ﵀ in zijn vergelijkende werk gebruik heeft gemaakt, zijn de recensies die in de vierde eeuw AH nog tekstueel raadpleegbaar waren.
Wat in deze gespreide circulatie tot uitdrukking komt, is wat de hadith-wetenschap onder tawatur lafzi en tawatur ma’nawi verstaat. Het werk van Malik ﵀ was binnen één generatie na zijn dood door een reeks onafhankelijke tussenschakels van Medina naar Marokko, Egypte, Iraq, Sham, Yemen en al-Andalus verspreid. Op elk punt van die verspreiding werd de tekst aan andere leerlingen voorgelegd en met andere recensies vergeleken. Een willekeurige toevoeging in één recensie viel in vergelijking met de andere onmiddellijk op. Een willekeurige weglating in één recensie deed hetzelfde. Het is precies deze methode die Azami bij de vroege geleerden beschrijft: soms verzamelden zij vijftien en twintig versies van één werk om ze op fouten en afwijkingen te vergelijken. Het corrigerende werk dat ad-Daraqutni ﵀ in de vierde eeuw AH deed, en dat vandaag in moderne kritische edities herhaald is, gebruikte precies deze veelheid van onafhankelijke transmissielijnen om elke variant te lokaliseren en te wegen. Het is in deze materiële controle-architectuur dat de Muwatta’ niet alleen een publiek-gepubliceerd werk was, maar een gecontroleerd-publiek-gepubliceerd werk; een boek waarin elke afwijking aan een reeks parallelle versies kon worden afgemeten.
De confrontatie met Harun ar-Rashid
Tot de meest beroemde anekdotes in Maliks ﵀‘s biografie behoort de episode waarin een Abbasid-kalief hem voorstelde de Muwatta’ tot bindend kalifaal recht voor het hele rijk te verklaren. De klassieke biografen, onder wie Ibn Abd al-Barr in al-Intiqa’ en Qadi Iyad in Tartib al-Madarik, hebben de episode in meerdere varianten bewaard. In sommige gaat zij over Harun ar-Rashid, in andere over zijn vader al-Mansur of zijn voorganger al-Mahdi, en de bewoordingen lopen van versie tot versie uiteen. De kern is in alle varianten dezelfde: een Abbasid-kalief biedt aan om Maliks ﵀'s boek tot universele wet van de oemma te maken, en Malik ﵀ weigert. Wij geven de episode hier weer zoals de klassieke biografen haar overleveren, zonder aan de wisselende versies een vaste woordelijke tekst toe te schrijven.
Volgens deze overleveringen was de kalief tijdens een van zijn Hajj-bedevaarten in Medina, waar Malik ﵀ de onbetwiste eerste autoriteit was. Toen de kalief hem naar het paleis liet ontbieden, zou Malik ﵀ hebben geantwoord dat de kennis niet naar de heerser komt maar dat de heerser naar de kennis komt. De kalief kwam daarop, naar verluidt eerder onder de indruk dan beledigd, zelf naar Maliks ﵀'s huis.
In het onderhoud dat de biografen vervolgens beschrijven, prees de kalief de Muwatta’ als het beste boek dat na het Boek van Allah ﷻ was samengesteld en bood hij aan om het in kopieën te laten vermenigvuldigen en in de gerechtshoven van het kalifaat tot dwingend recht te verheffen, zodat de oemma onder één rechtsstelsel zou leven en de verdeeldheid tussen de fiqh-scholen zou verdwijnen. Malik ﵀ raadde het af. Zijn bezwaar, zoals de overlevering het weergeeft, was dat de Metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ na zijn dood naar de verschillende landen waren getrokken en in elk land hadith en oordeel hadden achtergelaten die de mensen daar van hen hadden overgenomen, zodat iedere streek op grond daarvan een eigen rechtspraktijk had gevormd. Eén boek tot dwingend recht verheffen zou aan de mensen ontnemen wat zij van de Metgezellen ﵃ hadden ontvangen. Toen de kalief in een variant voorstelde de Muwatta’ dan in elk geval in de Ka’bah op te hangen zodat elke pelgrim haar kon raadplegen, raadde Malik ﵀ ook dat af, met het argument dat de Metgezellen over fiqh-zaken onderling hadden verschild zonder daarover in twist te raken, en dat zijn boek slechts weergaf wat hij in Medina van zijn leraren had gehoord: geen norm die boven de andere fiqh moest staan, maar een werk dat naast hen leefde.
De anekdote is voor onze argumentatie in twee opzichten van betekenis. Het eerste opzicht is biografisch. Malik ﵀ was geen hofgeleerde die de gunst van het kalifaat zocht; hij was, integendeel, een geleerde die het kalifaat op afstand hield wanneer dat kalifaat zijn werk wilde monopoliseren. Wie de Muwatta’ wil lezen als een staats-project, breekt op deze anekdote. Het werk werd niet door een kalief geboden noch door een kalief gesanctioneerd; het werd door zijn auteur uitdrukkelijk aan elke kalifale claim onttrokken.
Het tweede opzicht is structureel. In zijn weigering articuleerde Malik ﵀ een visie op de geleerde-onafhankelijkheid die in de hele klassieke islamitische geschiedenis de norm zou worden. Een geleerde mag een kalief adviseren, mag voor een kalief lesgeven, mag van een kalief vergoedingen ontvangen, maar mag zijn eigen werk niet door een kalief tot wet laten verheffen, omdat een dergelijke verheffing aan de oemma haar pluralisme van fiqh-scholen ontneemt en aan de wetenschap haar zelfstandigheid. Dat een geleerde van Maliks ﵀'s formaat dit beginsel niet alleen in zijn werk maar tegen een Abbasid-kalief in persoon heeft geformuleerd, is in de geschiedenis van de relatie tussen kennis en macht in de Islam een markeringspunt geweest waar talloze latere geleerden naar terug hebben verwezen.
Wat dit weerlegt
Wij keren nu terug naar de stelling waarmee dit artikel is geopend. De westerse hadith-kritiek, in de lijn van Ignaz Goldziher in 1890 en Joseph Schacht in 1950, heeft als kerngedachte gehad dat de hadith-literatuur niet teruggaat op de Profeet ﷺ en de Sahaba ﵃ maar op de juridische en theologische strijd van de tweede eeuw AH. In dat kader hebben zij gewerkt met een chronologisch schema waarin de echte hadith-compilatie pas in de derde eeuw AH zou hebben plaatsgevonden, met al-Bukhari ﵀'s Sahih in 256 AH als ankerpunt. Wat voor de derde eeuw AH zou hebben gegolden als hadith-overlevering, zou óf lokale fiqh zijn geweest die later met retroactieve isnad was opgesierd, óf privé-notities die nooit in een publiek-geverifieerde vorm hadden bestaan.
De Muwatta’ is in dit historische schema het lastige feit dat niet kan worden weggeredeneerd. Wij hebben in dit artikel zes structurele eigenschappen van het werk vastgesteld, en wij plaatsen ze nu in tegen het oriëntalistische schema, één voor één, om aan te tonen waar elk schema-element op het materiële bewijs strandt.
Ten eerste was de Muwatta’ door haar auteur persoonlijk op schrift gesteld. Malik ﵀ heeft niet zoals andere geleerden het opschrijven aan zijn leerlingen overgelaten; hij heeft het werk zelf gedicteerd en over decennia zelf herzien. De recensie van Yahya ﵀ vermeldt het zelfs uitdrukkelijk in haar inleiding: dit is het boek zoals Malik ﵀ het zelf samenstelde en de auteur was. Een privé-notitie zou een dergelijk auteurschap niet hebben gedragen.
Ten tweede was de Muwatta’ over decennia herzien. De latere recensies bevatten passages die in de vroegere recensies anders waren geformuleerd, of waar Malik ﵀ in zijn latere jaren overleveringen had laten vallen die hij eerder had opgenomen. Wij weten dit niet uit een veronderstelling, maar uit de vergelijkende studie die ad-Daraqutni ﵀ in de vierde eeuw AH naar de verschillende recensies heeft uitgevoerd. Een werk dat over decennia door zijn auteur wordt herzien, is een levend publiek werk, geen privé-archief.
Ten derde was de Muwatta’ in Medina publiek onderwezen; honderden studenten hebben het gelezen. Het was niet een werk dat in besloten kring werd doorgegeven; het was het boek dat de Profetische Moskee zelf als leerstof beschouwde, met Malik ﵀ als de docent die naast de minbar van de Profeet ﷺ zijn plaats innam. Het publieke karakter van dit onderwijs is in de biografische literatuur breed vastgelegd.
Ten vierde was de Muwatta’ binnen één generatie na de dood van haar auteur in al de grote hoofdsteden van de oemma fysiek aanwezig, met onafhankelijke transmissielijnen die door persoonlijke aanwezigheid in Medina aan de bron waren afgemeten. Yahya al-Laythi ﵀ bracht haar naar al-Andalus, Ibn Wahb ﵀ en Ibn al-Qasim ﵀ naar Egypte, ash-Shaybani ﵀ naar Iraq, Suwayd ﵀ naar Khurasan, Abu Mus’ab ﵀ bewaarde haar in Medina. Een privé-notitie verspreidt zich niet langs een reeks onafhankelijke transmissielijnen over een continent binnen één generatie; een gepubliceerd standaardwerk doet dat wel.
Ten vijfde was de Muwatta’ in haar verschillende recensies onderling vergelijkbaar, en het bewaarde corpus van ongeveer vijftien recensies maakte tekstkritische vergelijking mogelijk. Wij beschikken vandaag nog over een aantal van die recensies in volledige vorm, en kunnen ad-Daraqutni ﵀‘s vierde-eeuwse vergelijking aan een hedendaagse herhaling onderwerpen. De resultaten zijn voor de oriëntalistische stelling dramatisch: de varianten tussen de recensies bestaan, maar zij zijn marginaal, zij raken nooit aan de juridische conclusie en zij raken bijna nooit aan de isnad-keten. De materiële stabiliteit van de Muwatta’ over deze onafhankelijke transmissielijnen is, in de moderne tekstkritische beoordeling, opmerkelijk hoog.
Ten zesde was de Muwatta’ door al-Bukhari ﵀ zelf, anderhalve eeuw na haar voltooiing, als directe bron in zijn Sahih opgenomen, met een aanzienlijk aantal hadith die de isnad Bukhari → Abdullah ibn Yusuf at-Tinnisi → Malik → Nafi’ → Ibn Umar ﵁ → Profeet ﷺ dragen. Dit feit is voor het oriëntalistische schema het meest verpletterende, want het zegt dat de geleerde die in dat schema wordt voorgesteld als de eerste-eeuwse uitvinder van de geautoriseerde hadith-compilatie, zelf zijn werk presenteert als een selectieve voortzetting van een werk dat anderhalve eeuw eerder reeds in publieke vorm bestond. Sezgin heeft al-Bukhari ﵀ dan ook getypeerd als de eerste die het gezag van de isnad werkelijk ter discussie heeft gesteld, en niet als de uitvinder ervan. Al-Bukhari ﵀ heeft de Sahih niet gebouwd uit niets; hij heeft haar gebouwd uit een corpus waarvan de Muwatta’ een van de fundamentele bouwstenen was, en uit een isnad-architectuur waarvan de Malik-Nafi’-Ibn-Umar-keten het meest prestigieuze element vormde.
Goldziher en Schacht hebben hun stelling op een chronologisch schema gebaseerd. Dat schema strandt op een boek dat honderd jaar te vroeg bestaat, in kopieën te ver verspreid is, en dat honderdvijftig jaar later door de geleerde die in dat schema het ankerpunt zou zijn, als bron is overgenomen. Wat zij als de geboorte van de geautoriseerde hadith-compilatie wilden plaatsen, is in werkelijkheid een hoogtepunt in een veel langere ontwikkeling waarvan de Muwatta’ de eerste publicatie-momentopname is.
De gouden ketting in al-Bukhari ﵀'s Sahih
Wij blijven nog een ogenblik bij dit zesde punt, want het is in de bewijsketen tegen het oriëntalistische schema het sterkste. Al-Bukhari ﵀ erft via zijn leraar Abdullah ibn Yusuf at-Tinnisi ﵀ in Egypte de volledige Muwatta’-overlevering rechtstreeks van Maliks ﵀‘s leerling. At-Tinnisi ﵀ heeft Malik ﵀ in zijn jongere jaren in Medina horen onderwijzen, heeft de Muwatta’ in haar eigen Medinese vorm overgenomen, en heeft haar in zijn Egyptische jaren aan generaties leerlingen doorgegeven. Toen al-Bukhari ﵀ in zijn rondreizen door de oemma in Egypte aankwam, was at-Tinnisi ﵀ daar nog een levende autoriteit, en al-Bukhari ﵀ heeft jaren in zijn kring doorgebracht. Wat al-Bukhari ﵀ vervolgens in de Sahih opnam onder de isnad Bukhari → Abdullah ibn Yusuf → Malik → Nafi’ → Ibn Umar ﵁ → Profeet ﷺ, is een overlevering die hij in twee tussenschakels van Malik ﵀ zelf had gehoord.
De hoeveelheid hadith in de Sahih die deze of een variante Malik-keten dragen, is moeilijk overschat. In het Boek van de Gebedstijden, in het Boek van de Hajj, in het Boek van het Vasten, in het Boek van de Zakah, in het Boek van het Huwelijk, op tal van plaatsen in de juridische hoofdstukken keert deze keten terug, vaak als de openings-hadith van een nieuw hoofdstuk. Wanneer een hedendaagse lezer een hoofdstuk van de Sahih opslaat en de eerste hadith bekijkt, vindt hij in een aanzienlijk deel van de hoofdstukken de Malik-Nafi’-Ibn-Umar-keten als de drager. Dit is geen toeval. Het is de bewuste constructiekeuze van al-Bukhari ﵀, die wanneer hij voor een hoofdstuk de meest dragende hadith zocht, terugviel op juist die keten die de muhaddithun als asahh al-asanid zijn gaan waarderen.
Wij kunnen het ook in andere woorden zeggen. Wat in de Sahih van al-Bukhari ﵀ als de meest authentieke hadith wordt gepresenteerd, is in een aanzienlijk deel van de gevallen overlevering die hij rechtstreeks uit een gepubliceerd-en-bekend boek van anderhalve eeuw eerder heeft overgenomen, met slechts twee tussenschakels naar de auteur van dat boek. De Sahih leunt niet op een corpus van losse overlevering die al-Bukhari ﵀ in de derde eeuw AH uit het niets zou hebben verzameld. Zij leunt op een corpus van publiek-circulerende boeken waarvan de Muwatta’ de oudste en de meest centrale is.
Wat met Malik ﵀ in 179 AH werd afgesloten
Imam Malik ﵀ overleed in Medina in 179 AH, in zijn zes-en-tachtigste levensjaar. Hij werd begraven in de Baqi-begraafplaats van Medina, op enkele honderden meters van het graf van de Profeet ﷺ. De stad waarvan zijn boek de juridische praktijk had gecodificeerd, ontving hem in haar grond. Zijn leerlingen, die van Marokko tot Khurasan op die dag in hun eigen leerkringen verspreid over het rijk zaten, ontvingen het bericht in de weken die volgden, en het hele oemma-netwerk waarin zijn boek inmiddels gevestigd was, droeg zijn naam in een week van rouw.
Wat hij had achtergelaten, was geen titel, geen bezit en geen instelling. Hij had geen madhhab gesticht in de organisatorische zin van het woord; de Maliki-school zou pas in de generaties na hem, door het werk van zijn leerlingen Sahnun ﵀ in Kairouan, Ibn al-Qasim ﵀ in Egypte en Yahya ﵀ in Córdoba, tot een gestructureerde fiqh-traditie groeien. Wat hij had achtergelaten, was een boek. Een boek dat door zijn auteur was geschreven, door zijn auteur was herzien, door zijn auteur was onderwezen, door zijn leerlingen was gekopieerd, door zijn leerlingen-van-leerlingen was vergeleken en doorgegeven, en dat door al-Bukhari ﵀ anderhalve eeuw later in directe overneming als bron werd ingezet. Dat boek bestaat vandaag nog, in de overgeleverde recensies, en de hedendaagse kritische edities die door de Maktabat al-Imam Malik en door andere uitgeverijen in de twintigste eeuw zijn verzorgd, geven aan elke hedendaagse lezer toegang tot dezelfde overlevering die in 150 AH in de Profetische Moskee werd voorgedragen.
In Maliks ﵀‘s nalatenschap krijgt de hele argumentatie van dit thema haar eerste materiële verankering. De Quran-compilatie, die wij in de eerste sub-kaart van dit thema in achttien artikelen hebben gevolgd, kende een geschreven verankering in 25 AH onder Uthman ﵁. De hadith-compilatie, die wij in deze tweede sub-kaart volgen, kent haar eerste publieke geschreven verankering in 150 AH onder Imam Malik ﵀, en haar definitieve canonieke verankering in de Sittah-werken in de derde eeuw AH. Tussen die twee staan figuren als al-Zuhri ﵀, Ibn Sirin ﵀, Ma’mar ibn Rashid ﵀, al-Layth ibn Sa’d ﵀, en in 150 AH de Muwatta’ als het eerste boek dat het hele veld systematisch en publiek toegankelijk maakte.
Vooruit naar de overleveraarskritiek
Wij sluiten dit artikel met een blik vooruit. Tot nu toe hebben wij de hadith-wetenschap als een netwerk van mensen en als een serie overgeleverde tekst-corpora gevolgd. De Muwatta’ is, voor de doelstellingen van onze argumentatie, het eerste werk waarvan wij in publiek-bewaarde vorm bezitten wat ooit in een leerkring van een geleerde van de tweede eeuw AH was onderwezen. Maar een boek is niet meer waard dan de mannen die het overleveren. De Muwatta’ rust op de keten Malik ﵀ naar Nafi’ ﵀ naar Ibn Umar ﵁, en de kracht van die keten hangt af van wat wij over elk van die mannen weten: hun geheugen, hun integriteit, de vraag of leraar en leerling elkaar werkelijk hebben gehoord.
Juist dat is de vraag die de generaties na Malik ﵀ tot een eigen wetenschap uitbouwden. Wat in Maliks ﵀‘s tijd nog een impliciet oordeel was, dat men Nafi’ ﵀ blind kon vertrouwen wanneer hij Ibn Umar ﵁ overleverde, werd in de decennia daarna een systematisch apparaat: een gedetailleerde kritiek van de overleveraars zelf, met een eigen vocabulaire, eigen graden van betrouwbaarheid en eigen biografische registers waarin elke naam in de keten kon worden nagetrokken. Het is dit apparaat dat de betrouwbaarheid van een boek als de Muwatta’ toetsbaar maakt, want het levert voor elke man in de gouden keten een onafhankelijk gewogen dossier.
En dat is wat ons in het volgende artikel wacht. Wij verlaten de individuele geleerde en zijn boek, en wij betreden de werkplaats waarin de betrouwbaarheid van de overleveraars zelf tot maatstaf werd verheven: Jarh wa-Ta’dil, de wetenschap van de overleveraarskritiek. Wij zullen zien hoe de muhaddithun een instrument ontwierpen om waar van onwaar te scheiden, hoe zij duizenden namen tegen elkaar afwogen, en waarom juist dit instrument de latere sceptische theorieën over een teruggeprojecteerde hadith-overlevering ondergraaft. De Muwatta’ van Malik ﵀ in 150 AH was de eerste publieke gepubliceerde hadith-compilatie; de overleveraarskritiek die daarop volgde, is de wetenschap die elke schakel in elke keten van zulke compilaties aan een onafhankelijk oordeel onderwerpt.