InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Abdullah ibn Abbas ﵁: de zee van kennis

Abdullah ibn Abbas ﵁: de zee van kennis

Een nieuwe rivier

In het vorige artikel volgden wij de mond van Abu Hurayra ﵁ en het achthonderdkoppige koor van overleveraars dat rechtstreeks uit hem heeft gedronken, verspreid over Medina, Mekka, Sana’a, Kufa, Basra, Damascus en Egypte. Wij zagen hoe zijn overleveringen niet enkel mondeling maar ook in inkt werden vastgelegd, en hoe die meervoudige, geografisch gespreide transmissie de bewering ondergraaft dat de hadith een late uitvinding was. Wij sloten af met de observatie dat de oemma niet uit één bron putte. Naast de Medinese hoofdader liep al in de eerste eeuw na de Hijra meer dan één rivier.

In dit artikel volgen wij een andere stroom, en het is de breedste van allemaal. Niet in Medina opgegroeid maar in Mekka geworteld en vanuit Mekka uitgewaaierd. De stroom van Abdullah ibn Abbas ﵁.

Wie de polemiek van de twintigste eeuw heeft gelezen, kent het standaardverwijt. Wansbrough en zijn opvolgers beweerden dat er in de eerste eeuw na de Hijra geen sprake was van geïnstitutionaliseerd onderwijs van hadith en Koran, dat de oemma in losse mondelinge fragmenten leefde, en dat de zogenaamde scholen van Mekka, Medina en Kufa pas in de tweede en derde eeuw uit de polemiek werden opgebouwd om aan latere doctrines een vroege oorsprong te geven. Een tekst zonder school, een Boek zonder klas. Zo luidde de aanklacht.

Tegen die aanklacht staat de figuur van Ibn 'Abbās ﵁ als een onverzettelijk blok. Niet één leerling, maar een reeks met naam genoemde overdrachtsketens: Azami ﵀ somt er in zijn Companion-catalogus alleen al negen op die in geschreven vorm van Ibn 'Abbās ﵁ overleverden. Niet één boek, maar boeken bij kamel-ladingen. Niet één onderwerp, maar vaste dagen voor het recht, voor de Tafsir, voor de Maghāzī. Wat Ibn 'Abbās ﵁ in Mekka en later in Ṭā’if opbouwde was geen toevallige kring rond een verteller. Het was een curriculum. En de namen van zijn leerlingen, Mujāhid ﵀, Sa’īd ibn Jubayr ﵀, 'Ikrima ﵀, ‘Aṭā’ ibn Abī Rabāḥ ﵀, Ṭāwūs ﵀, staan elk afzonderlijk in elke klassieke biografische catalogus als de fundamenten van wat de Tābi’ūn-generatie zou worden.

Dit artikel volgt die rivier vanaf haar bron. Het kind dat in Mekka werd geboren drie jaar vóór de Hijra, de jongere neef die de Profeet ﷺ vroeg en bleef vragen, de jonge man die op de deurposten van de Metgezellen ﵃ zat te wachten tot zij naar buiten kwamen, de geleerde die op het einde van zijn leven blind werd en zijn boeken aan zich liet voorlezen, en de school die hij naliet en die de tafsirtraditie van de oemma in het leven heeft geroepen.

Het kind in het huis van de openbaring

Hij werd geboren in Mekka, in de schoot van Banū Hāshim, drie jaar voor de Hijra. Zijn vader was al-'Abbās ibn 'Abd al-Muṭṭalib ﵁, de oom van de Profeet ﷺ en bezitter van een handelsfortuin dat in heel de Hijaz bekend was. Zijn moeder was Umm al-Faḍl Lubāba bint al-Hārith ﵂, naar verluidt de tweede vrouw die zich na Khadijah ﵂ tot de Islam bekeerde. Zijn tante was Maymūna bint al-Hārith ﵂, een van de Moeders der Gelovigen. Dichterbij de Profeet ﷺ kon men in Mekka niet komen zonder uit zijn directe nakomelingschap te zijn.

Toen de Profeet ﷺ overleed, was de jongen ongeveer dertien jaar oud. Niet kind meer, niet volwassen, maar in die scharnierleeftijd waarop herinnering hard is en aandacht onverdeeld. Wat hij van de Profeet ﷺ had gehoord, en wat hij in het huis van zijn moeder over de Profeet ﷺ had gehoord, had zich in hem vastgezet zoals enkel een goed kindergeheugen iets vastzet.

Maar wat hem boven de andere kinderen van zijn generatie tilde was niet enkel zijn afkomst, en niet enkel zijn geheugen. Het was een smeekbede.

Op een avond, het detail wordt door zijn vader en door hem zelf overgeleverd en het is in de hadithliteratuur breed bekend, legde de Profeet ﷺ zijn hand op de schouder van de jongen, of in een andere overlevering streek hij over zijn voorhoofd, en sprak:

De Profeet ﷺ: اللهم فقهه في الدين وعلمه التأويل

De Profeet ﷺ: O Allah ﷻ, schenk hem inzicht in de godsdienst en leer hem de uitleg.

Twee verzoeken in één regel. Faqqih-hu fi’d-dīn, geef hem fiqh, geef hem het diepere begrip van waarom Allah ﷻ iets gebood. En 'allimhu at-ta’wīl, leer hem de uitleg, de hermeneutiek, het ontrafelen van wat een Koranvers werkelijk zegt.

Wat hier gebeurde was niet ceremonieel. Het was profetisch in de letterlijke betekenis. De Profeet ﷺ voorspelde, met de toestemming van zijn Heer, wat dit kind zou worden. Een man die voor de oemma fiqh en tafsir samen zou belichamen. En de oemma heeft dat ook zo onthouden. Vanaf het moment dat hij volwassen werd, kreeg Ibn 'Abbās ﵁ niet één titel maar twee: al-Habr, de Geleerde bij uitstek, en al-Bahr, de Zee. De geleerden van later voegden er een derde aan toe, Tarjumān al-Qur’ān, de Vertolker van de Koran. Maar tijdens zijn leven was vooral die ene titel blijven hangen, al-Bahr. De Zee van Kennis.

Een zee verzamelt zich niet vanzelf. Een zee wordt gevoed door rivieren, en elke rivier komt ergens vandaan. Voordat wij Ibn 'Abbās ﵁ tot zee zien worden, moeten wij hem zien graven naar zijn bronnen.

Op de deurpost van een geleerde

Na het overlijden van de Profeet ﷺ stond de jonge Ibn 'Abbās ﵁ voor een keuze die zijn leeftijdgenoten niet bewust maakten. De Metgezellen ﵃ die de Profeet ﷺ van dichtbij hadden gekend, waren in aantal beperkt en in leeftijd al gevorderd. Wat zij wisten zat in hun hoofden en in een handvol fragmenten op perkament. Als die hoofden gingen liggen, ging die kennis mee.

De jongen begreep dat. Hij ging naar een vriend uit de Anṣār en stelde voor: laten wij samen rondtrekken, laten wij elke Metgezel ﵁ opzoeken die nog leeft, laten wij niets onbevraagd laten. De vriend lachte hem uit. “Wie zal naar jou willen luisteren, jongen, terwijl de grote Metgezellen ﵃ nog onder ons zijn?” Hij liet Ibn 'Abbās ﵁ aan zijn lot over.

Maar Ibn 'Abbās ﵁ trok wel.

Hij ging op weg, en zijn methode werd later spreekwoordelijk. Wanneer hij hoorde dat een Metgezel ﵁ een bepaalde uitspraak van de Profeet ﷺ kende, ging hij naar diens huis. Hij klopte niet altijd aan. Hij wilde de man niet storen tijdens diens dutje, tijdens diens gebed, tijdens diens maaltijd. Hij ging zitten, met zijn mantel om zich heen getrokken, op de stenen treden voor de deur. De hitte van Medina, of later van Mekka, was geen kleine bezoeking. De wind die soms zand droeg was nog vervelender. Maar de jongen bleef zitten.

Wanneer de bewoner uiteindelijk naar buiten kwam en hem daar aantrof, riep hij vaak verbaasd: “O neef van de Boodschapper van Allah ﷻ, waarom heb je niet geklopt? Wij waren naar jou gekomen.” En het antwoord dat Azami uit de bronnen aanhaalt, was steeds hetzelfde: “Nee, ik moet naar u komen.” De latere overlevering heeft daar de spreuk aan toegevoegd dat de kennis naar de zoeker komt en niet de zoeker naar de bezitter van kennis, een fraaie samenvatting van zijn houding, ook al staat zij niet in die vorm in Azami’s beknopte weergave van het gesprek.

Dat is geen tafereel uit een geromantiseerde hagiografie. Het is een werkmethode. En het is een methode die de oemma daarna eeuwenlang zou kopiëren. De student die naar de geleerde reist, niet de geleerde die de student belegert. Het hele riḥla-instituut, de rondreis ter wille van kennis, dat in de tweede en derde eeuw na de Hijra zo’n essentieel onderdeel van het onderwijs van hadith zou worden, vond een van zijn vroegste voorbeelden in deze jongen die op een deurpost zat te wachten.

Zijn ijver had één duidelijk doel. Niet zelf beroemd worden, niet zelf gezag verwerven. Hij wilde elke versie van elk verhaal horen, en hij wilde zoveel mogelijk getuigen voor hetzelfde voorval. Azami noteert, met verwijzing naar de Siyar A’lām an-Nubalā, dat Ibn 'Abbās ﵁ over één enkel voorval soms aan wel dertig verschillende Metgezellen ﵃ vroeg wat zij hadden gezien of gehoord. Niet uit twijfel aan de eersten, maar uit het methodisch besef dat dertig getuigen samen meer geven dan één.

Wat hij daar deed was iets dat in onze tijd wetenschappelijke verifieerbaarheid heet. Hij begreep, lang voor er een formele isnād-leer bestond, dat de waarheid van een overlevering zich vermenigvuldigt bij elke onafhankelijke bron die haar bevestigt. Hij was geen passieve toehoorder. Hij was, met een woord dat pas veel later in de hadithwetenschap zou worden gemunt, in de praktijk een toetser.

Wat hij verzamelde, schreef hij op.

Dit detail is in de bronnen onomstreden, en het is precies dit detail dat de revisionistische thesis onderuit haalt. Azami citeert Sa’d in zijn Ṭabaqāt en het Taqyīd al-'Ilm van al-Khaṭīb al-Baghdādī, en het beeld dat oprijst is consistent. Ibn 'Abbās ﵁ schreef wat hij hoorde. En toen zijn ogen later in zijn leven zwakker werden, gaf hij het schrijfwerk uit handen aan zijn slaven, of beter gezegd zijn pleegjongens die hij als mawālī had vrijgemaakt en die hem als secretaris dienden. “Hij schreef neer wat hij hoorde, en gebruikte voor dat doel soms zijn slaven,” schrijft Azami in zijn samenvatting van de Companion-catalogus. Op een meer gevorderde leeftijd, toen het zien hem volledig in de steek liet, kwamen de leerlingen naar hem toe en lazen zij uit zijn eigen boeken aan hem voor.

Dat detail, dat hij zijn eigen boeken aan zich liet voorlezen, is om twee redenen veelzeggend. Ten eerste betekent het dat er boeken waren. Echte gebonden of in vellen verzamelde stukken, niet enkel mondelinge fragmenten. Ten tweede betekent het dat hij de inhoud van die boeken zo nauwkeurig kende dat hij elke verkeerde voorlezing onmiddellijk corrigeerde. Het geheugen en de pen werkten op elkaar in. De ene vulde de andere aan, en de ene controleerde de andere.

Het Kitāb van 'Alī ﵁

Eén detail uit zijn jongere jaren verdient een aparte vermelding. Ibn 'Abbās ﵁ bezat ook een afschrift van de juridische oordelen van zijn neef 'Alī ibn Abī Ṭālib ﵁. Hij had het zelf overgeschreven, en Azami noteert op pagina 41 van de Companion-catalogus, met verwijzing naar 'Ilal en het Taqyīd al-'Ilm, dat hij het voor een van zijn leerlingen kopieerde. Azami noemt die leerling niet bij naam. Het was geen los velletje, het was een verzameling die verder werd nagevolgd en overgeschreven.

Wat ons hierin interesseert is niet de inhoud van 'Alī ﵁'s oordelen, dat is een onderwerp voor een ander artikel. Wat ons interesseert is de bibliotheekvorming. Een man verzamelt afschriften. Een man kopieert. Een man laat een ander uit zijn kopie weer overschrijven. Dat is geen oraal cultuurpatroon. Dat is een schrijfcultuur die in volle gang is, in het eerste kwart van de eerste eeuw na de Hijra.

Wij hebben dit eerder gezien bij de schrijvers van de openbaring in de Quran-cyclus. De pen was in Mekka aanwezig, ondanks de gangbare beeldvorming van een ongeletterde stadsstaat. De pen reisde mee de Hijra in. En in de generatie die na de Profeet ﷺ kwam, was de pen niet enkel aanwezig, hij was actief. Ibn 'Abbās ﵁ kopieerde 'Alī ﵁. Anderen kopieerden Ibn 'Abbās ﵁. De keten van afschriften draaide al, jaren voordat een centraal kalifaal mandaat ooit aan iemand zou vragen om de hadith systematisch te verzamelen.

Kameel-ladingen

Hoeveel heeft hij nagelaten?

De klassieke bronnen gebruiken een uitdrukking die voor een moderne lezer iets verleidelijks heeft maar die historisch gewoon klopt: himl ba’īr, een kameel-lading. Niet één perkamentvel, niet één rolletje, niet één boek. Een lading. Het beeld van een lastdier dat onder boeken doorzakt is bij al-Suyūṭī en Ibn Sa’d geen loutere rhetorische figuur, het staat voor de omvang van wat na zijn dood van zijn aantekeningen bewaard bleef.

De man die deze lading erfde en bewaarde was Kuraib, een vrijgelaten slaaf die jarenlang als secretaris en huishouder van Ibn 'Abbās ﵁ had gediend. Kuraib was meer dan een dienaar. Hij was leerling en archivaris tegelijk. Azami noteert dat de boeken aan het einde van Ibn 'Abbās ﵁'s leven in zijn bezit kwamen, en dat Kuraib ze vervolgens toevertrouwde aan Mūsā ibn 'Uqba ﵀, een vroege Maghāzī-compilator wiens werk in al-Bukhārī ﵀ en andere collecties is opgenomen. De latere geleerden die naar de notebooks van Kuraib verwezen, beschrijven het volume in de klassieke overlevering eenvoudig als een kameel-lading. Een vrachtdier dat zijn last droeg, en die last bestond uit aantekeningen van de Zee van Kennis.

Dat detail is voor onze discussie cruciaal. Wansbrough en zijn opvolgers konden de mondelinge overleveringen wegredeneren als latere fabricaties. Wat zij niet wegredeneren kunnen is dit materiële restant. Een lading boeken. Een naam van een archivaris. Een tweede naam, Mūsā ibn 'Uqba ﵀, die het verder doorgeeft. Een derde laag van geleerden die er uit citeert. Dat is de keten van een levende bibliotheek, niet de mist van een orale traditie.

Wat er in die kameel-lading zat, laat zich niet uit één inventaris aflezen, maar de aard van het corpus valt uit de bronnen te reconstrueren. Zijn hoofdwerk waren de tafsir-aantekeningen. Daarbij kwam het door hem overgeschreven afschrift van de juridische oordelen van 'Alī ﵁. Er zullen aantekeningen over de Maghāzī bij geweest zijn, de veldtochten van de Profeet ﷺ, want Ibn 'Abbās ﵁ doceerde dat onderwerp op vaste dagen. En er waren, gezien zijn correspondentie met Metgezellen ﵃ in andere streken en zijn brede juridische onderwijs, collecties van uitspraken van de Profeet ﷺ over een breed scala aan praktische en juridische thema’s. Wij leiden dit af, wij lezen het niet uit een bewaarde boekenlijst.

Wij weten dit alles indirect, via de uittreksels die zijn leerlingen later in eigen werken hebben opgenomen, en via de citaten die al-Bukhārī ﵀, Muslim ﵀, en vooral aṭ-Ṭabarī ﵀ uit zijn materiaal hebben overgenomen. Daarover komen wij verderop te spreken.

De school van Mekka

Mekka was niet enkel de geboorteplaats van Ibn 'Abbās ﵁. Het was ook, en vooral, de plaats waar hij zijn onderwijs gaf. Toen hij volwassen werd en de oemma onder de Khaliefen Uthmān ﵁ en daarna onder de eerste burgeroorlog door de geschiedenis bewoog, vestigde hij zich met regelmatige onderbrekingen in Mekka, waar hij rondom zich een kring van leerlingen liet groeien die de Tābi’ūn-generatie van de Hijaz zou bepalen.

Zijn methode van onderwijzen was gestructureerd, en dit is precies waar de Wansbroughiaanse aanname struikelt. Hij gebruikte vaste dagen voor vaste onderwerpen. Volgens een overlevering die in Azami’s catalogus wordt aangehaald uit Khaithamah en het Taqyīd al-'Ilm, had hij één dag in de week voor het recht, een andere dag voor het uitleggen van de Koran, een derde dag voor het bespreken van de Maghāzī, en zo verder. Dat is geen toevallige verteller. Dat is een rooster.

Tijdens de jaarlijkse pilgrimage breidde zijn kring zich enorm uit. Pelgrims uit elke streek van de Hijaz, uit Jemen, uit Irak, uit Sham, kwamen naar Mekka, en velen verbleven dagenlang in zijn cirkel. Hij had zelfs een tolk in dienst voor pelgrims die geen Arabisch beheersten. De vraag werd in een vreemde taal gesteld, de tolk vertaalde, Ibn 'Abbās ﵁ antwoordde, de tolk gaf het antwoord terug.

Een onderwijsstructuur met vaste dagen, vaste onderwerpen, een tolkenfunctie, een uitbreiding tijdens de hajj. Dit is geen school die later achteraf wordt verzonnen. Dit is een school die in eigen tijd door tijdgenoten als zodanig werd herkend.

Loading map...

Op het einde van zijn leven verhuisde hij naar Ṭā’if, waar hij in 68 na de Hijra overleed. Zijn sterfjaar is door Azami vastgelegd; de plaats Ṭā’if en het detail dat zijn graf tot vandaag door pelgrims wordt bezocht, komen uit de klassieke biografische traditie. Maar zijn werkelijke nalatenschap lag niet in Ṭā’if. Zij lag in de hoofden en in de boeken van vijf mannen die hij in zijn Mekkaanse kring had gevormd.

Loading family tree...

Mujāhid ibn Jabr ﵀: de tafsir-compilator

De eerste die wij hier noemen is Mujāhid ibn Jabr al-Makkī ﵀, geboren rond 21 na de Hijra en overleden in 102. Hij was een van de oudste leerlingen van Ibn 'Abbās ﵁, en zijn levensverhaal valt grotendeels samen met de bloeitijd van de Mekkaanse school.

Mujāhid ﵀ was bescheiden van afkomst, een mawla van Banū Makhzūm, en hij had niets dan zijn ijver om bij Ibn 'Abbās ﵁ binnen te komen. Hij is later beroemd geworden om een zin die hij zelf zou hebben uitgesproken: “Ik heb de Koran drie keer voor Ibn 'Abbās ﵁ gereciteerd, van het begin tot het einde, en bij elk vers stopte ik en vroeg ik hem waarover het verhaalt, in welke context het werd geopenbaard, en hoe het te begrijpen.” Drie volledige doorlopen, vers voor vers, met telkens commentaar van de meester. Dat is geen leerling. Dat is een ontledende kopiist.

Het resultaat was een Tafsir die de geschiedenis is ingegaan als de Tafsir van Mujāhid. Azami noteert in zijn Tabi’in-catalogus, ingang nummer 34, dat deze commentaar door talloze geleerden werd gekopieerd. De namen van degenen die in geschreven vorm van Mujāhid ﵀ overleverden, zijn hard en talrijk:

  • Abū Yahyā al-Kunāsī ﵀.
  • Al-Hakam ibn 'Utaibah ﵀.
  • Ibn Abū Najīh ﵀.
  • Ibn Juraij ﵀.
  • Ibn 'Uyaynah ﵀.
  • Laith ibn Abū Sulaim ﵀.
  • Mayyāh ibn Sarī ﵀.
  • Al-Qāsim ibn Abū Bazzah ﵀.

Acht namen, elk afzonderlijk een figuur in de geschiedenis van de tweede-eeuwse hadith- en tafsirwetenschap. Acht onafhankelijke afschriften, met verschillende isnāds, die alle teruggaan op dezelfde Mekkaanse leerling van Ibn 'Abbās ﵁. Wanneer al-Bukhārī ﵀ in zijn Ṣaḥīḥ een uitspraak van Mujāhid ﵀ over een Koranvers citeert, is dat geen losse mondelinge overlevering, het is een citaat uit een tekst die in zijn tijd nog steeds in meerdere afschriften circuleerde.

Wat Mujāhid ﵀ leerde, kwam uit Ibn 'Abbās ﵁. Wat aṭ-Ṭabarī ﵀ later in zijn monumentale tafsir over de Koran zou compileren, is voor een aanzienlijk deel via Mujāhid ﵀ teruggevoerd op Ibn 'Abbās ﵁. Het is letterlijk diens stem, doorgegeven via één tussenpersoon, die in de gezaghebbende Soennitische Korancommentaar van de derde eeuw weerklinkt.

Sa’īd ibn Jubayr ﵀: de martelaar

Naast Mujāhid ﵀ stond een man die de Mekkaanse school met zijn leven heeft betaald. Sa’īd ibn Jubayr al-Asadī ﵀, geboren rond 46 na de Hijra, gedood in 95. Een leeftijd van net geen vijftig.

Sa’īd ﵀ was van Kufa afkomstig, maar hij verbond zich aan Ibn 'Abbās ﵁ in Mekka en aan Ibn 'Umar ﵁ in Medina, en hij schreef wat zij hem doorgaven. Azami noteert in ingang nummer 39 van zijn Tabi’in-catalogus, op pagina 70: “Hij placht ahadith en de kennis van Ibn 'Abbās, Ibn 'Umar en anderen op te schrijven, en hij compileerde een Korancommentaar die door de volgende geleerden werd overgeleverd: Abd al-Malik ibn Marwān, ‘Aṭā’ ibn Dīnār, 'Azrah, Al-Dahhāk, Qatādah.”

Vijf gedocumenteerde transmitters van zijn Tafsir, elk uit verschillende streken, elk met eigen latere leerlingen. Eén van hen, al-Daḥḥāk ibn Muzāhim ﵀, doceerde in Khorāsān en is een sleutelfiguur in de oostelijke tafsir-traditie. Zo droeg het commentaar van Sa’īd ﵀ ver buiten de Hijaz, generaties voor de Soennitische canon vorm kreeg.

Wat hem in het collectieve geheugen van de oemma echter onuitwisbaar heeft gemaakt, is niet enkel zijn commentaar. Het is zijn dood.

Sa’īd ibn Jubayr ﵀ leefde in de tijd van al-Hajjāj ibn Yūsuf, de Umayyadische gouverneur van Irak. Een man wiens naam tot vandaag synoniem staat voor tirannie. Toen Sa’īd ﵀ na de mislukte opstand van Ibn al-Ash’ath in de marge raakte van de politieke verdachten, werd hij gevangen genomen en voor al-Hajjāj geleid.

Het gesprek tussen de twee mannen is door verschillende vroege bronnen overgeleverd. Wij vatten het samen en geven het in dialoogvorm weer.

al-Hajjāj: Hoe heet je?

Sa’īd ibn Jubayr ﵀: Sa’īd ibn Jubayr.

al-Hajjāj: Nee. Jij bent Shaqī ibn Kasīr. Ongelukkige zoon van Verbrokenheid.

Sa’īd ibn Jubayr ﵀: Mijn moeder wist beter wat zij mij genoemd had.

al-Hajjāj: Wat denk jij van Abu Bakr ﵁ en Umar ﵁ in het Paradijs of in het Vuur?

Sa’īd ibn Jubayr ﵀: Als ik daar binnen ging en zag waar zij waren, dan zou ik het weten. Tot dan toe blijf ik bij wat de Profeet ﷺ heeft gezegd.

Het gesprek liep vast op precies het soort polemische vragen waarmee al-Hajjāj de geleerden van zijn tijd in een hoek probeerde te drukken. Sa’īd ﵀ weigerde een politiek antwoord te geven op een theologische strikvraag. Hij verwees enkel terug naar wat hij van zijn meesters had gehoord, en wat zij op hun beurt van de Profeet ﷺ hadden overgenomen.

Al-Hajjāj liet hem terechtstellen. Een laatste verzoek werd hem toegestaan, om twee gebedseenheden te bidden voordat het zwaard zou vallen. Hij bad. En hij zou hebben gezegd, terwijl hij zijn gezicht naar de Qibla wendde: “Voorwaar, ik wend mijn gezicht tot Hem die de hemelen en de aarde heeft geschapen, als een ḥanīf, en ik behoor niet tot de polytheïsten.” Het was het vers waarmee Ibrahim ﵇ zich in Soera Al-An’ām van zijn volk had losgescheurd.

Sa’īd ibn Jubayr ﵀ werd onthoofd in 95 na de Hijra. Al-Hajjāj overleefde hem naar verluidt nauwelijks vijftien dagen. Op zijn sterfbed riep al-Hajjāj naar verluidt uit: “Wat heb ik te schaffen met Sa’īd ibn Jubayr? Telkens als ik in slaap val, pakt hij mij bij mijn voet en zegt: O vijand van Allah, waarom heb je mij gedood?” De man die de zee van Ibn 'Abbās ﵁'s kennis had helpen verdiepen, had na zijn dood meer macht in de slaap van zijn beul dan tijdens zijn leven aan diens hof.

Wat ons hier opvalt, behalve het persoonlijke drama, is dit: de Mekkaanse school was geen vrijblijvend gezelschap. Haar leerlingen droegen hun kennis met een gewicht waarvoor zij bereid waren te sterven. Dat is geen kenmerk van een mondelinge gemeenschap die later achteraf werd verzonnen. Dat is het kenmerk van een levende, beproefde, en publiek verantwoorde traditie.

'Ikrima ﵀: de geketende leerling

De derde leerling die wij noemen is in zijn relatie tot Ibn 'Abbās ﵁ de meest persoonlijke. 'Ikrima ﵀, geboren rond 25 na de Hijra en overleden in 105, was geen vrije Mekkaan maar een Berberse slaaf die door de troepen van de Khalief tijdens een veldtocht was buitgemaakt en die bij Ibn 'Abbās ﵁ als bezit terechtkwam.

Ibn 'Abbās ﵁ heeft 'Ikrima ﵀ niet behandeld als een dienaar. Hij heeft hem behandeld als een investering in kennis. Azami noteert in ingang nummer 23 van zijn Tabi’in-catalogus een detail dat in onze oren hard klinkt maar dat in zijn historische context begrepen moet worden: “Volgens zijn eigen verklaring placht Ibn 'Abbās ﵁ ketenen aan 'Ikrima’s voeten te leggen om hem de Heilige Koran en de Sunnah te onderwijzen.”

Wij staan daar even bij stil. De Berberse jongen, in een vreemde stad, in een vreemde taal, moest dag na dag voor zijn meester gaan zitten om de Koran te memoriseren en de overleveringen van de Profeet ﷺ te leren. Niet vrijblijvend. Niet als optie. Onder fysieke dwang. Ibn 'Abbās ﵁ wist iets over de jongen dat de jongen zelf nog niet wist: dat in hem een hoofd zat dat de inhoud kon dragen. Dat in hem een mond zat die de inhoud kon doorgeven. En dat in hem een wil zat die zonder ketens zou hebben verzaakt.

Het werkte. 'Ikrima ﵀ werd niet enkel een geleerde, hij werd de meest reizende leerling van Ibn 'Abbās ﵁'s kring. Hij trok door Noord-Afrika, door Khorāsān, door Egypte, en overal waar hij kwam doceerde hij wat hij in Mekka had geleerd. Hij beheerste de Korancommentaar zo grondig dat hij in de latere catalogi staat als een primaire bron voor de tafsir van Ibn 'Abbās ﵁.

Zijn boeken werden door talrijke leerlingen overgeschreven, en Azami noemt ze met naam: 'Amr ibn 'Abd Allāh ﵀, Ayyūb ﵀, Husain ibn Qais ﵀, Jābir ibn Zaid ﵀, 'Uthmān ibn Ghiyāth ﵀, Salamah ibn Wahram ﵀.

Er is een opmerking van Ibn Juraij ﵀, een van de grote tweede-eeuwse Mekkaanse geleerden, die wij hier letterlijk uit Azami overnemen omdat zij de zaak helder maakt. Ibn Juraij ﵀ verweet ooit aan een collega genaamd Yaḥyā ibn Ayyūb dat deze had nagelaten om bij 'Ikrima ﵀ te schrijven. “Wie niet van 'Ikrima ﵀ schrijft,” zou Ibn Juraij ﵀ hebben gezegd, “die heeft twee derde van zijn kennis verloren.” Twee derde van de kennis van Mekka, samengebald in de hoofdrol van één mawla die ooit aan ketens vastgeklonken zat om de Koran uit zijn hoofd te leren.

Wij zien hier nog iets anders. Wij zien dat de school van Ibn 'Abbās ﵁ geen kring van mensen-van-stand was. Een Berberse slaaf, een vroege Kufische immigrant, een Mekkaanse mawla, een Arabische edele, het maakte niet uit. Wat telde was de capaciteit om de inhoud te dragen. De Zee van Kennis vulde elk hoofd dat zich aanbood.

‘Aṭā’ ibn Abī Rabāḥ ﵀ en Ṭāwūs ﵀: de Mekkaanse en de Jemenitische pijler

Naast deze drie staan er nog twee namen die in elke klassieke biografie van de Mekkaanse school worden genoemd.

‘Aṭā’ ibn Abī Rabāḥ ﵀ was, net als 'Ikrima ﵀, een mawla en zwart van huidskleur, kreupel en op latere leeftijd ook nog blind. Hij verloor in zijn leven bijna alles wat een mens fysiek kan verliezen. Maar wat hij behield was een hoofd waarin de fatwa-praktijk van Ibn 'Abbās ﵁ tot in de fijnste detail was opgeslagen. De gezaghebbendste fuqahā van Mekka in de tweede helft van de eerste eeuw was ‘Aṭā’ ﵀, en in de jaren rond de tweede burgeroorlog kwam vrijwel elke vraag over rituelen, gebed, hajj en wettelijke transacties op zijn kring uit. Hij werd door Ibn 'Abbās ﵁ zelf aangewezen als degene die in Mekka de fatwa-uitvaardiging zou voortzetten, en hij heeft die rol bijna een halve eeuw vervuld. Deze ‘Aṭā’ ﵀, de zoon van Abī Rabāḥ, is niet te verwarren met de Madinese Tābi’ī ‘Aṭā’ ibn Yasār, een geheel andere man uit een andere stad.

Wat hij doceerde, schreef hij niet altijd zelf op, maar zijn leerlingen wel. Onder hen waren 'Amr ibn Dīnār ﵀, de Mekkaanse imam, en 'Abd Allāh ibn Abī Najīh ﵀, en uiteindelijk Ibn Juraij ﵀ wiens Muṣannaf tot vandaag een van de monumenten van de vroege hadithliteratuur is.

Ṭāwūs ﵀, wiens volledige naam Ṭāwūs ibn Kaysān al-Yamānī ﵀ luidt, was geen Mekkaan maar een Jemeniet. Hij was een vrijgelaten mawla uit Perzische afkomst die in Ṣan’ā opgroeide en die meermaals naar Mekka reisde om Ibn 'Abbās ﵁ te ontmoeten. Hij is bekend om zijn vroomheid, om zijn nachtelijke gebed, en om zijn vasthoudendheid in fatwa.

Wij ontmoeten Ṭāwūs ﵀ ook als de man die de oordelen van Mu’ādh ibn Jabal ﵁ in Jemen uit een boek overleverde. Wij zien hem nu opnieuw, deze keer als de schakel tussen de Mekkaanse en de Jemenitische school. Hij verbond de twee rivieren met elkaar. Wat Ibn 'Abbās ﵁ in Mekka onderwees, droeg Ṭāwūs ﵀ terug naar Jemen. Wat Mu’ādh ﵁ in Jemen had nagelaten, ontmoette in Ṭāwūs ﵀ een drager die het tot in Mekka kon brengen. De twee scholen voedden elkaar.

Vijf leerlingen, vijf onafhankelijke ketens, vijf landstreken. Mujāhid ﵀ in Mekka, Sa’īd ibn Jubayr ﵀ via Kufa naar Khorāsān, 'Ikrima ﵀ van Noord-Afrika tot Egypte, ‘Aṭā’ ﵀ in de Mekkaanse hoofdmoskee, Ṭāwūs ﵀ in Jemen. Wij hebben geen revisionistisch model dat dit netwerk wegredeneren kan. Het bestond, het is in elke catalogus gedocumenteerd, en het wijst alle vijf de pijlen terug naar één bron in Mekka.

De geboorte van de Tafsir-traditie

De Tafsir-traditie van de oemma, het systematische, vers-voor-vers commentaar op de Koran, heeft een vader, en die vader is hij. Zij werd geboren in de decennia waarin Ibn 'Abbās ﵁ in volle bloei van zijn onderwijs verkeerde, in het derde kwart van de eerste eeuw na de Hijra.

Wat hij doceerde, was geen homiletisch verhaal en geen vrome aanmoediging. Het was filologie, geschiedenis, en juridische analyse tegelijk. Hij vroeg bij elk vers: wanneer was het geopenbaard, in welke situatie, tegen welke achtergrond, welke woorden in dit vers zijn ongewoon in het Arabisch en hoe begrepen de pre-islamitische dichters ze, welk juridisch oordeel volgt eruit, en hoe verhoudt dit vers zich tot andere verzen die over hetzelfde onderwerp spreken. Dat is de complete instrumentenkist van de tafsir, en die ontstond in zijn mond, in Mekka.

Wij weten dit niet uit losse mondelinge fragmenten. Wij weten dit omdat er in latere generaties een tekst is overgeleverd onder de titel Tafsir Ibn 'Abbās, die in haar oudste lagen via de schakel 'Alī ibn Abī Ṭalḥa ﵀ teruggaat. 'Alī ibn Abī Ṭalḥa ﵀ was zelf geen rechtstreekse leerling van Ibn 'Abbās ﵁, hij was van de tweede generatie na hem. Maar de Saḥīfa die hij bezat, met daarop een doorlopend commentaar op de Koran van Ibn 'Abbās ﵁'s hand, werd door al-Bukhārī ﵀ in zijn Ṣaḥīḥ uitvoerig benut als de hoofdbron voor de tafsir-citaten van Ibn 'Abbās ﵁. Al-Suyūṭī ﵀ noemt dit traject in zijn al-Itqān fī 'Ulūm al-Qur’ān expliciet als de meest betrouwbare keten van Korancommentaar van Ibn 'Abbās ﵁'s naam.

Daarbij komt het werk van Mujāhid ﵀, het werk van Sa’īd ibn Jubayr ﵀, het werk van 'Ikrima ﵀, en het verzamelwerk van Ibn Juraij ﵀ en ‘Aṭā’ ﵀. Elk van die werken bevat een aanzienlijk deel tafsir van Ibn 'Abbās ﵁. Wanneer aṭ-Ṭabarī ﵀ in het begin van de derde eeuw zijn eigen monumentale Jāmi’ al-Bayān over de Koran samenstelt, gebruikt hij al deze stromen tegelijk. Hij heeft de citaten niet uit mondelinge fragmenten geplukt. Hij heeft ze uit geschreven werken samengeperst. En achter elk van die werken staat een leerling van Ibn 'Abbās ﵁.

De Korancommentaar zoals de oemma die vandaag kent, in honderden volumes van klassieke en moderne tafsirs, vindt haar wortels in één Mekkaanse kring uit het derde kwart van de eerste eeuw na de Hijra. Niet één commentaar van Ibn 'Abbās ﵁ heeft het overleefd in zijn eigen handschrift. Maar de stem is doorgegeven, via vijf monden, in vijf richtingen, en in elke richting in geschreven vorm vastgelegd. Wij zijn die stem in honderden onafhankelijke ketens nooit kwijtgeraakt.

Wat dit weerlegt

Hier zien wij waarom dit artikel niet alleen biografisch is, maar polemisch in de juiste zin van het woord. Het beantwoordt een aanklacht.

Wansbrough beweerde in Quranic Studies (1977) en in The Sectarian Milieu (1978) dat er in de eerste twee eeuwen na de Hijra geen geïnstitutionaliseerde overdracht van Koran of hadith was geweest, dat de zogenaamde Mekkaanse, Medinese en Iraakse scholen pas in de derde eeuw werden geconstrueerd om aan latere doctrines een vroege oorsprong toe te schrijven, en dat de Korantekst zelf pas in de tweede eeuw zijn definitieve vorm kreeg. Crone en Cook bouwden in Hagarism (1977) op die premisses een nog radicaler scenario voort, waarin de vroege Islam grotendeels uit latere apologetiek zou bestaan.

Tegen die theses staat de figuur van Ibn 'Abbās ﵁ als een onontkoombaar gegeven. Hij was geboren in 3 voor de Hijra, dat is een gedateerd feit. Hij stierf in 68 na de Hijra, ook gedateerd. Tussen die twee data ligt een onderwijscarrière met:

  • Vijf leerlingen wier namen in elke klassieke biografie staan en wier sterfdata onafhankelijk bevestigd zijn.
  • Drie leerlingen wier eigen tafsir-werken in geschreven vorm bestonden en in catalogi met meerdere transmitters worden opgesomd.
  • Vaste lesdagen voor verschillende onderwerpen.
  • Een tolkenfunctie voor niet-Arabische pelgrims.
  • Een kameel-lading aan eigen geschreven materiaal.
  • Een secretaris en archivaris, Kuraib, wiens overdracht aan Mūsā ibn 'Uqba ﵀ in de bronnen is vastgelegd.
  • Geografische verspreiding van zijn onderwijs van Noord-Afrika tot Khorāsān, via concrete reizende leerlingen.

Dat zijn geen losse verhalen die later in het collectieve geheugen zijn ingeslopen. Dat zijn de gedocumenteerde sporen van een functionerende onderwijsinstelling. Wie deze sporen wegredeneren wil, moet niet één bron verdacht maken, maar tientallen onafhankelijke catalogi tegelijk afwijzen. De biografische woordenboeken van Ibn Sa’d ﵀ in aṭ-Ṭabaqāt, van al-Bukhārī ﵀ in at-Tārīkh al-Kabīr, van Ibn Hibbān ﵀ in ath-Thiqāt, van adh-Dhahabī ﵀ in Siyar A’lām an-Nubalā, van Ibn Hajar ﵀ in al-Iṣāba en Tahdhīb at-Tahdhīb. Stuk voor stuk vermelden zij dezelfde namen, dezelfde data, dezelfde leerlingenketens. Wie dit hele complex als latere fictie wegzet, krijgt geen geschiedenis meer in handen, hij houdt enkel zijn eigen scepsis over.

De vraag is omgekeerd. Niet: hoe kan deze school echt hebben bestaan zonder formele instituten? Maar: wat zou het hebben gevraagd om in de hele oemma deze identieke fictie tegelijk te construeren, zonder dat één enkele vroege bron tegenspreekt? Het antwoord op die vraag is praktisch onmogelijk. En daarom houdt de revisionistische thesis bij Ibn 'Abbās ﵁ op.

Wat wij zien is een man met een mandaat van de Profeet ﷺ zelf, “Allāhumma faqqih-hu fi’d-dīn wa 'allimhu at-ta’wīl”, die dat mandaat zestig jaar lang in praktijk heeft gebracht, en die het via een netwerk van vijf hoofdleerlingen heeft doorgegeven aan een generatie die de tafsir-, fiqh-, en hadithwetenschap van de tweede eeuw zou opbouwen.

Voorbij de schrijftafel: het persoonlijke

Voordat wij dit artikel sluiten, willen wij iets opmerken wat in catalogi en in bronnenkritiek doorgaans uit beeld blijft. Ibn 'Abbās ﵁ was geen leerstoel. Hij was een mens met een leven, met persoonlijke smart, en met een vroomheid die wie hem ontmoette nooit meer is vergeten.

Hij was bevriend met 'Alī ibn Abī Ṭālib ﵁ en hij stond aan diens zijde tijdens de eerste fitna. Hij was aanwezig op de dag van Siffīn, en hij was in de onderhandelingen met de Khārijieten als bemiddelaar betrokken. Hij zag de oemma uit elkaar scheuren in de jaren 35-40 na de Hijra, en hij verloor mannen in die jaren die hij persoonlijk had liefgehad. Toen 'Alī ﵁ in 40 na de Hijra werd vermoord, was Ibn 'Abbās ﵁ een van zijn vertrouwelingen, en hij heeft zich daarna grotendeels teruggetrokken uit politieke geschillen om zich aan onderwijs te wijden.

Op latere leeftijd verloor hij zijn gezichtsvermogen. Hij zou een vers hebben gereciteerd:

Als Allah ﷻ mijn ogen heeft genomen, dan blijven mijn tong en mijn hart, en beide hebben oren.

Hij liet zijn leerlingen voorlezen, hij corrigeerde uit het hoofd, hij doceerde tot zijn laatste dagen. In het jaar 68 na de Hijra, in Ṭā’if, vond zijn ziel rust. Zijn graf werd door pelgrims tot vandaag bezocht.

Wat hij naliet was niet één boek. Het was een rivier, en die rivier voedt tot vandaag elk Korancommentaar dat in een Soennitische bibliotheek staat. Wie aṭ-Ṭabarī ﵀ opslaat, leest Ibn 'Abbās ﵁. Wie Ibn Kathīr ﵀ opslaat, leest Ibn 'Abbās ﵁ via Ibn Kathīr ﵀ via aṭ-Ṭabarī ﵀ via Mujāhid ﵀ of Sa’īd ﵀ of 'Ikrima ﵀. De rivier is nooit opgedroogd.

Van vaste lesdag naar de open weg

Maar al die particuliere onderwijskringen, hoe productief ook, hadden één gemeenschappelijke beperking. Zij waren afhankelijk van individuele meesters en van toevallige leerlingen. Wanneer een meester stierf, kon zijn corpus verloren raken als zijn voornaamste leerlingen hem niet overleefden, of als zijn boeken niet werden veiliggesteld. Wanneer een leerling stierf zonder zelf leerlingen te hebben gevormd, stopte de keten daar.

Dat is precies wat in de Mekkaanse school van Ibn 'Abbās ﵁ nog goed afliep, omdat Mujāhid ﵀ overleed in 102, Sa’īd ibn Jubayr ﵀ al in 95, 'Ikrima ﵀ in 105, ‘Aṭā’ ﵀ rond 115, Ṭāwūs ﵀ in 106. Hun leerlingen, op hun beurt, leefden allen tot in het tweede kwart van de tweede eeuw. De keten brak niet. Maar het had wel anders kunnen lopen.

In andere streken liep het soms anders. Tijdens de tweede burgeroorlog en in de jaren van al-Hajjāj werden vele geleerden gedood, gevangen genomen of verdreven. Hele bibliotheken zijn waarschijnlijk verloren gegaan zonder dat wij er ooit catalogi van zullen hebben. De Mekkaanse school overleefde omdat zij dicht bij de jaarlijkse hajj-stroom lag en omdat haar leerlingen verspreid waren, maar dat was geluk en geografie, geen institutionele garantie.

Wat de school van Ibn 'Abbās ﵁ wel al had aangewakkerd, was een gewoonte die dat gevaar van verlies tegenging. De jongen die zelf van deur tot deur was getrokken om de Metgezellen ﵃ te bevragen, had een voorbeeld gegeven dat de volgende generatie tot een instituut zou verheffen. Wie kennis wilde, ging niet wachten tot zij tot hem kwam. Hij reisde. Hij trok maanden ver over woestijn en bergpas om één overlevering uit de mond van de laatste levende getuige te horen.

Die rondreis ter wille van kennis kreeg in de tweede helft van de eerste eeuw een eigen naam, de riḥla, en zij verankerde de overlevering niet in één kwetsbare stad maar in een netwerk van reizende dragers die elkaars materiaal kruislings verifieerden. Het scherpste vroege voorbeeld ervan is een Metgezel ﵁ die één maand lang op een kameel de woestijn tussen Medina en Syrië doorkruiste om één enkele hadith te controleren bij een man die hij nog nooit had ontmoet.

Die reis, die man en die ene hadith zijn het onderwerp van het volgende artikel. Wij verlaten de vaste lesdagen van de Mekkaanse school en stappen de open weg op, waar de bewaring van de Sunna niet langer afhing van wie toevallig in dezelfde stad woonde, maar van wie bereid was ervoor te reizen.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).