De opdracht die naar twee steden reisde
In het vorige artikel hebben wij in Damascus gestaan, aan het hof van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀, en wij hebben gezien hoe de kalief in het jaar 100 AH het schrijven van hadith staatsmandaat gaf. Wij hebben de tekst van zijn oproep gelezen, kort, sober, in drie bewegingen opgebouwd: een vrees dat de kennis met haar dragers zou sterven, een opdracht om wat er nog was op te schrijven, en een voorwaarde dat alleen wat aan de Profeet ﷺ zelf werd toegeschreven, zou worden opgenomen. Wij hebben gezien hoe Ibn Shihab al-Zuhri ﵀ door de kalief werd aangesproken en hoe hij de opdracht aanvaardde.
Wat wij in dat artikel slechts terloops hebben aangestipt, is dat de oproep niet één man in één stad bereikte. De klassieke bronnen vermelden dat de kalief zijn verzoek richtte tot een groep geleerden. In de weergave die al-Azami ﵀ aan het begin van zijn Studies aanhaalt, klinkt het zo: Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ was de eerste die Abu Bakr ibn Hazm, al-Zuhri en anderen vroeg om de hadith te verzamelen. Twee namen worden hier apart genoemd, en de rest wordt met “en anderen” aangeduid. Wat de kalief in gedachten had was, met andere woorden, geen enkelvoudige opdracht aan één archivaris, maar een brede verankering van het werk in meerdere handen tegelijk.
Dit artikel volgt een van die handen. Terwijl al-Zuhri ﵀ in het noorden zijn rijksbrede netwerk aanlegde, ontving in het zuiden, in Medina, de andere expliciet genoemde man de opdracht in zijn eigen huis. Die man was Abu Bakr ibn Hazm ﵀. Hij was op dat moment de hoogste civiele autoriteit van de stad. Hij was gouverneur en hij was rechter. Hij was bovendien jurist, een Ansari uit een geslacht waarin de hadith en de fiqh van vader op zoon waren doorgegeven. En hij was, voor wie de kringen van Medina van binnenuit kende, een van de weinige nog levende mannen die met dagelijkse vanzelfsprekendheid omging met twee bronnen die voor de profetische overlevering uit het huis van Aisha ﵂ van onschatbare waarde waren: Amrah bint Abd al-Rahman ﵀, en al-Qasim ibn Muhammad ﵀.
Wij gaan in dit artikel die Medinese opdracht van dichtbij bekijken. Wij gaan zien wie Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was, wat de opdracht aan hem inhield, op welke bronnen hij zich daarvoor moest verlaten, en waarom de aanwezigheid van juist déze Medinese compilatie, in juist déze andere stad, in dezelfde maanden als het werk van al-Zuhri ﵀, een geheel eigen weerlegging vormt van een argument dat al sinds Goldziher op het oriëntalistische bureau ligt. Want het verschil tussen één geleerde die in opdracht schrijft en meerdere geleerden die naast elkaar en onafhankelijk in opdracht schrijven, is geen kwantitatief verschil. Het is een methodologisch verschil van de hoogste orde.
Wie zich afvraagt waarom de klassieke traditie zo zelfverzekerd is over de continuïteit van de overlevering, vindt in dit gespreid uitgevoerde werk, en in de geleerden die het droegen, een groot deel van het antwoord. Wij merken vooraf op dat de klassieke bronnen de opdracht als één collectief verzoek beschrijven; het beeld van twee parallelle, onafhankelijke compilaties dat wij in dit artikel zullen uitwerken, is de redenering die dít artikel op die bronnen bouwt, niet een formulering die al-Azami zelf aan de bronnen heeft ontleend.
De stad waarin hij werd geboren
Abu Bakr ibn Muhammad ibn Amr ibn Hazm al-Ansari ﵀ werd geboren in Medina, omstreeks het jaar 50 van de hijra. Wie de chronologie even op een rij zet, ziet meteen wat dat betekent. Hij werd geboren in het jaar waarin de macht van Mu’awiyah ﵁ in Damascus zich had geconsolideerd, ruim twee decennia na het overlijden van Umar ibn al-Khattab ﵁, een kleine twintig jaar na het overlijden van Uthman ﵁, en op een moment waarop in Medina nog tientallen, zo niet honderden, mannen en vrouwen leefden die de Profeet ﷺ zelf gekend hadden. De stad van zijn jeugd was nog dezelfde stad die de Profeet ﷺ had betreden bij de hijra. De moskee waarin hij als kind gebeden zal hebben, was nog dezelfde moskee waarin de Profeet ﷺ had voorgegaan. De graven van Abu Bakr ﵁ en Umar ﵁, naast dat van de Boodschapper van Allah ﷻ zelf, lagen op een steenworp afstand van het huis waarin hij opgroeide.
Hij groeide op in een Ansari-familie, dat wil zeggen: in een familie van die Medinese stam die de Profeet ﷺ in het jaar 1 van de hijra was komen ontvangen. Zijn grootvader was Amr ibn Hazm ﵁, een van de jongere Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ. Wij hebben zijn naam al ontmoet in het artikel over de vroege schriftelijke overlevering, in de context van het schriftelijk patroon dat in de tijd van de Profeet ﷺ zelf al bestond. Amr ibn Hazm ﵁ was door de Boodschapper van Allah ﷻ persoonlijk naar Najran uitgezonden als bestuurder. Voor die opdracht had de Profeet ﷺ hem een gedetailleerde brief meegegeven waarin regels waren opgetekend over de tijden en de wijzen van het gebed, over de wassing, over zakat en belasting, over buit en over diya, op een wijze die geen ruimte liet voor twijfel. Die brief werd later door zijn zoon geredigeerd en doorgegeven, en is in het bezit van de familie gebleven, generaties lang.
Dat is geen randdetail. Het betekent dat Abu Bakr ibn Hazm ﵀ opgroeide in een familie waarin een schriftelijk document van de Profeet ﷺ bewaard werd gehouden. Hij groeide op in een geslacht waarin schriftelijke profetische overlevering geen abstracte categorie was, maar een concreet erfstuk dat van generatie op generatie werd behoed. De normaalheid waarmee hij later met geschreven hadith zou omgaan, en de natuurlijkheid waarmee hij een staatsopdracht tot schriftelijke compilatie zou aanvaarden, vinden hun fundament niet in een ideologie. Zij vinden hun fundament in een familiale gewoonte die rechtstreeks teruggaat tot de tijd van de Profeet ﷺ zelf.
Zijn vader, Muhammad ibn Amr ibn Hazm, was eveneens een Ansari, en bewoog zich in dezelfde Medinese kringen waarin de juristische traditie van de stad zich aan het uitkristalliseren was. De vader was een tijdgenoot van mannen als Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, Urwah ibn al-Zubayr ﵀ en al-Qasim ibn Muhammad ﵀, geleerden uit de kring die later, door de classificatie van volgende generaties, met de naam de zeven juristen van Medina zou worden aangeduid. Het is in deze kring van senior tabi’in dat Abu Bakr ibn Hazm ﵀ zijn vorming kreeg. Hij was niet een gouverneur die toevallig hadith verzamelde. Hij was een hadith-jurist die later, om redenen van politieke geschiktheid van de kant van de kalief in Damascus, ook gouverneur werd.
Gouverneur en rechter onder Umar ibn Abd al-Aziz ﵀
De Omajjadische dynastie had Medina nooit als hoofdstad behandeld, en dat was, voor wie het politieke geheugen van de stad kende, soms een opluchting en soms een wond. Een opluchting omdat het centrum van de macht in Damascus lag en de Medinese geleerden dus relatief met rust werden gelaten in hun eigen leskringen. Een wond omdat de stad waarin de Profeet ﷺ had geleefd, voor de Marwanide tak vaak weinig meer was dan een provincie die belasting moest betalen en een symbool dat bij gelegenheid kon worden geëerd. De gouverneurs die over Medina werden aangesteld, waren in de regel Omajjadische verwanten of cliënten, met variërende reputatie.
Toen Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ in 99 AH het kalifaat aanvaardde, veranderde dat. Hij kende Medina van binnenuit, want hij was er zelf van 87 AH tot 93 AH gouverneur geweest, in zijn jonge jaren onder kalief Walid. Wij hebben in het vorige artikel gezien hoe hij in die gouverneursjaren zich had omringd met een raad van tien geleerden uit de stad, hoe hij de moskee van de Profeet ﷺ had laten herstellen, en hoe hij geleerd had wat het was om bestuur en geleerdheid niet als concurrerende werelden te zien, maar als één gezamenlijke verantwoordelijkheid. Toen hij na zijn aantreden als kalief naar een nieuwe gouverneur voor Medina moest zoeken, zocht hij niet in de Marwanide stamboom, maar in de geleerdenkring van de stad zelf. Hij koos Abu Bakr ibn Hazm ﵀.
Het was een ongebruikelijke keuze, en zij was opzettelijk. De kalief wilde in Medina iemand die de stad niet zou besturen als een bezet gebied, maar als de moederstad van de oemma. Hij wilde iemand voor wie de juridische adviezen van de senior fuqaha niet als hinder, maar als richtsnoer golden. Hij wilde iemand die, wanneer in de moskee van de Profeet ﷺ een vraag opkwam over erfrecht of huwelijksrecht of bidstanden, niet zijn ambtenarenboek raadpleegde, maar de overlevering. Abu Bakr ibn Hazm ﵀ beantwoordde aan elk van die criteria. Hij was bovendien rechter van de stad, een functie die hij ook na zijn benoeming tot gouverneur bleef vervullen. Bestuur en rechtspraak liepen in zijn persoon ineen, en dat was, voor het werk dat de kalief in gedachten had, geen toeval maar een vereiste.
Hier moeten wij even stilstaan bij wat het in 100 AH betekende om in Medina rechter te zijn. Een rechter beoordeelde geschillen over land, over erfenissen, over huwelijken en scheidingen, over schulden en overeenkomsten. Hij beoordeelde ze niet vanuit een gecodificeerd wetboek, want zo’n wetboek bestond niet, en zou pas eeuwen later in welke vorm dan ook bestaan. Hij beoordeelde ze op grond van de Quran, op grond van de soenna van de Profeet ﷺ, en op grond van de gevestigde praktijk van de Metgezellen ﵃ die in dezelfde stad hadden geleefd en gehandeld. Een rechter in Medina in 100 AH was, met andere woorden, gedwongen om iedere dag van zijn werk de overlevering te raadplegen. Hij had haar nodig om uitspraak te kunnen doen. Een man die jaren in deze functie had gediend, kende de hadith-bronnen van zijn stad zoals een ervaren arts de medicijnkast van zijn praktijk kent. Hij wist welke overlevering bij welke vraag hoorde, welke bron welke kwestie kon doen kantelen, en welke ouderen in de stad nog beschikten over kennis die buiten zijn eigen verzameling lag.
Het is naar deze man, in deze positie, met deze gewoonte van dagelijkse hadith-raadpleging, dat de opdracht van de kalief reisde.
De inhoud van de Medinese opdracht
De opdracht aan Abu Bakr ibn Hazm ﵀ is, anders dan de algemene oproep aan de geleerden, in haar specifieke formulering bewaard gebleven. De klassieke bronnen, en in het bijzonder Ibn Sa’d in zijn Tabaqat, citeren de inhoud beknopt maar precies: de kalief gaf opdracht om de hadith op te schrijven die kwam van Amrah bint Abd al-Rahman ﵀ en al-Qasim ibn Muhammad ﵀, alsmede van anderen.
Twee namen worden hier expliciet genoemd. Niet bij toeval. Niet als willekeurige steekproef. De kalief vroeg om de overlevering van precies déze twee mensen, en daaromheen om wat verder nog vergaard kon worden. Wie deze twee waren, en waarom hun namen de tekst van een kalifale opdracht haalden, verdient eigen aandacht. Wij komen er in de volgende secties uitgebreid op terug.
Wat hier eerst onze aandacht verdient, is dat de opdracht geen algemene formule was, geen ambtelijke standaardtekst, geen generieke oproep aan de geleerden van Medina om iets op te schrijven dat in hun bezit was. De opdracht was, hoewel kort, methodisch. Zij identificeerde bronnen. Zij wees vingers. Zij zei: déze persoon, en déze persoon, en de mensen die daaromheen leven en hun overlevering nog dragen. Het is een opdracht die niet door een paleisbeambte kan zijn opgesteld. Het is een opdracht die door iemand met inzicht in de Medinese bronnenwereld moet zijn gedicteerd, of in elk geval door iemand geadviseerd die dat inzicht bezat.
Wij weten dat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ zelf dat inzicht had. Hij was in Medina opgegroeid, hij had er gouverneur geleerd te zijn, hij had de senior fuqaha persoonlijk gekend. Het is goed denkbaar dat hij in de jaren waarin hij in Medina diende, persoonlijk naar Amrah bint Abd al-Rahman ﵀ was geweest of haar overlevering via tussenpersonen had vernomen. Het is goed denkbaar dat hij in de moskee van de Profeet ﷺ aan de voet van al-Qasim ibn Muhammad ﵀ had gezeten. Of dat persoonlijk contact zo direct was, weten wij niet met zekerheid. Wat wij wel weten, is dat hij, toen hij als kalief in Damascus zat en de opdracht liet uitgaan, met grote precisie wist welke namen in Medina belangrijk waren. De opdracht is daarvan het bewijs.
Voor Abu Bakr ibn Hazm ﵀ moet de inhoud van de opdracht geruststellend zijn geweest. Hij werd niet gevraagd het onmogelijke te doen. Hij werd niet gevraagd alles te verzamelen wat in de hele oemma circuleerde, want dat was, vanuit één stad, niet te realiseren. Hij werd gevraagd om wat in zijn directe nabijheid leefde, om wat in zijn eigen leskringen circuleerde, om wat in de huizen die hij regelmatig bezocht door ouderen werd verteld. Hij werd gevraagd om de Medinese stam van een veel grotere boom op te schrijven, terwijl al-Zuhri ﵀, naast hem, het hele kruin-werk van het rijksbrede netwerk voor zijn rekening zou nemen.
Dit is, in één zin, wat de keuze van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ zo doordacht maakt. Hij gaf elk van de geleerden een opdracht die binnen hun reikwijdte lag. Aan al-Zuhri ﵀, die door heel Hijaz en Syrië had gereisd en met geleerden in elke provincie banden had, vroeg hij de brede, rijksbrede vergaring. Aan Abu Bakr ibn Hazm ﵀, die in Medina geworteld zat en daar institutionele toegang had, vroeg hij de diepe, plaatselijke vergaring. De twee opdrachten waren complementair. De ene zou doen wat de andere niet kon. En, als de uitvoering eerlijk verliep, zouden beide op de centrale Medinese kern overlappen, en daarmee elkaar onafhankelijk kunnen verifiëren.
Amrah bint Abd al-Rahman ﵀
Wie was Amrah bint Abd al-Rahman ﵀, en waarom werd haar naam expliciet in een kalifale opdracht opgenomen.
Amrah bint Abd al-Rahman ibn Sa’d ibn Zurara al-Ansariyya ﵀ was, op het moment dat de opdracht uitging, op leeftijd. Zij was geboren in de jaren dertig van de hijra, in een Ansari-familie van Medina. Wat haar bovenal kenmerkte, en wat haar later de eretitel zou opleveren van een van de meest betrouwbare vrouwelijke overleveraars van de tabi’in-generatie, was haar verblijf in het huis van Aisha bint Abi Bakr ﵂.
Aisha ﵂ overleed in het jaar 58 AH, op een leeftijd waarop zij nog steeds als levende bron van profetische overlevering werd geraadpleegd door iedere serieuze student in Medina. In de laatste jaren van haar leven leefde Amrah bij haar in huis. Het was niet een formele leerling-leraar relatie zoals die later in een madrasa vorm zou krijgen. Het was huiselijke aanwezigheid. Amrah at met Aisha ﵂, sliep in hetzelfde huis, hoorde haar in informele momenten net zo goed als in formele leskringen, leefde dag en nacht in de buurt van de moeder van de gelovigen die met de Profeet ﷺ negen jaar onder hetzelfde dak had geleefd.
Dat soort verblijf produceert een kennisoverdracht die in geen enkele andere vorm bereikbaar is. Wat Aisha ﵂ wist over het privégebed van de Profeet ﷺ in de nacht, over zijn omgang met zijn echtgenotes, over de exacte volgorde van zijn handelingen bij de wassing voor het gebed, over de manieren waarop hij at en sliep en zich kleedde, dat alles werd door Amrah niet in een leskring opgevangen, maar in het dagelijks meeleven. Vele tientallen overleveringen die later in de canonieke hadith-collecties zouden worden opgenomen onder de keten “Aisha verhaalde”, komen langs Amrah als rechtstreekse overdraagster.
Wanneer een kalief in 100 AH een opdracht naar Medina stuurt en daarin haar naam expliciet noemt als bron waarvan de hadith moet worden opgetekend, dan zegt dat iets over de status die zij op dat moment in de oemma had. Zij was niet een schaduwfiguur die toevallig in Aisha’s ﵂ huis had geleefd. Zij was, voor wie de overleveringsgeschiedenis vanuit Medina vandaan kende, een van de weinige nog levende sleuteldragers van het Aisha-kanaal. Haar overlijden, dat door de bronnen omstreeks 98 AH wordt geplaatst, lag op het moment van de opdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ slechts kort achter de rug. Het is goed mogelijk dat de kalief, toen hij de opdracht liet opstellen, van haar overlijden hoorde en juist daardoor besefte hoe dringend het werk was. De volgende drager kon de volgende maand sterven, en als zijn of haar overlevering niet was opgetekend, was zij weg.
Het verdient hier een korte opmerking dat Amrah ﵀ in dit artikel met ﵀ wordt aangeduid, het honorific rahimahu Allah dat anders voor mannelijke geleerden geldt. De reden is technisch. ﵂, het honorific radi Allahu anha, is voorbehouden aan de Sahabiyyat, de vrouwelijke Metgezellen van de Profeet ﷺ. Amrah ﵀ was geen Sahabiyya. Zij was tabi’iyya, geleerde van de generatie die de Metgezellen ﵃ hoorde maar de Profeet ﷺ zelf niet had gekend. Voor de tabi’in-geleerden, mannelijk of vrouwelijk, geldt in deze artikelreeks ﵀, het honorific van de geleerde. Het is geen graad lager, het is een graad anders. Het markeert haar in haar juiste historische plaats, en het eert haar precies als wat zij was: geen Sahabiyya, maar een van de eerste centrale vrouwelijke geleerden van de jonge wetenschap die later hadith zou worden genoemd.
Wat Abu Bakr ibn Hazm ﵀ van haar moest opschrijven, was met andere woorden niet een persoonlijke voorkeur, niet een marginale bron, niet een aanvulling op een hoofdverzameling. Het was de Aisha-stroom van Medina, in de meest directe vorm die er nog beschikbaar was.
Al-Qasim ibn Muhammad ﵀
De tweede naam in de opdracht was al-Qasim ibn Muhammad ibn Abi Bakr ﵀.
Wie deze namen leest, ziet onmiddellijk de afstamming. Hij was de zoon van Muhammad ibn Abi Bakr, en die was de zoon van Abu Bakr al-Siddiq ﵁ zelf. Hij was, met andere woorden, een kleinzoon van de eerste kalief, en daarmee ook een neef van Aisha ﵂. In zijn jeugd was hij in Medina door zijn tante opgevoed, of in elk geval door haar in zijn jonge jaren intensief begeleid. Hij behoorde tot de kring van senior tabi’in die later met de naam de zeven juristen van Medina werd aangeduid: Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, Urwah ibn al-Zubayr ﵀, al-Qasim ibn Muhammad ﵀, Kharijah ibn Zayd, Sulayman ibn Yasar, Ubayd Allah ibn Abdullah ibn Utbah, en Abu Bakr ibn Abd al-Rahman ibn al-Harith.
Voor wie de juristische geschiedenis van Medina kent, is dat een uitzonderlijke positie. De zeven juristen vormden in de tweede helft van de eerste eeuw van de hijra het geleerdencollege van de stad. Wat zij in consensus oordeelden, gold in Medina als bindend. Hun fatwa’s werden door rechters geraadpleegd, door reizende geleerden meegenomen, door studenten genoteerd. Al-Qasim ﵀ behoorde tot deze groep van bovenaf. Anders dan Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, die om zijn terughoudendheid ten opzichte van de heersers bekendstond, en anders dan Urwah ﵀, die in de biografische literatuur vooral als verzamelaar van de profetische biografie geldt, was al-Qasim ﵀ vooral bekend als rechtsgeleerde die het privé-leven van de Profeet ﷺ kende via de directe overlevering van Aisha ﵂ aan hem als haar eigen neef.
Hij overleed in 107 AH, dus op het moment van de opdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ in 100 AH leefde hij nog. Hij was hoogbejaard, want hij was geboren rond 37 AH, en hij was, voor wie de Medinese ouderen telde, een van de laatste levende dragers van zowel de Abu Bakr-lijn als de Aisha-lijn. Hij was bovendien blind in zijn laatste jaren, een detail dat door de biografische literatuur regelmatig wordt vermeld omdat het de wijze beïnvloedde waarop hij leerlingen ontving: zonder boek voor zich, in een vorm van mondeling onderwijs dat juist daardoor zorgvuldig werd gecontroleerd door de aanwezige leerlingen die zijn dictaat opschreven.
Dat de opdracht uit Damascus zijn naam noemde naast die van Amrah ﵀, vertelt iets over de combinatie waarop de kalief mikte. Amrah ﵀ vertegenwoordigde de Aisha-stroom via huiselijke meeleving. Al-Qasim ﵀ vertegenwoordigde de Abu Bakr-stroom en de Aisha-stroom via bloedverwantschap en juristische uitwerking. De twee samen vormden, voor de Medinese pijler van de hele overlevering, een dubbele bevestiging. Wat de een zou hebben opgevangen, kon door de ander worden bevestigd, of, waar nodig, worden gecorrigeerd of aangevuld. Het was, in zekere zin, een ingebouwd controlemechanisme binnen de stadscompilatie zelf, nog vóórdat de Damascus-Medina vergelijking überhaupt aan bod zou komen.
Abu Bakr ibn Hazm ﵀ kende beide. Hij was rechter in dezelfde stad, hij behoorde tot dezelfde kring van juristen waarin al-Qasim ﵀ de senior was. Hij kende de huizen waarin Amrah ﵀ haar laatste jaren had doorgebracht. Hij wist welke leerlingen om beiden heen leefden, welke leerlingen hun overlevering al hadden gehoord, welke leerlingen nog konden worden geraadpleegd voor verificatie. Voor hem was de opdracht niet abstract. Zij was concreet, en zij was uitvoerbaar.
Hoe hij het werk uitvoerde
De bronnen geven ons geen dagboekverslag van de wijze waarop Abu Bakr ibn Hazm ﵀ de compilatie ter hand nam. Wij hebben geen brief van hem aan een collega waarin hij beschrijft hoe hij zat, met welke pen, op welke perkamentvellen. Wat wij wel hebben, is een aantal sporen die in de biografische literatuur over hem worden vermeld, en uit die sporen kunnen wij met enige zekerheid het werkpatroon reconstrueren.
De opdracht was, om te beginnen, niet beperkt tot Amrah ﵀ en al-Qasim ﵀. De formulering luidde uitdrukkelijk dat ook van anderen moest worden verzameld. Welke anderen er precies in Medina door hem werden geraadpleegd, kunnen wij in de bewaard gebleven literatuur niet volledig reconstrueren, maar wij weten dat hij in dezelfde stad woonde waar nog leerlingen van Anas ibn Malik ﵁ rondliepen, waar oude vrouwen die als kind Sahabiyyat hadden gekend nog leefden, waar mawali van Sahaba ﵃ nog in de oude wijken woonden. De zin “en anderen” in de opdracht opende een venster dat door Abu Bakr ﵀ vermoedelijk zo breed mogelijk werd opengezet, juist omdat hij wist dat een specifieke noemer in een kalifale opdracht niet bedoeld is om te beperken, maar om te verankeren.
Het werk was bovendien uitgesmeerd in de tijd. Abu Bakr ibn Hazm ﵀ overleed pas in 117 AH, zeventien jaar na de opdracht. Het is dus onjuist om de compilatie als een korte hectische operatie van een paar maanden voor te stellen. Zij was, eerder, een opdracht die zijn werk de rest van zijn leven structureerde. Iedere keer dat hij een oudere overleveraar tegenkwam, was er een verplichting om wat hij van die persoon hoorde, te noteren. Iedere keer dat een leerling hem om een hadith vroeg, was er een verplichting om die hadith schriftelijk te kunnen overleveren. De staatsopdracht had zich, na het korte kalifaat van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀, in zijn persoonlijke wetenschappelijke praktijk verankerd, en zou pas met zijn dood ophouden.
Wij kunnen bovendien iets zeggen over de manier waarop de kennis het huis van Abu Bakr ﵀ verliet en zich verspreidde. Want de jongere generatie van zijn eigen familie zette het werk voort, en juist bij die generatie geeft de biografische documentatie ons een scherper beeld. Wij komen daarop uitgebreid terug in de sectie over de zoon en de erfenis. Wat hier telt, is het patroon: de compilatie die in Medina op staatsmandaat begon, bleef niet in één kast liggen, maar werd door leerlingen en familieleden verder gedragen, afgeschreven en doorgegeven, zoals in deze cultuur de norm was.
De verloren boeken
Hier moeten wij echter een eerlijke tegenwerping bespreken, want zij wordt soms gebruikt om de hele compilatie te bagatelliseren. Ibn Sa’d vermeldt in zijn Tabaqat dat de zoon van Abu Bakr ibn Hazm ﵀, toen hem later naar de boeken werd gevraagd, antwoordde dat zij verloren waren. Wat moeten wij van dat antwoord maken.
Op het eerste gezicht klinkt het als een ramp. De kalief gaf opdracht, de geleerde verzamelde jaren lang, hij produceerde boeken, en één generatie later zijn die boeken er niet meer. Het verhaal lijkt te eindigen in een mislukking. Voor wie de Islamitische geleerdentraditie van die tijd echter van binnenuit kent, is het beeld omgekeerd.
Boeken in de tweede eeuw van de hijra waren, fysiek, kwetsbaar. Perkament vergeelde, viel uiteen, werd door insecten aangevreten, werd bij overstromingen vernietigd, raakte zoek bij verhuizingen, brandde in conflicten. Een boek dat één eeuw onbeschadigd in één huis bleef liggen, was de uitzondering. De norm was dat boeken werden afgeschreven, doorgegeven, in de leskring werden gelezen, en dat hun fysieke vorm uiteindelijk verging terwijl hun inhoud in nieuwere afschriften, vaak met aanvullingen en commentaren, doorleefde.
Dat dezelfde ouderen die later naar het lot van een specifiek boek vroegen, soms met “het is verloren” werden geantwoord, betekent dat het originele manuscript niet meer in het huis van de familie aanwezig was. Het betekent nadrukkelijk niet dat de inhoud weg was. De inhoud was, als de overdracht goed had gewerkt, in dat moment al opgesplitst in tientallen afschriften in de huizen van zijn leerlingen, in de compilaties van zijn eigen nageslacht, en bovendien, en dit is van groot belang, in de aanzienlijk grotere verzameling die al-Zuhri ﵀ in dezelfde periode had aangelegd en die, dankzij de leerlingen van al-Zuhri ﵀ (Imam Malik ﵀, Ma’mar ibn Rashid ﵀, Ibn Uyaynah ﵀ en vele anderen), de tweede en derde eeuw van de hijra zou bereiken.
Met andere woorden, het verlies van de fysieke boeken van Abu Bakr ﵀ ging gepaard met het behoud van de inhoud via meerdere parallelle kanalen. Dat is precies wat de hadith-traditie als veerkrachtsmechanisme heeft willen inbouwen. Geen enkele verzameling zou ooit zo geïsoleerd zijn dat haar verlies inhoudelijk verlies betekende. Geen enkele autografie zou ooit zo onvervangbaar zijn dat haar vernietiging een hiaat in de overlevering zou achterlaten. Het systeem was, in modern jargon, redundant. En de redundantie was niet toevallig. Zij was ingebouwd vanaf het moment dat het schriftelijke werk over meerdere geleerden en meerdere steden werd gespreid.
Wie dus zegt: “de boeken van Abu Bakr ibn Hazm ﵀ zijn verloren, dus de compilatie heeft gefaald”, begrijpt de wetenschappelijke structuur van de tijd niet. Een correcter beeld is: de boeken van Abu Bakr ibn Hazm ﵀ zijn als afzonderlijke fysieke verzameling niet bewaard, terwijl hun inhoud is opgegaan in de bredere, gedistribueerde overleveringscultuur waarvan zijn werk een initiërend deel was. Dat is geen mislukking. Dat is het succes van het systeem.
Twee steden, één opdracht
Wij komen nu terug bij het centrale punt van dit artikel, namelijk de methodologische betekenis van het feit dat het schriftelijke werk in 100 AH niet aan één man in één stad werd toevertrouwd, maar over meerdere geleerden in meerdere steden werd gespreid. Wij benadrukken opnieuw dat de klassieke bronnen dit als één collectief verzoek beschrijven; de analyse die volgt is de redenering die dit artikel uit dat verzoek destilleert, en niet een formulering die al-Azami zelf aan de bronnen ontleent.
Stelt u zich, even hypothetisch, voor dat het werk aan één man was toevertrouwd. Stel dat al-Zuhri ﵀ in Damascus de enige geadresseerde was geweest. Wat zou dan de structuur van de overlevering zijn geweest. Eén geleerde, in één hoofdstad, aan het hof van een dynastie, met zijn werk afhankelijk van de patronage van de heersers. Eén stroom, één boekenkast, één persoonlijk archief. Voor wie achteraf de overlevering wantrouwt, zou dat scenario inderdaad ruimte hebben gegeven voor de oriëntalistische argumentatie zoals Goldziher die heeft opgezet. Eén geleerde, aan één hof, kan worden bewerkt, kan worden onder druk gezet, kan, of hij dat nu wil of niet, een verzameling produceren die de smaak van zijn beschermheren weerspiegelt. Wij hebben in het vorige artikel uitgelegd waarom die argumentatie zelfs in dat hypothetische scenario niet opgaat bij al-Zuhri ﵀, gezien zijn karakter en zijn methodologische zelfstandigheid. Maar de structuur van het scenario zou de discussie überhaupt mogelijk maken.
De feitelijke structuur was echter een andere. De opdracht bereikte al-Zuhri ﵀ én Abu Bakr ibn Hazm ﵀, in twee gescheiden contexten, in twee steden die ruim 1300 kilometer uit elkaar lagen. De reis tussen de twee duurde in de tweede eeuw van de hijra vermoedelijk ongeveer een maand voor een koerier, langer voor een karavaan. De geleerden in de twee steden hadden weliswaar contact via reizigers, maar zij werkten niet samen in een gedeeld kantoor. Hun verzamelingen werden onafhankelijk opgebouwd. Wat al-Zuhri ﵀ van zijn leraren in Hijaz en Syrië had gehoord, ging in zijn boek. Wat Abu Bakr ibn Hazm ﵀ van Amrah ﵀, al-Qasim ﵀ en de andere ouderen van Medina hoorde, ging in zijn boek. Op de centrale Medinese kern zouden de twee verzamelingen overlappen, want al-Zuhri ﵀ had ook in Medina gestudeerd en had ook overleveringen uit de Aisha-stroom verzameld. Op die overlappende kern was, voor wie achteraf zou willen controleren, een onafhankelijke verificatie mogelijk. Als beide geleerden, werkend in verschillende steden, op verschillende momenten, dezelfde overlevering met dezelfde keten en dezelfde tekst optekenden, dan was de waarschijnlijkheid dat zij deze samen verzonnen zouden hebben, vrijwel nul. Als zij verschillende ketens optekenden voor dezelfde overlevering, dan was de keuze van hun overleveraars opnieuw aan onafhankelijke controle blootgesteld.
Dit is geen modern wetenschappelijk concept dat wij van buitenaf op de bronnen leggen. Het is een principe dat al in het artikel over de Uthmaanse Quran-compilatie aan bod is gekomen, waar bewust een tweede onafhankelijke stroom werd binnengehaald om naast het primaire archief te leggen. Het is hetzelfde principe dat wij zullen zien terugkeren in het artikel over Imam Malik ﵀‘s Muwatta’, waar de Medinese praktijk als correctiemechanisme dient voor de keten-overlevering. En het is dezelfde voorzichtigheid die in de klassieke isnad-kritiek het hart vormt: een overlevering met meerdere onafhankelijke ketens (tawatur) is sterker dan een overlevering met één keten, en een overlevering die in verschillende steden in verschillende kringen werd opgetekend, is sterker dan een overlevering die alleen in één stad bekend was.
Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ heeft, door zijn opdracht over meerdere geleerden en meerdere steden te spreiden, op staatsniveau het principe ingebouwd dat de individuele geleerden in hun isnad-kritiek al hanteerden. Hij heeft de hele compilatie zelf onderworpen aan dezelfde redundantie-eis die de overlevering binnenin als kwaliteitsstempel hanteert. Hij heeft, met andere woorden, voor de hadith gedaan wat een wetenschapper voor zijn eigen experiment doet: hij heeft het mogelijk gemaakt dat een onafhankelijke replicatie aan het primaire werk werd toegevoegd, zodat het resultaat niet aan één bron, één persoon, één locatie hing.
Wat dit weerlegt
In het vorige artikel hebben wij Goldzihers stelling in haar algemene vorm besproken, namelijk de stelling dat de hadith van de Profeet ﷺ grotendeels een product zou zijn van de Omajjadische politieke productie. Wij hebben daar gezien dat die stelling al stuit op het karakter van de man die het bevel gaf, en op de methodologische bewoording van het bevel zelf, en op de keuze van de geleerden die de opdracht ontvingen. Hier, in dit artikel, moeten wij nog één variant van de oriëntalistische argumentatie noemen die door de gespreide structuur van het werk direct wordt ondergraven.
Die variant zou kunnen luiden: ja, Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ was inderdaad een vrome man, maar zijn compilatie hing in de praktijk af van één enkele geleerde, al-Zuhri ﵀, die wel aan het hof zat. Wat al-Zuhri ﵀ neerschreef, was wat hij wilde dat werd neergeschreven, en wat hij wegliet, was wat hij wilde dat werd weggelaten. Het feit dat de kalief vroom was, beschermt zijn compilatie niet als de uitvoering ervan in handen lag van een mogelijk politiek bewerkbare geleerde. Dus, ook al was het bevel oprecht, het resultaat is wantrouwbaar.
Deze variant is in de twintigste eeuw door verschillende oriëntalisten in verschillende formuleringen naar voren gebracht, en zij heeft een zekere intuïtieve aantrekkingskracht. Zij maakt niet meer de fout om Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ zelf in de manipulatie-rol te plaatsen. Zij plaatst de manipulatie één stap later, bij de geleerde die het werk uitvoerde. Zij accepteert de oprechte intentie en wantrouwt de gebrekkige uitvoering.
Het probleem met deze variant is dat zij vereist dat er één uitvoerder was. Zodra blijkt dat het werk over meerdere geleerden in meerdere steden was verdeeld, stort de argumentatie in. Want als al-Zuhri ﵀ in Damascus iets had willen achterhouden, dan zou Abu Bakr ﵀ in Medina hetzelfde materiaal vanuit zijn eigen lokale bronnen alsnog hebben opgetekend. En als Abu Bakr ﵀ in Medina iets had willen vervalsen, dan zou al-Zuhri ﵀ dit vanuit zijn eigen bredere netwerk niet hebben opgevangen. De twee compilaties, juist omdat zij onafhankelijk werden uitgevoerd, vormden voor elkaar een levende controle. Geen van beide kon iets weglaten zonder dat dit zichtbaar werd in de andere. Geen van beide kon iets toevoegen zonder dat dit ontkracht kon worden door de andere.
Voor wie wantrouwt, is dit niet een argument dat één geleerde geeft. Het is een argument dat de structuur van de hele operatie geeft. Het is precies om deze reden dat de klassieke geleerden, en al-Azami in zijn moderne herevaluatie van diezelfde geleerden, zo veel gewicht hechtten aan de institutionele context waarin de vroege compilatie werd ondernomen. Het is niet alleen een biografisch detail. Het is een methodologisch fundament.
Een derde laag van weerlegging komt nog naar boven uit de keuze van de twee bronnen die in de opdracht aan Abu Bakr ﵀ expliciet werden genoemd. Amrah ﵀ was geen Omajjadische cliënt. Zij was een Ansari-vrouw uit Medina, opgevoed in het huis van Aisha ﵂, zonder enige binding met het hof in Damascus. Al-Qasim ﵀ was geen Omajjadische bondgenoot. Hij was een afstammeling van Abu Bakr ﵁, een neef van Aisha ﵂, en zijn vader Muhammad ibn Abi Bakr ﵁ was in 38 AH in Egypte vermoord in een context die niet bepaald in een goed daglicht stond met betrekking tot de latere Omajjadische dynastie. Een Omajjadische kalief die hadith zou willen vervalsen om zijn dynastie te legitimeren, zou niet kiezen voor het opschrijven van de overlevering van een familielid van de Abu Bakr-tak en een leerlinge van de Aisha-stroom. Hij zou kiezen voor mannen aan zijn eigen hof, voor cliënten van de Marwanide tak, voor secretarissen die hij persoonlijk had benoemd. Dat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ precies déze twee namen liet noemen, is op zichzelf bewijs dat zijn motivatie geen politieke was. Hij koos de bronnen die juist niét tot zijn dynastie behoorden, en die met hun overlevering juist déze bevoegdheid hadden die geen Omajjadische hoveling ooit zou kunnen leveren.
De zoon en de erfenis
Wij hebben de zoon van Abu Bakr ﵀ al kort genoemd, in de context van zijn antwoord aan latere navragers dat de boeken van zijn vader verloren waren. Maar zijn zoon was niet alleen een ontvanger van vragen. Hij was zelf een geleerde, en de overlevering ging via hem door.
Abdullah ibn Abu Bakr ibn Muhammad ibn Amr ibn Hazm ﵀ leefde van omstreeks 65 tot omstreeks 135 AH, en behoorde tot de groep Medinese geleerden van de tweede generatie tabi’in die de fundamentele bouwstenen leverden voor het werk dat in de daaropvolgende decennia in compilatievorm zou worden vastgelegd. Hij was, met andere woorden, een schakel tussen de generatie van zijn vader, die de opdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ had ontvangen, en de generatie van Imam Malik ﵀, die in Medina het Muwatta’ zou voltooien.
Het is bij déze zoon, en niet bij de vader, dat wij een aantal concrete sporen van schriftelijke verspreiding aantreffen. Al-Azami vermeldt in zijn Studies dat Abdullah ﵀ overleveringen opschreef en ze naar Ibn Juraij ﵀ in Mekka zond. Dat detail is meer dan een biografische randopmerking. Ibn Juraij ﵀ was een van de grote Mekkaanse hadith-geleerden van de volgende generatie, en het feit dat Abdullah ﵀ overleveringen aan hem zond, betekent dat wat in Medina werd opgetekend in elk geval gedeeltelijk in afschrift de stad uit ging. Wij zien hier het patroon dat in deze artikelreeks vaker aan bod is gekomen: overlevering wordt schriftelijk vastgelegd, en bijna onmiddellijk gaan er kopieën naar collega-geleerden in andere steden. Het origineel kon verloren gaan, maar de inhoud was, vanwege deze verspreiding, niet langer aan één plek gebonden.
Al-Azami voegt daaraan toe dat Abdullah ﵀ naar het zich laat aanzien een boek over al-maghazi bezat, de militaire campagnes van de Profeet ﷺ, dat werd overgeleverd door zijn neef Abd al-Malik ibn Muhammad ibn Abi Bakr ﵀. Wij zien hier een tweede aspect van de werkmethode: de jongere familieleden werden ingeschakeld als scribenten en doorgevers, zodat de kennis niet aan de leeftijd van één geleerde gebonden bleef, maar over een netwerk van familiehanden werd uitgesmeerd. Het is precies dit soort verspreiding, van vader op zoon, van zoon op neef, van neef op leerling, dat verklaart waarom het verlies van een origineel manuscript in deze cultuur geen verlies van inhoud betekende.
Wij moeten hier nauwkeurig zijn met de generaties, want de eerdere delen van deze reeks hebben daarop gewezen. De brief van de Profeet ﷺ berustte bij Amr ibn Hazm ﵁, de grootvader. De staatsopdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ ging naar Abu Bakr ibn Hazm ﵀, de gouverneur-jurist. En de schriftelijke verspreiding via Ibn Juraij ﵀ en via het al-maghazi-boek is verbonden aan Abdullah ﵀, de zoon, samen met zijn neef Abd al-Malik ﵀. Drie generaties, drie rollen, elk met een eigen aandeel in dezelfde ononderbroken keten.
Imam Malik ﵀ heeft in zijn Muwatta’ meermaals overleveringen opgenomen die hij van Abdullah ibn Abu Bakr ibn Hazm ﵀ heeft ontvangen. Wat in die overleveringen zit, is daarmee in directe lijn afkomstig uit de Medinese stroom die door het huis van Ibn Hazm werd gedragen, en wat in die stroom zat, was vermoedelijk in belangrijke mate dezelfde Amrah-overlevering en al-Qasim-overlevering waarover de kalifale opdracht in 100 AH had gesproken. De keten loopt door. Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ stuurt in 100 AH zijn opdracht naar Abu Bakr ibn Hazm ﵀. Abu Bakr ﵀ verzamelt en schrijft. Zijn zoon Abdullah ﵀, ondersteund door de neef Abd al-Malik ﵀, geeft het werk door en verspreidt het schriftelijk. Abdullah ﵀ geeft door aan Imam Malik ﵀. Imam Malik ﵀ neemt op in het Muwatta’. Het Muwatta’ wordt door zijn leerlingen overgeleverd in tientallen recensies. De recensies bereiken de derde eeuw van de hijra, waarin Imam Malik ﵀'s werk fundament wordt voor zowel de juridische methodologie van de Maliki-school als voor de bredere hadith-kritiek van de musnad- en sahih-traditie.
Wat dat betekent, is dat de korte opdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ aan Abu Bakr ibn Hazm ﵀ in 100 AH een directe oorzakelijke lijn heeft naar het Muwatta’, en daarmee naar de hele klassieke hadith-erfenis. Wij gaan dat verband in het artikel over Imam Malik ﵀‘s Muwatta’ uitgebreid bespreken. Voor nu volstaat het om vast te stellen dat het werk niet verloren is gegaan met de fysieke boeken van Abu Bakr ﵀ zelf. Het is overgegaan, via de overdrachtsketens die in deze cultuur juist voor dit soort overgang waren ontworpen, in werken die wel zijn bewaard en die wij vandaag nog kunnen openen.
In zekere zin is het feit dat wij Abu Bakr ﵀'s naam niet kennen via zijn eigen boek, maar via de boeken van zijn opvolgers, juist de bevestiging dat het systeem heeft gewerkt. Een individuele autograaf is verloren, maar de inhoud die in die autograaf zat, is door tientallen handen heen tot ons gekomen. Geen enkele enkelvoudige hand was onvervangbaar, want het systeem was niet rond enkelvoudige handen ontworpen. Het was rond meervoudigheid ontworpen, en in die meervoudigheid heeft het zijn duurzaamheid gevonden.
Wat dit moment in de geschiedenis betekent
Laten wij, voor wij naar het volgende artikel doorgaan, even pauzeren bij wat in deze maanden van 100 AH in Medina en Damascus tegelijk gebeurde. Meerdere geleerden, in verschillende steden, met verschillende biografieën, met verschillende toegangen tot de profetische overlevering, met verschillende werkmethodes, ontvingen vrijwel gelijktijdig een opdracht van dezelfde kalief. Zij begonnen, ieder in zijn eigen huis, met dezelfde fundamentele handeling. Zij namen perkament, zij namen inkt, en zij begonnen op te schrijven wat zij in hun geheugen, in hun losse aantekeningen, in de huizen van hun ouderen aan profetische overlevering aantroffen.
Dat lijkt, vanuit modern perspectief, een onspectaculaire handeling. Enkele geleerden gaan iets opschrijven. Voor de cultuur van die tijd was het echter een omkering. Voor het eerst in de geschiedenis van de oemma werd de schriftelijke optekening van de hadith niet aan het persoonlijke initiatief van afzonderlijke Metgezellen ﵃ of tabi’in overgelaten, maar werd zij door de staat als publieke prioriteit erkend. En de staat erkende haar niet door één persoon met het hele werk te belasten, maar door de opdracht over meerdere geleerden te spreiden, ook over steden die ruim duizend kilometer uit elkaar lagen.
Het is een institutionele beslissing van een orde die je in de geschiedenis van veel religies, en zelfs in de geschiedenis van veel wetenschappen, niet snel terugvindt. Het Christendom heeft eeuwen gewacht op de Concilies van Nicea en Chalcedon om zijn dogmatische teksten te codificeren, en zelfs dan ging dat onder grote politieke spanning. Het oude Jodendom heeft eeuwen gewacht op de redactie van de Mishna door Yehuda haNasi rond 200 GT. De Islamitische omgang met de hadith heeft, dankzij de gespreide staatsopdracht van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀, niet hoeven wachten. Zij heeft, binnen één eeuw na het overlijden van de Profeet ﷺ, het schriftelijke fundament gelegd waarop alle latere systematische verzamelingen zouden voortbouwen. En zij heeft dat gedaan zonder de inhoud aan één geleerde, één stad, één heerser of één tak van de overlevering uit te leveren.
Wij staan, in het jaar 100 van de hijra, op een drempel waarvan de gevolgen zich de volgende vier eeuwen, en eigenlijk de hele rest van de geschiedenis van de oemma, zullen blijven uitrollen. De musnad van Imam Ahmad ﵀, de sahihs van Bukhari ﵀ en Muslim ﵀, de sunan van Abu Dawud ﵀, al-Tirmidhi ﵀, al-Nasa’i ﵀ en Ibn Maja ﵀, het Muwatta’ van Imam Malik ﵀, de musannafat van Abd al-Razzaq ﵀ en Ibn Abi Shayba ﵀, allemaal werken die in de volgende twee eeuwen zouden worden vervaardigd, zouden bouwen op het fundament dat in deze maanden, in Medina door Abu Bakr ibn Hazm ﵀ en in Damascus door al-Zuhri ﵀, voor het eerst staatsmandaat had ontvangen.
Niet één geleerde. Meerdere geleerden. Niet één stad. Meerdere steden. Niet één controlebron. Een ingebouwde wederzijdse controle vanaf de eerste dag.
Naar het volgende artikel
Wij hebben in dit artikel gezien wie Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was, hoe hij in Medina als gouverneur-jurist functioneerde, welke opdracht hij van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ ontving, op welke twee bronnen die opdracht hem in eerste plaats wees, hoe hij het werk uitvoerde, hoe zijn zoon Abdullah ﵀ en zijn neef Abd al-Malik ﵀ het schriftelijk verder droegen, waarom het verlies van zijn fysieke boeken geen verlies van zijn inhoud was, en waarom de loutere aanwezigheid van zijn Medinese compilatie naast die van al-Zuhri ﵀ een eigen weerlegging vormt van een hele lijn van moderne kritiek op de vroege hadith-traditie.
Wat wij in dit artikel slechts impliciet hebben aangeraakt, is de vraag: hebben wij vandaag, dertien eeuwen later, nog enig fysiek artefact dat ons direct met deze generatie verbindt. Hebben wij, voorbij de overdrachtsketens die door geleerden mondeling werden gedragen en door hun leerlingen werden afgeschreven, ook een tastbare overgebleven nuskhah, een manuscript, een document uit deze tabi’in-eeuw waarvan de inhoud bewaard is en waarvan de tekstuele overlevering met latere canonieke werken kan worden vergeleken.
Het antwoord op die vraag is opmerkelijk. Het is bevestigend. En het zal het zwaartepunt van het volgende artikel vormen.
Wij zullen in het volgende artikel de Sahifa van Hammam ibn Munabbih ﵀ in Sana’a bekijken, een document uit precies dezelfde tabi’in-generatie als die van Abu Bakr ibn Hazm ﵀ en al-Zuhri ﵀, waarvan de tekst in twee onafhankelijke handschriften is bewaard en in moderne tijd is uitgegeven en woordelijk vergeleken met de Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀. Wij zullen zien hoe deze ene overgebleven sahifa, als een fysiek getuige uit een wereld waarin Abu Bakr ﵀ zijn compilatie schreef en al-Zuhri ﵀ zijn netwerk aanlegde, een directe materiele bevestiging vormt van het werk dat in de maanden rond 100 AH op staatsmandaat in meerdere steden tegelijk werd ondernomen.
De opdracht was niet enkel een bevel. Zij was, voor wie haar gevolgen door de eeuwen heen wil traceren, het begin van een keten die in stof bewaard bleef en die wij vandaag nog in onze handen kunnen houden.