InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Sahifa van Ali ﵁ aan zijn zwaardschede

De Sahifa van Ali ﵁ aan zijn zwaardschede

In het vorige artikel, over de Sahifa as-Sadiqa, zagen wij hoe een jonge metgezel, Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁, met de uitdrukkelijke toestemming van de Profeet ﷺ zelf elk woord begon op te tekenen dat hij uit de gezegende mond hoorde. Zijn Sahifah Sadiqah, het waarachtige perkament, was honderden ahadith groot en bleef binnen zijn familie circuleren tot zijn kleinzoon Amr ibn Shu’ayb ﵀ er een halve eeuw later nog uit dicteerde. Dat document was, op zichzelf, een verpletterend tegenbewijs van de bewering dat hadith pas in de tweede eeuw AH op schrift werd gesteld. Maar één perkament van één jonge convert kan, voor wie hardnekkig wil twijfelen, weggewuifd worden als een toevallige uitzondering. Een excentrieke jongeman die zijn aantekeningen maakte en die niemand anders nadeed.

Dit artikel laat zien dat de tegenwerping niet houdbaar is. Want er bestond een tweede sahifa, geschreven in dezelfde eerste decennium na de Hijra, gedragen door een man wiens positie in de Oemma op geen enkel niveau vergelijkbaar was met die van een vroege jongerenbekeerling. Hij was de neef van de Profeet ﷺ, opgegroeid in zijn huishouden vanaf zijn jeugd. Hij was de schoonzoon van de Profeet ﷺ, getrouwd met diens jongste dochter Fatimah ﵂. Hij was vader van de twee kleinkinderen die de Profeet ﷺ in het openbaar op zijn schouders droeg. Hij was een van de eerste wahy-schrijvers en hij zou, ongeveer vijfentwintig jaar na het overlijden van de Profeet ﷺ, de vierde Khalief van de Oemma worden.

Zijn naam is Ali ibn Abi Talib ﵁. En het document waarover dit artikel handelt, was niet weggeborgen in een kast en niet bewaard in een familie-archief. Het hing aan de schede van zijn zwaard, opgerold of opgevouwen tot een pakket dat hij overal mee naartoe nam. Hij citeerde eruit op de minbar van Kufa tijdens zijn kalifaat. Hij las eruit voor wanneer men hem vroeg wat het Recht zei over bloedgeld, over het bevrijden van gevangenen, over de heiligheid van de grenzen van Medina. En wanneer iemand wilde insinueren dat de familie van de Profeet ﷺ geheime juridische kennis bezat die de rest van de Oemma was onthouden, antwoordde Ali ﵁ met een korte, soevereine zin die door al-Bukhari ﵀ in het allereerste boek van zijn Sahih, het Boek van Kennis, is vastgelegd.

Wij hebben niets behalve het Boek van Allah ﷻ en dit perkament dat aan mijn zwaardschede hangt.

Dat is de zin die wij in dit artikel zullen ontleden. Want zij is de meest geconcentreerde weerlegging die de klassieke bronnen ons hebben nagelaten van de gehele these dat het Islamitische Recht voor de tweede eeuw AH louter mondeling werd doorgegeven. Hier is een geschreven juridisch document. Hier is de man die het draagt. Hier is de plek waar het hangt. Hier zijn de vragenstellers, de toeschouwers, de moskee waarin het wordt voorgelezen. En hier is, in Sahih al-Bukhari, Sahih Muslim en de Musnad van Imam Ahmad ﵀, met verdere overleveringen bij latere verzamelaars, de ketens van geleerden die de tekst eeuw na eeuw hebben doorgegeven.

Wie deze documentaire massa serieus neemt, kan niet langer met goed fatsoen volhouden dat geschreven juridische hadith een verzinsel was van de tweede eeuw. Tenzij hij bereid is de hele klassieke bronnentraditie als een groot complot af te schrijven. En dat is precies wat de oriëntalistische school van Goldziher en Schacht, vooral Schacht in zijn The Origins of Muhammadan Jurisprudence, op een gegeven moment in feite moest doen. Wij zullen zien dat de prijs voor die positie onbetaalbaar hoog is.

Wie was Ali ﵁ in 10 AH

Om de zwaarte van de sahifa op zijn zwaard te begrijpen, moeten wij ons eerst de man voor de geest halen die hem droeg. In 10 AH, het laatste levensjaar van de Profeet ﷺ, was Ali ibn Abi Talib ﵁ ongeveer dertig jaar oud. Hij was geboren in de Ka’bah zelf, volgens een goed gevestigde traditie, en hij was vanaf zijn vroege kindertijd opgenomen in het huishouden van zijn neef Muhammad ﷺ, lang voordat de Profeet ﷺ zijn profeetschap zou ontvangen. Toen Abu Talib in moeilijke jaren onder economische druk stond, namen Abbas ﵁ en Muhammad ﷺ ieder een van zijn zoons in huis. Ali ﵁ kwam onder de hoede van de man die later zijn schoonvader zou worden.

Dit detail, dat in moderne biografieën soms weggegumd wordt, is van het grootste belang voor de geschiedenis van de hadith. Want het betekent dat Ali ﵁ van zijn vroege jeugd tot de dag van het overlijden van de Profeet ﷺ in 11 AH onafgebroken in de naaste fysieke nabijheid van de Boodschapper ﷺ verkeerde. Hij was de eerste mannelijke moslim, of de tweede na Abu Bakr ﵁ afhankelijk van de traditie. Hij sliep in het bed van de Profeet ﷺ op de nacht van de Hijra, omhuld met diens groene mantel, terwijl de mannen van Quraish met getrokken zwaarden om het huis stonden. Hij behoorde tot de groep wahy-schrijvers die de Profeet ﷺ riep wanneer een nieuwe openbaring nederdaalde. Hij was een van de pleitbezorgers, de bemiddelaars, de geheimhouders van de Boodschap.

In Medina was zijn huis aan dat van de Profeet ﷺ verbonden. Zijn echtgenote Fatimah ﵂ was de jongste dochter van de Profeet ﷺ en de enige van diens kinderen die hem overleefde. Hun twee zoons, Hasan ﵁ en Husayn ﵁, groeiden op met hun grootvader die hen tijdens de Vrijdagspreek op zijn schouders droeg. Toen Hasan ﵁ als kleuter aan zijn baard trok terwijl de Profeet ﷺ in sujud lag, wachtte de Boodschapper ﷺ tot het kind zelf besloot dat het genoeg was. Dit was de familie waarin Ali ﵁ leefde. De familie wier intimiteit met de openbaring zo groot was dat moderne lezers vaak verbaasd zijn over de omvang van het materiaal dat door de Ahl al-Bayt is overgeleverd.

Het is binnen deze omstandigheid dat de sahifa op de zwaardschede zijn betekenis krijgt. Het is geen document van een buitenstaander die met moeite probeert te onthouden wat hij van anderen gehoord heeft. Het is een document van een man die in het huis is opgegroeid waarin de openbaring nederdaalde, en die de regels die hij heeft genoteerd uit eerste hand kent.

De methode van het opschrijven

Wanneer schreef Ali ﵁ deze tekst. De bronnen geven geen exacte datering, maar de inhoud van de sahifa zelf wijst een richting aan. Verschillende van de regels die erin worden genoemd, behoren tot de juridische uitspraken van de Profeet ﷺ tijdens de Medinese periode, met name in de jaren na de Slag van Khaybar in 7 AH en tijdens de Afscheidsbedevaart in 10 AH. De regels over de heilige grenzen van Medina, haram al-Madinah, zijn formeel verkondigd in Medina zelf. De regels over de diya, het bloedgeld, en over de bescherming van een gelovige tegen privé-vergelding behoren tot het volwassen rechtssysteem dat de Profeet ﷺ in zijn laatste jaren in volledige vorm articuleerde.

Het is waarschijnlijk dat Ali ﵁ de sahifa progressief opbouwde, vers na vers, regel na regel, in de tien jaar na de Hijra. Niet alles werd op één moment op één perkament gezet. Maar tegen het einde van het leven van de Profeet ﷺ had hij een afgerond pakket bij zich dat hij op zijn zwaardschede had bevestigd. Wij weten dit omdat hij eruit citeerde gedurende zijn hele kalifaat, dat van 35 tot 40 AH liep, en omdat zijn zonen Hasan ﵁ en Husayn ﵁ en zijn neef Abdullah ibn Abbas ﵁ er kennis van hadden.

De plaatsing van het document is zelf een opmerkelijk detail. Een zwaard hangt aan de heup. De schede is dagelijks bereikbaar, want de man die hem draagt heeft hem in elk gevecht en op elke reis bij zich. De klassieke overlevering plaatst het perkament aan die schede, dicht bij het lichaam, waar het bij hem bleef. De suggestie die daaruit spreekt is duidelijk. Dit was geen sentimenteel familie-erfstuk dat in een lade lag. Dit was een werkdocument, een referentiewerk, een instrument dat dagelijks geraadpleegd werd.

Modern lezers moeten zich hier even losmaken van de associatie tussen schrift en formele bibliotheken. Een perkament aan een zwaardschede, in de zevende eeuw, was de equivalente vorm van een aantekenboekje in een binnenzak. Compact, transportabel, beschermd door het leer van de schede tegen weer en wind, en altijd beschikbaar voor consult. Het zegt iets diepgaands over de cultuur van het vroege Islamitische gezag dat de toekomstige vierde Khalief een geschreven juridische tekst zo dicht bij zijn lichaam droeg dat hij hem letterlijk niet kon vergeten.

De vraag van Abu Juhayfah ﵁

De beroemde dialoog die de hele sahifa-traditie heeft vastgelegd, vindt plaats tijdens het kalifaat van Ali ﵁ in Kufa. Abu Juhayfah Wahb ibn Abdullah as-Suwa’i ﵁, een jongere metgezel die in zijn jeugd nog de Profeet ﷺ had gezien, komt naar Ali ﵁ met een vraag die in de gemeenschap was gaan rondgaan. Sommige groepen, vooral mensen die later de proto-Shi’a zouden worden, beweerden dat de Ahl al-Bayt geheime juridische kennis bezat die de rest van de Oemma was onthouden. Geheime exegeses van de Quran, geheime ahadith van de Profeet ﷺ, geheime regels die alleen door de bloedlijn werden doorgegeven.

Ali ﵁ heeft op verschillende momenten in zijn leven deze suggestie krachtig weerlegd. De vraag van Abu Juhayfah ﵁ is een van de momenten waarop hij dat openlijk doet, in het bijzijn van toehoorders, met het bewijsstuk in zijn hand. Imam al-Bukhari ﵀ heeft deze episode opgenomen in Kitab al-'Ilm, het Boek van Kennis, het allereerste hoofdstuk van zijn Sahih. Dat is een betekenisvolle plaatsing. Hij koos uit duizenden ahadith deze passage om de lezer te onderwijzen over de aard van Islamitische kennis. Geen geheim, geen esoterische familie-overdracht, maar het Boek van Allah ﷻ en een tweede schriftelijke bron die voor iedereen toegankelijk is.

Abu Juhayfah ﵁: O Aboe al-Hasan, hebt u iets uit de openbaring dat niet in het Boek van Allah ﷻ staat. Iets dat alleen aan de Ahl al-Bayt is gegeven.

Ali ﵁: Bij Diegene die de zaadkorrel splijt en de ziel schept, wij hebben niets behalve wat in het Boek van Allah ﷻ staat, en wat in dit perkament aan mijn zwaardschede hangt, en het begrip dat een man wordt geschonken in Zijn Boek.

Abu Juhayfah ﵁: En wat staat er in dit perkament.

Ali ﵁: De diya, het vrijlaten van een gevangene, en dat een gelovige niet gedood wordt om een ongelovige.

In andere versies, opgenomen in Sahih Muslim en bij Imam Ahmad ﵀, breidt Ali ﵁ de inhoud van het perkament uit met de regels over de heilige grenzen van Medina, met de verboden die op de stad Medina rusten gelijk de verboden op Mekka, en met de regels over wie het asiel mag verlenen aan een vluchteling. De kerninhoud blijft echter dezelfde. Het perkament bevat juridische regels die de Profeet ﷺ heeft vastgesteld, opgeschreven door Ali ﵁ in de directe aanwezigheid van de Boodschapper ﷺ of onmiddellijk daarna.

Drie elementen verdienen aparte aandacht in de geciteerde dialoog. Het eerste is de eed waarmee Ali ﵁ begint. Bij Diegene die de zaadkorrel splijt en de ziel schept. Dit is geen losse formule. Het is een zware eed, een eed bij de scheppende macht van Allah ﷻ Zelf, waarmee hij de toehoorder de zwaarte van zijn antwoord laat voelen. Het tweede element is de drievoudige opsomming van wat hij wel bezit. Het Boek van Allah ﷻ, het perkament, en het begrip dat een gelovige wordt geschonken. Wat hij niet bezit, is een geheime vierde categorie. Het derde element is de naakte concreetheid van wat in het perkament staat. Geen mystieke leerstellingen, geen verborgen exegeses, maar de drie zaken die elk rechtsgeleerde nodig had om het dagelijks leven van de Oemma te regelen.

De inhoud van het perkament

Wat stond er precies op de sahifa aan de zwaardschede van Ali ﵁. Wanneer wij de verschillende versies van de hadith bij elkaar leggen, in Sahih al-Bukhari, Sahih Muslim en de Musnad van Imam Ahmad ﵀, dan ontstaat een redelijk volledige reconstructie. Het document bevatte minstens de volgende juridische rubrieken.

Ten eerste de diya, het bloedgeld. Dit is een van de meest gecodificeerde rechtsgebieden in het Islamitische recht. Wanneer een moslim opzettelijk of per ongeluk een ander gelovige doodde, of een schurftwond toebracht of een lid afsneed, dan was de compensatie aan de familie van het slachtoffer juridisch vastgesteld. Honderd kamelen voor een vrije volwassen man. De helft daarvan voor een vrouw. Specifieke fracties voor specifieke wonden. Vingers, tanden, oren, ogen, neuzen, alles had zijn eigen tarief, en het was de Profeet ﷺ die deze tarieven had vastgesteld. Een rechter die over een schade-zaak moest oordelen, kon niet improviseren. Hij moest de regels kennen.

Ali ﵁ had ze opgeschreven. Niet in zijn geheugen alleen, hoewel zijn geheugen briljant was. Op zijn perkament. En wanneer hij later als Khalief in Kufa een zaak te behandelen kreeg, kon hij naar zijn zwaardschede grijpen, het document ontrollen, en de gepaste regel voorlezen. Dit is geen latere reconstructie. Dit is hoe Imam al-Bukhari ﵀ in Kitab al-Diyat, het Boek van de Bloedgelden, de zaak presenteert. Het hoofdstuk over de diya in Sahih al-Bukhari opent met dezelfde sahifa-traditie. Het document van Ali ﵁ wordt door al-Bukhari ﵀ als juridisch grondbewijs gebruikt voor de regels die hij vervolgens uiteenzet.

Ten tweede het vrijlaten van een gevangene. Fakk al-asir. Dit was een gebod waar de Profeet ﷺ in vele situaties op had aangedrongen. Na de Slag van Badr werden gevangenen vrijgekocht door hun families. Sommige werden vrijgelaten op voorwaarde dat zij tien Medinese kinderen leerden lezen en schrijven. Anderen werden uit barmhartigheid bevrijd. De regel dat een moslim plicht heeft om voor de vrijlating van een gevangen mede-gelovige te werken, behoort tot de hartstreek van het vroege Islamitische ethos. Ali ﵁ had deze regel op zijn perkament.

Ten derde de regel dat een gelovige niet wordt gedood om de doding van een ongelovige. La yuqtalu mu’minun bi-kafirin. Dit is een van de meer technische regels van het strafrecht, en zij vereiste schriftelijke vastlegging omdat zij gemakkelijk verkeerd begrepen kon worden. De regel betekende niet dat een moslim straffeloos een niet-moslim mocht doden. De diya was verschuldigd, en in geval van opzettelijke moord op een verdragsgenoot was zelfs lijfstraf mogelijk onder bepaalde omstandigheden. Wat de regel zei, was dat de qisas, de gelijkwaardige vergeldingsstraf van leven voor leven, niet automatisch werd toegepast wanneer het slachtoffer geen moslim was. De juridische redenering daarachter is ingewikkeld en is door de eeuwen door rechtsscholen verschillend uitgewerkt. Maar dat de oorspronkelijke regel uit de mond van de Profeet ﷺ kwam, en dat Ali ﵁ haar op zijn perkament had genoteerd, staat sinds Sahih al-Bukhari vast.

Ten vierde, in versies die buiten Kitab al-'Ilm zijn opgenomen, de heilige grenzen van Medina. De stad Medina was door de Profeet ﷺ verklaard tot een haram, een geheiligd gebied gelijk Mekka. De begrenzingen liepen van het lavabed van Ayr in het zuiden tot het lavabed van Thawr in het noorden. Binnen deze grenzen mocht geen boom worden gekapt, geen wild gedier worden gejaagd, geen wapen worden geheven tegen een gelovige zonder rechtmatige reden. Wie binnen deze grenzen een bid’ah introduceerde, of een vluchteling die had gezondigd opzettelijk onderdak verleende, viel onder een specifieke vervloeking die de Profeet ﷺ had uitgesproken. Imam al-Bukhari ﵀ heeft deze regels samengebracht in Kitab Fadha’il al-Madina, het Boek over de Verdiensten van Medina, en daarin wordt de sahifa van Ali ﵁ wederom als bronbewijs genoemd.

Ten vijfde, in nog andere versies, de regels over wie van de moslims een asiel mag verlenen. Dhimmah al-muslimin wahidah. De bescherming die een gelovige aan een ongelovige verleent, geldt voor de hele Oemma. Een gewone moslim, ongeacht zijn status, mocht een ongelovige asiel verlenen, en dat asiel was bindend voor alle andere moslims, ook voor de Khalief. Dit was een revolutionair beginsel in de zevende eeuw, en het betekende dat de macht om asiel te verlenen niet was gemonopoliseerd door de heersende klasse. Het was een recht van het gewone gelovige individu. Ali ﵁ had het op zijn perkament.

Dit is een minimumlijst. Het is mogelijk dat er meer in stond, maar wat de bronnen ons uitdrukkelijk overleveren, is de bovenstaande kern. Zoals bevestigd door Sahih al-Bukhari, Sahih Muslim en de Musnad van Imam Ahmad ﵀, omvatte die kern de diya, de bevrijding van gevangenen, het verbod om een gelovige te doden voor een ongelovige, en de heiligheid van Medina.

Waarom Schacht hierop strandt

In 1950 publiceerde Joseph Schacht een boek dat de orientalistische hadith-studie voor decennia zou domineren. The Origins of Muhammadan Jurisprudence. Schachts these, in zijn meest provocerende formulering, was de volgende. Er bestond geen substantieel corpus van juridische hadith dat terugging op de Profeet ﷺ zelf. Wat in de canonieke collecties als profetische hadith verscheen, was in werkelijkheid juridische opinie van rechtsgeleerden uit de tweede eeuw AH, die met terugwerkende kracht aan de Profeet ﷺ werd toegeschreven om autoriteit te krijgen. De gehele structuur van isnaden, de ketens van overlevering die elke hadith voorzien van haar pedigree, was volgens Schacht ten dele een latere fabricatie. Pas vanaf ongeveer 100 AH, schatte hij, begon men juridische ahadith op schrift te zetten en daarvoor sluitende isnaden te construeren.

De these is, op het eerste gezicht, gedurfd. Op het tweede gezicht is zij wankel. Want zij hangt af van een vermogen om elke vroege schriftelijke aanwijzing weg te verklaren. En de sahifa van Ali ﵁ is precies zo een aanwijzing waarmee de these niet om kan gaan. Wij hebben een document waarin juridische ahadith over diya, gevangenen, qisas, en de heiligheid van Medina worden opgesomd. Het document hangt aan de schede van een man die in 11 AH ongeveer dertig jaar oud was en die in 40 AH stierf. Het document wordt geciteerd door Ali ﵁ zelf in publieke vragen, in de moskee, voor een gehoor van getuigen. Het wordt overgeleverd door zijn zonen Hasan ﵁ en Husayn ﵁, door zijn neef Abdullah ibn Abbas ﵁, door Abu Juhayfah ﵁ en door een hele reeks andere metgezellen en tabi’in. De keten loopt onafgebroken door tot Imam al-Bukhari ﵀ haar in de negende eeuw vastlegt, verspreid over meerdere hoofdstukken van zijn Sahih, waaronder het Boek van Kennis, het Boek van de Bloedgelden en het Boek over de Verdiensten van Medina.

Schachts methode om zulk bewijs weg te werken, was meestal de vroege getuigenissen te beschuldigen van projectie. Latere geleerden, beweerde hij, hadden de bestaande juridische praktijk teruggeprojecteerd in de mond van eerdere autoriteiten, en zo een illusie van vroege schriftelijkheid gecreëerd. Maar deze redenering breekt op de sahifa van Ali ﵁ stuk om verschillende redenen.

Ten eerste het sociale profiel. Wie zou er in de tweede eeuw AH belang bij hebben om Ali ﵁ een geschreven juridische sahifa toe te schrijven. De Umayyaden, die toen aan de macht waren, niet, want zij hadden zich juist tegen de aanhangers van Ali ﵁ gepositioneerd. De Abbasiden, die in 132 AH de macht overnamen, evenmin, want hoewel zij claimden te regeren namens de Ahl al-Bayt, beriepen zij zich op Abbas ﵁ en niet op Ali ﵁. De proto-Shi’a had wel reden om Ali ﵁ extra autoriteit te willen geven, maar zij claimden juist dat hij geheime kennis bezat die de rest van de Oemma was onthouden. En de sahifa-hadith doet precies het omgekeerde. Zij ontkent expliciet dat Ali ﵁ geheime kennis had, en presenteert hem als bezitter van openbaar geverifieerde juridische tekst die voor iedereen toegankelijk was. Imam al-Bukhari ﵀ neemt deze hadith op om de proto-Shi’a-claim te weerleggen, niet om hem te ondersteunen. Een vervalsing zou geen vervalser hebben gevonden.

Ten tweede de gedetailleerdheid en de juridische precisie. De vier of vijf rubrieken die in de sahifa worden genoemd, zijn niet de meest politiek geladen rubrieken van het rechtsstelsel. Het zijn praktische, technische, dagelijks bruikbare regels. Diya-tarieven, vrijlating van gevangenen, qisas-regels, haram-grenzen. Geen van deze rubrieken biedt een argument voor een specifieke politieke factie. Zij zijn neutraal in de eerste burgeroorlog en in de daaropvolgende rivaliteiten. Wie een vervalsing zou maken om een politieke positie te ondersteunen, zou andere onderwerpen kiezen.

Ten derde de fysieke specificiteit. Aan de schede van zijn zwaard. In zijn hand. Hij rolde het uit. Dit zijn details die in juridische literatuur normaal worden weggelaten omdat zij niet bijdragen aan het juridisch argument. Hun aanwezigheid wijst op een levende herinnering aan een feitelijke gebeurtenis, niet op een doelgerichte constructie. Een vervalser concentreert zich op de inhoud die hij wil legitimeren. Hij voegt geen overbodige fysieke details toe die niets bewijzen.

Ten vierde de meervoudigheid van isnaden. De hadith komt voor in meerdere canonieke collecties, met ketens die op verschillende metgezellen teruggaan. Muhammad Mustafa al-Azami ﵀, in zijn Studies in Early Hadith Literature, houdt zijn eigen vaststelling over Ali ﵁ opvallend nuchter. Hij noteert enkel dat Ali ﵁ een van de schrijvers van de Profeet ﷺ was, dat de Profeet ﷺ hem eens een tekst dicteerde die hij op een groot stuk perkament aan beide zijden optekende, en dat hij een Sahifah bezat die op naam van zeven overleveraars is bevestigd: Abu Juhayfah ﵁, Abu at-Tufayl ﵁, al-Ashtar, al-Harith ibn Suwayd ﵀, Jariyah ibn Qudamah ﵁, Qais ibn Abbad ﵀ en Tariq ibn Shihab ﵀. Meer dan die zeven namen en dat kale feit claimt al-Azami niet. De dramatische details, de zwaardschede, de minbar van Kufa, het uitrollen van het perkament, komen niet uit zijn pen maar uit de klassieke hadith zelf, met name de overlevering van Abu Juhayfah ﵁ in Sahih al-Bukhari. Juist die scheiding is instructief. Geen enkele van deze ketens is gefabriceerd uit een gemeenschappelijke bron. Zij komen uit verschillende geografische milieus, Kufa, Basra, Medina, en zij worden door verschillende generaties leerlingen overgeleverd. De tawatur op het kernfeit, dat Ali ﵁ een geschreven juridisch document bezat dat op zijn naam is overgeleverd, is overweldigend.

Voor al deze redenen is de sahifa van Ali ﵁ een steen waaraan Schachts these zich stoot. Een geschreven juridische tekst, met de inhoud in Sahih al-Bukhari expliciet vermeld, gedragen door de vierde Khalief, geciteerd in zijn aanwezigheid en bij zijn leven, overgeleverd via meerdere onafhankelijke ketens, met getuigen uit drie verschillende geografische milieus. De datering ervan ligt in het eerste decennium na de Hijra. Dat is bijna een volle eeuw voor de tweede eeuw AH die Schacht had voorgesteld als ondergrens voor geschreven juridische hadith. De these breekt.

Het is veelzeggend dat een deel van Schachts opvolgers in de Westerse oriëntalistiek in de laatste decennia van de twintigste eeuw is teruggekomen op de meest extreme conclusies van hun voorganger. Harald Motzki analyseerde de vroege Mekkaanse fiqh, met name de kring rond Ata ibn Abi Rabah en Ibn Jurayj zoals overgeleverd in de Musannaf van Abd ar-Razzaq, en kwam tot de conclusie dat er reeds in de eerste eeuw AH een uitgebreide juridische traditie circuleerde die betrouwbaar tot vroege autoriteiten kon worden herleid. Dat is, in academisch jargon, een gedeeltelijke terugtocht in de richting van precies de bewijslast die de sahifa van Ali ﵁ ons aanreikt. Andere skeptici bleven op hun positie staan. G.H.A. Juynboll bijvoorbeeld verfijnde de methode van isnad-analyse zonder terug te keren naar de authenticiteit die de klassieke traditie claimt. De verschuiving is dus gedeeltelijk, niet algemeen, maar zij is reëel.

Drie sociale lagen

Wij hebben nu twee sahifa’s gezien, beide uit het eerste decennium na de Hijra. De Sahifah Sadiqah van Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁ uit het vorige artikel, en de sahifa aan de zwaardschede van Ali ibn Abi Talib ﵁ in dit artikel. Zij staan in scherp contrast met elkaar, en juist dat contrast is het bewijs dat de schrijfgewoonte niet aan één type metgezel was gebonden.

Abdullah ﵁ was een jonge convert uit een latere fase van Mekka. Hij was geen familie van de Profeet ﷺ. Hij was niet betrokken bij de besluitvorming in de hogere kringen. Wat hij wel had, was de natuurlijke nieuwsgierigheid van een leerling die elk woord van zijn leraar wilde vastleggen. Zijn perkament was een leerlingen-document.

Ali ﵁ was iets totaal anders. Hij was de neef, de schoonzoon, de naaste mannelijke verwant van de Profeet ﷺ. Hij was lid van de Ahl al-Bayt. Hij was een van de wahy-schrijvers. Hij zou later de vierde Khalief worden. Zijn perkament was geen leerlingen-document. Het was een gezagsdocument, een referentiewerk dat door de toekomstige hoogste politieke autoriteit van de Oemma werd gedragen en in publiek werd geciteerd.

Dat de schrijfgewoonte zowel onder leerlingen als onder de hoogste familie van de Profeet ﷺ bestond, sluit de mogelijkheid uit dat het schrijven van hadith een lokale curiositeit was. Het was een algemene praktijk. Wij zien dezelfde gewoonte bij andere metgezellen. Anas ibn Malik ﵁ had een verzameling. Jabir ibn Abdullah ﵁ had een sahifa. Abdullah ibn Abbas ﵁ vulde planken vol. Samurah ibn Jundub ﵁ liet een groot document na aan zijn zoon. In het volgende artikel zullen wij de meest productieve van allemaal ontmoeten, Abu Hurayra ﵁, in wiens kring meer dan achthonderd leerlingen werden geteld die zijn ahadith systematisch noteerden.

Voor nu is het voldoende om vast te leggen wat de twee sahifa’s samen bewijzen. De gewoonte van het schrijven van hadith was geen tweede-eeuwse innovatie. Zij was er vanaf het eerste decennium na de Hijra. Zij omvatte juridisch materiaal van technisch karakter, niet alleen vrome herinneringen of stichtelijke gezegden. En zij werd in publiek bedreven, voor getuigen, op een wijze die door de hele klassieke isnad-traditie wordt bevestigd.

De keten van bewaring

Wat is er met de sahifa van Ali ﵁ gebeurd na zijn overlijden in 40 AH. De bronnen geven hier minder details dan over de Sahifah Sadiqah van Abdullah ibn Amr ﵁, maar genoeg om de keten van bewaring te kunnen reconstrueren.

Ali ﵁ werd in Ramadan 40 AH neergestoken in de moskee van Kufa door een Khariji-vrijwilliger genaamd Ibn Muljam, met een vergiftigd zwaard. Hij stierf enkele dagen later. Zijn oudste zoon Hasan ﵁ werd kortstondig als Khalief erkend in Kufa, maar deed na enkele maanden afstand van zijn aanspraken ten gunste van Mu’awiyah ﵁ om verdere burgeroorlog te voorkomen. Hasan ﵁ trok zich terug in Medina, waar hij in 50 AH overleed. Husayn ﵁ bleef ook in Medina tot zijn lot hem in 61 AH naar Karbala bracht.

De juridische erfenis van Ali ﵁, inclusief de sahifa, ging niet verloren. Zij werd doorgegeven via verschillende kanalen. Het primaire kanaal was de familie. Hasan ﵁ en Husayn ﵁ kenden de inhoud van het perkament. Zayn al-Abidin Ali ibn al-Husayn ﵀, de zoon van Husayn ﵁ die als enige man van zijn gezin Karbala overleefde, bleef in Medina en gaf het juridisch erfgoed door aan zijn zoon Muhammad al-Baqir ﵀, en die op zijn beurt aan Ja’far as-Sadiq ﵀, de Imam wiens kring een belangrijke bron werd voor zowel de Hanafi-school via Abu Hanifah als de Maliki-school via Imam Malik ﵀.

Een tweede kanaal liep via Abdullah ibn Abbas ﵁, de neef van Ali ﵁ en de meest geleerde van zijn generatie. Ibn Abbas ﵁ had toegang tot het familie-archief en gaf veel van het materiaal door aan zijn leerlingen in Mekka, vooral aan Ikrimah ﵀, Mujahid ﵀, Ata ibn Abi Rabah ﵀, en Sa’id ibn Jubayr ﵀. Via deze leerlingen kwamen de juridische standpunten van Ali ﵁ in de hoofdstroom van de Hijazi rechtsschool terecht, waar Imam Malik ﵀ ze in zijn Muwatta opnam, en van waaruit zij doorvloeiden naar Imam ash-Shafi’i ﵀ en alle latere scholen.

Een derde kanaal liep via Abu Juhayfah ﵁ zelf en de andere directe getuigen van Ali ﵁ in Kufa. Zij leerden de inhoud aan hun studenten onder de tabi’in, en die studenten leerden het op hun beurt aan Shu’bah ﵀, aan Sufyan ath-Thawri ﵀, aan Abu Hanifah ﵀, aan de hele Iraakse rechtsschool die uiteindelijk in de Hanafi-tradition consolideerde.

Wij weten dus, met grote zekerheid, dat het juridisch materiaal van de sahifa de eeuwen heeft overleefd. Sommige aspecten zijn door verschillende rechtsscholen verschillend geïnterpreteerd, vooral het derde punt over qisas en de niet-moslim, waarover de Hanafi-school een andere positie inneemt dan de andere drie scholen. Maar dat het materiaal authentiek is en uit de mond van de Profeet ﷺ stamt, wordt door de overgrote meerderheid van de juristen, zowel Sunni als Shi’i, niet betwijfeld.

Het fysieke perkament zelf is, voor zover wij weten, niet bewaard gebleven. Dat is niet verrassend. Perkament van de zevende eeuw, in het klimaat van de Hijaz en Iraq, vergaat over de eeuwen. Wat wel bewaard is, is de tekst van wat erop stond, vastgelegd door tientallen onafhankelijke ketens, en in de canonieke collecties van de derde eeuw AH in haar definitieve vorm geconsolideerd.

De bredere implicaties voor de hadith-wetenschap

Wij zijn nu in staat om enkele bredere conclusies te trekken uit de twee sahifa’s die wij in het vorige artikel en in dit artikel hebben behandeld. Deze conclusies zijn van fundamenteel belang voor het verstaan van de hadith-wetenschap als geheel.

De eerste conclusie is dat de tegenstelling die orientalisten als Schacht en Goldziher tussen mondelinge en schriftelijke overlevering plaatsten, een valse tegenstelling is. In de Islamitische gemeenschap van het eerste decennium na de Hijra werden ahadith gelijktijdig mondeling en schriftelijk overgeleverd. Mondelinge overdracht en schriftelijke vastlegging vulden elkaar aan. De schriftelijke versie diende als geheugensteun en als referentiewerk. De mondelinge versie diende als de levende les van leraar tot leerling, met de gelegenheid om te verifiëren, te vragen, te corrigeren. Beide kanalen werden cumulatief gebruikt, en wij hebben gezien dat zelfs een man als Zayd ibn Thabit ﵁ in de compilatie van de Quran beide kanalen tegen elkaar liet testen.

De tweede conclusie is dat de schrijfgewoonte ook in juridisch materiaal vroegtijdig bestond. Niet alleen vrome verhalen, niet alleen morele aansporingen, maar concrete juridische regels werden op schrift gezet. De sahifa van Ali ﵁ bevat diya-tarieven, qisas-regels en haram-grenzen. Dat is technisch recht, het soort materiaal waarvoor schriftelijke vastlegging het meest noodzakelijk is.

De derde conclusie is dat de schrijfgewoonte sociaal breed verspreid was. Van een jonge convert tot de neef van de Profeet ﷺ, van de leerling tot de toekomstige Khalief. Wie schrijven kon, schreef. En zelfs wie niet schrijven kon, liet zijn zoon of zijn neef of zijn slaaf voor hem schrijven.

De vierde conclusie is dat de Islamitische gemeenschap vanaf haar begin een wetenschappelijk bewustzijn ontwikkelde over de noodzaak van verificatie. De Profeet ﷺ zelf had bevolen dat wie iets aan hem toeschreef wat hij niet had gezegd, zijn plaats in het Vuur zou opzoeken. Zijn metgezellen namen die waarschuwing zeer serieus. Het schrijven van een hadith was geen lichtvaardige bezigheid. Het was het opnemen van een verantwoordelijkheid die tot in het Hiernamaals reikte. Wie deze ernst niet voelt, begrijpt niet waarom de sahifa van Ali ﵁ er was, en waarom hij hem zo letterlijk aan zijn lichaam droeg.

Sluiting: drie sahifa`s, drie sociale lagen

Wij hebben in het vorige artikel de Sahifah Sadiqah gezien, het document van een jonge convert die met de uitdrukkelijke toestemming van de Profeet ﷺ elk woord opschreef. Wij hebben in dit artikel de sahifa aan de zwaardschede gezien, het document van de neef en schoonzoon van de Profeet ﷺ, de man die later vierde Khalief zou worden. Twee perkamenten, twee sociale lagen, één periode. Beide uit het eerste decennium na de Hijra. Beide gevuld met materiaal dat de Profeet ﷺ had geleerd. Beide overgeleverd door onafhankelijke ketens tot in de canonieke collecties van de derde eeuw AH.

Maar nog iets ontbreekt aan deze schets. Want naast de schrijver-leerling en de schrijver-familie was er een derde figuur die voor de hadith-traditie misschien wel meer betekend heeft dan welke andere metgezel ook. Een man die niet beroemd werd om zijn perkament, hoewel hij zeker schreef, maar om de buitengewone omvang van zijn geheugen en om de omvang van zijn lerarenkring. Een man die in slechts vier jaar in de directe gezelschap van de Profeet ﷺ verkeerde, en die in die korte tijd zoveel ahadith opnam dat hij de meest productieve overleveraar uit de hele Oemma zou worden. Een man die zichzelf de armste van de mensen noemde, die op een lege maag in de moskee zat te luisteren terwijl andere metgezellen op de markt waren of in de boomgaarden werkten, en die door deze ongedeelde aandacht een schat verzamelde die de hele latere hadith-wetenschap zou voeden.

Zijn naam was Abu Hurayra ﵁, de Vader van het Kleine Katje, en de bronnen zijn het erover eens dat er ongeveer achthonderd leerlingen rond hem heen leefden die zijn ahadith systematisch noteerden. Achthonderd leerlingen, niet één of twee. Achthonderd onafhankelijke kanalen, vele van hen schrijvers, sommigen van hen later zelf grote overleveraars in Medina, Mekka, Egypte en Syrië. Wat de twee sahifa’s uit het vorige en dit artikel op kleine schaal hadden vastgesteld, dat de hadith-overlevering schriftelijk én meervoudig was, zou onder Abu Hurayra ﵁ tot een explosie komen.

In het volgende artikel verlaten wij de individuele perkamenten en stappen wij de leraarskring binnen waar de hadith-wetenschap haar vorm vond. Wij zullen daar zien hoe een man die op de Suffah in de moskee van Medina sliep, in vier jaar het materiaal verzamelde waar duizenden latere geleerden uit zouden putten. En wij zullen zien hoe zijn achthonderd leerlingen, ieder met hun eigen aantekeningen en hun eigen geheugens, de definitieve weerlegging vormden van de bewering dat hadith een laat-tweede-eeuwse uitvinding was.

De geschiedenis van de Hadith is niet de geschiedenis van de mondelinge legende. Het is, vanaf het eerste decennium na de Hijra, de geschiedenis van mannen en vrouwen die wisten dat het Woord van de Boodschapper ﷺ niet aan de wisselvalligheid van het geheugen alleen kon worden toevertrouwd. Abdullah ﵁ schreef in stilte voor zichzelf. Ali ﵁ schreef en droeg het zichtbaar aan zijn zij. Abu Hurayra ﵁ zou een hele generatie schrijvers om zich heen verzamelen. Drie momenten, drie methodes, één doel. Het bewaren van wat de Boodschapper ﷺ had gezegd, in een vorm die de eeuwen zou doorstaan.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).