InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Suhail ibn Abi Salih ﵀ en de nuskhah van Abu Salih ﵀

Suhail ibn Abi Salih ﵀ en de nuskhah van Abu Salih ﵀

In het voorgaande artikel zagen wij hoe Muhammad ibn Shihab al-Zuhri ﵀ in Medina de hadith voor het eerst tot een systematisch geordend en op schrift vastgelegd corpus samenbracht, gedragen door het kalifale inzamelingsdecreet van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ en doorgegeven aan leerlingen in vijf hoofdsteden tegelijk. Wij sloten dat artikel met een vraag die in de lucht bleef hangen. De systematiek was prachtig beschreven, en de leerlingen-netwerken waren indrukwekkend. Maar bestaan er nog tastbare overblijfselen van die generatie zelf? Bestaat er een document, geschreven door een leerling van die generatie, dat wij in onze handen kunnen leggen en kunnen toetsen aan de grote latere collecties?

Op die vraag bestaat een antwoord dat scherper is dan alle andere. Het ligt in een Indiase universiteitsbibliotheek in de gestencilde vorm waarin Cambridge het in 1966 aanvaardde. Het ligt verder, in zijn middeleeuwse handschriftelijke vorm, in een zorgvuldig gekopieerd boekje uit de zesde eeuw AH, dat eeuwenlang in de wereld van de Arabische manuscripten heeft gecirculeerd. En het werd in 1966 door een jonge geleerde uit India als het centrale exhibit gekozen van de dissertatie waarmee hij promoveerde aan de Universiteit van Cambridge. Zijn naam was Mohammad Mustafa Azami ﵀. Het document waarvoor hij koos was de nuskhah van Suhail ibn Abi Salih ﵀.

Het is geen toeval dat juist dit document werd gekozen. Azami had volgens zijn eigen Introduction ongeveer een dozijn manuscripten uit de eerste helft van de tweede eeuw AH ter beschikking. Hij schrijft het zelf, in enkele nuchtere zinnen, op pagina xix: “There were about a dozen manuscripts at my disposal whose authors belong to the early half of the second century, the editing of which would have presented no major difficulties. Later, it was found necessary to confine the work to one and to study it exhaustively in order to achieve some concrete results. I chose the smallest one which is derived from Abu Hurairah, who has been unjustly criticised by some modern scholars.”

Het kleinste document. De directe ontvanger Abu Hurayra ﵁. De Companion die door de moderne kritiek het hardst was aangevallen. Drie keuzes die op het eerste gezicht bescheiden lijken, maar die bij nader inzien strategisch en methodologisch sluitend zijn. Azami wilde een controleproef, geen monument. Hij wilde een tekst die zich liet uitkammen tot in elke isnad-schakel, niet een tekst die hem onder zijn werk zou verpletteren. Hij wilde de Companion die de oriëntalist had geprobeerd ongedaan te maken. En hij wilde een manuscriptcorpus dat hem in staat zou stellen om de centrale stelling van Goldziher, Schacht, Sprenger en Margoliouth bij de wortel aan te pakken: dat er uit de eerste twee eeuwen AH geen geschreven hadith-materiaal bestaat.

De nuskhah van Suhail ﵀ is, voor de wetenschap van de hadith, wat de Sana’a-manuscripten zijn voor de wetenschap van de Koran. Zij is het stille papier dat de discussie kantelt. Zij is het object waarvan het bestaan op zichzelf al het tegenverhaal ondergraaft.

Dit artikel volgt de geschiedenis van dat document. Wij gaan eerst naar Medina, naar de vader. Daarna naar de zoon. Vervolgens naar de inhoud van de nuskhah zelf, zoals zij in achtenveertig doorgenummerde hadith bewaard is gebleven. Daarna naar de handschriftelijke getuigen die de eeuwen hebben doorstaan. Vervolgens naar de methode waarmee Azami ze in Cambridge tot een kritische editie heeft samengevoegd. Daarna naar de meting die elke moderne onderzoeker zelf op tafel kan herhalen: het kruisleggen van de nuskhah met al-Bukhari ﵀, Muslim ﵀ en de Muwatta van Malik ﵀. En ten slotte naar wat dat alles weerlegt.

Wij beginnen, zoals altijd, met de schakel naar de Profeet ﷺ.

Abu Salih as-Samman ﵀: de schakel naar Abu Hurayra ﵁

Abu Salih Dhakwan as-Samman ﵀ was een vrijgelaten cliënt van een Medinese familie, vermoedelijk geboren in de jaren vlak na de Hijra en gestorven in 101 AH, naar de datering die de klassieke biografische literatuur overlevert en die Azami in zijn dossier volgt. Zijn bijnaam as-Samman betekent letterlijk de boterhandelaar. Hij verdiende de kost door olie en boter te leveren in Medina en in Mekka, en hij reisde tussen de twee steden alsof het werkadressen waren in dezelfde straat.

Op een van die reizen ontmoette hij Abu Hurayra ﵁. Wat gewoonlijk een korte handelsrelatie zou zijn geweest, werd voor Abu Salih ﵀ een langdurige dienstbaarheid. De biografische literatuur registreert dat Abu Salih ﵀ over vele jaren in nauw contact met Abu Hurayra ﵁ heeft gestaan. Hij zat in zijn lessen. Hij hoorde zijn dictaten. Hij onthield zijn formuleringen. Hij wist wanneer Abu Hurayra ﵁ een hadith op een specifieke manier wilde horen herhalen, en wanneer hij een variant accepteerde. Hij wist welke ahadith Abu Hurayra ﵁ regelmatig in de moskee herhaalde, en welke hij voor een kleinere kring leerlingen reserveerde.

Voor wie de hadithwetenschap kent, is dit het schoolvoorbeeld van wat een eerste-generatie Tabi’i zou moeten zijn. Geen toevallige toehoorder. Geen achteloze passant. Een leerling die zich jarenlang aan een Companion verbond en die zijn beroep en zijn reizen onderschikt maakte aan die relatie. De klassieke critici hebben Abu Salih ﵀ als thiqah geclassificeerd, betrouwbaar in elke gradatie. Yahya ibn Ma’in, Ahmad ibn Hanbal ﵀, al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ namen zijn overleveringen op zonder voorbehoud. In de canonieke zes komt zijn naam veelvuldig voor.

De omvang van het materiaal dat Abu Salih ﵀ uit Abu Hurayra ﵁ heeft opgenomen, is groot. Hoe groot precies, valt moeilijk te becijferen, want het materiaal is verspreid over al-Bukhari ﵀, Muslim ﵀, Malik ﵀, de Musnad van Ahmad ﵀ en tientallen kleinere collecties. Wat wij wel weten, is dat Abu Salih ﵀ op een bepaald moment in zijn leven, vermoedelijk tegen het einde, zijn meest karakteristieke materiaal heeft geordend in een coherente verzameling. Niet alles wat hij had gehoord. Wel een bewuste selectie, een schoolboek, een onderwijssamenhang. Hij gaf haar geen titel. Zijn leerlingen, en de kring van zijn zoon, zouden haar simpelweg de nuskhah van Abu Salih gaan noemen.

Het woord nuskhah is hier belangrijk. Het is geen sahifa in de zin van een los blad, en geen jami’ in de zin van een grote thematische compilatie. Een nuskhah is, in het hadithjargon van de tweede en derde eeuw AH, een afgebakend, samenhangend manuscript van een leraar, doorgegeven aan zijn directe leerlingen. Zoals Azami in de vroege hoofdstukken van zijn boek uiteenzet, hoort het thuis in de rijke terminologie waarmee de vroege muhaddithun hun documenten typeerden. Kitab, sahifa, nuskhah, juz’, mu’jam. Elk woord verwijst in de praktijk naar een specifieke literaire vorm, een specifieke gebruikswijze, een specifieke transmissietechniek. Wie deze termen door elkaar haalt, gaat de hadithliteratuur misverstaan. Wie ze uit elkaar houdt, ziet een geletterde cultuur waarin de omgang met het geschreven woord al vroeg zo verfijnd was dat zij ons in onze moderne archivistiek nog versteld doet staan.

Abu Salih ﵀ stierf in het jaar 101 AH. Dat is, in de chronologie van dit thema, vrijwel de tijd waarin Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ zijn beroemde brief naar Abu Bakr ibn Hazm stuurde. De vader van Suhail ﵀ verliet de wereld toen het officiële inzamelingsdecreet net was uitgegaan. Hij had de tijd gehad om zijn nuskhah samen te stellen. Hij had geen tijd meer om haar te zien circuleren in de instituties die het decreet zou opwekken.

Maar hij had een zoon.

Suhail ﵀ als erfgenaam

Suhail ibn Abi Salih ﵀ werd geboren in Medina, vermoedelijk in de jaren tachtig of negentig van de eerste eeuw AH. Hij groeide op in een huis waar de naam Abu Hurayra ﵁ als een familielid werd uitgesproken. Hij hoorde zijn vader herhalen wat hij in de moskee had gehoord. Hij hoorde de formules. Hij zag het manuscript ontstaan, blad voor blad, in de handen van de man die hem boterhandel en hadith tegelijk had bijgebracht.

Voor de moderne lezer is het belangrijk om hier zorgvuldig te zijn. Suhail ﵀ is niet de oorspronkelijke samensteller van de nuskhah. Hij is haar erfgenaam. Hij heeft het materiaal van zijn vader ontvangen, hij heeft het in zijn jeugd geleerd, en hij heeft het in zijn volwassenheid doorgegeven aan zijn eigen leerlingen. In de transmissieformule die op het titelblad van het overgeleverde manuscript staat, leest men het exact in deze volgorde: Suhail ibn Abi Salih, 'an abihi, 'an Abi Hurayra. Suhail van zijn vader, van Abu Hurayra ﵁. Vader is de eerste schakel terug naar de Companion. Zoon is de schakel waarlangs de nuskhah de geschiedenis ingaat.

De zoon was, in de overlevering van de klassieke critici, niet het wonderkind dat zijn vader was geweest. Sommige biografen merken op dat zijn geheugen in zijn latere jaren minder scherp was dan in zijn jeugd. Anderen melden dat hij in een specifieke periode last had van een aandoening die zijn herinnering tijdelijk verzwakte. Maar al deze critici, zonder uitzondering, accepteren zijn overleveringen voor zover die teruggaan op zijn vader. De redenering is methodologisch helder. Wat Suhail ﵀ van een willekeurige leraar in een willekeurig jaar heeft opgenomen, valt te toetsen. Maar wat hij van zijn vader heeft opgenomen, in zijn jeugd, in zijn eigen huis, en in geschreven vorm beschikbaar gemaakt, is een onderscheiden categorie. Het is materiaal dat hij al kende voordat zijn geheugen begon te wankelen. Het is materiaal dat hij niet uit de lucht reconstrueerde, maar uit een schoolboek dat hij thuis had liggen.

Het is precies om die reden dat Muslim ﵀ in zijn Sahih een grote hoeveelheid materiaal van Suhail ﵀ van zijn vader van Abu Hurayra ﵁ opnam, en dat al-Bukhari ﵀ hetzelfde deed in zijn Sahih, zij het met iets meer selectiviteit. De aanwezigheid van deze Suhail-van-zijn-vader-overleveringen in de Sahihayn is in de klassieke en moderne rijal-literatuur uitvoerig in kaart gebracht, en het is geen overdrijving om te zeggen dat de nuskhah, in haar geheel of in gedeelten, in de canonieke zes terugkomt.

Suhail ﵀ overleed in Medina, in ongeveer het jaar 138 AH. Dat is een datum die de moeite waard is om vast te houden. Hij is gestorven onder de vroege Abbasiden, in het bewind van de tweede khalief al-Mansur, op de drempel van een nieuwe dynastie en een nieuwe wetenschappelijke beweging. Hij is gestorven in de stad waarin Malik ibn Anas ﵀ op dat moment zijn eigen leerschool aan het opbouwen was, in de Profetenmoskee waarin de jonge Malik ﵀ Suhail ﵀ persoonlijk heeft ontmoet en van hem heeft overgeleverd. Hij is gestorven in een periode waarin het schriftelijke karakter van de hadithwetenschap, dat zijn vader nog informeel had beoefend, op het punt stond om systematisch te worden geïnstitutionaliseerd in de grote musannafat en muwatta’ van de tweede helft van de tweede eeuw AH.

Toen Suhail ﵀ stierf, was zijn nuskhah niet meer een privébezit. Zij was een tekst die al door tal van leerlingen was gekopieerd, was gehoord, was teruggelezen en was geautoriseerd. De isnad-kettingen die het manuscript-titelblad documenteert, voeren ons via deze brede waaier van leerlingen, generatie na generatie, tot in de zesde eeuw AH, waar de nu nog bestaande handschriftelijke afschriften werden vervaardigd. Wij zullen die getuigen zo dadelijk bezoeken.

Maar voordat wij dat doen, moeten wij in de tekst zelf kijken. Want het is uiteindelijk de inhoud, niet de overlevering, die deze nuskhah haar gewicht geeft.

Wat staat er in de nuskhah

De editie van Azami, gepubliceerd in de Arabische sectie van zijn proefschrift, telt achtenveertig doorgenummerde hadith. Hij schrijft in hoofdstuk VIII expliciet dat hij de kleinste van de manuscripten koos, “which contained only 48 traditions, which were derived from Abu Hurairah”, en dat al deze overleveringen dezelfde isnad dragen: Suhail ﵀, van zijn vader Abu Salih ﵀, van Abu Hurayra ﵁. Voor onze doeleinden volstaat die smalle lezing: achtenveertig hadith, in een doorlopend nummeringsschema, met op elke regel dezelfde isnad-formule.

De formule luidt:

Haddathana 'Abd al-'Aziz ibn al-Mukhtar, 'an Suhail ibn Abi Salih 'an abihi 'an Abi Hurayra 'an an-Nabi salla Allahu 'alayhi wa sallam qala…

In het Nederlands:

Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar heeft ons overgeleverd, van Suhail ibn Abi Salih, van zijn vader, van Abu Hurayra ﵁, van de Profeet ﷺ die zei…

Achtenveertig keer dezelfde aanloop. Achtenveertig keer dezelfde keten van vier schakels tussen de pen van de schrijver en de mond van de Profeet ﷺ. Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar al-Basri is de directe leerling van Suhail ﵀ aan wie deze redactie wordt toegeschreven; hij is een Basriër van de tweede helft van de tweede eeuw AH, en zijn naam staat als eerste op het titelblad. Daarachter staan Suhail ﵀ zelf, zijn vader Abu Salih ﵀, en de Companion Abu Hurayra ﵁. De keten is, in de termen van de klassieke wetenschap, kort, helder, geautoriseerd en gedocumenteerd.

Wat zijn de onderwerpen?

Een aantal grote thema’s tekent zich af in de eerste hadith van de nuskhah. Er staan overleveringen in over reizen, over hoe een gelovige zich tijdens een reis moet gedragen ten aanzien van zijn rijdier en de aarde die hij doorkruist. Er staan ahadith in over het gebed: hoe de imam wordt gevolgd, wanneer men amin uitspreekt en hoe dat amin samenklinkt met de amin van de engelen. Er staat een prachtige overlevering in over de arwah, de zielen, als rekruten in geordende legereenheden: wie elkaar daar herkent, sluit hier vriendschap; wie elkaar daar niet herkent, blijft hier vreemd.

Vervolgens komen ahadith over het vasten, over de regels van het kopen en verkopen, over wat een muezzin verdient en hoe geluiden op de Dag der Opstanding tegen iemand getuigen. Er staan overleveringen in over de tijden van het gebed in relatie tot de zonsopgang en de zonsondergang. Een uitvoerige passage handelt over de profeet Adam ﵇ en de schepping, over de bijzondere plaats van de vrijdag, en over het uur waarin een gebed wordt verhoord.

Verderop in de nuskhah komen de grote eschatologische ahadith. Er staat een overlevering in over wat een martelaar is in de termen van de Profeet ﷺ, met de vraag van een toehoorder en het antwoord met de uitgebreide opsomming. Er staat een gedetailleerd verslag in van het samenkomen van de engelen bij de bijeenkomsten van dhikr, het verslag dat zij aan Allah ﷻ uitbrengen, en het oordeel dat Allah ﷻ uitspreekt over de groep, met de geliefde uitspraak dat de slechtste onder hen alsnog wordt vergeven omwille van het gezelschap dat hij hield.

In de nuskhah staan verder ahadith over de manier waarop een leugen tegen de Profeet ﷺ wordt bestraft, over het ritueel van het wassen van de handen na het ontwaken, over het samenkomen van mensen in een vergadering zonder dhikr, over het bezoeken van een janazah en de beloning van de twee qirat, over de profetische uitleg van wat al-muzaffat en an-naqir en al-hantam zijn, over de poorten van het Paradijs die op maandag en donderdag worden geopend, en over uiteenlopende praktische en eschatologische zaken die de gemeenschap in de tweede eeuw AH dagelijks bezighielden.

Het is geen systematische verhandeling. Het is geen juridische codex. Het is wat het ook bij Hammam ibn Munabbih ﵀ was geweest: een doorsnede, een schoolboek, een dwarsdoorsnede van het profetische onderwijs zoals een student in de tweede eeuw AH het uit het geheugen van zijn meester opnam. Maar het is een doorsnede met een bijzonderheid die de Sahifa van Hammam ﵀ niet had. Suhail’s ﵀ nuskhah staat methodologisch een schakel dichter bij de Companion. Hammam ﵀ had Abu Hurayra ﵁ rechtstreeks gezien. Abu Salih ﵀ had Abu Hurayra ﵁ over vele jaren gezien, in de moskee en op de markt. Suhail ﵀ had Abu Salih ﵀ dagelijks gezien, zijn hele jeugd lang, in hun eigen huis. Tussen het schrift van Abu Salih ﵀ en de mond van de Profeet ﷺ staat exact een Companion. Dichter dan dat kan geen post-profetische tekst komen.

Dat is, in twee zinnen, waarom Azami deze nuskhah als het centrale exhibit van zijn proefschrift koos.

De handschriftelijke getuigen

Het manuscript dat Azami in zijn handen had, was niet een uniek overgebleven origineel. Geen Sana’ani-vondst van Hamidullah uit 1953. Het was, opmerkelijk genoeg, een tekst die in middeleeuwse handschriftelijke vorm bewaard was gebleven en die in de moderne manuscriptcatalogi bekend was als een coherent juz’. Azami kon dus systematisch te werk gaan: hij bracht het beschikbare materiaal bijeen, hij vergeleek het regel voor regel, en hij produceerde een kritische editie waarin elke variant in de marges werd verantwoord.

De voornaamste handschriftelijke getuige is een afschrift dat aan het einde van de zesde eeuw AH werd gekopieerd in de keten van de Hanbali geleerde Muhammad ibn Abd al-Ghani al-Maqdisi, wiens sama’-aantekening op het titelblad nog steeds leesbaar is. Boven aan dat titelblad staat de volledige transmissieketen uitgeschreven: Een juz’ waarin de nuskhah staat van Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar al-Basri, van Suhail ibn Abi Salih, van zijn vader, van Abu Hurayra ﵁. De laatste schakels van die keten geeft Azami in hoofdstuk VIII met hun sterfdata: Abu al-Futuh Yusuf ibn al-Mubarak ibn Kamil al-Khaffaf (527-601 AH), die overleverde van al-Qadi Abu Bakr Muhammad ibn Abd al-Baqi al-Bazzaz (442-535 AH), die overleverde van Abu al-Husayn Muhammad ibn Ahmad al-Narsi (367-456 AH), en zo verder terug tot in de vroege overlevering van de nuskhah. Boven de keten staat de sama’ van Muhammad ibn Abd al-Ghani al-Maqdisi en zijn broers, moge Allah ﷻ hen ermee baten.

Wie deze keten leest, leest generaties van Bagdad naar Damascus tegelijk. Elke naam is in de klassieke biografische werken te traceren. Elke schakel is een sama’, een geattesteerde leersessie, geen anonieme overdracht. De aaneengesloten keten loopt van de tweede eeuw AH tot in de zesde, waarin het manuscript dat wij nu nog hebben werd vervaardigd. De sterfdata van de laatste getuigen, 527 tot 601 voor Yusuf ibn al-Mubarak, plaatsen het overgeleverde afschrift onmiskenbaar aan het einde van de zesde eeuw AH.

Naast deze hoofdgetuige beschikte Azami over een tweede, onafhankelijke aanwijzing voor de authenticiteit van de tekst. Suhail ﵀ had zijn materiaal namelijk niet alleen aan Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar doorgegeven, maar ook aan een tweede vooraanstaande leerling: Wuhaib. In zijn hoofdstuk over het auteurschap laat Azami zien dat een aantal overleveringen van de nuskhah uitsluitend via deze twee leerlingen, Abd al-Aziz en Wuhaib, is doorgekomen. Wuhaib’s recensie van het materiaal is bewaard gebleven in de Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀ (deel ii, pp. 388-389). Dat betekent dat de tekst van de nuskhah niet aan een enkele overleveringslijn hangt: dezelfde overleveringen van Suhail ﵀ van zijn vader van Abu Hurayra ﵁ komen langs ten minste twee onderscheiden leerlingen naar ons toe, en de Wuhaib-lijn wordt onafhankelijk geattesteerd door een van de grootste hadith-collecties van de derde eeuw AH.

Dit is een sterker gegeven dan twee identieke handschriften zouden zijn geweest. Want twee onafhankelijke leerlingen die op hetzelfde materiaal convergeren, sluiten elke verklaring uit waarin een enkele kopiist of een enkele bibliotheek de tekst zou hebben verzonnen. Het manuscript is niet het verhaal van een geïsoleerd blad; het is het knooppunt van een netwerk van overleveringen die elkaar wederzijds bevestigen.

Hier is een onderscheid van belang dat gemakkelijk verward raakt. Azami heeft in Part Two van zijn proefschrift meer dan alleen de Suhail-nuskhah uitgegeven. Hij editeerde daarnaast nog twee andere tweede-eeuwse documenten: de Nuskhah van Nafi’ (gestorven 117 AH), de cliënt van Abdullah ibn Umar ﵁, en die van al-Zuhri (gestorven 124 AH). Maar dit zijn aparte nuskhahs, geen extra getuigen van de Suhail-tekst. Azami nam ze op om Malik’s ﵀ bronnen en zijn methode van materiaalverwerking te kunnen onderzoeken, niet om de Suhail-nuskhah te bevestigen. Wie de vier namen, de Maqdisi-getuige, de Wuhaib-lijn, Nafi’ en al-Zuhri, op één hoop veegt als “vier afschriften van dezelfde nuskhah”, verwart drie verschillende zaken. Voor de Suhail-nuskhah in eigenlijke zin zijn de dragende getuigen het Maqdisi-juz’ en de Wuhaib-recensie in Ahmad’s ﵀ Musnad, aangevuld met de citaten van de afzonderlijke overleveringen in de canonieke zes en in de Muwatta van Malik ﵀.

Loading map...

Azami’s ﵀ editie

Toen Azami aan zijn doctoraal werk aan de Universiteit van Cambridge begon, was hij een jonge Indiase geleerde, opgegroeid in Mau in Uttar Pradesh, getraind in de klassieke islamitische wetenschappen aan Deoband en verder gevormd aan al-Azhar in Cairo. Hij werkte in Cambridge onder de Arabist A. J. Arberry, een geleerde die zijn eigen reputatie had opgebouwd op de vertaling van de Koran en op de studie van het Soefisme. Arberry liet Azami vrij in de keuze van zijn onderwerp. Azami koos de hadith.

Specifieker: hij koos ervoor de stelling van Schacht aan te vechten. Joseph Schacht’s The Origins of Muhammadan Jurisprudence, gepubliceerd in Oxford in 1950, was op dat moment het meest invloedrijke werk over vroege islamitische rechtswetenschap in de Westerse academische wereld. Schacht had gesteld, in de lijn van Goldziher voor hem, dat de juridische ahadith van de eerste twee eeuwen AH grotendeels latere fabricatie waren, geprojecteerd terug op de mond van de Profeet ﷺ door tweede- en vroeg-derde-eeuwse juristen die hun eigen leerstellingen wilden legitimeren. Hardly any of these traditions, as far as matters of religious law are concerned, can be considered authentic; they were put into circulation from the first half of the second century onwards, schreef Schacht. Azami citeert die zin direct in hoofdstuk II van zijn proefschrift, op pagina 19.

Azami’s ﵀ tegenargument was niet primair theoretisch. Hij wilde het op de meest concrete manier voeren die in een proefschrift mogelijk was. Hij wilde een document op tafel leggen. Hij wilde een tweede-eeuws-AH nuskhah editen, in een kritische tekst, met volledig variantenapparaat, en haar daarna toetsen op overeenkomst met de grote derde-eeuwse compilaties die volgens Schacht onafhankelijk en later waren ontstaan. Als de overeenkomst woordelijk bleek, was de stelling van Schacht onhoudbaar. Als de overeenkomst inhoudelijk maar niet woordelijk was, dan had Schacht een argument. En als er helemaal geen overeenkomst was, dan zou Azami zelf het tegenovergestelde van zijn proefschrift hebben aangetoond.

Hij koos de nuskhah van Suhail ﵀ omwille van redenen die hij in zijn Introduction en in hoofdstuk VIII expliciet maakt. Ten eerste: zij is the smallest van de manuscripten waarover hij beschikte, waardoor exhaustieve studie mogelijk werd. Ten tweede: zij is afkomstig van Abu Hurayra ﵁, who has been unjustly criticised by some modern scholars, en het was juist deze Companion wiens reputatie hij wilde herstellen door de stille meting van de tekst zelf. Ten derde: zij was via een korte, geverifieerde, en in de klassieke critici geaccepteerde keten overgeleverd. Ten vierde: zij was beschikbaar in een goed bewaard middeleeuws afschrift met sama’-aantekening die de transmissie tot in de zesde eeuw AH liet zien.

De editie zelf bestaat uit drie onderdelen. Het eerste is de Arabische tekst van de nuskhah, doorgenummerd, met volledige isnad bij elke hadith en met variantenapparaat in de voetnoten. Het tweede is een systeem van kruisverwijzingen waarin Azami elke hadith uit de nuskhah traceert naar de plaats waar dezelfde hadith in al-Bukhari ﵀, Muslim ﵀, Abu Dawud, an-Nasa’i, Ibn Majah, Tirmidhi ﵀, Malik ﵀, Ahmad ibn Hanbal ﵀ en de mu’jams van at-Tabarani is opgenomen; hij volgt daarbij de methode van de Concordantie van Wensinck, met verwijzing per deel en pagina. Het derde is een biografisch dossier van elke schakel in de transmissieketen, met verwijzingen naar Ibn Sa’d, Ibn Hajar, al-Dhahabi en de andere klassieke rijal-werken.

Het werk werd in oktober 1966 voorgelegd aan de Universiteit van Cambridge en aanvaard voor de graad van Ph.D. Kort daarna publiceerde Azami het, vrijwel ongewijzigd, in zijn oorspronkelijke vorm. In de Preface schrijft hij dat hij verkozen heeft het werk in zijn dissertatievorm te laten, met enkele kleine toevoegingen, in plaats van de publicatie verder uit te stellen voor een herziene editie. Now that I am free from the work of revision, schrijft hij, I hope soon to be able to discuss the weakness of Schacht’s Origins of Muhammadan Jurisprudence. Die belofte zou hij inlossen in zijn vervolgwerk On Schacht’s Origins of Muhammadan Jurisprudence, gepubliceerd in 1985. Maar de nuskhah van Suhail ﵀ was, op zichzelf, al de centrale weerlegging in 1966. Het verdere boek voegde alleen de juridische uitwerking toe.

De meting tegen de latere collecties

Wat liet de vergelijking zien?

Toen Azami de achtenveertig hadith van Suhail’s ﵀ nuskhah naast de Sahihayn en de Muwatta legde, en elke overlevering in het systeem van klassieke concordanties opzocht, zag hij precies wat hij hoopte te zien. Hadith na hadith bleek terug te vinden in de latere collecties, niet inhoudelijk-bij-benadering en niet matig-met-variatie, maar met een opvallende overeenkomst tot in de bewoordingen. Waar de nuskhah een specifieke formulering gebruikte, gebruikte de latere compilatie in de regel dezelfde formulering. Waar de nuskhah een synoniem hanteerde, hanteerde de latere tekst meestal hetzelfde synoniem. De afwijking, waar zij voorkwam, was van de orde van een toegevoegd of weggelaten wa of fa, of van een enkel synoniem dat in een van de paralleloverleveringen door een naburige term was vervangen.

De hadith over de zielen als geordende legereenheden, bijvoorbeeld, is terug te vinden in al-Bukhari ﵀, in Muslim ﵀ en in de Musnad van Ahmad ﵀. De Suhail-keten staat er telkens bij vermeld; de Sahihayn maken eveneens gebruik van Suhail ﵀ als overleveringsschakel, soms via zijn vader, soms via andere transmissielijnen die parallel lopen. De eschatologische hadith over de engelen die de bijeenkomsten van dhikr opzoeken en aan Allah ﷻ verslag uitbrengen, is eveneens terug te vinden in al-Bukhari ﵀, in Muslim ﵀ en in Tirmidhi ﵀. De vergelijking is, voor wie het Arabisch van de teksten naast elkaar legt, een meditatie. Niet alleen dezelfde inhoud. Niet alleen dezelfde structuur. Dezelfde dialoog, dezelfde vragen die Allah ﷻ aan de engelen stelt, dezelfde antwoorden, dezelfde eindzin over de slechtste die wordt vergeven omdat hij in het gezelschap zat.

Het beeld dat oprijst uit Azami’s ﵀ kruisverwijzingen is kwalitatief helder, en het is belangrijk om het precies te formuleren zonder er getallen aan toe te schrijven die de bron niet geeft. De overleveringen van de nuskhah worden telkens weer, langs verschillende transmissiekanalen, aangetroffen in de klassieke hadith-collecties. Zij zijn geen losse voorraad ahadith die ergens in de marge van de literatuur is blijven liggen. Zij zijn, langs de kanalen van Suhail’s ﵀ eigen leerlingen en langs parallelle ketens, ingelijfd in de grote stroom van de canonieke hadithliteratuur. Dat is het eigenlijke gewicht van de tekst: niet dat een bepaald percentage woordelijk terugkeert, maar dat een geschreven tweede-eeuws document zich als één samenhangend geheel laat terugvinden in de collecties die volgens de oriëntalistische theorie geen toegang konden hebben gehad tot zulk vroeg materiaal.

Hier mag een korte parenthese over de term bil-ma’na gemaakt worden, omdat de moderne lezer haar gemakkelijk verkeerd interpreteert. Bil-ma’na betekent niet vrij naverteld. Het is een gereguleerde technische categorie binnen de klassieke hadithwetenschap die toelaat dat een overleveraar, onder strikte voorwaarden, een woord vervangt door een onmiddellijk synoniem zonder dat de betekenis wijzigt: een aanwijzend voornaamwoord mag worden geëxpliciteerd, een variant van een werkwoord in dezelfde stam wordt aanvaard. De ahadith die volgens bil-ma’na worden doorgegeven, worden door de critici dan ook nog steeds als feitelijk dezelfde tekst beschouwd, mits de overleveraar bekend stond om zijn taalkundige precisie. Suhail ﵀ stond daarom bekend, en zijn vader Abu Salih ﵀ nog meer. De beperkte variatie die tussen nuskhah en latere collecties zichtbaar wordt, valt grotendeels binnen deze gereguleerde marge. Het is geen losse parafrase. Het is precisietransmissie met een nauw begrensde tolerantie.

Wat heeft Azami hiermee in handen? Het is goed om dit kort te benoemen voordat wij de oriëntalistische tegenstelling oppakken. Hij heeft een fysiek manuscript uit een keten die loopt van een Basrische leraar uit de tweede helft van de tweede eeuw AH terug naar een Medinese Tabi’i van rond 100 AH, en van daar naar een leerling die jarenlang aan de voeten van Abu Hurayra ﵁ heeft gezeten. Hij heeft de exacte tekst van die nuskhah in achtenveertig genummerde hadith. Hij heeft de spiegel van die hadith in de derde-eeuwse Sahih-collecties die volgens de oriëntalistische theorie geen toegang konden hebben gehad tot een tweede-eeuwse geschreven bron en die hun materiaal volgens diezelfde theorie pas in hun eigen tijd opnieuw vorm zouden hebben gegeven. Hij heeft, met andere woorden, de smoking gun.

Maar de smoking gun was niet de eerste verrassing van het proefschrift. De eerste verrassing was dat het manuscript überhaupt bestond.

Wat dit weerlegt

Ignaz Goldziher publiceerde zijn Muhammedanische Studien in twee delen bij Niemeyer in Halle, het eerste deel in 1889 en het tweede in 1890. In het tweede deel stelde hij dat de hadithliteratuur grotendeels een product was van de Umayyadische en vroeg-Abbasidische periode, opgekomen uit politieke, sektarische en theologische geschillen, en pas in de derde eeuw AH min of meer tot rust gekomen in haar definitieve vorm. Concerning the prose writers of the period [the Umayyad Dynasty] we can make only a few general observations, inasmuch as their works have almost entirely perished, citeert Azami in zijn hoofdstuk I op pagina 8, uit Nicholson die op zijn beurt Goldziher citeert. De stelling werd door Schacht in 1950 verfijnd in een specifiek juridisch register: Hardly any of these traditions, as far as matters of religious law are concerned, can be considered authentic; they were put into circulation from the first half of the second century onwards.

Schacht’s woord put into circulation is veelzeggend. Het impliceert dat de tweede-eeuwse hadith een nieuwe creatie was, een literaire constructie, en dat de oudere mondelinge transmissie hetzij niet bestond, hetzij niet betrouwbaar reproduceerbaar was. De stelling stond of viel met een empirisch feit: het ontbreken van fysiek bewaarde geschreven tweede-eeuwse hadithcollecties die overeenkomen met de canonieke derde-eeuwse werken.

Dit is precies het feit dat de nuskhah van Suhail ﵀ ondergraaft.

Niet bij benadering. Niet op een enkel punt. Bij de wortel.

De nuskhah is een tweede-eeuws AH document, geschreven materiaal van een Medinese Tabi’i uit een periode die zelfs in de meest conservatieve dateringsschema’s onder de drempel ligt waarop volgens Schacht de juridische ahadith put into circulation zouden zijn. Zij is fysiek bewaard in een middeleeuws afschrift met sama’-keten die tot in de zesde eeuw AH kan worden gevolgd. Zij komt in haar inhoud overeen met de Sahihayn van de derde eeuw AH. En haar overleveringsketen kan worden gekruist met de Muwatta van Malik ﵀, die in dezelfde Medinese leerschool werd samengesteld in de tweede helft van de tweede eeuw AH door een geleerde die persoonlijk van Suhail ﵀ heeft overgeleverd.

Goldziher en Schacht hadden van dit alles niets in handen kunnen weten. Goldziher schreef in 1889 en 1890. Schacht schreef in 1950. De handschriften lagen ondertussen wel in de manuscriptbibliotheken, maar zij waren niet gepubliceerd, niet vergeleken met de Sahihayn, en niet in een Westerse academische publicatie aanwezig gesteld. Goldziher had, in de meest letterlijke zin, een excuus voor zijn onwetendheid. Azami wijst er in zijn Introduction op pagina xvii direct op: quite obviously, many theories and conclusions of Goldziher now need to be changed or modified. Had he been aware of these documents, he would, most probably, have formed some other conclusions. Azami formuleert het beleefd. Schacht, voegt hij toe, schreef zijn verfijning van Goldziher’s positie without paying any attention to recent discoveries of manuscripts or research. Daarvoor is het excuus geringer. In 1950 waren de Sahifa van Hammam ibn Munabbih ﵀, de manuscripten van Abd ar-Razzaq, de papyri van de eerste twee eeuwen AH en de catalogus van de Damascus-Zahiriyya allemaal bekend in academische kringen. Schacht koos ervoor er niet op in te gaan.

Het is op dit punt nuttig om iets te zeggen over wat weerleggen in dit verband betekent. De nuskhah van Suhail ﵀ weerlegt niet elke individuele oriëntalistische kritiek op elke individuele hadith. Dat zou een Don Quichotteske ambitie zijn, en niet wat Azami ooit heeft beoogd. Wat zij weerlegt, is de centrale historische premisse waarop het oriëntalistische tegenverhaal rust. Die premisse luidt: in de eerste twee eeuwen AH bestonden geen geschreven hadithcollecties, en daarom is alle hadith die in de derde eeuw AH op schrift staat per definitie een late constructie. De nuskhah is een geschreven tweede-eeuwse hadithcollectie. Daarmee is de premisse onhoudbaar. Daarmee is, in één keer, het gehele bouwwerk dat op deze premisse rust, in elk geval in zijn algemene vorm, niet langer staande te houden. Individuele kritieken op individuele ahadith kunnen blijven bestaan, maar zij moeten dan per hadith worden gevoerd op de eigen merites van de tekst en de keten, niet op het algemene argument dat er geen vroege manuscripten bestaan.

En het is hier dat het belang van Azami’s ﵀ keuze voor the smallest manuscript en voor Abu Hurayra ﵁ zich ten volle openbaart. Door het kleinste exhibit te kiezen, ontkrachtte hij de objectie dat zijn voorbeeld marginaal of atypisch zou zijn. Door de Companion te kiezen die door de moderne kritiek het hardst was aangevallen, ontkrachtte hij de objectie dat zijn voorbeeld een geprivilegieerde uitzondering zou zijn die de regel niet raakte. Hij koos het smalste, meest belaste, meest betwiste hoekje van het bewijsmateriaal, en hij liet zien dat zelfs daar de stelling van Goldziher en Schacht onverdedigbaar werd zodra het papier op tafel kwam.

In de academische receptie was de impact aanvankelijk gedempt. Azami’s ﵀ proefschrift werd in een uitgave gepubliceerd die in Westerse universiteitsbibliotheken niet wijd circuleerde. De Britse en Amerikaanse hadith-departementen bleven jarenlang doorwerken in een schema waarin Schacht het laatste woord was. Pas met de geleidelijke verschijning van Azami’s ﵀ vervolgwerken, en met de latere ontwikkeling van het isnad-cum-matn-onderzoek door geleerden als Harald Motzki vanaf de jaren tachtig, drong de centrale waarneming door in het bredere academisch bewustzijn. Motzki, een Duitse hadithonderzoeker, richtte zijn vroege werk op de vroege Mekkaanse fiqh, en met name op het materiaal van ‘Ata’ en Ibn Jurayj zoals dat in de Musannaf van Abd ar-Razzaq is bewaard. Zijn analyse was een gemotiveerde kritiek op de late datering van Schacht: de transmissielijnen die naar de tweede eeuw AH terugvoeren, bleken substantieel betrouwbaarder dan Schacht had aangenomen. De Sahifa van Hammam ibn Munabbih ﵀ uit 1953 had een eerste meting geleverd. De nuskhah van Suhail ﵀ uit 1966 leverde de tweede en methodologisch breedste. Motzki’s werk vanaf de jaren tachtig leverde langs een geheel eigen weg een verwante conclusie. Verschillende manuscripten, verschillende ketens, verschillende methodes, samenkomende resultaten.

Sinds 1966 is er, in de meest letterlijke zin, geen academische reden meer om vol te houden dat er geen vroege hadithmanuscripten bestaan.

Er is er ten minste één, in Cambridge geëditeerd, in Beirut gepubliceerd, in Damascus en in andere bibliotheken bewaard, in achtenveertig genummerde hadith te raadplegen, met volledige isnad-keten, met volledige sama’-historie, met volledig variantenapparaat, en met volledige kruisverwijzing naar de zes canonieke collecties.

Zij wacht op de tafel waarop iemand haar wil leggen.

De stille meting tussen vader en zoon

Op dit punt mag de gelovige reflectie een moment van rust krijgen, want zonder dat moment zou het verhaal opnieuw te dor worden.

Wij hebben in dit artikel veel data opgesomd. Achtenveertig hadith. Een dragende handschriftelijke getuige en een tweede, onafhankelijke overleveringslijn. Een transmissieketen van vier schakels tot aan de Profeet ﷺ. Een sama’-keten van generaties tot aan het overgeleverde manuscript. Een proefschrift van 1966 in Cambridge. Het zijn gegevens waarmee een wetenschappelijke discussie zich laat voeren, en het is goed dat zij in zo’n discussie hun werk doen. Maar de gegevens verbergen, als wij niet oppassen, de menselijke kant van het verhaal.

De menselijke kant is deze. Een Medinese man, vermoedelijk geboren tijdens de regering van Mu’awiya ﵁, leerde zijn beroep van boterhandel en zijn levenshouding van betrouwbaarheid in dezelfde stad waarin hij jarenlang aan de voeten zat van een Companion van de Profeet ﷺ. Hij heeft het materiaal van die Companion opgenomen op een manier die niet uitsluit dat de meeste van zijn leeftijdsgenoten het ook hoorden, maar wel uniek is in haar volharding. Hij heeft zijn aantekeningen geordend. Hij heeft een schoolboek samengesteld. En toen hij stierf, in de tijd waarin het decreet van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ nog naklonk, liet hij dat schoolboek na aan zijn zoon.

De zoon was geen wonderkind. Hij was, in alle waarschijnlijkheid, een gewone Medinese geleerde die in zijn jeugd alles wat zijn vader hem had aangereikt zorgvuldig in zich had opgenomen, en die op latere leeftijd, naarmate zijn geheugen verminderde, des te meer leunde op het materiaal dat hij in huis had. Hij gaf het door aan zijn leerlingen. Twee van die leerlingen, Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar al-Basri en Wuhaib, dicteerden de tekst verder. Zo bewoog zij naar Basra, naar Bagdad en naar Damascus. Een Maqdisi-familie kopieerde haar aan het einde van de zesde eeuw AH. Een latere bibliothecaris catalogiseerde haar. Een Indiase doctorandus stak haar uit zijn pak toen hij in Cambridge zijn proefschrift wilde verdedigen.

Wat al deze schakels niet wisten, en wat geen van hen had kunnen weten, is dat hun stille en bescheiden routinearbeid uiteindelijk een centrale meting zou leveren waaraan de wereldlijke hadithwetenschap van de twintigste eeuw zou worden afgewogen. Vader noch zoon zouden ooit zelf het woord oriëntalistiek hebben gehoord. Abd al-Aziz ibn al-Mukhtar wist niet dat zijn dictaat in Basra zou eindigen als een bewijsstuk waarmee Schacht’s stelling wankelt. De Maqdisi-broers in de zesde eeuw AH dachten dat zij een religieus juz’ in waqf gaven aan een madrasa, niet dat zij een twintigste-eeuws Cambridge-proefschrift mogelijk maakten.

Wat zij wel wisten, ieder van hen, was iets eenvoudigers. Zij wisten dat zij een tekst doorgaven die rechtstreeks teruggaat op de Profeet ﷺ via een verifieerbare keten. Zij wisten dat zij in dienst stonden van een traditie waarvan de bewaring, in de woorden van de Koran, aan Allah ﷻ zelf is toevertrouwd. Zij wisten dat hun routinematige nauwgezetheid, geheel onafhankelijk van wat zij persoonlijk konden voorzien, deel uitmaakte van een breder mechanisme waarvan de uitkomst veiliger was dan de uitkomst van enige individuele inspanning. Zij schreven. Zij gaven door. Zij autoriseerden. Zij stierven. En het manuscript bleef bestaan.

Voor de gelovige is het Cambridge-resultaat van 1966 daarmee geen verrassend resultaat. Het is de verwachte uitkomst van een proces dat veertien eeuwen lang in stilte is verlopen. De Profeet ﷺ heeft beloofd dat zijn oemma niet zou samenkomen op een dwaalweg. De Koran heeft de bewaring van de boodschap aan Allah ﷻ zelf toevertrouwd. Dat de schriftelijke transmissie van zijn ahadith via een vader, een zoon, een leerling, een kopiist, een madrasa en een doctorandus alsnog tot op de Cambridge-tafel zou belanden, is uit gelovig oogpunt niet onverwacht. Het is hoe een goddelijk beloofde bewaring zich in de geschiedenis manifesteert: niet door spectaculaire interventies, maar door de cumulatieve trouw van duizenden gewone gelovigen die hun specifieke schakel in de keten serieus genomen hebben.

Voor de wetenschapper, geloofvrij benaderd, is het resultaat een meting. Een controleproef. Een dubbele attestatie van een tekst over een afstand van tijd en plaats die elk ander tekstcorpus uit de oudheid op de knieën zou hebben gekregen.

Voor beide gezichtspunten is het hetzelfde document. Voor beide vertelt het hetzelfde verhaal.

De andere Tabi’un en de bredere stroom

Voordat wij sluiten en vooruitkijken, mogen wij niet de indruk wekken dat de nuskhah van Suhail ﵀ in haar isolement staat. Zoals al-Azami zelf in zijn Preface schrijft, behoorde zij tot een corpus van ongeveer een dozijn manuscripten uit de eerste helft van de tweede eeuw AH die hij in zijn handen had en die hij in beginsel had kunnen editen. Zij is, om in een muzikale beeldspraak terug te keren, één lijn in een meerstemmige compositie.

Elders in deze reeks hebben wij Abu Bakr ibn Hazm ontmoet, de Medinese qadi aan wie Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ zijn inzamelingsbrief richtte. Hij behoorde tot dezelfde Medinese Tabi’i-generatie waarin ook Abu Salih as-Samman ﵀ zijn nuskhah samenstelde. Die generatie was geen losse verzameling individuen. Het was een ademende intellectuele structuur, een netwerk van leraren en leerlingen dat zich vertakte tussen de Profetenmoskee, de markt, de huiskring en de reizen naar Mekka en Damascus.

In diezelfde generatie werkten ook andere Tabi’un wier documenten al-Azami in zijn dossier opneemt. Hij noemt Nafi’ (gestorven 117 AH), de cliënt van Abdullah ibn Umar ﵁, wiens overleveringskorpus tot de basis van Malik’s ﵀ Muwatta behoort. Hij noemt al-Zuhri (gestorven 124 AH), wiens materiaal in handen kwam van geleerden in Damascus, Jeruzalem en daarbuiten. Hij noemt ‘Ata’ ibn Abi Rabah, wiens leerlingen hun onderwijs op schrift stelden. Hij noemt Hisham ibn 'Urwah, wiens vader hem opdroeg om hadith te kopiëren en te reviseren. Hij noemt al-Hasan al-Basri, die zijn commentaar dicteerde aan zijn leerlingen. De lijst is langer; het beeld dat eruit oprijst is een geletterde Tabi’i-generatie die in elke grote stad van het rijk parallel aan elkaar dezelfde methodologische arbeid verrichtte.

Wat Suhail’s ﵀ nuskhah binnen deze meerstemmige compositie zo bijzonder maakt, is alleen dat zij in fysieke vorm bewaard is gebleven en dat zij door Cambridge in een kritische editie is uitgegeven die de moderne onderzoeker in staat stelt om de meting persoonlijk te herhalen. De andere documenten van dezelfde generatie zijn vaak alleen via citaten bij latere auteurs te reconstrueren. Suhail’s ﵀ nuskhah ligt op tafel. Daarom is zij het centrale exhibit.

Maar zij is niet het laatste exhibit dat al-Azami in zijn proefschrift heeft opgenomen. In Appendix IV van hetzelfde proefschrift heeft hij een folio uitgegeven uit de Maghazi van Ibn Ishaq, de eerste systematische biografie van de Profeet ﷺ. Dat folio is om geheel andere redenen belangrijk dan de nuskhah van Suhail ﵀. Het laat zien dat naast de hadith-nuskhahs er in dezelfde periode ook al een geschreven sirah-literatuur bestond, gedocumenteerd in fysieke handschriften. Dat is de stof voor het volgende artikel in deze reeks.

Wij verlaten Medina in het jaar 138 AH met het beeld van een geleerde, gestorven in de stad waarin zijn vader jarenlang aan de voeten van een Companion had gezeten. Wij verlaten zijn nuskhah met het beeld van een schoolboek dat de eeuwen heeft overleefd en dat in een Cambridge-editie op zijn lezer wacht. En wij stappen in het volgende artikel over naar een andere geleerde uit vrijwel dezelfde generatie, Muhammad ibn Ishaq, wiens Maghazi de stille meting nogmaals zou herhalen, dit keer voor de biografische literatuur in plaats van voor de hadith. Een tweede appendix in hetzelfde proefschrift. Een tweede smoking gun op dezelfde tafel.

Twee documenten. Twee Tabi’un. Twee schoolboeken. Eén proefschrift dat in oktober 1966 in Cambridge werd aanvaard en dat sindsdien, in stilte maar met grote gevolgen, een centraal stuk van de oriëntalistische hadithkritiek heeft ontmanteld.

De smoking gun ligt nog steeds op tafel. En zij rookt nog steeds.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).