InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Muhammad ibn Shihab al-Zuhri ﵀: de eerste systematische compilator

Muhammad ibn Shihab al-Zuhri ﵀: de eerste systematische compilator

Van de toetssteen naar de uitvoerder

In het vorige artikel volgden wij Muhammad ibn Sirin ﵀ in Basra, die na de Fitna de isnad-eis tot kerncriterium van de overlevering verhief. Noem ons jullie mannen, was zijn korte formule geweest, en met die eis kreeg de gemeenschap een toetssteen waarmee zij betrouwbare van onbetrouwbare overleveraars kon scheiden. Maar een toetssteen weegt alleen wat er voor haar wordt neergelegd. Wie de namen eiste, moest ook iemand hebben die de namen verzamelde, ordende en op schrift stelde, zodat de keten niet alleen kon worden gevraagd maar ook kon worden nageslagen en vergeleken. Het criterium van Basra vroeg om een compilator, en die compilator werkte in Medina.

Aan de organisatie van dat corpus lag bovendien een kalifaal bevel ten grondslag. Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ liet vanuit Damascus een brief uitgaan naar Abu Bakr ibn Hazm ﵀ in Medina, met de instructie om alles op te schrijven wat aan hadith van de Boodschapper van Allah ﷺ aanwezig was, uit vrees voor het verdwijnen van de kennis en het sterven van haar dragers. Het was een decreet, gericht aan de gouverneur en aan de qadi van Medina tegelijk. Dat bevel was geen uitvinding maar een formalisering: de Sahaba ﵃ hadden hadith reeds opgeschreven, en hun leerlingen onder de Tabi’in deden hetzelfde, maar de bevels-handeling van een rechtgeleide kalief tilde een privé-praktijk op tot een staats-erkende discipline.

Een bevel zonder uitvoerder is een woord op perkament. Wat dit artikel volgt, is de uitvoerder. Muhammad ibn Muslim ibn Ubaydullah ibn Shihab az-Zuhri ﵀, geboren in Medina, waarschijnlijk rond 50 of 51 AH, en overleden in 124 AH in Shaghb in Palestina, was de geleerde die het decreet beantwoordde. Hij was, in de woorden van zijn eigen leerlingen, een van de eerste schrijvers in de geschiedenis van de islamitische literatuur, een geleerde die de hadith systematisch verzamelde, op schrift vastlegde en aan generaties leerlingen tegelijk doorgaf. Wat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ in een bevel formuleerde, droeg al-Zuhri ﵀ uit in een levenswerk. En het is precies om die reden dat al-Zuhri ﵀, in de oriëntalistische literatuur die de overlevering wantrouwen wilde, tot het centrale doelwit van een groot opgezette aanval is geworden.

Dit artikel heeft twee aandachtsgebieden tegelijk. Wij volgen het leven, de leraren, de methode en de leerlingen van al-Zuhri ﵀ in concreto, en wij plaatsen tegelijk de aanval die Ignaz Goldziher in zijn Muhammedanische Studien in 1890 op deze geleerde heeft geformuleerd, met daarbij de minutieuze weerlegging die Mustafa al-Azami ﵀ in Studies in Early Hadith Literature heeft geleverd. De aanval is een schoolvoorbeeld geworden van wat in de westerse academie als wetenschappelijke kritiek op de hadith heeft gegolden. De weerlegging is een schoolvoorbeeld van wat een geleerde met toegang tot de bronnen en met geduld voor de details kan blootleggen wanneer hij die kritiek punt voor punt naast de feiten legt.

Een Quraishi in Medina

Al-Zuhri ﵀ stamde uit een tak van de Quraish, de Banu Zuhra, dezelfde clan waaruit de moeder van de Profeet ﷺ, Amina bint Wahb, was voortgekomen. Door zijn afkomst stond hij in Medina niet op een afstand van de families die de Profetische tijd van dichtbij hadden meegemaakt, maar middenin hen. Toen hij als jongeman, ergens in de zestiger jaren van de eerste eeuw AH, voor het eerst het studentenleven van de stad opzocht, leefden de laatste Sahaba ﵃ er nog. Anas ibn Malik ﵁, die de Profeet ﷺ tien jaar had gediend en in 93 AH in Basra zou overlijden, kwam in deze jaren regelmatig in Medina. De jonge al-Zuhri ﵀ heeft hem persoonlijk ontmoet en heeft uit zijn mond hadith ontvangen. Sahl ibn Sa’d as-Sa’idi ﵁, die in 91 AH overleed, was eveneens in zijn studiekring. Voor een Tabi’i is dit het hoogst bereikbare: niet alleen het ontvangen van overlevering uit de tweede generatie, maar het rechtstreeks horen van een man wiens oor het oor van de Profeet ﷺ had geraakt. Azami wijst er wel op dat de best gedocumenteerde directe Sahaba-schakel bij al-Zuhri ﵀ die van Abdullah ibn Umar ﵁ is, van wie hij evenwel slechts twee overleveringen heeft opgetekend.

De hoofdleraren van al-Zuhri ﵀ waren echter geen Sahaba ﵃ maar de grote Tabi’in van Medina. De stad herbergde in de tweede helft van de eerste eeuw AH een dichte kring van rechtsgeleerden, en al-Zuhri ﵀ heeft uit een aantal van hen rechtstreeks geleerd. Bovenaan de door Azami genoemde rij staat Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, overleden in 94 AH, de schoonzoon van Abu Hurayra ﵁ en de man die zelf een groot deel van de hadith-erfenis van de woestijnreciteur in zijn geheugen droeg. Sa’id ﵀ was streng. Hij gaf geen overlevering aan iedereen die om hem heen ging zitten; hij toetste eerst de oprechtheid en het geheugen. Dat al-Zuhri ﵀ jarenlang in Sa’id ﵀'s kring werd toegelaten, en dat hij volgens Azami minstens zeven jaar Ibn al-Musayyib ﵀ heeft vergezeld om elke beschikbare zitting bij te wonen, zegt iets over zowel de geleerde als de leerling.

Een tweede pijler in zijn vorming was Urwa ibn az-Zubayr ﵀, overleden in 94 AH, de zoon van az-Zubayr ibn al-Awwam ﵁ en van Asma bint Abi Bakr ﵂. Urwa ﵀ was de neef van Aisha ﵂, en zijn voornaamste hadith-bron was zijn tante. Wie aan Urwa ﵀ leerde, ontving in feite een directe doorgang naar de overlevering uit het huishouden van de Profeet ﷺ, met haar gedetailleerde geheugen voor de Mekkaanse jaren, de Hijra, de eerste twee oorlogsjaren en de hele Medinese fase. Urwa ﵀ was ook een van de vroegste Tabi’in die de levensgeschiedenis van de Profeet ﷺ in een geordende vorm trachtte op te schrijven, met maghazi-fragmenten die hij aan zijn leerlingen dicteerde. Al-Zuhri ﵀ heeft, zoals zijn latere Maghazi-werk laat zien, deze ordening van Urwa ﵀ overgenomen; Azami stelt uitdrukkelijk vast dat het werk van al-Zuhri ﵀ grotendeels op het schema van Urwa ﵀ was opgezet, en dat hij het tot een eigen genre uitbouwde.

Ubaydullah ibn Abdullah ibn Utba ibn Mas’ud ﵀, overleden in 98 AH, wordt door Azami eveneens tot de leraren gerekend; hij was de jurist die de combinatie van een Quraishi-verbondenheid en een diep-Medinese opleiding belichaamde. Hij had aan Abdullah ibn Abbas ﵁ gezeten en gaf aan al-Zuhri ﵀ de tafsir-traditie van diens kring door. Azami noemt in dezelfde adem Abdullah ibn Tha’labah ﵀ als een van al-Zuhri ﵀'s leraren, een naam die in latere overzichten vaak wordt weggelaten. Aan deze door Azami opgesomde leraren voegt de klassieke biografische literatuur, met name Ibn Sa’d en al-Mizzi ﵀, nog anderen toe: Salim ibn Abdullah ibn Umar ﵀, overleden in 106 AH, de kleinzoon van Umar ﵁, die aan al-Zuhri ﵀ de Umar-overlevering in haar volle juridische rijkdom leverde plus de hadith die zijn vader Abdullah ibn Umar ﵁ in een lang leven had verzameld; Abu Bakr ibn Abdur-Rahman ibn al-Harith ibn Hisham ﵀; Qabisah ibn Dhu’ayb ﵀ in Damascus; en Aban ibn Uthman ﵀, de zoon van de derde kalief. Deze laatste namen komen dus uit de klassieke overzichten, niet uit Azami’s eigen opsomming.

Al-Zuhri ﵀ heeft in zijn latere jaren over zijn opleiding zelf gesproken. Twee overleveringen zijn voor de geschiedenis van bijzonder belang. De eerste is een methodische zelfbeschrijving waarin hij vertelt hoe hij zijn overleveringen samenstelde uit wat hij bij Alqamah, Sa’id ﵀, Urwa ﵀ en Ubaydullah ﵀ had gehoord, zodat het ene rapport het andere aanvulde; hij bond zich niet aan één geleerde maar haalde de overlevering op uit elke mond waarin zij sterk en correct werd uitgesproken.De tweede is een bekentenis die Azami woordelijk overlevert: Wij verachtten het opschrijven van de kennis tot deze amirs ons ertoe dwongen, en toen waren wij van mening dat wij haar aan geen enkele moslim mochten onthouden. Deze tweede uitspraak heeft, zoals wij hieronder zullen zien, in handen van Goldziher een geheel andere strekking gekregen dan al-Zuhri ﵀ haar gaf. Azami wijst er nadrukkelijk op dat de uitspraak niets met vervalsing te maken heeft, en dat een vertaling die dat suggereert, de tekst geweld aandoet.

De methode: tussen geheugen en pen

Een hadith-geleerde uit de tweede helft van de eerste eeuw AH werkte in een tussenruimte waarin het geheugen nog de hoofdrol speelde en het schrift een hulpinstrument was. Al-Zuhri ﵀ heeft die tussenruimte met meer nauwkeurigheid dan zijn voorgangers georganiseerd. Zijn leerling Abu az-Zinad ﵀ overlevert dat al-Zuhri ﵀ met tabletten en vellen papier rondliep en alles wat hij hoorde onmiddellijk optekende.Hij hoorde een hadith uit de mond van zijn leraar, hij schreef haar meteen op, en in een fase daarna memoriseerde hij het opgetekende tot het in zijn geheugen onuitwisbaar stond. Zijn medeleerling Salih ibn Kaysan ﵀ heeft overgeleverd hoe zij samen optekenden wat van de Profeet ﷺ kwam, en hoe hun aanpak op dat punt uiteenliep en weer samenkwam.

Zijn leerling Ma’mar ibn Rashid ﵀, die later in Yemen zijn eigen Jami’ zou samenstellen, heeft over de schrijfwoede van zijn leraar bewaard dat al-Zuhri ﵀ zelfs op de zolen van zijn schoenen schreef, en dat hij boeken in grote hoeveelheid verzamelde.Zijn echtgenote zou zelfs hebben geklaagd dat deze boeken zwaarder te dragen waren dan drie mede-echtgenotes. Al-Zuhri ﵀ raadpleegde zijn optekeningen, hij vergeleek ze onderling, en hij drong er bij zijn leerlingen op aan om bij twijfel altijd terug te gaan naar het origineel. Pas wanneer de inhoud van een optekening volledig in zijn geheugen was overgegaan en hij haar in verschillende kringen identiek kon voordragen, beschouwde hij haar als een stuk veilige overlevering.

Dat al-Zuhri ﵀ in deze fase schreef, is in de latere hadith-discussie soms tot een polemiek-punt gemaakt door commentatoren die meenden dat het opschrijven van hadith verboden was. De vroege hadith-literatuur bevat inderdaad een aantal overleveringen waarin de Profeet ﷺ had gewaarschuwd geen hadith naast de Quran op te schrijven uit angst voor vermenging. Maar zij bevat evenzeer overleveringen waarin de Profeet ﷺ aan specifieke Sahaba ﵃ uitdrukkelijk toestemming, en zelfs opdracht, gaf om wel op te schrijven. Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁ bezat de bekende Sahifa as-Sadiqa, die elders in deze reeks is behandeld. Anas ibn Malik ﵁ had eigen schrifturen, evenals Abu Hurayra ﵁ via zijn leerling Hammam ibn Munabbih ﵀, die zijn eigen artikel over de Sahifa van Hammam in Sanaa heeft. De ban op het schrijven was, zoals de hadith-geleerden eensgezind hebben vastgesteld, een vroege voorzichtigheid die met de standaardisering van de Quran-tekst en de groei van de oemma haar reden van bestaan had verloren. Al-Zuhri ﵀ stond dus niet in een afwijking; hij stond in de hoofdstroom van de Sahaba-praktijk die hij van zijn leraren had geërfd.

Wat hem onderscheidde, was de schaal. Een Sahabi die voor zichzelf een sahifa aanlegde, deed het voor eigen gebruik. Al-Zuhri ﵀ legde zijn optekeningen aan met het oog op het onderwijzen van honderden leerlingen. Hij organiseerde zijn materiaal naar onderwerp, want zijn leerlingen kwamen niet allemaal voor dezelfde hadith. Een Sufyan ﵀ uit Mekka zocht andere overlevering dan een Ibn Ishaq ﵀ die voor de maghazi kwam, of een Malik ﵀ die voor de Medinese praktijk kwam. Al-Zuhri ﵀ moest in zijn optekeningen kunnen vinden wat hij voor welke leerling nodig had, en dat dwong hem tot een vorm van rubricering die in zijn tijd nieuw was. Zo verstrekte hij, zoals Azami overlevert, hele voorbereide collecties aan leerlingen als Shu’ayb ibn Abi Hamza ﵀, en dicteerde hij aan de zoon van Hisham vierhonderd overleveringen ineens.

Van zijn laatste jaren is een treffend beeld bewaard. Azami beschrijft hoe al-Zuhri ﵀ tegen het einde van zijn leven boeken aan een aantal leerlingen gaf zonder hun ervoor voor te lezen en zonder toe te staan dat men ze aan hem voorlas, waarna hij zich van het onderwijs terugtrok.Het is een gebaar dat past bij een man die het geheugen en de isnad-keten als de eigenlijke garantie van de overlevering beschouwde, en die de materiële drager slechts als hulpmiddel zag.

Honderden leerlingen, vijf hoofdsteden

Wat van al-Zuhri ﵀ een uitzonderlijke figuur in de geschiedenis maakt, is niet alleen wat hij van zijn leraren ontving, maar wat hij aan zijn leerlingen doorgaf. De latere biografische literatuur, in het bijzonder de Tahdhib al-Kamal van al-Mizzi ﵀ en de Siyar A’lam an-Nubala van adh-Dhahabi ﵀, heeft de namen van honderden van zijn leerlingen geregistreerd. Azami geeft een concreter en controleerbaarder gegeven: meer dan vijftig van al-Zuhri ﵀'s leerlingen bezaten zijn overleveringen op schrift.Wat voor dit artikel telt, is dat zijn voornaamste leerlingen niet in één stad woonden, maar in alle grote hoofdsteden van de oemma tegelijk.

Loading family tree...

In Medina kreeg Malik ibn Anas ﵀, overleden in 179 AH, zijn vorming gedeeltelijk in al-Zuhri ﵀'s kring. Toen Malik ﵀ later zijn Muwatta samenstelde, het eerste systematische rechtsboek van de Islam, was al-Zuhri ﵀ daarin een van de meest geciteerde isnad-knopen. Ook Ibrahim ibn Sa’d ﵀ en Salih ibn Kaysan ﵀ kunnen aan deze Medinese lijn worden toegevoegd.

In Mekka was Sufyan ibn Uyayna ﵀, overleden in 198 AH, een van de prominentste overbrengers. Sufyan ﵀ verzamelde wat hij van al-Zuhri ﵀ had geleerd en ontwikkelde in Mekka een eigen kring waarin de Zuhri-overlevering een centrale plaats innam. Naast hem moet hier Abdul-Malik ibn Jurayj ﵀ worden genoemd, overleden in 150 AH, die in Mekka een van de eerste systematische musannafat zou samenstellen, met al-Zuhri ﵀ als een van zijn voornaamste bronnen.

In Yemen en Basra was Ma’mar ibn Rashid ﵀, overleden in 153 AH, de overbrenger. Hij had jarenlang in Medina aan al-Zuhri ﵀'s voeten gezeten, was met hem meegegaan naar Damascus in de jaren dat al-Zuhri ﵀ in de omgeving van het kalifale hof verbleef, en bracht het ontvangene mee naar Yemen waar hij zijn Jami’ samenstelde. Deze Jami’ Ma’mar ibn Rashid, waarin al-Zuhri ﵀ een prominente bron is, is uitgegeven door de hadith-geleerde Habib al-Rahman al-A’zami, een moderne editeur die niet verward mag worden met Mustafa al-Azami, de auteur van Studies in Early Hadith Literature. De Jami’ is een van de oudste bewaarde hadith-collecties die wij bezitten, en het feit dat al-Zuhri ﵀ er zo vaak in optreedt, is een aanschouwelijke indicatie van zijn centrale positie in de overleveringsketens van zijn tijd.

In Sham, oftewel het Bilad as-Sham van Damascus tot Beiroet, was Abdur-Rahman al-Awza’i ﵀, overleden in 157 AH, de hoofdovernemer. Al-Awza’i ﵀ stichtte een eigen fiqh-school die in de tweede en derde eeuw AH in heel het Levantijnse gebied dominant was, en hij baseerde een aanzienlijk deel van zijn juridische conclusies op de hadith die hij van al-Zuhri ﵀ had ontvangen. In Egypte was de hoofdovernemer Yunus ibn Yazid al-Ayli ﵀, overleden in 159 AH, die jaren in Medina had doorgebracht en later in zijn Egyptische woonplaats Ayla een kring van leerlingen onderhield. Aan deze lijst moeten nog Aqil ibn Khalid ﵀, Shu’ayb ibn Abi Hamza ﵀ en, voor de maghazi-traditie, Muhammad ibn Ishaq ﵀ worden toegevoegd. Ibn Ishaq ﵀'s Sirah, die in de redactie van Ibn Hisham ﵀ tot ons is gekomen, leunt op talloze plaatsen op al-Zuhri ﵀ als de tussenschakel naar Urwa ibn az-Zubayr ﵀, en zo naar Aisha ﵂.

Deze geografische spreiding is voor de argumentatie van dit artikel niet decoratief. Zij is structureel. Een leraar die in vijf hoofdsteden tegelijk leerlingen heeft, geeft aan elk van die hoofdsteden hetzelfde basismateriaal door. Zijn leerlingen vergelijken later, in hun eigen kringen en met elkaar, wat zij hebben ontvangen. Een Sufyan ﵀ in Mekka die een hadith van al-Zuhri ﵀ rapporteert, kan worden afgemeten aan een Malik ﵀ in Medina, een Ma’mar ﵀ in Yemen, een Awza’i ﵀ in Damascus en een Yunus ﵀ in Egypte. Wanneer alle vijf op dezelfde formulering uitkomen, is de toeschrijving aan al-Zuhri ﵀ onbetwistbaar. Wanneer één afwijkt, kan precies worden vastgesteld waar de afwijking ligt en hoe zwaar zij weegt. De verspreide leerlingen-kringen waren elkaars wederzijdse controlemechanisme, en al-Zuhri ﵀'s eigen overlevering was, door de schaal van die verspreiding, onmogelijk te corrigeren of te vervalsen zonder dat de discrepantie meteen aan het licht kwam.

Het is precies tegen deze structurele werkelijkheid dat de aanval die nu volgt, getoetst moet worden.

De aanval van Goldziher

Ignaz Goldziher, een Hongaars-Joodse oriëntalist die te Halle de twee delen van zijn Muhammedanische Studien publiceerde, waarvan het tweede deel in 1890 verscheen, is de man geworden wiens werk op de hadith-wetenschap een schaduw heeft geworpen die honderd jaar zou duren. Zijn stelling was, in de breedste samenvatting, dat de hadith-literatuur niet teruggaat op de Profeet ﷺ en de Sahaba ﵃ maar op de politieke, juridische en theologische strijd van de tweede eeuw AH, met hadith-fabricatie als een gangbaar wapen tussen de strijdende partijen. Wat als een geautoriseerde overlevering van de Profeet ﷺ werd gepresenteerd, was volgens Goldziher in de meeste gevallen een latere invoeging, in de mond van de Profeet ﷺ gelegd om een latere stelling te legitimeren.

Voor deze stelling moest Goldziher een geleerde aanwijzen die op het scharnierpunt stond. Iemand die met de Umayyad-staat verbonden was geweest, die in een positie van invloed had verkeerd, en die toegang had tot een grote leerlingen-kring waarin gefabriceerde overlevering zich zou kunnen verspreiden. Al-Zuhri ﵀ paste in deze rol als geen ander. Hij had inderdaad jaren in de omgeving van Damascus verbleven. Hij had inderdaad de zonen van Hisham gedoceerd. Hij had inderdaad uitgebreide leerlingen-kringen onderhouden. En, voor Goldziher het beslissende element, hij was inderdaad de geleerde die gevraagd werd door Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ om de hadith op te schrijven, in een operatie die zonder kalifale rugdekking niet had kunnen plaatsvinden.

De polemische passage waarop Goldziher zijn voornaamste beschuldiging baseerde, kwam uit de Tarikh van Ahmad ibn Wadih al-Ya’qubi, een Shi’i-historicus uit de derde eeuw AH die in zijn werk een consequent anti-Umayyad standpunt innam. Al-Ya’qubi rapporteert in deel II van zijn Tarikh, in zijn behandeling van het kalifaat van Abd al-Malik ibn Marwan, dat Abd al-Malik na de opstand van Abdullah ibn az-Zubayr ﵁ in Mekka de pelgrims uit Sham niet meer naar Mekka durfde te laten gaan, uit angst dat zij in de Mekkaanse moskee aan Ibn az-Zubayr ﵁ trouw zouden zweren. Hij zou daarom de Qubbat as-Sakhra in Jeruzalem hebben opgericht als een vervangend bedevaartcentrum, en hij zou, een hadith van al-Zuhri ﵀ aanhalend, de pelgrims een vervanger voor de Hajj hebben aangeboden in de vorm van een bezoek aan Jeruzalem. Volgens Goldziher was het aan de theoloog al-Zuhri ﵀ overgelaten om deze handeling te legaliseren en te rechtvaardigen.

Goldziher heeft deze passage tot ankerpunt van een groter argument gemaakt. In zijn lezing zien wij hier hoe een hadith op kalifaal bevel werd gefabriceerd, hoe een geleerde van de eerste rang zich tot werktuig van de staat liet maken, en hoe het systeem van de isnad-keten geen bescherming tegen een dergelijke vervalsing zou hebben geboden. De stelling werd door zijn opvolgers, Joseph Schacht in 1950 voorop, tot een methodisch beginsel uitgebouwd. Wie aan een hadith twijfelt, hoeft slechts een Umayyad of Abbasid politiek belang aan te wijzen dat zij gediend zou kunnen hebben, en de twijfel staat. Het werk van een halve eeuw westerse hadith-studies is, in zekere zin, het schaduw-werk van deze ene aanname.

De weerlegging in zes punten

Mustafa al-Azami heeft in Studies in Early Hadith Literature en in nog uitgewerkter vorm in zijn latere On Schacht’s Origins of Muhammadan Jurisprudence deze aanval punt voor punt ontleed. De weerlegging valt uiteen in zes argumenten, die wij hier achter elkaar uitwerken omdat zij in hun samenhang aantonen dat de aanval op al-Zuhri ﵀ feitelijk niet houdbaar is.

Het eerste argument is chronologisch. Abd al-Malik ibn Marwan voltooide de Qubbat as-Sakhra in 72 AH. In dat jaar was al-Zuhri ﵀, zoals Azami vaststelt, ergens tussen de tien en achttien jaar oud.Hij was in dat jaar geen geleerde van de eerste rang aan wie een kalief een hadith zou opdragen te vervalsen. Hij was een jonge Medinese student die net of nauwelijks aan de voeten van Sa’id ibn al-Musayyib ﵀ en Urwa ﵀ was gaan zitten, en die in Damascus nog geen voet had gezet. Azami wijst er bovendien op dat al-Zuhri ﵀ Abd al-Malik niet vóór 81 AH heeft ontmoet. Een opdracht van Abd al-Malik aan een geleerde die op dat moment nog een kind of een jongen was, en die de kalief zelfs nog niet had ontmoet, is een historische onmogelijkheid.

Het tweede argument is biografisch. Toen al-Zuhri ﵀ later, na het kalifaat van Sulayman en in de regeerperiode van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ en de daarna volgende kaliefen Yazid II en Hisham, een figuur van betekenis aan het kalifale hof in Damascus werd, was de Qubbat as-Sakhra reeds een gevestigde structuur. Een hadith die haar als vervangend pelgrim-doel had moeten legitimeren, was op dat moment niet meer nodig. De politieke crisis met Abdullah ibn az-Zubayr ﵁ was beëindigd, en de Hajj werd, zoals Azami aangeeft, onder Umayyad-bestuur gewoon verricht, ook in de jaren 68, 72 en 75 AH.Al-Hajjaj had Mekka in 72 AH onder controle, en Ibn az-Zubayr ﵁ werd in 73 AH gedood, waarna alle pelgrim-routes opnieuw open lagen. Een fabricatie die dertig of veertig jaar na de aanleiding zou zijn ingebracht, dient geen enkel politiek doel meer.

Het derde argument betreft de bron. Al-Ya’qubi is een historicus met een onmiskenbaar Shi’i-uitgangspunt, wiens werk een doorlopende kritiek op de Umayyad-staat formuleert.Een aantijging tegen een geleerde die in nauwe relatie tot die staat heeft gestaan, past in deze bredere agenda. Bovendien is de passage in al-Ya’qubi’s Tarikh een eenmans-mededeling zonder isnad. Hij noemt geen bron, geen overlevering-keten, geen ooggetuige. Voor een methodisch historicus is dit het type mededeling dat in de hadith-wetenschap zelf onmiddellijk als zwak zou worden gediskwalificeerd. Goldziher heeft een mededeling zonder isnad gebruikt om een geheel isnad-systeem te discrediteren, een methodische cirkel die in geen enkele andere historische discipline aanvaardbaar zou zijn.

Het vierde argument is het zwaarste. In de hele overlevering van al-Zuhri ﵀, zoals die is opgenomen in de Sittah-werken van Bukhari ﵀, Muslim ﵀, Abu Dawud ﵀, an-Nasa’i ﵀, at-Tirmidhi ﵀ en Ibn Majah ﵀, plus in Malik ﵀'s Muwatta, in Ma’mar ﵀'s Jami’ en in al-Awza’i ﵀'s overgeleverde fatwa-materiaal, bestaat geen enkele hadith waarin de Profeet ﷺ het bezoek aan Jeruzalem als vervanger van de Hajj naar Mekka aanduidt. Wat wel in al-Zuhri ﵀'s overlevering aanwezig is, is de bekende hadith over de drie moskeeën waarvoor speciale reisvoorbereidingen toelaatbaar zijn, oftewel de Heilige Moskee in Mekka, de Profetische Moskee in Medina en de al-Aqsa Moskee in Jeruzalem. Deze hadith zegt niets over de Hajj. Zij stelt geen vervanging in. Zij geeft slechts de drie moskeeën als de drie heilige plaatsen waarheen een gelovige met religieuze intentie mag reizen. Azami merkt op dat al-Zuhri ﵀'s formulering met geen woord de heiligheid van de Rots of een tawaf eromheen noemt of zelfs maar suggereert.De gefabriceerde hadith waarover al-Ya’qubi spreekt, bestaat in al-Zuhri ﵀'s registratie eenvoudigweg niet. Goldziher heeft een hadith aan al-Zuhri ﵀ toegeschreven die niet aan al-Zuhri ﵀ kan worden toegeschreven, omdat zij in zijn corpus niet voorkomt.

Het vijfde argument betreft de structurele onmogelijkheid van vervalsing. Wij hebben hierboven de honderden leerlingen besproken, gespreid over Medina, Mekka, Yemen, Damascus, Egypte en kleinere centra. Een hadith die al-Zuhri ﵀ zou hebben gefabriceerd in opdracht van een kalief, zou onmiddellijk door deze leerlingen-kring zijn opgemerkt. Een Malik ﵀ in Medina zou een hadith die hij nooit eerder van al-Zuhri ﵀ had gehoord, maar die plotseling in een Damasceense kring opdook, hebben gemarkeerd en gerapporteerd. Een Sufyan ﵀ in Mekka zou hetzelfde hebben gedaan. Azami wijst er in dit verband op dat, indien de Syrische geleerden anti-Umayyad waren geweest, hun protesten tegen een dergelijke fabricatie ergens in de overlevering hadden moeten opduiken, en dat daarvan geen spoor bestaat.De vroege hadith-kritiek, die in de tweede eeuw AH al functioneerde, beschikte over precies dit instrument: de vergelijking van overleveringen tussen leerlingen van dezelfde leraar. Een hadith die door een geleerde van al-Zuhri ﵀'s formaat in een politiek belang zou zijn ingelegd, kon onmogelijk uniform door alle vijf de geografische scholen zijn aanvaard.

Het zesde argument tenslotte raakt aan al-Zuhri ﵀'s eigen verhouding tot de Umayyad-staat. Hij was, anders dan Goldzihers portret suggereert, geen onderdanig hofgeleerde. Azami heeft laten zien dat al-Zuhri ﵀ meermaals zwaar in de schulden zat, en dat die schulden door de kaliefen werden afbetaald, maar dat zijn verhouding tot hen daarom nog niet soepel was; het was voor hem onmogelijk een valse uitspraak te doen.De biografische literatuur heeft twee episoden bewaard waaruit die onafhankelijkheid duidelijk blijkt. In de eerste vroeg al-Walid hem naar een uitspraak, en al-Zuhri ﵀ bewees dat die uitspraak volstrekt onjuist was, in plaats van haar te bevestigen.In de tweede weersprak hij Hisham ronduit over een historisch punt betreffende Ali ﵁, en hij zwoer dat hij niet zou liegen:

Hisham: Het was niet Ali.

Al-Zuhri ﵀: U liegt, het was wel degelijk Ali. Bij Allah, al zou een stem uit de hemel verkondigen dat Allah het liegen had toegestaan, dan nog zou ik niet liegen.

Deze episoden zijn in de bronnen bewaard, en zij tekenen een geleerde die door zijn kennis aan het hof werd uitgenodigd, maar die zijn kennis niet liet bepalen door wie hem uitnodigde.Dat hij prinsen onderwees, was zijn opvoedkundige taak; dat hij hen onderwees binnen de grenzen van wat hij had ontvangen, was zijn geleerde discipline. Hij accepteerde dat zijn schulden door de kaliefen werden voldaan, maar hij weigerde te liegen ten gunste van hun standpunten.

De Hajj-vervanger-hadith in de bredere literatuur

Wij blijven hier nog even bij het kernpunt van de aanval, omdat het in de oriëntalistische literatuur nog vele decennia is gerecycled en in populaire boekjes tot op vandaag soms wordt herhaald. De stelling is dat er een hadith zou bestaan, of zou hebben bestaan, waarin de Profeet ﷺ het bezoek aan Jeruzalem gelijkstelt aan de Hajj. In de klassieke verzamelingen wordt geen hadith van die strekking aan al-Zuhri ﵀ toegeschreven. Wat wel bestaat, is de bekende overlevering over de drie moskeeën, plus een aantal fada’il-hadith over de verdiensten van het gebed in de al-Aqsa Moskee. Deze fada’il-hadith zegt niets over de Hajj. Azami wijst er bovendien op dat de overlevering over de moskee van Jeruzalem niet alleen via al-Zuhri ﵀ loopt, maar via vele anderen; zijn eigen opsomming van isnad-ketens voor de drie-moskeeën-hadith noemt onder meer Ibn Umar ﵁, Ali ﵁, Abu Sa’id al-Khudri ﵁, Abu Hurayra ﵁ en Abdullah ibn Amr ﵁ als Sahaba-bronnen.

Wat dus aan al-Zuhri ﵀ wordt toegeschreven, bestaat niet. Wat wel bestaat over de al-Aqsa Moskee, wordt langs vele ketens overgeleverd en is geen Hajj-vervanging. De aanval valt in deze ene observatie volledig samen. Goldziher heeft op grond van een isnad-loze passage in al-Ya’qubi een hadith verondersteld, deze toegeschreven aan een geleerde die haar nooit heeft overgeleverd, en op die toeschrijving een methodische conclusie gebouwd die de hele hadith-overlevering verdacht maakt. Azami laat de kwestie eindigen met het oordeel van de oriëntalist Josef Horovitz, die over al-Zuhri ﵀'s overlevering schreef dat er geen enkele grond is om te twijfelen of al-Zuhri ﵀ de hadith werkelijk uit de mond van Sa’id ibn al-Musayyib ﵀ heeft gehoord.

Al-Zuhri ﵀ en de Umayyaden

Toch is het beeld dat van al-Zuhri ﵀ blijft na deze weerlegging, niet dat van een hofgeleerde die op afstand bleef. Hij heeft een bewogen verhouding tot de opeenvolgende Umayyad-kaliefen gehad, en de bronnen verbergen die verhouding niet. Hij heeft, met onderbrekingen, in de omgeving van Damascus gewoond en gewerkt. Hij heeft de zonen van Hisham gedoceerd, en in die hoedanigheid van het hof een aantal vergoedingen ontvangen. Hij had uitstaande schulden, die door de kaliefen werden afbetaald. Hij is op het einde van zijn leven naar zijn landgoed in Shaghb in Palestina teruggetrokken, waar hij in 124 AH overleed.

Loading map...

Het portret dat de biografische literatuur uittekent, is dat van een geleerde die de spanning tussen kennis en politiek niet door terugtrekking maar door discipline beheerste. Hij heeft Umar ibn Abd al-Aziz ﵀, de enige Umayyad-kalief aan wie de traditie de honorific ﵀ verleent, als zijn vertrouwde tijdgenoot en geestesverwant beschouwd; Azami overlevert dat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ hem bewonderde en de mensen aanraadde zijn studiekring bij te wonen.Hij was, zoals wij bij het kalifale codificatiedecreet van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ hebben gezien, de geleerde die gevraagd werd om aan de codificatie van de hadith gehoor te geven. Hij heeft Hisham als kalief gediend in de opvoedingsrol van diens kinderen, maar geweigerd zijn overlevering te laten richten naar de wensen van de regering. Hij heeft de chaos onder Yazid III en de bloedige opvolgingsstrijd die het einde van de Umayyad-dynastie inluidde, niet meer hoeven meemaken; hij was ongeveer acht jaar voor de dood van Marwan II, de laatste Umayyad-kalief, in 132 AH al overleden.

Deze relatie maakte hem in de ogen van latere generaties niet verdacht. Imam Malik ﵀, die in Medina opgroeide met de Umayyad-erfenis nog in vers geheugen, heeft over zijn leraar al-Zuhri ﵀ slechts in superlatieven gesproken. Imam ash-Shafi’i ﵀ heeft in zijn fiqh-werken al-Zuhri ﵀ als een onbetwijfelbare bron behandeld. Bukhari ﵀ en Muslim ﵀, die in hun verzamelingen alleen overlevering opnamen die aan de strengste isnad-criteria voldeed, hebben al-Zuhri ﵀-overlevering door honderden plaatsen in hun Sahih-werken opgenomen. Azami vat het oordeel van de traditie samen: de hadith-geleerden zijn er unaniem over eens dat al-Zuhri ﵀ een autoriteit inzake de Sunnah was en een uiterst betrouwbare geleerde.Wanneer een geleerde door de daaropvolgende generaties hadith-kritiek zonder uitzondering als betrouwbaar wordt erkend, is dat een institutioneel oordeel dat zwaarder weegt dan een polemische opmerking in een Shi’i-kroniek.

De positie in de structuur

Het is goed om aan het einde van dit biografische deel uit te zoomen, en al-Zuhri ﵀ in de structurele context te plaatsen waar het hele thema over gaat. De compilatie van de Quran, die wij in de eerste sub-kaart van dit thema in achttien artikelen hebben gevolgd, kende een dubbele bewaring: een geschreven skelet, in 25 AH onder Uthman ﵁ gestandaardiseerd, en een mondelinge isnad-keten die in de qira’at-wetenschap haar formele canonisering vond. De hadith-wetenschap, waaraan deze tweede sub-kaart is gewijd, heeft een vergelijkbare maar in tijd uitgerekte ontwikkeling doorlopen.

De mondelinge fase begon onder de Sahaba ﵃, zoals wij in eerdere artikelen hebben behandeld. De schriftelijke fase werd onder Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ door een kalifaal decreet geformaliseerd. Al-Zuhri ﵀ was de eerste geleerde die deze formalisering in een systematisch werk uitvoerde, met schrifturen, met geografische verspreiding, met een leerlingen-netwerk waarin de overlevering meervoudig werd vastgelegd. Wat hij in deze positie deed, was de overgang van een privé-praktijk naar een publieke wetenschap. Hij vond de hadith-discipline niet uit, en hij verzon haar materiaal niet; hij organiseerde de bestaande praktijk tot een corpus dat aan latere generaties in geordende vorm overleverbaar was.

In dat opzicht staat hij precies op het scharnier tussen de Sahaba-generatie en de canonieke fase die in de derde eeuw AH met Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ haar voltooiing zou vinden. Zonder zijn werk zou de Sittah-literatuur, die ruim honderd jaar na zijn dood tot stand kwam, niet hebben kunnen putten uit een reeds gesystematiseerd corpus. Met zijn werk werd de stap van persoonlijke sahifa naar publieke musannaf mogelijk, een stap die zijn leerlingen Ma’mar ﵀, Malik ﵀, Ibn Jurayj ﵀ en al-Awza’i ﵀ in hun eigen werken hebben gezet.

De parallel met Basra

Terwijl al-Zuhri ﵀ in Medina en Damascus de schriftelijke organisatie van de hadith ter hand nam, had in Basra de ontwikkeling plaatsgevonden die wij in het vorige artikel hebben gevolgd, en die in haar betekenis aan al-Zuhri ﵀'s werk verwant is. In Basra was Muhammad ibn Sirin ﵀, overleden in 110 AH, de geleerde die in zijn beroemde uitspraak de isnad-eis als kerncriterium van de hadith-overlevering heeft geformuleerd. Voor de Fitna vroegen wij niet naar de isnad. Maar toen de Fitna kwam, zeiden wij: noem ons jullie mannen. Wij keken dan: behoorde hij tot Ahl as-Sunnah, dan namen wij zijn hadith aan; behoorde hij tot Ahl al-Bid’ah, dan namen wij haar niet aan. Deze uitspraak, die door Muslim ibn al-Hajjaj ﵀ in de inleiding van zijn Sahih is opgetekend, formaliseerde in een enkele formulering wat in de praktijk al langer gebeurde, en wat al-Zuhri ﵀ in Medina in zijn methodische ordening tegelijkertijd uitvoerde.

De twee mannen waren tijdgenoten en zij hebben elkaar gekend. Ibn Sirin ﵀ overleed in 110 AH, al-Zuhri ﵀ in 124 AH; hun werkzame jaren overlappen volledig. Zij werkten in twee verschillende hoofdsteden, met twee verschillende leerlingen-kringen, op twee verschillende fronten van dezelfde wetenschap. In Medina werkte al-Zuhri ﵀ aan de organisatie van het materiaal in een geordend corpus; in Basra had Ibn Sirin ﵀ het criterium geformaliseerd waarmee dat materiaal werd getoetst. De Basra-lijn, met Ibn Sirin ﵀ als hoofdfiguur en met de isnad-eis als de formele scheiding tussen wat de oemma als overlevering aanvaardde en wat zij als onbevestigde toeschrijving afwees, is elders in deze reeks in detail gevolgd.

Wat in deze twee levens samen zichtbaar wordt, is dat de hadith-wetenschap in de eerste decennia van de tweede eeuw AH niet door één geleerde in één stad werd opgebouwd, maar door een netwerk van geleerden in verschillende centra tegelijk, die in onderling contact stonden en die elkaars werk versterkten. Al-Zuhri ﵀ in Medina en Ibn Sirin ﵀ in Basra zijn de twee zuilen van die opbouw. Wat zij begonnen, droegen hun leerlingen verder naar Mekka, Damascus, Yemen, Egypte en Kufa, tot in de derde eeuw AH de Sittah-redacteuren de oogst inhaalden en haar in zes definitieve verzamelingen vastlegden.

De keten doorgegeven

Muhammad ibn Shihab al-Zuhri ﵀ stierf in 124 AH op zijn landgoed in Shaghb, op een afstand van enkele dagreizen van Medina, in de stilte van een leven dat hij in dienst van de overlevering had geleefd. Zijn nalatenschap was niet een boek dat hij zelf had ondertekend. Hij heeft, voor zover wij weten, geen enkel werk in zijn eigen redactie gepubliceerd. Zijn schrifturen, die hij gedeeltelijk aan leerlingen had nagelaten, zijn niet als zelfstandige werken tot ons gekomen. Wat van hem is overgebleven, leeft in de werken van anderen: in Ma’mar ﵀'s Jami’, in Malik ﵀'s Muwatta, in de fragmenten die in Ibn Ishaq ﵀'s Sirah via de tussenschakel van Salih ibn Kaysan ﵀ verschijnen, in de honderden hadith die de Sittah-werken via meerdere onafhankelijke isnad-ketens uit hem rapporteren.

Deze wijze van overleven is, voor de doelstellingen van dit thema, niet bijkomstig. Een geleerde wiens werk uitsluitend in zijn eigen boeken bewaard zou zijn gebleven, had door één enkele brand of door één opzettelijke vernietiging uit de geschiedenis verwijderd kunnen worden. Een geleerde wiens werk via honderden leerlingen in vijf hoofdsteden was uitgewaaierd, en wiens overlevering door talloze onafhankelijke ketens in latere werken werd vastgelegd, kon door geen enkele politieke gebeurtenis worden uitgewist. Wanneer Goldziher en zijn opvolgers de hadith van al-Zuhri ﵀ wilden discrediteren, stonden zij niet voor één boek dat zij tekstkritisch hadden kunnen ontleden; zij stonden voor een netwerk van ketens, in vijf hoofdsteden tegelijk, met onderling vergelijkbare overleveringen en met een controle-mechanisme dat in de discipline zelf was ingebouwd. Het is geen toeval dat hun aanval, hoezeer ook met geleerde apparatuur uitgevoerd, op een eenmans-mededeling zonder isnad uit een polemische bron heeft moeten leunen. Een netwerk-overlevering breekt men niet met een eenmans-mededeling.

Wat met al-Zuhri ﵀ in 124 AH afgesloten werd, was een leven; wat met hem niet afgesloten werd, was de wetenschap die hij georganiseerd had. De hadith-wetenschap die in hem en in Ibn Sirin ﵀ haar dubbele fundament vond, was van het begin af aan zo ingericht dat geen enkele individuele geleerde, hoe groot ook, boven haar criteria stond. Al-Zuhri ﵀ heeft haar in Medina georganiseerd; Ibn Sirin ﵀ heeft haar in Basra getoetst; en het is in de spanning tussen die twee functies dat de discipline haar geloofwaardigheid heeft verworven die zij vandaag nog draagt.

Maar de organisatie die al-Zuhri ﵀ in Medina op gang bracht, laat een vraag open die geen enkele theorie over methode kan beantwoorden. Bestaat er van deze generatie nog tastbaar materiaal, een geschreven document uit de tweede eeuw AH dat wij in onze handen kunnen leggen en kunnen toetsen aan de latere collecties? In het volgende artikel keren wij terug naar Medina en volgen wij de nuskhah van Suhail ibn Abi Salih ﵀, het kleinste bewaarde manuscript dat via zijn vader teruggaat op Abu Hurayra ﵁, en dat een geleerde uit India in 1966 in Cambridge als het centrale bewijsstuk koos om te laten zien dat de geschreven overlevering waarvan al-Zuhri ﵀ de systematiek belichaamde, geen latere constructie maar een vroege werkelijkheid was.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).