–>
Na de maand op de kameel
In het vorige artikel reden wij mee met Jabir ibn Abdullah ﵁, de oude Metgezel die op zijn hoge leeftijd een maand lang naar Damascus reisde voor één enkele hadith, die aan de deur van Abdullah ibn Unays ﵁ één overlevering ontving en zonder over de drempel te stappen weer omkeerde. Wij hebben gezien hoe de rihla, de reis op zoek naar kennis, de zorg voor een zuivere keten van een houding tot een levenspraktijk maakte, en hoe generaties geleerden na Jabir ﵁ hun leven en hun gemak gaven om de overlevering rechtstreeks van haar dragers te ontvangen.
In de artikelen die wij tot dusver gelezen hebben, is dat het patroon geweest. De hadith leefde in huizen. Zij leefde in moskeehoeken. Zij leefde in particuliere brieven van een geleerde aan een andere geleerde, in een sahifah die een leerling met zich meedroeg op reis, in de kleine afspraken die Metgezellen ﵃ met elkaar maakten over wie wat zou doorgeven, en in de maandenlange reizen die een enkeling ondernam om één keten te verkorten. Voor wie wilde leren, was er overvloed; voor wie van buiten kwam, was er niets institutioneels om bij aan te kloppen. De hadith was een persoonlijke nalatenschap, geen openbare bibliotheek.
Tot ongeveer het jaar 100 van de hijra. Toen veranderde er iets dat de geschiedenis van de Islamitische wetenschappen nooit meer ongedaan zou maken. Een kalief, en niet zomaar een kalief, gaf opdracht om hadith op te schrijven. Hij stuurde brieven naar zijn gouverneurs, brieven naar zijn geleerden, brieven naar de mannen die in iedere provincie het meeste van de overlevering droegen. Hij vroeg om compilatie. Niet voor zichzelf, niet voor zijn paleis, maar voor de oemma. Vanaf dat moment was de hadith geen privébezit meer; zij werd, in de traditionele formulering, ook een zaak van de staat. De rest van dit artikel gaat over die ene brief, en over de man die hem schreef.
Het is van belang om dit meteen goed te positioneren, want juist hier ligt een valkuil. Het is niet zo dat de hadith met deze brief voor het eerst werd opgeschreven. Al-Azami ﵀ noteert nadrukkelijk dat het slechts een wijdverbreide overtuiging is dat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ als eerste Abu Bakr ibn Hazm, al-Zuhri en anderen vroeg om hadith te verzamelen, en dat al-Zuhri als eerste zou hebben opgetekend. Zijn hele boek is er juist op gericht om aan te tonen dat al-Zuhri ﵀ noch de eerste optekenaar noch de eerste compilator was. Wat in dit artikel gebeurt, is geen geboorte van de schriftelijke hadith. Het is de formalisering van een schriftelijke praktijk die er al lang was. De brief zette een bestaande privédiscipline om in een publieke, maar hij schiep haar niet.
Met dat voorbehoud stevig op zijn plaats, is het toch de man op wiens brief, als wij vooruitkijken, een groot deel van de latere schriftelijke hadith-infrastructuur mede kon voortbouwen: de scholen van Yamama tot Khorasan, de musannafat van de tweede eeuw, de musnad-traditie van Imam Ahmad ﵀, de sahihs van Bukhari ﵀ en Muslim ﵀, het Muwatta’ van Imam Malik ﵀. Niet als oorsprong van die werken, maar als een van de momenten waarop de infrastructuur werd opengesteld en versneld. Veel van wat de Sahih-eeuwen zou worden, vond een van zijn vroege legitimaties niet in een leslokaal, maar in een korte brief van een kalief aan een gouverneur in Medina.
Een dynastie en haar uitzondering
Om te begrijpen waarom dat bevel zo opmerkelijk is, moeten wij eerst stilstaan bij de dynastie waaruit hij voortkwam. De Omajjaden hadden, sinds Mu’awiyah ﵁ na de fitna van Siffin de macht had geconsolideerd, het kalifaat omgevormd van een raad-gedragen leiderschap, zoals onder de rechtgeleide kaliefen, tot iets dat veel meer leek op een Arabisch koningschap. De hoofdstad was van Medina naar Damascus verhuisd. De rechtsopvolging was van een keuze door de senior Metgezellen ﵃ geworden tot een erfopvolging van vader op zoon, eerst onder Mu’awiyah ﵁ en Yazid, en daarna onder Marwan ibn al-Hakam en zijn nakomelingen. De staatsadministratie werd in toenemende mate hofelijk, met paleizen in Damascus, hofzangers, een Byzantijnse paleiscultuur die de bedoeïensobere oorspronkelijke gemeenschap nauwelijks meer herkende.
Het is precies dit beeld dat de Hongaarse oriëntalist Ignaz Goldziher aan het einde van de negentiende eeuw zou gebruiken voor een veel groter argument. In zijn Muhammedanische Studien, een werk dat een eeuw lang het oriëntalistische onderzoek naar de hadith zou bepalen, stelde Goldziher dat de Omajjadische periode juist de tijd was waarin de hadith op grote schaal werd verzonnen. De kaliefen, zo redeneerde hij, hadden geleerden in dienst genomen die “passende” overleveringen produceerden om hun politieke posities te legitimeren. Wat in latere eeuwen als hadith van de Profeet ﷺ werd gepresenteerd, was volgens Goldziher in werkelijkheid een Omajjadische politieke productie. Joseph Schacht zou die these in de twintigste eeuw radicaliseren tot het beroemde uitgangspunt dat vrijwel iedere juridische hadith uit deze eeuw verdacht is tot het tegendeel bewezen wordt.
Het is een aantrekkelijk verhaal voor wie de Omajjaden alleen door een politiek raam bekijkt. Het breekt op één punt, en op dat punt onverbiddelijk. Het breekt op de man die in 99 AH het kalifaat overnam, en wiens naam zelfs voor de meest kritische klassieke geleerde nooit met politieke vervalsing geassocieerd is. Het breekt op Umar ibn Abd al-Aziz ﵀.
Want het is precies déze kalief, en geen ander, die de geschiedenis ingaat als de man die het schrijven van hadith staatsmandaat gaf. Niet Mu’awiyah ﵁, die de macht had geconcentreerd. Niet Yazid, die berucht werd na Karbala. Niet Abd al-Malik ibn Marwan, die de staat reorganiseerde en de Rotskoepel liet bouwen. Niet al-Walid, niet Sulayman, niet Hisham. Maar de ene Omajjad wiens persoonlijke vroomheid door iedere latere bron, ook door de felste critici van zijn dynastie, met respect wordt beschreven. De ene Omajjad die zelfs in de Sunni-traditie de eretitel van “vijfde rechtgeleide kalief” heeft gekregen.
Wie de hadith-compilatie wil afdoen als Omajjadische politiek, moet uitleggen waarom de man die het bevel gaf, juist de Omajjad was die nooit aan macht hechtte, die de paleisweelde afzwoer, die ambtenaren ontsloeg die zichzelf verrijkten, en die het korte kalifaat van tweeënhalf jaar gebruikte om de schade van zijn voorgangers ongedaan te maken. Die uitleg, om vooruit te lopen, geeft de oriëntalistische lezing niet. Zij kan haar ook niet geven. Want het bevel komt niet voort uit de logica van macht; het komt voort uit de logica van vrees voor verlies.
Wij komen straks terug op de inhoud van de brief, en wij komen straks terug op wat hij weerlegt. Eerst de man.
Wie was Umar ibn Abd al-Aziz ﵀
Hij werd geboren rond het jaar 63 AH, in Medina, in het huis van een Omajjadische gouverneur. Zijn vader, Abd al-Aziz ibn Marwan, was de jongere broer van kalief Abd al-Malik en de gouverneur van Egypte. Aan zijn vaderskant was hij dus volledig Omajjadisch, kleinzoon van Marwan ibn al-Hakam, een achterneef van Uthman ibn Affan ﵁.
Maar aan zijn moederskant lag iets veel zwaarders. Zijn moeder was Umm Asim, en Umm Asim was de dochter van Asim, zoon van Umar ibn al-Khattab ﵁. De tweede kalief, de man die meer dan iedere andere de structuur van de jonge Islamitische staat had vormgegeven, de man wiens rechtvaardigheid spreekwoordelijk was geworden, was de overgrootvader van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ langs de vrouwelijke lijn. Hij droeg zijn naam niet toevallig. Hij droeg hem als een opdracht.
Er bestaat een overlevering, vaak verteld door latere chroniqueurs, waarin Umar ibn al-Khattab ﵁ tijdens zijn kalifaat 's nachts door Medina liep en een vrouw hoorde die haar dochter verbood melk met water aan te lengen, ondanks dat er geen toezichthouder aanwezig was, omdat Allah ﷻ het zag. Umar ﵁ zou hebben gezegd dat als hij ooit een kleindochter uit dit huis zou krijgen, hij hoopte dat zij iemand zou voortbrengen die rechtvaardigheid in het kalifaat zou herstellen. Of de overlevering historisch in deze vorm te traceren is of een latere narratieve constructie is, daarover verschillen geleerden van mening. Wat onbetwist is, is het feit zelf: door zijn moeder stamt Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ rechtstreeks af van Umar ﵁, en dat bloed werd door zijn tijdgenoten als richtinggevend ervaren.
Hij studeerde in Medina. Hij zat in de kringen van de tabi’in, de tweede generatie. Hij hoorde Anas ibn Malik ﵁, die als jongen de Profeet ﷺ had gediend. Hij hoorde Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, de grote jurist van Medina. Hij hoorde Urwah ibn al-Zubayr ﵀, de neef van Aisha ﵂, die als één van de eerste systematische verzamelaars van de profetische biografie geldt. Hij groeide niet alleen op in de familietraditie van de Omajjaden; hij groeide op in de geleerdentraditie van Medina, in het hart van waar de hadith nog leefde.
Als jongeman werd hij benoemd tot gouverneur van Medina, vanaf het jaar 87 AH onder kalief al-Walid. Het was een formele machtspositie, maar voor wie de stad goed kende, was het meer: het was een morele bewaking van de plek waar de Profeet ﷺ was begraven. Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ omringde zich daar met een raad van tien geleerden uit de stad. Hij beloofde, vertellen latere bronnen, niets te beslissen zonder hen te raadplegen. Hij herstelde de moskee van de Profeet ﷺ. Hij beschermde de bevolking tegen de hardheid van de centrale staat. Hij leerde, in die jaren, wat het was om bestuur en geleerdheid niet als concurrerende werelden te zien, maar als één gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Toen hij in Damascus in 99 AH na de dood van zijn neef Sulayman tot kalief werd uitgeroepen, gebeurde er iets dat geen Omajjad voor hem had gedaan. Hij weigerde het paard van de staat. Hij weigerde de erewacht. Hij vroeg om zijn eigen muildier. Hij stapte het paleis binnen, en zijn eerste daad was om de tot dan toe gebruikelijke staatsiekleding niet aan te raken. In de tweeënhalf jaar die hij zou regeren, droeg hij naar verluidt één en dezelfde mantel die hij liet repareren wanneer hij sleet. Hij liet de stallen leeghalen van de raspaarden die zijn voorgangers hadden verzameld en gaf de opbrengst aan de schatkist terug. Hij riep ambtenaren uit alle provincies bijeen en eiste rekenschap. Hij stuurde, in een zaak die als gerechtelijke precedent zou gelden, eigendommen terug naar niet-moslim gemeenschappen waarvan was gebleken dat zijn voorgangers ze onrechtmatig hadden ingenomen.
Hij leefde, met andere woorden, alsof hij niet de erfgenaam was van Mu’awiyah ﵁ en Abd al-Malik, maar de erfgenaam van zijn overgrootvader. De oemma merkte het. Zelfs de Khawarij, die elke andere Omajjad als illegitiem beschouwden en die generaties lang in opstand kwamen tegen het centrale gezag, leggen volgens meerdere bronnen tijdens zijn kalifaat de wapens neer. Hij gaf hen daar geen militaire reden voor; hij gaf hen een morele reden. Een rechtvaardige kalief was, voor wie ook maar enig spoor van de oorspronkelijke politieke moraal in zijn hart had bewaard, niet een vijand om te bestrijden.
Het is in deze omstandigheden, in dit korte venster van moreel herstel, dat hij de brief schrijft.
De brief aan Abu Bakr ibn Hazm ﵀
Abu Bakr ibn Muhammad ibn Amr ibn Hazm al-Ansari ﵀ was in deze tijd de gouverneur van Medina, en bovendien de rechter van de stad. Volgens de klassieke biografische woordenboeken werd hij geboren rond het jaar 50 AH en stierf hij rond 117 AH. Hij was geen verre administrator; hij was zelf een geleerde, een man uit een geslacht van Ansari-juristen, en hij behoorde tot de inner circle van de Medinaanse fuqaha. Zijn grootvader was Amr ibn Hazm ﵁, één van de jongere Metgezellen ﵃ die de Profeet ﷺ persoonlijk een gedetailleerde brief had gestuurd over gebed, wassing, buit, belasting, zakat en bloedgeld, een Kitab die generaties lang in de familie werd doorgegeven. In het huis van Abu Bakr ibn Hazm ﵀ kwamen, met andere woorden, de twee dingen samen die elke andere correspondent ontbeerde: institutioneel gezag in Medina, en directe toegang tot de oudste schriftelijke profetische erfenis.
In Medina werden in deze jaren nog andere bronnen geraadpleegd die wij voor de hadith van onschatbare waarde noemen. Amrah bint Abd al-Rahman, de leerlinge van Aisha ﵂ in wier huis Aisha ﵂ haar laatste jaren had doorgebracht, leefde nog. Zij droeg een groot deel van wat Aisha ﵂ over het privéleven van de Profeet ﷺ had verteld: zijn gebed, zijn vasten, zijn omgang met zijn echtgenotes, zijn houding in moeilijke momenten. Naast haar leefde al-Qasim ibn Muhammad ﵀, kleinzoon van Abu Bakr ﵁, neef van Aisha ﵂, en één van de zogenaamde zeven juristen van Medina. Wat zij wisten, wisten zij uit eerste hand. Wat zij doorgaven, was van een directheid die geen andere stad in de oemma kon evenaren.
Het was deze rijkdom, en de wetenschap dat zij stervelijk was, die Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ tot actie bracht. Hij wist hoe het werkte. Een Metgezel ﵁ die stierf, nam met zich mee wat geen boek nog bevatte. Een tabi’i die stierf, nam met zich mee wat geen leerling nog had opgeschreven. Iedere begrafenis in Medina was, voor wie ogen had om te zien, een stille bibliotheek die in stof verging. Hij wachtte niet. Hij liet zijn secretaris komen, en hij dicteerde.
De inhoud van de brief is in latere bronnen, met name in al-Tirmidhi’s al-Jami’, in Ibn Sa’d’s Tabaqat, in al-Bukhari’s Kitab al-Ilm als ta’liq, en in al-Khatib al-Baghdadi’s Taqyid al-Ilm, vrijwel woordelijk bewaard gebleven. Hij wordt, in zijn verschillende overleveringen, ongeveer zo geciteerd:
Umar ibn Abd al-Aziz ﵀: Kijk naar wat er aan de hadith van de Profeet ﷺ is, en schrijf het op, want ik vrees dat de kennis met de geleerden zal sterven.
Umar ibn Abd al-Aziz ﵀: Aanvaard niets behalve de hadith van de Profeet ﷺ, en laat de geleerden hun kennis openlijk verspreiden en zitten zodat wie niet weet, zou weten; want kennis vergaat niet zolang zij niet in het verborgene wordt gehouden.
Het is, in zijn eenvoud, een buitengewone tekst. Hij bevat geen theologische beschouwing. Hij bevat geen politieke rechtvaardiging. Hij bevat geen verwijzing naar enige factie, partij, of sekte. Hij bevat één vrees, één opdracht, en één voorwaarde. Deze woorden staan in de klassieke bronnen die de brief bewaren, en niet in een bepaalde late samenvatting; het zijn de bewaarde bewoordingen zelf, in Taqyid al-Ilm, in Bukhari’s ta’liq en in Ibn Sa’d, die dit gewicht dragen.
De vrees is dat de kennis met haar dragers zal sterven. Dat is geen retorische zorg. In de jaren die aan het bevel voorafgingen was de generatie die de Profeet ﷺ persoonlijk had gediend, vrijwel uitgestorven. Anas ibn Malik ﵁, de jongste Metgezel ﵁ die in Medina nog leefde, was rond 93 AH heengegaan. Sa’id ibn al-Musayyib ﵀ was in de voorgaande jaren gestorven. Urwah ibn al-Zubayr ﵀ was rond dezelfde tijd overgegaan. De generatie die hen direct had gehoord, was oud, en velen waren ziek. Wat in de jongere generaties leefde, was steeds vaker overdracht uit de tweede en derde hand. Voor wie de bron nog onbeschadigd wilde behouden, was het bijna te laat.
De opdracht is om wat er is, op te schrijven. Niet om iets te selecteren, niet om iets weg te laten, niet om iets te interpreteren. Op te schrijven. De kalief vraagt geen redactie; hij vraagt verzameling. Hij erkent, impliciet, dat hij niet de geleerde is die over inhoud kan oordelen. Hij erkent dat de mannen ter plaatse, de fuqaha van Medina, beter dan hij weten wat overlevering is en wat niet. Zijn rol is logistiek, niet inhoudelijk.
De voorwaarde is dat alleen hadith van de Profeet ﷺ wordt aanvaard, niets anders. Geen Israiliyat, geen losse uitspraken van Metgezellen ﵃ die niet op de Profeet ﷺ teruggaan, geen latere meningen van rechters of geleerden. Alleen wat aan de Boodschapper van Allah ﷻ zelf wordt toegeschreven. Het is een methodologisch principe, neergezet in één zin. Het is niet zo dat de latere criteria van de grote verzamelaars rechtstreeks uit deze zin voortkomen, maar men herkent er wel dezelfde geest in: de nadruk op wat marfu’ is, op wat werkelijk aan de Profeet ﷺ terugreikt, zou anderhalve eeuw later ook het hart vormen van de sahih-selectie bij Bukhari ﵀, Muslim ﵀, Abu Dawud ﵀, al-Tirmidhi ﵀, al-Nasa’i ﵀ en Ibn Maja ﵀.
Wat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ in één korte brief deed, was iets dat in geen enkel privégesprek tussen geleerden ooit hetzelfde gewicht had kunnen krijgen. Hij gaf de hadith staatsmandaat. Hij maakte van een persoonlijke discipline een publieke aangelegenheid. Hij ontnam haar haar privékarakter en gaf haar in ruil daarvoor iets dat geen enkele privékring kon bieden: institutionele duurzaamheid.
Abu Bakr ibn Hazm ﵀ schreef. Hij verzamelde, vanaf Amrah bint Abd al-Rahman, vanaf al-Qasim ibn Muhammad ﵀, vanaf de andere ouderen die nog in Medina leefden. Hij maakte boeken. Wat er met die boeken precies is gebeurd, is een verhaal apart. Volgens de overlevering in Ibn Sa’d’s Tabaqat antwoordde men later, toen naar de boeken werd gevraagd, dat zij verloren waren gegaan. Een tragedie, op het eerste gezicht. Maar de waarheid is dat de inhoud, vrijwel zonder verlies, in andere kanalen werd opgenomen. Zo tekent al-Azami aan dat de zoon van Abu Bakr ibn Hazm, Abd Allah ibn Abu Bakr ibn Hazm, zelf ahadith opschreef en naar Ibn Juraij zond, en dat Abd Allah een boek over de maghazi bezat dat door zijn neef Abd al-Malik ibn Muhammad ibn Abu Bakr werd overgeleverd. De namen van vader en zoon moeten wij hier scherp uit elkaar houden: Abu Bakr ibn Hazm ﵀ is de gouverneur en de ontvanger van het bevel; Abd Allah ibn Abu Bakr ﵀ is zijn zoon, de latere overleveraar, die in de biografische registers zijn eigen plaats heeft.
De parallelle brief
Want Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was niet de enige. Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ schreef in deze maanden meer dan één brief. Al-Azami noteert de traditionele formulering zelf: dat de kalief Abu Bakr ibn Hazm, al-Zuhri “and others” verzocht om hadith te verzamelen. Hij stuurde, vrijwel gelijktijdig, een tweede brief naar de man die op dat moment in Damascus aan zijn hof verbleef en die volgens iedere klassieke bron de meest brede kennis van de profetische overlevering had verzameld die op dat moment in de oemma circuleerde: Ibn Shihab al-Zuhri ﵀.
Wij gaan het in een later artikel uitgebreid over al-Zuhri ﵀ hebben, want zijn rol verdient een eigen ruimte. Maar het is van belang om hier te begrijpen waarom de kalief twee brieven schreef, en niet één. De brief aan Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was een institutionele opdracht aan een gouverneur, gericht op de levende kennis van Medina. De brief aan al-Zuhri ﵀ was een persoonlijk verzoek aan een geleerde, gericht op een kennis die niet aan één stad gebonden was, maar die zich uitstrekte van Hijaz tot Syrië en die jarenlange reizen, gesprekken, en notities had opgeleverd.
De kalief begreep dat de hadith van de Profeet ﷺ niet uit één plaats te verzamelen was. Hij begreep dat een gouverneur in Medina, hoe geleerd ook, niet zou kunnen optekenen wat in Mekka, Kufa, Basra, Damascus, Hims en Fustat onder geleerden circuleerde. Daarvoor was iemand nodig die zelf had gereisd, die in iedere stad had gezeten, die de namen kende van de mannen die in iedere kring de meeste bevoegdheid hadden. Daarvoor was al-Zuhri ﵀ nodig.
In de hoofdstad, in het paleis te Damascus waarin Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ liever niet woonde maar dat hem als kalief was toegevallen, vond het gesprek plaats dat in een later artikel het zwaartepunt zal vormen. Wij weten dat de kalief al-Zuhri ﵀ persoonlijk verzocht om de hadith neer te schrijven en daarvan kopieën te laten maken voor de provincies van het rijk. Wij weten dat al-Zuhri ﵀ aanvaardde. Wij weten dat hij in de jaren die volgden, ook na de dood van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ in 101 AH, deze taak bleef voortzetten en dat een reeks van zijn leerlingen, onder wie Imam Malik ﵀ en Ma’mar ibn Rashid ﵀, daarop verder zouden bouwen.
Wat hier voor ons artikel telt, is dat de kalief niet één man met de opdracht belastte, maar twee. Dat is geen toeval. Het is een methodologische bewaking. Wat de ene zou opschrijven, kon door de ander worden gecontroleerd. Wat in Medina werd verzameld, kon worden vergeleken met wat in de provinciale kringen werd opgetekend. Het is dezelfde voorzichtigheid die wij in het artikel over de Uthmaanse Quran-compilatie hebben gezien, waar bewust een tweede, onafhankelijke stroom werd binnengehaald om naast het primaire archief te leggen. De vorm verschilde; het principe was hetzelfde. De waarheid wordt sterker wanneer twee onafhankelijke bronnen haar bevestigen dan wanneer één bron haar oplegt.
Wat dit weerlegt
Hier moeten wij stilstaan. Want het verhaal dat wij zojuist verteld hebben, is een verhaal dat in een bepaalde stroming van het westerse onderzoek nooit op deze manier wordt verteld.
In de oriëntalistische lezing van Goldziher, Schacht en hun navolgers, wordt elke vroege hadith-compilatie principieel verdacht geacht. De argumentatie loopt ongeveer als volgt: in de Omajjadische periode was de staat sterk geïnteresseerd in religieuze legitimatie; zij liet hadith produceren die haar politieke posities ondersteunden; wat wij vandaag als profetische overlevering kennen, is grotendeels het product van deze politieke productie. Schacht ging zelfs zover te betwijfelen of de uitspraak van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ überhaupt authentiek was, omdat hij meende dat vrijwel alle juridische ahadith pas lang na diens dood werden verzonnen, en dat er van mondelinge overdracht, laat staan van optekening, in deze periode geen sprake kon zijn.
De problemen met deze lezing zijn talrijk, en wij hebben er in eerdere artikelen al enkele aangewezen. Maar hier komt het probleem in zijn meest acute vorm. Want laten wij precies kijken naar wat Goldzihers these vereist.
Zij vereist dat de Omajjadische kaliefen, als groep, een belang hadden bij het laten produceren van politiek gunstige hadith. Zij vereist dat de man die het schrijven van hadith staatsmandaat gaf, in die productie paste. Zij vereist dat zijn motief politiek was. Zij vereist dat de inhoud van zijn brief de Omajjadische staat diende. Zij vereist, met andere woorden, dat Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ ofwel een opportunist was die de hadith voor politiek gewin liet produceren, ofwel een vroom man wiens werk door anderen voor politiek gewin werd gebruikt.
Geen van beide is met de bronnen verenigbaar.
Hij was geen opportunist. Iedere klassieke bron, of zij nu Sunni, Shi’i of Khariji is, beschrijft hem als de uitzondering op zijn dynastie. Hij ontnam de Omajjadische familie de privileges die zij zich had toegeëigend. Hij hield zijn eigen verwanten op afstand van de schatkist. Hij weigerde zijn eigen zoons functies te geven die hen rijk zouden maken. Hij verarmde, naar latere bronnen, zijn eigen huishouden tot het punt dat zijn nabestaanden na zijn dood maar nauwelijks rond konden komen. Een man die zo regeert, regeert niet voor de winst. Wat in zijn naam wordt gedaan, kan men niet in de logica van persoonlijk belang vatten.
Zijn brief diende ook niet de Omajjadische staat. Lees haar opnieuw. Er staat niet “schrijf op wat de leer van het kalifaat ondersteunt”. Er staat niet “verzamel wat de gehoorzaamheid aan de heersers bekrachtigt”. Er staat niet “leg vast wat de Marwanide claim op het kalifaat versterkt”. Er staat één ding: schrijf de hadith van de Profeet ﷺ op, want ik vrees dat de kennis met de geleerden zal sterven. Het motief is geen politiek motief; het is een conserveringsmotief. Het is hetzelfde motief dat een geleerde drijft die zijn levenswerk wil redden voor de generatie die na hem komt.
En tot slot, en dit is het zwaarste, hij gaf de opdracht aan geleerden die hij niet politiek kon controleren. Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was geen Marwanide hoveling; hij was een Ansari-jurist uit Medina, een stad die jegens de Omajjadische dynastie altijd ambivalent was geweest. Ibn Shihab al-Zuhri ﵀ was, ondanks zijn aanwezigheid aan het hof, een zelfstandige geleerde wiens netwerk niet door de staat was gecreëerd. Hadden Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ of zijn opvolgers willen sturen wat werd opgeschreven, dan hadden zij voor dit werk hovelingen moeten kiezen, geen geleerden van eigen statuur. Dat zij dat niet deden, past slecht bij het idee dat het bevel een verdoken politiek instrument was.
Wij doen Goldziher hier niet onrecht door zijn argument scherp neer te zetten. De Omajjaden zijn, op vele andere punten, terecht door zowel klassieke als moderne geleerden bekritiseerd. Wat hier wordt weerlegd, is niet dat individuele Omajjadische heersers op andere momenten religieuze taal hebben gebruikt voor politieke doeleinden. Wat wordt weerlegd, is de generaliserende these dat de hadith-compilatie zelf het product zou zijn van diezelfde Omajjadische logica. Zij is het niet. Zij is het werk van de ene Omajjad die juist niét in die logica past, gegeven aan twee geleerden die niét aan die logica vasthingen, met een opdracht die niét in die logica te lezen valt.
Het is de uitzondering die de regel niet bevestigt maar ontmaskert.
Van privé naar publiek
Laten wij nu vooruitkijken naar wat dit moment historisch in beweging zet. In het artikel over de toestemming van de Profeet ﷺ om te schrijven hebben wij gezien hoe al in de tijd van de Profeet ﷺ zelf, in de moskee van Medina, individuele Metgezellen ﵃ begonnen waren met het opschrijven van hadith. Een sahifah van Anas ﵁, een sahifah van Abu Hurayrah ﵁, een sahifah van Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁. In het artikel over de vroege schriftelijke overlevering hebben wij gezien hoe Amr ibn Hazm ﵁ van de Profeet ﷺ persoonlijk een gedetailleerde Kitab ontving die in zijn familie generaties lang bewaard bleef. In het artikel over de kringen rond Umar ﵁ en Uthman ﵁ hebben wij gezien hoe de hadith in adviezen, brieven en gerechtelijke beslissingen werd verwerkt. In het artikel over de scholen van Kufa en Basra hebben wij gevolgd hoe Abdullah ibn Mas’ud ﵁ en Abu Musa al-Ash’ari ﵁ leerlingen vormden die hun kennis op hun beurt schriftelijk doorgaven. In het artikel over de Uthmaanse Quran-compilatie hebben wij gezien hoe die compilatie zelf een precedent schiep van staatsgemandateerde tekstvastlegging. En in het artikel over de Mekkaanse school van Ibn Abbas ﵁ hebben wij ten slotte gevolgd hoe hadith in een formele leerkring werd doorgegeven en waar de eerste echte naamlijsten van leerlingen ontstonden.
Tot aan die Mekkaanse leerkring was iedere stap in deze geschiedenis een privé-stap. Een Metgezel ﵁ besloot zelf zijn kennis op te schrijven. Een leerling besloot zelf zijn leraar te volgen. Een geleerde besloot zelf wat hij doorgaf en aan wie. De staat had hier geen rol, en de Quran-compilatie van Uthman ﵁ was, hoewel staatsmandaat, een eenmalige operatie geweest, beperkt tot één tekst.
Met de brief van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ verandert dat. Voor het eerst in de geschiedenis van de oemma wordt de hadith zelf, als categorie, voorwerp van staatszorg. Wij moeten hier precies zijn: niet de schriftelijke hadith als zodanig ontstaat hier, want die bestond al, maar de publieke, staatgesteunde compilatie ervan. De staat wil de inhoud niet controleren; de staat erkent dat zonder institutionele dragers zelfs de zuiverste mondelinge traditie verloren zal gaan. Het is een omkering van de relatie tussen religie en staat zoals die in de Omajjadische tijd had bestaan. Voorheen gebruikte de staat de religie, op zijn best, voor zelfrechtvaardiging, op zijn slechtst, voor politieke manipulatie. Nu stelt de staat zich, kort maar onmiskenbaar, in dienst van de religie. Niet om haar te dirigeren, maar om haar te beschermen.
De gevolgen zijn moeilijk te overschatten. In de generaties na Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ bloeit in iedere grote stad van het kalifaat een geleerdenkring die in toenemende mate schriftelijk werkt. Hammad ibn Salama ﵀ in Basra. Sufyan al-Thawri ﵀ in Kufa. Al-Awza’i ﵀ in Syrië. Abu Hanifa ﵀ in Kufa, waar de juristische traditie zich begint te kristalliseren. Imam Malik ﵀ in Medina, die in de tweede helft van de tweede eeuw zijn Muwatta’ zal voltooien. Ma’mar ibn Rashid ﵀ in Jemen, die de musannaf-vorm mede zal ontwikkelen. Abd al-Razzaq al-San’ani ﵀ in Jemen, die na Ma’mar ﵀ een van de eerste grote musannafat zal compileren. Allemaal werken binnen een traditie die door de brief van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ niet werd gecreëerd, maar wel werd gelegitimeerd, opengesteld en versneld.
In zekere zin kan men zeggen dat de Omajjadische periode, hoewel politiek vaak betwist, voor de hadithwetenschap een belangrijke incubatieperiode is geweest. De staat was sterk genoeg om geleerden te beschermen en hun werk een infrastructuur te geven; de staat was, op het beslissende moment, ook moreel ontvankelijk genoeg om die infrastructuur niet voor zichzelf op te eisen. Het is een combinatie die in de geschiedenis zelden voorkomt, en wanneer zij voorkomt, hangt zij vaak van één man af. Hier hing zij van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ af.
Toen hij in het jaar 101 AH stierf, ongeveer dertig maanden na zijn aantreden, was hij naar de gebruikelijke rekening achtendertig à negenendertig jaar oud. Veel te jong, voor wie het werk zag dat hij in zo korte tijd had verricht. Volgens meerdere bronnen werd hij vergiftigd door familieleden uit de Marwanide tak die hun verloren privileges wilden terugkrijgen; volgens andere bronnen stierf hij aan een ziekte zonder kwade oorzaak. Wat onbetwist is, is dat zijn opvolger Yazid II hem niet navolgde, en dat de Omajjadische dynastie de richting waarin Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ haar even had geduwd, vrijwel onmiddellijk verliet.
Maar de brief was geschreven. De boeken werden gemaakt. Abu Bakr ibn Hazm ﵀ schreef in Medina door. Al-Zuhri ﵀ schreef in Syrië door. De brief was uit, en wat eens een privédiscipline was geweest, was nu een compilatie met een mandaat.
Een tweede leven
Er is een laatste detail aan deze geschiedenis dat verdient te worden genoemd. De boeken van Abu Bakr ibn Hazm ﵀ zelf, zoals wij hebben gezien, raakten volgens de overlevering verloren. Latere navragers werd verteld dat zij niet meer te vinden waren. Het zou kunnen lijken alsof de hele inspanning daarmee in rook is opgegaan. Dat is zij niet.
De reden is dat de geleerde traditie van die tijd niet werkte met één boek en één eigenaar, maar met overdrachtsketens. Wat Abu Bakr ﵀ aan Amrah bint Abd al-Rahman of aan al-Qasim ibn Muhammad ﵀ ontleende, ontleenden ook andere geleerden. Wat hij in zijn boeken vastlegde, werd door zijn kring overgeschreven en in eigen werk opgenomen. Zijn zoon Abd Allah ibn Abu Bakr ibn Hazm ﵀ tekende zelf ahadith op en zond die naar Ibn Juraij, en het boek over de maghazi dat aan Abd Allah wordt toegeschreven, werd door de neef Abd al-Malik ibn Muhammad ibn Abu Bakr ﵀ overgeleverd. Toen een origineel verloren ging, waren de afschriften en de ketens al verspreid. De kennis was, met andere woorden, niet meer in één plaats opgesloten. Zij was langs meerdere lijnen vermenigvuldigd, en dat was precies wat de brief van Umar ibn Abd al-Aziz ﵀ had beoogd.
Het is een patroon dat in de volgende eeuwen kenmerkend zal worden voor de hadithwetenschap. Verlies van een enkel manuscript is bijna nooit verlies van de inhoud, omdat ieder belangrijk werk in tientallen of honderden afschriften gelijktijdig in omloop was, in verschillende steden, bij verschillende leerlingen. Het systeem was, om het in modern jargon te zeggen, gedistribueerd. Geen enkel centraal punt kon, door brand, oorlog of nalatigheid, de hele traditie meeslepen. De boeken konden vergaan; de overdracht ging door.
In de geleerde dichtheid die in de tweede en derde eeuw van de hijra in Medina, Mekka, Kufa, Basra, Bagdad, Damascus en Nishapur zou ontstaan, zien wij die infrastructuur volledig tot rijpheid komen. Maar een van haar fundamenten werd rond 100 AH gelegd, in een korte brief van een kalief aan een gouverneur, met een vrees, een opdracht en een voorwaarde.
Naar Medina, naar Abu Bakr ibn Hazm ﵀
Wij hebben in dit artikel gezien wat de brief was, wie hem schreef, en waarom hij zo opmerkelijk is. Wij hebben gezien hoe hij de overgang markeert van hadith als privédiscipline naar hadith als publiek gemandateerde wetenschap, zonder haar oorsprong te zijn. Wij hebben gezien waarom de oriëntalistische lezing van Goldziher op dit specifieke punt vastloopt. En wij hebben gezien hoe de boeken die op deze brief volgden, ook waar zij fysiek verloren gingen, een traditie hebben aangewakkerd die door geen latere ramp meer kon worden uitgeblust.
Wat wij nog niet van dichtbij hebben gezien, is hoe de opdracht in Medina landde, in het huis van de man die als gouverneur en rechter van de stad de tweede uitdrukkelijk genoemde ontvanger van het bevel was. Wij hebben Abu Bakr ibn Hazm ﵀ in dit artikel al ontmoet, maar wij zijn hem gevolgd van een afstand. In het volgende artikel treden wij zijn huis binnen. Ibn Shihab al-Zuhri ﵀ en de rijksbrede vergaring die aan hem werd toevertrouwd, laten wij daarbij niet vallen; hun draad zetten wij in een later artikel apart voort, want zijn rol verdient een eigen ruimte.
Wij zullen zien wie Abu Bakr ibn Hazm ﵀ was, hoe hij opgroeide in een Ansari-geslacht waarin al een schriftelijke brief van de Profeet ﷺ werd bewaard, hoe hij tegelijk gouverneur en rechter van Medina werd, en op welke twee bronnen de kalifale opdracht hem in de eerste plaats wees: Amrah bint Abd al-Rahman ﵀, de leerlinge uit het huis van Aisha ﵂, en al-Qasim ibn Muhammad ﵀, de kleinzoon van Abu Bakr al-Siddiq ﵁. Wij zullen zien hoe hij het werk uitvoerde, waarom het verlies van zijn fysieke boeken geen verlies van hun inhoud was, en hoe juist de aanwezigheid van déze Medinese compilatie naast die van al-Zuhri ﵀ een eigen weerlegging vormt van een hele lijn van moderne kritiek op de vroege hadith-traditie.
Voor nu is het genoeg om de brief te laten staan zoals hij was. Een korte tekst. Een vrees. Een opdracht. Een voorwaarde. Een kalief die wist dat hij niet veel tijd had, en die wist dat de generatie die hij wilde redden, nog minder tijd had dan hij. Een dynastie waarin hij de uitzondering was, en een oemma waarvan hij begreep dat zij zonder zijn ingreep iets onherstelbaars zou verliezen.
Hij gaf het bevel. Abu Bakr ibn Hazm ﵀ schreef. Al-Zuhri ﵀ schreef. En de hadith, voorheen in de huizen, in de moskeehoeken, in de privébrieven van geleerden aan elkaar, werd vanaf dat moment ook een publieke zaak die niemand meer alleen privé bezat, en die niemand ooit nog kon laten verdwijnen.