InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Abu Hurayra ﵁ en zijn ~800 leerlingen

Van de pen van Ali ﵁ naar de mond van Abu Hurayra ﵁

In het vorige artikel hebben wij de sahifa van Ali ibn Abi Talib ﵁ uit zijn schede zien glijden. Een opgerold perkament aan de schede van zijn zwaard, klein van omvang, groot van betekenis. Daarop stond geschreven wat de Profeet ﷺ over diyat had bepaald, over het beschermen van een ontsnapte gevangene, over de verboden gebieden rond Medina. Toen Ali ﵁ op de minbar werd gevraagd of er onder zijn Ahl al-Bayt nog iets geschreven van de Profeet ﷺ in omloop was, schudde hij het hoofd, op die ene sahifa na. De boodschap was helder: geschreven materiaal van de Profeet ﷺ bestond. Het was alleen schaars, gericht, en in handen van wie het werkelijk nodig had.

Maar wat dan met de massa van overleveringen die in onze grote verzamelingen staan. Bij al-Bukhari ﵀ alleen al meer dan zevenduizend hadith. Bij Imam Muslim ﵀ rond de vierduizend. Bij Ahmad ibn Hanbal ﵀ in zijn Musnad bijna dertigduizend overleveringen, na schifting van duplicaten goed voor ongeveer achtduizend onderscheidende narratieven. Een gewaagde rekenaar zou kunnen vragen: als de meeste Metgezellen ﵃ niets opschreven, en als Ali ﵁ slechts één klein sahifa bezat, waar komt die enorme hoeveelheid hadith dan vandaan.

Het antwoord is een Yemenitische jongeman die in 7 AH naar Medina kwam, drie jaar lang aan de voeten van de Profeet ﷺ heeft gezeten, en daarna meer dan veertig jaar heeft doorgebracht met onderwijzen. Zijn naam ken niemand werkelijk; zijn kunya kent iedereen. De man met de poes. Abu Hurayra ﵁.

En precies hier, op de drempel van zijn naam, begint een van de oudste en meest hardnekkige verwarringen in de geschiedenis van het Islamitische tekstkritisch denken. Want Abu Hurayra ﵁ is, paradoxaal genoeg, tegelijkertijd de Metgezel ﵁ met het grootste aantal overgeleverde hadith en de Metgezel ﵁ wiens betrouwbaarheid het vaakst door buitenstaanders in twijfel is getrokken. Een Egyptische pamflettist zou hem in de twintigste eeuw “de leugenaar van de oemma” durven noemen. Een Hongaarse oriëntalist had al een halve eeuw eerder gesuggereerd dat een groot deel van de hadithcorpus eigenlijk op één twijfelachtige bron rustte.

In dit artikel keren wij de zaak om. Niet om te ontkennen dat Abu Hurayra ﵁ veel hadith heeft overgeleverd. Al-Azami ﵀ noemt in Studies in Early Hadith Literature het getal dat Ibn al-Jawzi hem toeschreef: ongeveer vijfduizenddriehonderdvierenzeventig overleveringen. In de Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀ komen er 3848 op zijn naam; na de deduplicatie van Ahmad Shakir blijven er 1579 onderscheidende narratieven over. Wij keren de zaak om door één vraag te stellen die zijn aanvallers nooit eerlijk hebben gesteld. Hoeveel mensen hebben rechtstreeks van Abu Hurayra ﵁ gehoord. En hoeveel ketens leiden, voor één en dezelfde hadith, langs verschillende leerlingen terug naar zijn mond.

Het antwoord van de klassieke hadithgeleerden is bewaard gebleven in de rijal-literatuur, de biografische wetenschap van de overleveraars. Ongeveer achthonderd. De klassieke tellers, onder wie Baqi ibn Makhlad in zijn beroemde tafarrud-overzicht en na hem al-Bukhari ﵀, Ibn Hajar ﵀ en ad-Dhahabi ﵀, hebben rond de achthonderd mensen geteld die rechtstreeks van Abu Hurayra ﵁ hebben overgeleverd, verspreid over Medina, Mekka, Sana’a, Kufa, Basra, Damascus, Egypte. Geen enkele andere Metgezel ﵁ in de geschiedenis is door zoveel verschillende mensen, in zoveel verschillende plaatsen, in zoveel verschillende tongvallen, en onafhankelijk van elkaar gehoord en opgetekend. Wie Abu Hurayra ﵁ aanvalt, valt geen eenzame stem aan. Hij valt een koor aan.

Een Yemenitische jongen in de Suffa

Abu Hurayra’s ﵁ verhaal begint niet in Medina, maar in de zuidwestelijke heuvels van Yemen, in de stam Daws. Zijn geboortenaam is door biografische bronnen verschillend overgeleverd; ad-Dhahabi ﵀ noemt zo’n dertig varianten, met als waarschijnlijkste 'Abd ar-Rahman ibn Sakhr al-Dawsi. De man heeft in zijn eigen tijd gezegd dat hij zijn echte naam in de jahiliyya als zwaar voelde dragen, en pas onder de Islam de schoonheid heeft ervaren van een naam met 'Abd ar-Rahman erin. De variatie in de bronnen weerspiegelt de onbelangrijkheid van het naamprobleem; de man werd zonder uitzondering bij zijn kunya genoemd, en die kunya was Abu Hurayra. De vader van het katje.

Het verhaal van die kunya is in alle nuchterheid overgeleverd. Als jongen had hij een poesje dat hij in zijn mouw droeg wanneer hij de schapen van zijn familie hoedde. Toen hij eenmaal in Medina arriveerde, zag de Profeet ﷺ de jongeman ooit met een kat op de arm en sprak hem aan met de woorden “ya Aba Hurayra”. De naam plakte. Eenvoudig, warm, en zonder enig spoor van majesteit. Een poesnaam voor een man die later, na de dood van de Profeet ﷺ, de breedste mond zou worden voor de overleveringen van zijn meester.

Hij arriveerde laat. In het zevende jaar na de Hijra, na de inname van Khaybar, ergens in 628 of begin 629 christelijke jaartelling. De Profeet ﷺ was toen al rond de zestig, zijn boodschap had het pieren-en-zaaien-stadium van de eerste jaren in Medina ver achter zich gelaten, en de gemeenschap in Medina was uitgegroeid tot een welomschreven staat met juridische beslissingen, militaire campagnes, en publiek bestuur. Abu Hurayra ﵁ kreeg precies drie jaar met de Profeet ﷺ. Niet meer.

Drie jaar voor vijfduizend hadith. Het lijkt mathematisch absurd, en het is dan ook precies dat punt dat de aanvallers van Abu Hurayra ﵁ altijd hebben uitgespeeld. Toch berust hun rekensom op een aanname die elke serieuze bestudering van de bronnen weerlegt: dat Abu Hurayra ﵁ enkel zou hebben overgedragen wat hij persoonlijk uit de mond van de Profeet ﷺ had gehoord, en dat alleen op de momenten dat hij erbij was. Beide premissen zijn onjuist.

Eerst de tweede. Abu Hurayra ﵁ was niet een gewone Metgezel ﵁ die overdag zijn handel deed of zijn akkers bewerkte en alleen tijdens de gebedstijden in de Moskee verscheen. Hij was een man van Ahl as-Suffa. Een term die literair vertaald “de mensen van de overdekking” betekent, en die verwijst naar een groep onbemiddelde Metgezellen ﵃ die letterlijk in de Moskee van de Profeet ﷺ woonden, op een door palmtakken overdekte plek achter het gebedsterrein, slapend op de grond, in de kledij die zij droegen. Zij hadden geen huis, geen vrouw, geen handel. Wat zij hadden was tijd en nabijheid. Twee dingen die in de overlevering van hadith ongeëvenaard kostbaar zijn.

Abu Hurayra ﵁ heeft zelf, in een overlevering opgetekend door Imam al-Bukhari ﵀ in zijn Sahih, deze positie als het ware ter verklaring opgevoerd. Wanneer Marwan ibn al-Hakam, of een van de andere critici uit de Umayyadische tijd, suggereerde dat hij teveel overdroeg, antwoordde hij ongeveer zo:

Abu Hurayra ﵁: De Muhajirun waren bezig met hun handel op de markt, de Ansar waren bezig met hun akkers en hun dadelpalmen. Ik, een arme man, vulde mijn maag met wat de Boodschapper van Allah ﷺ mij gaf en bleef bij hem. Ik was aanwezig wanneer zij afwezig waren, ik onthield wanneer zij vergaten.

In één antwoord is de hele aanval ontmanteld. Abu Hurayra ﵁ was, in moderne termen, een full-time student. De Muhajirun moesten Mekkaanse handel hervatten in een nieuwe stad. De Ansar moesten de akkers van Medina onderhouden. Beide groepen kwamen tot de Profeet ﷺ wanneer hun werk dat toeliet, en gingen weer naar huis wanneer de plicht riep. Abu Hurayra ﵁ ging nergens naartoe. Hij sliep in de Suffa, hij at uit de hand van de Profeet ﷺ, hij zat in zijn kring van zonsopkomst tot het laatste avondgebed. Drie jaar lang. Vrijwel ononderbroken.

Wie zo’n positie inneemt, hoeft niet bij elk vers en elke uitspraak persoonlijk lijfelijk aanwezig te zijn om het te kennen. Want, en hier komt de tweede correctie, de Profetische gemeenschap was geen geïsoleerde verzameling van individuen. Het was een levend netwerk waarin elke uitspraak van de Profeet ﷺ binnen uren, soms minuten, door tientallen Metgezellen ﵃ aan elkaar werd doorgegeven. Wanneer de Profeet ﷺ op een ochtend in een bepaalde majlis een hukm uitsprak, was dat hukm voor het middaggebed via de aanwezigen aan de afwezigen bekend gemaakt. Abu Hurayra ﵁ kon dus aanwezig zijn geweest bij de mondelinge herhaling door Abu Bakr ﵁, door Umar ﵁, door Ubayy ﵁, en die herhaling met evenveel autoriteit overdragen als hij de uitspraak zelf van de Profeet ﷺ had gehoord. In de hadithwetenschap heet dat een mursal Sahabi-overlevering, en die geldt unaniem als geldig. Geen klassieke geleerde heeft ooit volgehouden dat een Metgezel ﵁ alleen mocht overleveren wat hij eigenmondig van de Profeet ﷺ had gehoord.

Met die twee correcties krimpt het zogenaamde “Abu Hurayra-probleem” tot een schaduw. Drie jaar full-time aanwezigheid in een netwerk waar elke profetische uitspraak binnen uren circuleerde, gecombineerd met een levenslange devotie aan het doorgeven van wat hij in die jaren had ontvangen en aangevuld. Vijfduizend overleveringen is dan geen onmogelijkheid meer, maar het te verwachten resultaat van een onderwijscarrière van veertig jaar in Medina, gevoed door drie jaar nabijheid en aangevuld met wat hij van zijn directe collega-Metgezellen ﵃ opnam. Een normaal gegeven voor een man die zijn hele leven heeft besteed aan het bewaren en doorgeven.

De golf van aanvallen, oud en nieuw

Toch is het juist op deze man dat de orientalistische en moderne sceptische literatuur haar grootste artillerie heeft gericht. Wij moeten dit eerlijk benoemen, niet om de aanvallers het podium te geven, maar om te begrijpen waarom die klassieke telling van achthonderd overleveraars zo belangrijk is. Een dam wordt pas zichtbaar als men de woede van de rivier kent.

De Hongaarse oriëntalist Ignaz Goldziher publiceerde in 1890 het tweede deel van zijn Muhammedanische Studien. Het werd in de westerse universitaire wereld vrijwel onmiddellijk als het standaardwerk over hadith aanvaard, en bleef dat in academische kringen tot ver in de twintigste eeuw. Goldzihers stelling was dat het overgrote deel van wat in de canonieke hadithverzamelingen staat, geen authentieke uitspraken van de Profeet ﷺ zijn, maar uitvindingen uit de tweede eeuw AH, geprojecteerd op vroege Metgezellen ﵃ om aan de uitvindingen kerkelijk gezag te verlenen. In dat verhaal speelde Abu Hurayra ﵁ een specifieke rol. Hij was, volgens Goldziher, de meest geliefde “kapstok” voor latere vervalsers, omdat zijn naam als bron van een grote hoeveelheid hadith al vroeg bekend stond. Een extra hadith op zijn naam viel niet op tussen de duizenden andere.

Goldzihers methodologie, en die van zijn opvolger Joseph Schacht in The Origins of Muhammadan Jurisprudence uit 1950, was in essentie omgekeerd. Zij namen niet de bronnen als uitgangspunt en analyseerden ze, maar namen een vooronderstelling, dat de meeste hadith vervalst was, en zochten in de bronnen naar bevestiging. Wanneer een hadith via meerdere ketens werd overgeleverd, was dat in hun lezing geen aanwijzing van authenticiteit maar van een goed georganiseerde vervalsingsmachine. Wanneer een hadith via één keten werd overgeleverd, was dat een aanwijzing van willekeurige uitvinding. Geen enkel patroon kon hun stelling weerleggen, omdat elk patroon vooraf als bewijs voor de stelling werd gerekend.

Eenmaal in Europa gevestigd, sijpelde Goldzihers visie ook door in delen van de Egyptische intellectuele wereld van de twintigste eeuw. Mahmud Abu Rayyah publiceerde in 1958 een werk getiteld Adwa’ ‘ala as-Sunnah al-Muhammadiyya, waarin hij Abu Hurayra ﵁ persoonlijk als de hoofdverdachte van massale fabricatie aanwees. De stelling was vrijwel woord voor woord van Goldziher overgenomen, alleen in Arabisch gewaad. Het boek veroorzaakte in moslimkringen een schokgolf en werd door een hele reeks geleerden, onder wie Mustafa as-Siba’i in As-Sunnah wa Makanatuha en Muhammad Abu Shahbah in Difa’ 'an as-Sunnah, met grote zorgvuldigheid weerlegd. Maar het pamflet van Abu Rayyah heeft in zijn vluchtige vorm meer lezers bereikt dan de degelijke weerleggingen, en het verhaal van “Abu Hurayra de leugenaar” leeft in bepaalde modernistische hoeken voort tot op vandaag.

De aanval rust steeds op drie pilaren, die wij beter even bij naam noemen om ze rustig te kunnen weerleggen.

Eerste pilaar: het cijfer. Abu Hurayra ﵁ heeft zo veel hadith overgeleverd dat het mathematisch onmogelijk zou zijn dat hij ze allemaal werkelijk van de Profeet ﷺ heeft gehoord. Wij hebben dit argument hierboven al gefnuikt. Met drie jaar full-time aanwezigheid in een netwerk waar elke profetische uitspraak binnen uren circuleerde, en met veertig jaar onderwijs erna, is het cijfer niet alleen mogelijk, het is verwachtbaar.

Tweede pilaar: de relatieve laatkomst. Hij arriveerde pas in 7 AH, drie jaar voor de dood van de Profeet ﷺ. Hoe kon hij dan meer overleveren dan Metgezellen ﵃ die de Profeet ﷺ al sinds Mekka kenden, zoals Abu Bakr ﵁ of Ibn Mas’ud ﵁. Het antwoord, behandeld door Ibn Hajar ﵀ in al-Isaba, is dat juist de vroegste Metgezellen ﵃ na de dood van de Profeet ﷺ overspoeld werden met bestuurlijke en militaire verantwoordelijkheden. Abu Bakr ﵁ en Umar ﵁ waren Khaliefen; zij hadden geen tijd voor systematisch hadithonderwijs. Hun overleveringen zijn schaars niet omdat zij weinig wisten, maar omdat hun publieke taken hun mondelinge verzameling stopten. Abu Hurayra ﵁ daarentegen heeft na 11 AH veertig jaar lang vrijwel niets anders gedaan dan onderwijzen.

Derde pilaar: Aisha’s ﵂ correctie. De aanvallers citeren met liefde de overleveringen waarin Aisha ﵂ Abu Hurayra ﵁ corrigeert of suggereert dat hij teveel overdraagt. Zij vergeten echter de context te citeren. Aisha ﵂ corrigeerde alle Metgezellen ﵃ als zij meende dat zij iets verkeerd hadden onthouden; daar was zij om bekend en daar werd haar gezag voor erkend. Haar corrigeren van Abu Hurayra ﵁ was geen aanklacht maar collegiaal toezicht. Bovendien, en dat is het cruciale punt, antwoordde Abu Hurayra ﵁ op haar correcties steeds met dezelfde welwillendheid. In de overlevering bij Imam Ahmad ﵀ in zijn Musnad zegt hij in een van die ontmoetingen:

Abu Hurayra ﵁: O Moeder van de Gelovigen ﵂, jij had je bezig met je spiegel en je kohlpotje, ik had mijn niets dan de Boodschapper van Allah ﷺ.

Geen verdediging, geen verwijt, geen poging om zich tegenover haar in te dekken. Slechts een herinnering aan de eenvoudige oorzaak van zijn breder geheugen. De Profeet ﷺ zelf had hem in dezelfde periode gewezen op deze gave, en aangetekend in Sahih al-Bukhari ﵀ staat de scène waarin de Profeet ﷺ hem leerde dat hij wat hij opnam in een uitgespreide doek zou kunnen vasthouden zonder ooit te vergeten. Een gebed om geheugen, een vermoedelijke uitbreiding van zijn vermogen, en een belofte. Niets dat met fabricatie of zwakte van mening te maken heeft.

De aanvallen waren in essentie een spiegeleffect. De aanvallers projecteerden hun eigen wantrouwen, hun eigen secularisering van de twintigste eeuw, op een man uit de zevende eeuw die door zijn eigen tijdgenoten unaniem betrouwbaar werd geacht. Geen Metgezel ﵁, geen tabi’i ﵀, geen klassieke imam heeft Abu Hurayra ﵁ ooit van fabricatie beschuldigd. Wie het wel deed, deed het twaalfhonderd jaar later, in een taal en een wereld die de man nooit gesproken of gekend had.

Maar het werkelijke antwoord op alle aanvallen ligt niet in argumentatie. Het ligt in de cijfers. In de namen. In de geografie. In het ontzaglijke netwerk van mensen dat onafhankelijk van elkaar uit zijn mond heeft gedronken en in een dozijn steden zijn woorden heeft opgeschreven. Daarvoor moeten wij nu, met de klassieke rijal-literatuur in de hand, een wandeling maken door de wereld van de Tabi’in.

Achthonderd overleveraars, zes provincies

Het cijfer “ongeveer achthonderd” is geen retoriek. Het is een klassieke telling. De biografische wetenschap van de overleveraars, de rijal-literatuur, heeft van generatie op generatie de namen bewaard van wie rechtstreeks van Abu Hurayra ﵁ heeft overgeleverd. Baqi ibn Makhlad legde in zijn tafarrud-overzicht vast hoeveel unieke overleveringen elke Metgezel ﵁ droeg, en in dezelfde traditie werden de overleveraars van Abu Hurayra ﵁ geteld tot rond de achthonderd. Latere biografische naslagwerken, zoals Tahdhib al-Kamal van al-Mizzi en Tahdhib at-Tahdhib van Ibn Hajar ﵀, hebben die namen elk met eigen geboorte- en sterftedata, eigen geografische standplaatsen, eigen verdere studenten en eigen aandeel in de canonieke verzamelingen vastgelegd.

Loading family tree...

Achthonderd. Laten wij dit cijfer een ogenblik laten bezinken. In een tijd zonder drukpers, zonder massacommunicatie, zonder universiteiten in de moderne zin, heeft één man in zijn leven aan ongeveer achthonderd vakkundige overleveraars rechtstreeks doorgegeven, ieder met naam, standplaats en levensdata bewaard in de biografische wetenschap. Zulke breedte, zo gedetailleerd geregistreerd, kent de geschiedenis van het mondelinge onderwijs nauwelijks een tweede voorbeeld van.

Wie waren die mensen. Waar leefden zij. Hier wordt het gesprek over Abu Hurayra ﵁ levendig, omdat de overleveraars niet in één kring rond zijn voeten zaten. Zij stroomden vanuit Medina uit over de gehele bekende moslimwereld van de eerste eeuw. Wat volgt is een wandeling langs enkele van de bekendste namen uit de klassieke rijal-traditie. Niet ieder van hen komt in al-Azami’s ﵀ eigen lijst voor; die lijst, waarop wij dadelijk terugkomen, telt de mensen die zijn hadith in geschrift bewaarden. De namen hieronder komen uit de bredere biografische traditie van beroemde leerlingen.

In Medina zelf was zijn kerngroep. Daar zaten zijn dichtste leerlingen, die hem soms decennia lang volgden. Een van de meest bekende is 'Abd ar-Rahman ibn Hurmuz al-A’raj ﵀, geboren rond 40 AH en gestorven in 117 AH, een tabi’i die in de bronnen wordt vermeld als “rechtstreeks van Abu Hurayra ﵁ overleverend”. Het is door hem dat de befaamde Muwatta van Imam Malik ﵀ een aanzienlijk deel van zijn Abu Hurayra-hadith heeft binnengekregen. Een andere Medinese leerling, al-A’la’ ibn 'Abd ar-Rahman ﵀, geboren rond 50 en gestorven in 139 AH, had volgens de bronnen meerdere nusakh van hadith die in Medina beroemd waren, en hij placht aan kopiisten te zeggen dat zij zijn boek geheel moesten overschrijven of helemaal niet. Habib ibn Salim al-Ansari ﵀, Muhammad ibn Ziyad al-Qurashi ﵀ uit de tabaqa rond 35 tot 120 AH, 'Awn ibn 'Abd Allah ibn 'Utba ﵀ uit de generatie tot ongeveer 110 AH; al deze namen verschijnen in de klassieke rijal-literatuur met de standaardvermelding “overleverend van Abu Hurayra ﵁”. Ieder van hen had op zijn beurt zijn eigen leerlingenkring, soms tientallen mannen, die op hun beurt weer doorgaven.

Loading map...

In Mekka had Abu Hurayra ﵁ eveneens leerlingen. Hoewel hij zelf in Medina woonde, kwam hij bij Hajj en Umrah regelmatig in Mekka, en wanneer Mekkaanse studenten in het seizoen van de pelgrimstocht in Medina arriveerden, zaten zij ook bij hem. Een sleutelnaam hier is ‘Ata’ ibn Abi Rabah ﵀, geboren in 27 en gestorven in 117 AH, de grote mufti van Mekka in zijn generatie, van wie de klassieke bronnen vermelden dat hij zijn studenten zelfs aanmoedigde hun overleveringen op te schrijven en hen daar inkt en papier voor verschafte. Door ‘Ata’ ﵀ vloeide een aanzienlijk deel van Abu Hurayra’s ﵁ corpus naar de Mekkaanse school, en vandaar via Sufyan ibn 'Uyaynah ﵀ en al-Shafi’i ﵀ naar de bredere islamitische wereld.

In Yemen, in de oude hoofdstad Sana’a, zat de meest cruciale van alle Abu Hurayra-leerlingen voor het verhaal dat in het artikel over de Sahifa van Hammam later in deze reeks zal volgen. Hammam ibn Munabbih ﵀, broer van Wahb ibn Munabbih ﵀, een tabi’i die rond 40 AH werd geboren en in de eerste helft van de tweede eeuw AH stierf. Hij heeft zoveel hadith van Abu Hurayra ﵁ opgeschreven dat zijn verzameling, de zogenaamde Sahifa van Hammam ibn Munabbih ﵀, een eigen naam droeg in de overlevering en als compleet manuscript tot in de twintigste eeuw is bewaard gebleven. Wij komen op die sahifa in het artikel over de Sahifa van Hammam uitvoerig terug.

In Kufa zaten de leerlingen die door de aanwezigheid van Ali ﵁, Ibn Mas’ud ﵁ en de hele migratie van prominente Metgezellen ﵃ uit Medina in de tijd van Umar ﵁ en Uthman ﵁ een eigen school hadden opgebouwd. Ook daar werd Abu Hurayra ﵁ niet overgeslagen. Wanneer Kufische studenten zoals Sa’id ibn Jubayr al-Asdi ﵀, geboren rond 46 en gestorven in 95 AH, in Medina kwamen, zaten zij bij Abu Hurayra ﵁ in dezelfde kring waarin zij ook bij Ibn 'Abbas ﵁ en Ibn 'Umar ﵁ zaten. Sa’id ﵀ zou later een commentaar op de Koran samenstellen op basis van wat hij in Medina had opgenomen, en in dat commentaar verschijnen Abu Hurayra-overleveringen op meerdere plaatsen.

In Basra, de andere grote stad van Iraq, was de pijler al-Hasan al-Basri ﵀, geboren in 21 en gestorven in 110 AH. Hij overleverde volgens de klassieke bronnen van zeer veel Metgezellen ﵃ en bezat vele boeken, waaronder een Koran-commentaar dat hij aan zijn pupillen dicteerde. Of al-Hasan ﵀ Abu Hurayra ﵁ ook persoonlijk heeft gehoord, is onder de klassieke geleerden overigens omstreden; sommigen achten zijn overlevering van Abu Hurayra ﵁ mursal, dat wil zeggen via een tussenschakel. Hoe dan ook voedde al-Hasan ﵀ via zijn eigen leerlingen, zoals Qatada ibn Di’ama ﵀, Hisham ad-Dastawa’i en talloze anderen, een gigantische tweede en derde generatie van Abu Hurayra-overleveringen. Een Basrische zijtak via Muhammad ibn Sirin ﵀, geboren in 33 en gestorven in 110 AH, leverde nog een aparte stroom, en juist zijn naam komt wél voor in al-Azami’s ﵀ eigen lijst van wie de hadith van Abu Hurayra ﵁ in geschrift bewaarde. Ibn Sirin ﵀ stond bekend om zijn voorzichtigheid en zijn weigering om losse boeken zonder controle in zijn huis te dulden, en juist daarom is zijn keten extra zwaar in autoriteit. Zelfs een man als hij, met de strengste opvattingen over wat in geschrift mocht circuleren, heeft hadith van Abu Hurayra ﵁ overgeleverd.

In Damascus en Sham vinden wij de derde grote stroom. Makhul al-Shami ﵀, geboren rond 55 en gestorven in 118 AH, compileerde volgens Ibn al-Nadim een Kitab as-Sunan en een Kitab al-Masa’il fi al-Fiqh, en in beide werken verschenen Abu Hurayra-overleveringen die hij via verschillende ketens had ontvangen. Rabi’ah ibn Yazid ad-Dimashqi en de hele kring rond Imam al-Awza’i ﵀ in de tweede eeuw AH zouden voortbouwen op deze stroom.

In Egypte ontstond eveneens een eigen leerlingengroep. Abu Hurayra ﵁ zelf was in Medina, waar hij onder Marwan ibn al-Hakam een tijd als plaatsvervangend gouverneur diende, maar zijn overleveringen bereikten al vroeg de vallei van de Nijl. De bronnen vermelden dat veel Egyptische tabi’in zijn hadith opnamen, hetzij door bij hem in Medina te zitten tijdens de Hajj, hetzij via de eerste generatie die uit de Hijaz naar al-Fustat trok, en hun overleveringen vormen de kern van wat later in de kring rond al-Layth ibn Sa’d ﵀ en Imam ash-Shafi’i ﵀ in zijn Egyptische periode zou rondzingen.

Zes provincies, dus. Medina, Mekka, Yemen, Iraq met Kufa en Basra samen, Sham, en Egypte. Niet drie of vier mannen die in één kamer met de meester zaten en zijn overleveringen monopoliseerden. Rond de achthonderd geregistreerde overleveraars verspreid over heel het gebied waarin de Islam in de tweede helft van de eerste eeuw AH levend was. Wie zou ooit zo’n netwerk hebben kunnen organiseren als opzettelijke leugen.

De wet van de meervoudige isnad

Maar dit is nog niet eens het sterkste argument. Wij hebben tot nu toe over Abu Hurayra ﵁ als bron gesproken, en over zijn leerlingen als kanalen. Het werkelijke wonder van het hadithsysteem ligt in wat daarna gebeurde: hoe één en dezelfde uitspraak van de Profeet ﷺ, na via Abu Hurayra ﵁ aan tien verschillende leerlingen te zijn doorgegeven, vervolgens via die tien leerlingen aan honderden verdere overleveraars werd doorgegeven, en uiteindelijk via tientallen onafhankelijke ketens in de canonieke verzamelingen samenkwam.

Een eenvoudig voorbeeld kan dit verlichten. Neem een willekeurige bekende hadith van Abu Hurayra ﵁, bijvoorbeeld de uitspraak “De daden zijn naar gelang de intentie” of de overlevering over de zeven onder de schaduw van Allah ﷻ op de Dag des Oordeels. Wie de takhrij, dat wil zeggen de bronvergelijking, van zulke hadith opslaat in een werk als Tuhfat al-Ashraf van al-Mizzi of in de moderne digitale databanken, ziet onder de tekst tien, vijftien, soms vijfentwintig verschillende isnads. Allemaal beginnen ze met Abu Hurayra ﵁. Allemaal gaan ze via een andere leerling. Sommige via al-A’raj ﵀ in Medina, andere via Hammam ﵀ in Sana’a, weer andere via Abu Salama ibn 'Abd ar-Rahman ﵀, of via Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, of via ‘Ata’ ﵀ in Mekka, of via Muhammad ibn Sirin ﵀ in Basra. En vandaar splitsen ze zich verder.

Stel u dat eens beeldend voor, als een louter illustratief rekenmodel. Eén hadith op één moment uit de mond van de Profeet ﷺ. Doorgegeven aan een handvol Metgezellen ﵃, onder wie Abu Hurayra ﵁. Door Abu Hurayra ﵁ doorgegeven aan tien van zijn leerlingen, in tien verschillende decennia, in tien verschillende vergaderingen, in soms tien verschillende steden. Stel dat iedere leerling de hadith aan twintig van zijn eigen leerlingen doorgeeft, en die twintig elk aan tien. In drie generaties zou dan een netwerk van vertakkingen ontstaan dat in de honderden loopt, allemaal onafhankelijk van elkaar, allemaal teruggaand naar dezelfde Profetische uitspraak via dezelfde Metgezel ﵁. Het exacte getal doet er niet toe; het gaat om de orde van grootte die zelfs een bescheiden vertakking al oplevert.

Wanneer wij vervolgens in de canonieke verzamelingen die ketens tegen elkaar leggen, en alle versies stemmen tekstueel overeen, dan is de waarschijnlijkheid dat het om een fabricatie gaat statistisch verwaarloosbaar geworden. Geen vervalser, hoe slim ook, kan in zes verschillende provincies aan tweehonderd onbekende leerlingen tegelijkertijd dezelfde leugen in de mond leggen zonder dat ergens iemand opmerkt dat de verschillende versies geen gezamenlijke afkomst kunnen hebben. De hadithwetenschap noemt het kenmerk dat zo’n hadith heeft, mutawatir of mashhur, en die termen zijn niet polemisch maar technisch. Zij beschrijven een mate van overgeleverdheid waarin twijfel methodologisch onmogelijk is.

Al-Azami zet hetzelfde fenomeen in moderne tekstwetenschappelijke termen uit. Wanneer een tekst via meerdere onafhankelijke handschriftelijke ketens, in verschillende geografische regio’s, in verschillende manuscripten, in een nagenoeg identieke tekstuele gedaante voorkomt, dan is de meest economische verklaring voor die overeenkomst dat de tekst op één punt in de tijd werkelijk in die gedaante heeft bestaan en van daaruit langs alle ketens is verspreid. Dit is, ironisch genoeg, exact dezelfde methodologie die in de westerse tekstkritiek wordt toegepast op klassieke Griekse en Latijnse werken. Wanneer Cicero in dertien onafhankelijke manuscripten in nagenoeg dezelfde gedaante voorkomt, accepteren wij de tekst als authentiek Ciceroniaans. Wanneer een hadith van Abu Hurayra ﵁ in tweehonderd onafhankelijke ketens in nagenoeg dezelfde gedaante voorkomt, zou volgens dezelfde methodologie diezelfde acceptatie moeten volgen. Wat Goldziher deed, was zijn eigen tekstkritische standaard voor de bijbel en de klassieken doelbewust niet toepassen op de hadith. Dat is geen wetenschap; dat is selectief gebruik.

Het ironische van de orientalistische aanval is dus dat zij precies dat ene Metgezel ﵁ aanvalt waarvoor het tegenbewijs het meest overweldigend is. Een aanval op een Metgezel ﵁ die slechts door één of twee leerlingen werd gehoord, zou minstens een schijn van plausibiliteit hebben. Een aanval op Abu Hurayra ﵁, wiens corpus door rond de achthonderd overleveraars in zes provincies onafhankelijk werd doorgegeven, is alsof men beweert dat de Romeinse Senaat nooit bestaan heeft, terwijl wij honderdduizenden inscripties op honderdduizenden plaatsen tegelijk aanhalen.

De test van Marwan

Er is in de oude biografische literatuur één scène die deze hele kwestie van Abu Hurayra’s ﵁ betrouwbaarheid op één tafereel samenballt, en die wij niet onbesproken kunnen laten. Het is de scène van de test door Marwan ibn al-Hakam, de jonge Umayyadische staatsman die later, na zijn neef Mu’awiya ﵁, zelf Khalief zou worden, maar die in de jaren waarin Abu Hurayra ﵁ in Medina onderwees, namens zijn neef gouverneur van Medina was. Marwan ibn al-Hakam was geen man van groot vertrouwen onder de Metgezellen ﵃; hij had in zijn jonge jaren tegenwerkingen met meerdere senior Sahaba gehad, en zijn naam wordt in de bronnen niet met een eretitel vermeld. Maar juist daarom is zijn test des te welsprekender.

De overlevering, weergegeven door al-Khatib al-Baghdadi ﵀ in Taqyid al-‘Ilm en ad-Dhahabi ﵀ in Siyar a’lam an-nubala’, gaat ongeveer als volgt. Marwan was sceptisch over de enorme hoeveelheid hadith die Abu Hurayra ﵁ in Medina doorgaf. Hij vermoedde dat de man zijn overleveringen ter plekke verzon, of op zijn minst van keer tot keer in formulering variërend doorgaf, wat in de strikte hadithdoctrine een aanwijzing voor onbetrouwbaarheid zou zijn. Om dat te toetsen verzon hij een list. Hij liet Abu Hurayra ﵁ op een avond bij hem komen en vroeg hem een aantal hadith te dicteren. Achter een gordijn zat een van Marwans schrijvers met inkt en perkament, en noteerde alles wat de oude Metgezel ﵁ zei, woord voor woord. Abu Hurayra ﵁ wist van niets en sprak gewoon zoals altijd.

Een jaar gaat voorbij, een nieuwe gelegenheid wordt afgewacht. Marwan laat Abu Hurayra ﵁ opnieuw uitnodigen, dezelfde reeks hadith te dicteren als bij de eerste sessie. Opnieuw zit een schrijver achter een gordijn, opnieuw weet Abu Hurayra ﵁ van niets. Hij dicteert. Marwan legt vervolgens de twee verslagen naast elkaar.

Marwan ibn al-Hakam: Vergelijk wat hij in de eerste sessie heeft gezegd met wat hij in de tweede heeft gezegd.

Marwans schrijver: Bij Allah ﷻ, hij heeft geen woord veranderd, geen volgorde verschoven, geen formulering ingekort, geen formulering uitgebreid. Het is letterlijk dezelfde tekst.

Daar zit de hele zaak in één zin. Een man die een jaar tussen twee dicterende sessies laat verlopen, en in beide sessies woord voor woord dezelfde overlevering geeft, kan onmogelijk zijn materiaal ter plekke verzinnen. Wie ter plekke verzint, varieert. Wie woord voor woord identiek herhaalt over een afstand van een jaar, heeft het materiaal geleerd, gememoriseerd, en vasthoudend bewaard. Marwan zelf, geen vriend van Abu Hurayra ﵁ in de politieke verhoudingen, moest daarna toegeven dat hij zich in zijn scepsis had vergist.

De waarde van deze episode is groot, want zij komt niet uit de pen van Abu Hurayra’s ﵁ bewonderaars. Zij komt uit de papierwinkel van zijn machtige criticus. Marwans onderzoek had niets opgeleverd, en de eerlijkheid van de bronnen ligt erin dat zij dat resultaat hebben bewaard en niet hebben verzwegen. Een vervalsende generatie zou de hele test hebben weggemoffeld. De islamitische overleveringscultuur, scherp tot op het ongemakkelijke, heeft ook de test van Abu Hurayra’s ﵁ critici bewaard en aan ons doorgegeven, omdat in die test zelf de bevestiging van zijn betrouwbaarheid besloten ligt.

Wij hebben dezelfde methodologie bij de commissie van Uthman ﵁ in de Quran-cyclus al gezien. Uthmans ﵁ critici beweerden dat hij verzen zou hebben verwijderd, en de islamitische bronnen hebben die beschuldiging niet verzwegen, maar weergegeven en weerlegd door te wijzen op het onmogelijke ervan in een gemeenschap waar honderden levende ooggetuigen zaten. Hier, in het geval van Abu Hurayra ﵁, doet de methodologie hetzelfde. De aanval wordt niet verzwegen; de aanval wordt opgeschreven, met de uitkomst die de aanval tegenspreekt.

Cataloog versus ketens: een rekenoefening

Laten wij, als afsluiting van de inhoudelijke discussie, één rekenoefening doen die de aandacht in de juiste verhoudingen plaatst. Stel dat een hedendaags lezer bij toeval een hadith van Abu Hurayra ﵁ tegenkomt, bijvoorbeeld de bekende uitspraak: “Wanneer de Mu’azzin de iqama heeft uitgesproken, ren dan niet meer naar het gebed”. Hij wil weten via welke ketens deze hadith tot ons is gekomen.

De takhrij in Tuhfat al-Ashraf en in moderne werken als Jam’ al-Fawa’id leert hem dat deze hadith in verschillende canonieke verzamelingen voorkomt, waaronder Sahih al-Bukhari, Sahih Muslim, Muwatta Malik en Musnad Ahmad. In die verzamelingen samen worden meerdere verschillende isnads geciteerd. Allemaal beginnend met Abu Hurayra ﵁. Maar zij splitsen zich al bij de tweede generatie: sommige ketens lopen via Abu Salama ibn 'Abd ar-Rahman ﵀, andere via Sa’id ibn al-Musayyib ﵀, weer andere via al-A’raj ﵀ of via Hammam ﵀ of via een andere directe leerling. En op elk van deze tweede-generatieknooppunten splitsen de ketens zich opnieuw. Zo waaiert één enkele hadith, nog voor hij bij Imam Malik ﵀ of bij Sufyan ﵀ aankomt, uit in een aanzienlijk aantal onafhankelijke transmissielijnen.

En dit is een tamelijk gewone hadith van Abu Hurayra ﵁, niet eens een van de meest geciteerde. Wie deze oefening systematisch op zijn hele corpus zou willen toepassen, ziet dat het totaal aantal transmissielijnen dat op zijn naam terugkomt, elke praktische telling ver te boven gaat. Een niet te overzien weefsel van ketens, terugkerend naar één Metgezel ﵁ in Medina, met op elke knoop een geregistreerde overleveraar wiens betrouwbaarheid in de biografische werken is gecatalogiseerd. Het precieze getal is onbekend en doet er ook niet toe; het gaat om de schaal.

Het is precies dit wat de hadithwetenschap zo’n eenzaam fenomeen in de menselijke geschiedenis maakt. Geen tekst uit de oudheid, geen tekst uit de middeleeuwen, geen tekst uit de moderne tijd is op deze schaal langs zo veel onafhankelijke ketens en zo veel geverifieerde overleveraars tot ons gekomen. Wie de hadith aanvalt op grond van scepticisme, zou consequent moeten zijn en ook Plato, Aristoteles, Cicero, de evangeliën en de hele klassieke literatuur op grond van veel zwakkere overleveringsgegevens onbetrouwbaar moeten verklaren. Geen serieuze wetenschapper doet dat. En dus zou ook geen serieuze wetenschapper een man als Abu Hurayra ﵁ als fabriceur moeten kunnen wegzetten.

Het bewaarprincipe: van mond op rietpen

Hier, aan het einde van het artikel, komen wij bij de overgang naar het volgende. Wij hebben gezien dat Abu Hurayra ﵁ in Medina onderwees, dat rond de achthonderd overleveraars rechtstreeks van hem hebben gehoord, dat zijn overleveringen door tientallen onafhankelijke ketens tot ons zijn gekomen, en dat zelfs de meest sceptische critici van zijn tijd, na test, geen reden tot wantrouwen vonden. Maar er was nog iets anders dat in dezelfde decennia gebeurde, en dat aan de mondelinge transmissie een tweede laag van waarborg toevoegde.

Een aantal van Abu Hurayra’s ﵁ leerlingen schreef het op. Niet als geïmproviseerde aantekening, niet als geheugensteun voor eigen gebruik, maar als systematische verzameling, hadith na hadith, in een continu manuscript dat onder een eigen naam in de overlevering rondging. De Arabische term voor zo’n manuscript is sahifa, in het meervoud suhuf, en wij hebben dat woord al in eerdere artikelen ontmoet: bij de Sahifa van Ali ﵁, en bij de commissie van Uthman ﵁ in de Quran-cyclus.

De meest beroemde en historisch belangrijkste van alle suhuf van Abu Hurayra-overleveringen is die van Hammam ibn Munabbih ﵀, de Yemenitische tabi’i uit Sana’a die wij hierboven al noemden als een van zijn leerlingen. Hammam ﵀ heeft 138 hadith rechtstreeks van Abu Hurayra ﵁ opgeschreven in een sahifa die hij naar zijn eigen leerlingen verspreidde. Die sahifa is, in een wonder van handschriftelijke continuïteit waarvan de schaal pas in de twintigste eeuw werkelijk is gemeten, in twee onafhankelijke manuscripten tot ons gekomen. Eén in Damascus, één in Berlijn. En wanneer men diezelfde 138 hadith opzoekt in de Musnad van Imam Ahmad ﵀ en in de Sahihayn, blijken zij daar, met de juiste minimale variaties die door de meervoudige isnad worden verklaard, terug te keren in nagenoeg dezelfde formulering.

Met andere woorden: de sahifa van Hammam ﵀ uit de eerste eeuw AH, opgeschreven uit de mond van Abu Hurayra ﵁ in Medina of in Sana’a, is honderdtachtig jaar later vrijwel woord voor woord terug te vinden in een Musnad uit Bagdad. Dat is een tekstuele continuïteit waar de moderne filologie geen analogie voor kent. De kritische editie van deze Hammam-sahifa, samengesteld uit de twee manuscripten in Damascus en Berlijn, is het werk van Muhammad Hamidullah in de twintigste eeuw. Al-Azami van zijn kant heeft in het tweede deel van Studies in Early Hadith Literature een andere vroege verzameling uit de kring van Abu Hurayra ﵁ uitgegeven: de Nuskhah van Suhail ibn Abi Salih, achtenveertig overleveringen die via diens vader Abu Salih al-Samman van Abu Hurayra ﵁ zijn opgetekend. Wij komen op de Hammam-sahifa in het artikel over de Sahifa van Hammam uitvoerig terug, met de geschiedenis van de twee manuscripten, de vergelijking met de canonieke verzamelingen, en wat dit betekent voor onze visie op de transmissie van de hadith in haar geheel.

Voor nu volstaat het te wijzen op wat al-Azami in Studies in Early Hadith Literature stil en zakelijk heeft vastgelegd. In zijn overzicht van wie de hadith van Abu Hurayra ﵁ niet enkel mondeling doorgaf maar ook op schrift stelde of in geschrift bezat, staat een korte, welbepaalde rij namen: Hasan ibn 'Amr ad-Damari, Bashir ibn Nahik, 'Abd al-'Aziz ibn Marwan, Abu Salih as-Samman, Hammam ibn Munabbih ﵀, Marwan ibn al-Hakam, Muhammad ibn Sirin ﵀, Sa’id al-Maqburi ﵀, 'Ubaid Allah at-Taimi en ‘Aqbah ibn Abi Hasna’. Tien mannen die het bewijs in inkt leverden. De Sahifa van Hammam ﵀ is dus niet een uitzondering die de regel bevestigt. Zij is het best bewaarde voorbeeld van wat in de tijd van Abu Hurayra ﵁ door een hele reeks van zijn overleveraars werd gedaan. Het bewaarprincipe was actief. Het geheugen was geen losse modder die in de wind wegwaaide. Het was vastgepakt, op rietpen en perkament, in Medina, in Sana’a, in Mekka, in Basra, in Kufa, in Damascus, in al-Fustat. En vanuit die geschreven nuclei groeide in de tweede en derde eeuw AH de grote canonieke literatuur die wij tot op vandaag in onze handen houden.

Wie Abu Hurayra ﵁ aanvalt, valt dus niet één man aan. Hij valt een achthonderdkoppig koor aan, dat over een gebied zo groot als het Romeinse Rijk in zijn bloeitijd onafhankelijk dezelfde melodie heeft gezongen, en op vele plaatsen tegelijk diezelfde melodie in inkt heeft vastgelegd. Het is geen wetenschap om die symfonie als onbetrouwbaar weg te wuiven. Het is een dwingende geestelijke keuze, gemaakt voordat het bewijs werd opgeslagen. En zoals elke keuze die voorafgaat aan het bewijs, ontmaskert zij niet de bron, maar de criticus zelf.

In het volgende artikel verlaten wij de kring van Abu Hurayra ﵁ en volgen wij een derde grote stroom van overlevering, die van Abdullah ibn Abbas ﵁, de neef van de Profeet ﷺ die in de bronnen de Zee van Kennis werd genoemd. Wij zien hoe deze jonge Mekkaan na de dood van de Profeet ﷺ van deur tot deur trok om de Metgezellen ﵃ te bevragen, hoe hij wat hij hoorde liet opschrijven tot boeken bij kamel-ladingen, en hoe hij in Mekka een school naliet wier leerlingen de tafsir- en hadithwetenschap van de tweede eeuw zouden dragen. Opnieuw een geschreven traditie, opnieuw een netwerk van onafhankelijke ketens, ditmaal uitwaaierend van Mekka tot Khorasan.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).