InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De toestemming van de Profeet ﷺ om Hadith op te schrijven

De Vraag Die Een Eeuw Verdraaide

In de zomer van 1890 publiceerde Ignaz Goldziher in Halle een tweede deel van zijn Muhammedanische Studien, en met dat boek legde hij de grondsteen voor wat een eeuw lang in de westerse universiteit zou doorklinken als de standaardlezing van de Hadith. Zijn stelling was scherp en kort. De Profeet ﷺ, schreef hij, had verboden dat zijn uitspraken werden opgeschreven. Wat de moslims in de tweede en derde eeuw na de Hijra dan ook bezaten aan duizenden overgeleverde tradities, kon onmogelijk teruggaan op de generatie die hem had gekend. De Hadith, zo concludeerde hij, was een latere constructie. Vroom, deels juridisch nuttig, maar historisch niet betrouwbaar.

Een eeuw later, in de banken van een Britse promotie aan de Universiteit van Cambridge, plaatste een Indiase geleerde één enkele vraag tegenover die hele bouwsel. Wat als de bron die Goldziher voor zijn belangrijkste bewijs had aangevoerd, in werkelijkheid het tegendeel zei. Wat als de overlevering die hij citeerde als het verbod van de Profeet ﷺ, in de bronnen zelf onmiddellijk was omgeven door tientallen andere overleveringen die het tegenovergestelde meldden. Wat als de oerlezing zelf scheef stond. Die geleerde was Muhammad Mustafa al-Azami ﵀, en in Studies in Early Hadith Literature legde hij de bouwstenen van Goldzihers stelling één voor één weer terug op tafel, en draaide ze om in het licht.

Het voorgaande deel van deze reeks volgde de Quran. Wij zagen hoe de openbaring in de grot van Hira begon, hoe Zayd ibn Thabit ﵁ en de andere schrijvers van de openbaring de verzen vastlegden op leer en op palmbladsteel, hoe Abu Bakr ﵁ na Yamamah de eerste mus’haf liet samenstellen, hoe Uthman ﵁ de definitieve codificatie tot stand bracht. De Quran was vanaf het eerste vers in vers vier van Soera Al-'Alaq al een geschreven boek aangekondigd. Alladhī 'allama bi-l-qalam. Die onderwezen heeft met de pen.

In dit nieuwe deel openen wij een tweede dossier. Niet meer de openbaring zelf, maar de woorden, daden en stille goedkeuringen van de man aan wie de openbaring werd toevertrouwd. De Sunna van de Profeet ﷺ. De Hadith. En de eerste vraag die ons hier in de weg ligt, is dezelfde vraag die Goldziher in 1890 voor de hele westerse academie heeft opgeworpen: werd dit ooit opgeschreven, in zijn tijd, in zijn aanwezigheid, met zijn toestemming.

Het antwoord, zoals Al-Azami aantoont, is niet alleen ja. Het is een ja dat met zoveel onafhankelijke kanalen wordt geattesteerd dat het tegenovergestelde standpunt zonder de aanname van een latere fabricage van een hele bibliotheek aan tradities niet vol te houden is. De Hadith werd opgeschreven van het begin. Niet door iedereen, niet altijd, niet systematisch. Maar opgeschreven werd zij, in het leven van de Profeet ﷺ zelf, op zijn eigen bevel, soms door zijn eigen dictaat. En op die toestemming, op dat eerste uktub, rust alles wat de eeuwen daarna komen zou.

Goldziher En De Tweede Eeuw

Om te begrijpen wat er op het spel staat in deze openingsvraag, moet men even het kader van de oriëntalist herstellen. Goldziher, en na hem Joseph Schacht, James Robson, en in zekere zin ook A.J. Wensinck en Alphonse Mingana, deelden een werkmethode. Zij wantrouwden de hele Arabische bronnenoverlevering als instrument voor de eerste eeuw. De isnad, de keten van overlevering die de moslimgeleerde gebruikt om elke uitspraak terug te leiden tot zijn oorsprong, was in hun ogen een uitvinding van de tweede eeuw. Daarvoor lag, naar zij meenden, een open zee. Een tijd waarin de gelovigen vrij toeschreven, vrij verzonnen, vrij tradities laten ontstaan om actuele juridische of theologische geschillen te beslechten.

In die lezing kwam het verbod van het schrijven van Hadith hen goed van pas. Als de Profeet ﷺ het schrijven had verboden, dan moest alles wat later op schrift verscheen wel van na hem zijn. En als alles wat later op schrift verscheen van na hem was, dan was er geen schriftelijke controle op wat tussen zijn dood en de tijd van Imam Malik ﵀ in Medina aan de tradities was toegevoegd. De argumentatieve constructie was rond. Het verbod was het scharnier waarop de hele scepsis draaide.

Daarom is het zo cruciaal dat juist hier de bewijsvoering kantelt. Want wanneer Al-Azami de overleveringen op tafel legt, blijkt het verbod niet de uitzonderlijke en algemene verklaring van de Profeet ﷺ te zijn die Goldziher er van heeft gemaakt. Het is een enkele, omstreden uitspraak van Abu Sa’id al-Khudri ﵁, omringd door tientallen overleveringen die het schrijven juist bevelen, toestaan, of als vanzelfsprekend rapporteren. En Abu Sa’id al-Khudri ﵁ zelf, de man die in de overlevering staat als de hoofdverteller van het verbod, schreef later ahadith op met eigen hand.

Geen Arabisch geleerde van naam, schrijft Al-Azami, heeft ooit het verbod als algemeen en blijvend gelezen. Ibn Qutaiba ﵀, Ibn al-Athir ﵀, an-Nawawi ﵀, Ibn Hajar al-Asqalani ﵀, allen behandelen de overlevering binnen een welomschreven context: een tijdelijke voorzorgsmaatregel om verwarring tussen Quran en Hadith op één en hetzelfde blad te voorkomen, opgeheven zodra die voorzorg niet meer nodig was. De Profeet ﷺ kende zijn volk. Hij wist hoe gemakkelijk een aantekening in de marge van een Quranfragment kon worden aangezien voor deel van het Boek zelf. Dat was het probleem, en dat was de oplossing.

Een Volk Dat Schrijven Leerde

Om de toestemming tot schrijven in haar juiste licht te zien, moet men eerst weten hoe de Profeet ﷺ tegen het schrift in het algemeen aankeek. Mekka voor de Hijra was niet de letterloze woestijn die de moderne lezer zich soms voorstelt. Het was een handelsstad, en handel zonder boekhouding bestaat niet. De karavanen naar Yemen en naar Syrië voerden contracten mee, schuldbekentenissen, vrachtbrieven. Ka’b ibn Lu’ay, Abu Sufyan, en de huizen van Banu Makhzum en Banu Abd Shams hielden grootboeken bij die in tekens werden gezet. Wat zeldzaam was, was niet het schrift, maar de wijde verspreiding van de geletterdheid onder gewone burgers en bedoeïenen.

Wat de Profeet ﷺ deed, vanaf de eerste jaren in Medina, was dit beeld geleidelijk verschuiven. Het was hij die Mus’ab ibn Umayr ﵁ ruim voor de Hijra naar Medina stuurde om Quran te onderwijzen en lezen en schrijven te leren aan de jonge ansar. Het was hij die na Badr aan de Mekkaanse krijgsgevangenen die niet konden afkopen, een alternatief bood: ieder die tien jongens van Medina leerde schrijven, was vrij. Onder die jonge leerlingen liep een knaap rond met de naam Zayd ibn Thabit ﵁, en hij zou later de samensteller worden van de mus’haf van Abu Bakr ﵁.

Het was hij die toestond dat in de moskee, naast de bidplaatsen, een afdak werd opgetrokken waar de armste Metgezellen ﵃ konden slapen en leren. De Suffa, zoals het werd genoemd, kende moslims die in lompen liepen maar elke ochtend de pen oppakten. Abu Hurayra ﵁ behoorde tot hen. Hij was de man die later meer hadiths zou overleveren dan welke andere Metgezel ﵁ ook, en hij was ook de man die in drie jaar tijd niets anders deed dan luisteren, opslaan, en in zijn geheugen plooien wat hij hoorde.

Dit is de achtergrond. Een Profeet ﷺ die zijn boodschap in een geletterde stad bracht, die de geletterdheid uitbreidde, die jongeren naar de schrijftafel duwde, die zelf nooit zou schrijven maar die elke nieuwe openbaring liet dicteren aan een Metgezel ﵁ die wel schrijven kon. In die context komt de vraag op die ons artikel draagt. Stond hij toe dat ook zijn eigen woorden, zijn eigen oordelen, zijn eigen handelingen werden vastgelegd op leer en op perkament. Of trok hij voor zichzelf de grens.

De Vraag Van Abdullah Ibn Amr

De jongen die de centrale getuige zou worden in deze hele kwestie, was geen onbekende. Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁ was de zoon van Amr ibn al-As, de latere veroveraar van Egypte, maar hij was zelf eerder moslim geworden dan zijn vader. Zijn geboortejaar wordt door Al-Azami in overeenstemming met de vroege biografen gesteld op 27 voor de Hijra, wat hem op het moment dat de Profeet ﷺ in Medina aankwam ongeveer dertien jaar oud maakte. Hij was geletterd, ongebruikelijk veelzijdig, en hij kende meer dan één taal: het Hebreeuws had hij ergens in zijn jeugd opgepikt, en later, op de jaarmarkt van Yarmuk, zou hij zelfs uit de boeken van de Ahl al-Kitab voorlezen.

Hij had iets dat onder de jonge Metgezellen ﵃ niet zeldzaam was, maar bij hem extra scherp stond: een nieuwsgierigheid die geen rust kende. Hij wilde alles weten wat de Profeet ﷺ zei. Niet alleen de openbaring, want die werd al door anderen opgeschreven. Hij wilde de uitleg, het gesprek, het oordeel, de terloopse opmerking, de glimlach gevolgd door een correctie, het verhaal achter een verhaal. Hij begreep, jong als hij was, dat dit alles ooit voorbij zou zijn. Dat de stem zou ophouden te klinken, en dat wat dan niet was vastgelegd, voorgoed van de scharnieren van het geheugen zou afhangen.

Op een dag, zo geeft Al-Azami weer op gezag van Abu Dawud, ad-Darimi en al-Khatib al-Baghdadi ﵀, kwam hij naar de Profeet ﷺ met een vraag die hij niet langer kon dragen.

Abdullah ibn Amr ﵁: O Boodschapper van Allah ﷻ, mag ik alles wat ik van u hoor opschrijven.

De Profeet ﷺ: Schrijf. Want bij Hem in wiens hand mijn ziel is, er komt niets uit dan waarheid.

Eén zin. Acht woorden in het Arabisch. Maar in die acht woorden ligt het hele theologische fundament van de schriftelijke Hadith. Want let goed op wat de Profeet ﷺ hier toestaat. Niet alleen dat een vers van de openbaring mag worden vastgelegd, want dat was al lang gebruik. Maar dat álles wat van zijn lippen komt, mag worden geschreven, omdat álles wat van zijn lippen komt waarheid is. Het is een verklaring over de aard van de boodschapper, niet alleen over de aard van de boodschap. Het is een aanvaarding van wat later in de Soera An-Najm zou worden geopenbaard, dat hij niet uit eigen begeerte spreekt maar uit een ingeving die hem wordt ingegeven.

De Metgezel ﵁ die naast hen zat, vraagt soms in andere versies door, en wijst op het bezwaar dat in dezelfde kringen circuleerde. Dat de Profeet ﷺ soms in toorn sprak, of in een licht moment, en dat dergelijke uitspraken misschien niet bedoeld waren om als juridische precedent te dienen. Abdullah ibn Amr ﵁ hoorde dit, en kwam terug bij de Profeet ﷺ om de vraag scherper te stellen.

Abdullah ibn Amr ﵁: O Boodschapper van Allah ﷻ, sommige Metgezellen ﵃ zeggen dat ik niet alles moet opschrijven. Soms spreekt u in toorn, soms in tevredenheid.

De Profeet ﷺ: Schrijf. Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, er komt niets uit dan waarheid.

Twee keer dezelfde toestemming. Niet met een voorbehoud, niet met een uitzondering, niet met een lijstje van wat wel en wat niet. Schrijf, want bij Allah ﷻ, er komt niets uit dan waarheid. En Abdullah ibn Amr ﵁ schreef.

Het boek dat hij maakte, droeg een naam die hij zelf koos en die later in de overlevering vast is komen te liggen: as-Sahifa as-Sadiqa, het Waarachtige Blad. Hij droeg het bij zich. Hij las eruit voor aan wie het horen wilde. Hij liet zijn nakomelingen het overschrijven. En hij verklaarde, zoals Al-Azami samenvat uit de overleveringen verzameld bij Ahmad ibn Hanbal ﵀, Sa’d in zijn Tabaqat, en ad-Darimi ﵀, dat er twee dingen waren waaraan hij hield in zijn leven: deze Sahifa, en het stuk land dat de Profeet ﷺ hem als erfdeel had gegeven. Zonder die Sahifa, zei hij ergens, zou er weinig over zijn van wat ik van hem heb gehoord. Het volgende artikel in deze reeks zal aan dit boek zijn gewijd, want zijn weg door de eeuwen, via Hammam ibn Munabbih ﵀ in de Sahifa Hammam, tot in het Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀ en in al-Bukhari ﵀, vormt op zichzelf een eigen verhaal. Hier volstaat de scène waarin het begon. De jongen, de Profeet ﷺ, de vraag, en het ene woord: schrijf.

De Overlevering Die Het Tegendeel Lijkt Te Zeggen

Toch staat er in de boeken van de Hadith, even goed gedocumenteerd, een uitspraak die op het eerste gehoor het tegenovergestelde lijkt te zeggen. Abu Sa’id al-Khudri ﵁ overlevert dat de Profeet ﷺ zei:

Schrijf niets van mij. Wie iets van mij heeft opgeschreven anders dan de Quran, laat hij het uitwissen. Vertel van mij, daar is geen bezwaar in. En wie willens en wetens een leugen over mij vertelt, laat hij zijn plaats in het Vuur opzoeken.

Dit is, in de hele Sahih van Muslim ﵀, de éne overlevering die het verbod expliciet uitspreekt. Goldziher koos haar als zijn uitgangspunt. Hij citeerde haar, hij wees op de overgeleverde keten, hij verklaarde de zaak voor afgedaan. De Profeet ﷺ had het schrijven verboden, en al wat in de tweede eeuw kwam was menselijke uitvinding.

Al-Azami doet wat de oriëntalist verzuimde te doen. Hij plaatst de uitspraak terug in de bibliotheek waaruit zij is gehaald. Hij telt mee wat eromheen staat. En zodra hij dat doet, kantelt het beeld.

Ten eerste: Abu Sa’id al-Khudri ﵁, de overleveraar zelf, schreef hadiths op. Dit staat in Taqyid al-'Ilm van al-Khatib al-Baghdadi ﵀, op gezag van een keten die teruggaat tot de Metgezellen ﵃ zelf. Hij was niet alleen toegestaan, hij deed het. Wanneer studenten hem vroegen of zij van zijn lezingen aantekeningen mochten maken, weigerde hij in het begin in lijn met wat hij van de Profeet ﷺ had gehoord, maar hijzelf transcribeerde. Toen hij later vernam dat Ibn Abbas ﵁ een fatwa had uitgevaardigd die het schrijven goedkeurde, paste hij zijn houding aan, en zei tegen een student: wij zullen het voor jou opschrijven, en dan zal hij deze beslissingen aan niemand kunnen onthouden.

Ten tweede: de overlevering staat geïsoleerd. Tegenover deze ene uitspraak van Abu Sa’id al-Khudri ﵁, registreert Al-Azami tientallen overleveringen die het schrijven van Hadith juist bevelen of toestaan. Het bevel aan Abu Shah de Yemeniet na de Mekkaanse veroveringssermon in 8 AH, waarbij de Profeet ﷺ zei: schrijf het op voor Abu Shah. De brief op het scabbard van Ali ﵁, waarvan zijn zoon Hasan ﵁ later verklaarde dat het zijn vaders eigen handschrift was. Het boekje van Amr ibn Hazm ﵁ over gebed, ablutie, zakat en bloedgelden, dat door de Profeet ﷺ zelf werd gedicteerd toen hij hem als gouverneur naar Najran zond. De Sahifa van Anas ibn Malik ﵁, die later aan zijn zonen zou aanbevelen: zet de kennis vast met het schrift, want wij waarderen de kennis van wie haar niet opgeschreven heeft niet.

Ten derde: de klassieke geleerden lazen de uitspraak nooit als algemeen verbod. Ibn Qutaiba ﵀ in zijn Ta’wil Mukhtalif al-Hadith, an-Nawawi ﵀ in zijn commentaar op Sahih Muslim, al-Khatib al-Baghdadi ﵀ in Taqyid al-'Ilm, Ibn Hajar al-Asqalani ﵀ in Fath al-Bari, allen verklaren de uitspraak op één van twee manieren. Of zij gold voor de vroegste periode, toen de openbaring nog actief neerdaalde en het gevaar van vermenging op één en hetzelfde blad reëel was, en is later opgeheven. Of zij gold voor een specifieke groep Metgezellen ﵃ van wie de Profeet ﷺ wist dat zij niet de zorgvuldigheid hadden om Quran en Hadith op gescheiden bladen te houden, terwijl voor anderen, zoals Abdullah ibn Amr ﵁, de toestemming juist uitdrukkelijk werd gegeven.

Geen klassieke geleerde, schrijft Al-Azami, heeft ooit beweerd dat de Profeet ﷺ blijvend en algemeen het opschrijven van zijn eigen Sunna had verboden. Dat is een uitsluitend modern, uitsluitend westers oordeel, gebouwd op één hadith uit zijn context gehaald, met negering van alle andere getuigenissen die er rondom liggen.

De Werkelijke Reden Voor De Voorzorg

Wat was dan wel de werkelijke aanleiding voor de uitspraak van Abu Sa’id al-Khudri ﵁? Hier hebben de klassieke geleerden, en in hun voetspoor Al-Azami, een verklaring die niet alleen logisch maar ook door andere overleveringen wordt bevestigd. Het ging om vermenging.

In de vroege Mekkaanse periode en in de eerste jaren in Medina daalde de openbaring nog actief neer. Een vers kwam op een ochtend, een vers volgde op een avond, soms in samenhang, soms apart. De Metgezellen ﵃ die schreven, zoals Zayd ibn Thabit ﵁ en Ubayy ibn Ka’b ﵁ en Mu’awiya ibn Abi Sufyan ﵁, hadden tot taak het vers exact op zijn plaats te zetten en niets anders op datzelfde stuk leer of perkament te noteren. Wanneer een nieuwe leerling, vol enthousiasme, in de marge van zijn Quranfragment ook nog een woord van de Profeet ﷺ over hoe het vers moest worden begrepen erbij krabbelde, ontstond een gevaar dat de Profeet ﷺ glashelder voor zich zag. Over twee generaties zou niemand meer weten of de marginalia ook openbaring was. De grenzen tussen Quran en commentaar zouden vervagen, zoals zij in andere godsdienstige tradities waren vervaagd toen mondelinge uitleg in de tekst zelf werd geabsorbeerd.

De Profeet ﷺ kende het voorbeeld. Hij kende de geschiedenis van de Ahl al-Kitab, en hoe in hun bezit van de Schriften de woorden van profeten en de woorden van geleerden in elkaar waren gegroeid tot een onontwarbaar geheel. Hij kende de gevoeligheid van zijn eigen volk voor mondelinge stijl, voor klank en cadans. De Quran moest, omwille van zijn beschermde toekomst, geïsoleerd worden op het blad. Geen aantekening van een mens, hoe vroom en geleerd ook, mocht op hetzelfde fragment komen.

Het verbod van Abu Sa’id al-Khudri ﵁ slaat, volgens deze klassieke uitleg, niet op het opschrijven van Hadith als zodanig, maar op het opschrijven van Hadith op hetzelfde blad als Quran. Wie iets van mij heeft opgeschreven anders dan de Quran, laat hij het uitwissen. De grammaticale constructie laat in het Arabisch beide lezingen toe, en de context van de andere overleveringen dwingt tot de tweede. Niet: schrijf geen Hadith. Maar: schrijf geen Hadith waar de Quran al staat.

Dit verklaart waarom de overlevering door dezelfde Abu Sa’id al-Khudri ﵁ niet werd gevolgd als verbod op transcriptie. Het verklaart waarom zijn collega Abu Hurayra ﵁ tegelijkertijd ahadith uit zijn dictaat liet noteren door Hammam ibn Munabbih ﵀, door Bashir ibn Nahik, door Aqibah ibn Abi al-Hasna en door tientallen anderen. Het verklaart waarom Anas ibn Malik ﵁ zijn studenten aanmoedigde om kennis met de pen te bewaren, en waarom Abdullah ibn Amr ﵁ zijn Sahifa as-Sadiqa als waardevolste bezit naast zijn land koesterde. Allen volgden de werkelijke instructie. Geen vermenging. Aparte rollen, aparte bladen. Quran op zijn eigen perkament, Hadith op zijn eigen perkament.

Op het moment dat de Profeet ﷺ overleed en de openbaring tot stilstand kwam, viel de aanleiding voor de voorzorg weg. Wat nog na hem werd geschreven, was per definitie geen openbaring. Het gevaar van vermenging was, na de codificatie van de mus’haf onder Abu Bakr ﵁ en Uthman ﵁, voorgoed geweken. Daarom, zegt Al-Azami in zijn synthese, opent zich na de eerste generatie de hele bibliotheek van het opgeschreven Hadith zonder verdere reserve. De voorzorg had zijn werk gedaan. De Quran was veilig. De Hadith kon vrij stromen op zijn eigen perkament.

De Brieven Van De Profeet

Wie wil zien hoe vanzelfsprekend het schrift in het leven van de Profeet ﷺ was, hoeft alleen maar de brieven te tellen die hij in zijn tijd in Medina liet uitgaan. Al-Azami verwijst naar het werk van Muhammad Hamidullah, Wathaiq Siyasiyyah, waarin meer dan honderd brieven en officiële documenten van de Profeet ﷺ zijn verzameld uit klassieke bronnen. Dit zijn geen verzonnen latere toeschrijvingen. Het zijn brieven aan koningen, aan stammen, aan gouverneurs, aan individuele Metgezellen ﵃, met inhoud die in vele gevallen door onafhankelijke kanalen wordt bevestigd.

De brief aan Heraclius, de Byzantijnse keizer, in het zevende jaar na de Hijra, opende met de bismillah en bevatte een vers uit Soera Aal Imran. De brief aan Khusraw II, de Sassanidische koning, opende met dezelfde formule. De brief aan de Negus van Abessinië, aan de Muqawqis van Egypte, aan de Banu Tamim, aan de Banu Quraiza, aan elk van de gouverneurs die hij in de laatste jaren van zijn leven uitzond, droeg zegel, schrijfdatum en vaak het zinsdeel: en deze brief is op die en die dag geschreven door die en die.

Onder die brieven valt een bijzondere categorie op. De documenten die niet alleen Quran citeerden, maar Sunna vastlegden. Een prachtig voorbeeld is de brief aan Amr ibn Hazm ﵁, in de latere Medinense periode, toen deze als gouverneur naar Najran werd gestuurd. Het document, dat in zijn geheel is bewaard in onder meer de Sira van Ibn Hisham en in de werken van Ibn Tulun, beslaat enkele pagina’s en behandelt achtereenvolgens: de tijden van gebed, de methode van wudu, de regels voor zakat, de tarieven van bloedgelden voor verschillende soorten verwondingen, de regels voor de buit en voor het hoofdgeld dat de Ahl al-Kitab betaalden.

Dit is, ondubbelzinnig, Hadith op schrift, gedicteerd door de Profeet ﷺ zelf. Een gouverneur kan zijn werk niet doen zonder de gedetailleerde uitleg van wat de openbaring in algemene termen heeft bevolen. Geef de zakat zegt de Quran. Onderhoud het gebed zegt de Quran. Maar hoeveel precies, op welke tijden, met welke bewegingen, dat alles komt uit de Sunna. En de Profeet ﷺ liet die Sunna voor Amr ibn Hazm ﵁ niet in mondelinge instructies, niet in algemene aanwijzingen, maar in een gedetailleerd schriftelijk document.

Vergelijkbare schriftelijke instructies gingen naar Abu Bakr ﵁ in zijn laatste jaar in Medina, voor het tijdens de pelgrimstocht uitspreken van regels over zakat, naar Mu’adh ibn Jabal ﵁ toen deze naar Yemen werd gezonden, naar Khalid ibn al-Walid ﵁ in zijn campagne in het noorden. De Profeet ﷺ wist dat de mondelinge boodschap, hoe goed ook overgebracht, in een land van duizenden kilometers van Medina niet zou volstaan zonder een geschreven referentie. En hij liet die geschreven referentie maken.

Dit ondergraaft elk argument voor een algemeen verbod op het opschrijven van Hadith. Wie zou kunnen volhouden dat de Profeet ﷺ in de moskee van Medina het schrijven van zijn uitspraken zou verbieden, en tegelijk in dezelfde stad zijn klerken liet werken aan brieven die zijn uitspraken in detail vastlegden voor doorzending naar gouverneurs en stammen. De twee zijn niet verenigbaar. En als zij niet verenigbaar zijn, dan moet één van beide onjuist gelezen worden. Het is, zoals Al-Azami stap voor stap aantoont, het verbod dat onjuist is gelezen. De brieven liegen niet.

Het Verdrag Van Hudaybiyya En Het Document Aan Ali

Twee scènes uit het leven van de Profeet ﷺ tonen het schrijven van Hadith zo plastisch dat zij in elke bespreking van deze kwestie hun plek verdienen. De eerste is het Verdrag van Hudaybiyya in het zesde jaar na de Hijra. Quraysh had ingestemd met een wapenstilstand, en in de tent van de Profeet ﷺ werd het document opgesteld. Hij dicteerde. Ali ﵁, of in een andere overlevering de jonge Ibn Mas’ud ﵁, schreef.

Toen de Profeet ﷺ dicteerde dit is wat Muhammad de Boodschapper van Allah ﷻ overeengekomen is met Suhayl ibn Amr, protesteerde Suhayl. Als wij u als Boodschapper van Allah erkenden, zou er geen verdrag nodig zijn. Schrap die titel. Schrijf alleen Muhammad ibn Abdullah. De Profeet ﷺ gaf het bevel aan Ali ﵁ om de woorden uit te wissen. Ali ﵁ weigerde uit liefde, en de Profeet ﷺ nam het document zelf en wiste de regels met zijn eigen hand, hij die nooit had leren lezen of schrijven. Daarna dicteerde hij verder.

In die scène zit alles wat ons hier bezighoudt. Een dictée van de Profeet ﷺ, dat woord voor woord wordt opgeschreven door een Metgezel ﵁. Een onderhandeling waarin elk werkwoord telt. Een correctie, geuit en doorgevoerd. Een hand van de Profeet ﷺ zelf op het document. Niemand zegt: opschrijven mag niet. Niemand zegt: dit is geen Quran en dus moet het mondeling blijven. De vanzelfsprekendheid van het schrift, het feit dat een staatsovereenkomst alleen op perkament rechtskracht heeft, wordt door niemand betwijfeld.

De tweede scène is intiemer. Ali ﵁ droeg, zoals Al-Azami overneemt uit het Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀, een klein perkamentstrookje op het scabbard van zijn zwaard. Daarop stonden, met de hand van de Profeet ﷺ aan hem gedicteerd, uitspraken over de regels van bloedgelden, over de heiligheid van Medina, en over de verhouding tussen moslims onderling. Zijn zoon Hasan ﵁ verklaarde later dat hij dit boekje had gezien, dat het zijn vaders handschrift droeg, en dat de inhoud rechtstreeks van de Profeet ﷺ kwam. Het is de Sahifa van Ali ﵁, en zij wordt in latere generaties geciteerd door Abu Juhaifah ﵁, door Tariq ibn Shihab, door Qais ibn Abbad, door al-Harith ibn Suwaid. Een netwerk van overdragers verspreid over heel de islamitische wereld, allen verwijzend naar één klein document op één scabbard.

Wat Ali ﵁ deed, deed hij in het volle zicht van de moskee. Niemand verwijt het hem. Niemand zegt: u overtreedt het verbod van de Profeet ﷺ. Want het verbod, zoals het in de mond van Goldziher heeft gestaan, bestaat niet in deze vorm. Wat bestaat, is een voorzorg om Quran en Hadith op afzonderlijke bladen te houden. Wat Ali ﵁ op zijn scabbard heeft staan, is geen Quran. Het zijn woorden van de Profeet ﷺ over juridische regels. Die mochten, en die werden, opgeschreven.

Aisha En De Tweede Brief

Een aspect dat in de discussie over schriftelijke Hadith vaak over het hoofd wordt gezien, is de rol van de echtgenotes van de Profeet ﷺ. Aisha ﵂ overlevert verreweg het grootste aantal hadiths van enig vrouwelijke Metgezel ﵂. Al-Azami noteert op gezag van al-Khatib in zijn Taqyid al-'Ilm dat zij kon lezen, hoewel het minder zeker is of zij ook zelf schreef. Maar dat anderen voor haar schreven, en dat zij brieven zond met hadiths daarop, staat vast.

Mu’awiya ﵁, na de dood van Umar ﵁ en Uthman ﵁ als kalief in Damascus, schreef herhaaldelijk aan Aisha ﵂ om bevestigingen van bepaalde hadiths die hij in Medina niet uit eerste hand kon verifiëren. Zij dicteerde haar antwoorden en zond ze hem in schriftelijke vorm. Haar neef Urwah ibn az-Zubayr, een van de vroegste systematische verzamelaars van Sira en Hadith, deed hetzelfde. Hij vroeg, zij antwoordde, hij noteerde.

Aisha ﵂ overlevert ook dat in het scabbard van het zwaard van de Profeet ﷺ na zijn dood twee brieven werden gevonden. Kitaban, een dualis-vorm die zonder twijfel betekent: twee geschreven documenten. De inhoud wordt in de overleveringen verschillend weergegeven, maar het feit van hun bestaan is door meerdere kanalen bewaard. Op het zwaard van de Profeet ﷺ, in zijn eigen huis, lagen na zijn dood geschreven documenten met instructies van hem. Geen mondelinge tradities. Documenten.

Hafsa ﵂, dochter van Umar ﵁, bewaarde na de eerste compilatie van de mus’haf onder Abu Bakr ﵁ het officiële exemplaar, dat zij later op verzoek aan Uthman ﵁ uitleende voor het maken van de definitieve codex. Dit is welbekend uit de geschiedenis van de Quran-compilatie. Wat minder bekend is, is dat zij in haar eigen huis ook hadiths bewaarde die zij of namens haar door anderen waren opgeschreven. Het patroon dat zich aftekent, is duidelijk. In de meest intieme kring rond de Profeet ﷺ, zijn echtgenotes, zijn schoonzonen, zijn neven, waren geschreven documenten aanwezig. Niet als heimelijke overtreding van een verbod, maar als vanzelfsprekend instrument van bewaring.

De Schrijvers Van Mekka

Toen Mekka werd veroverd in 8 AH, hield de Profeet ﷺ in de Ka’bah zelf een toespraak. Hij behandelde de heiligheid van de stad, de afschaffing van de tijdperken van de Jahiliyya, de gelijkheid van alle moslims voor Allah ﷻ, en een aantal juridische regels over bloedgelden en wraak.

Onder de menigte stond een man uit Yemen, Abu Shah, die de woorden van de Profeet ﷺ niet wilde kwijtraken. Hij was van ver gekomen, hij zou kort daarna weer vertrekken, en hij wist dat zijn geheugen niet sterk genoeg was om de hele toespraak te bewaren. Hij wachtte tot de Profeet ﷺ was uitgesproken, en stapte naar voren.

Abu Shah: O Boodschapper van Allah ﷻ, schrijf het voor mij op.

De Profeet ﷺ: Schrijf het op voor Abu Shah.

Het bevel ging uit naar een van de aanwezige Metgezellen ﵃, en de toespraak werd op perkament gezet en aan Abu Shah meegegeven. Dit is geen geheime concessie aan één persoon, geen uitzondering in de stilte. Het gebeurt openlijk, in de Ka’bah, in het bijzijn van honderden moslims. De Profeet ﷺ beveelt het opschrijven van zijn eigen woorden, ten behoeve van een Metgezel ﵁ die hem zonder dat schrift zou zijn ontschoten.

Het zou ongepast zijn niet te wijzen op het gewicht van deze scène. Een bevel van de Profeet ﷺ tot het opschrijven van zijn eigen Hadith, gegeven in de Ka’bah zelf, het meest heilige punt op aarde. Wie kan na deze ene scène nog volhouden dat de Profeet ﷺ blijvend en algemeen het opschrijven van zijn uitspraken zou hebben verboden. De Ka’bah is geen plek voor onbedoelde concessies. Wat daar wordt gezegd, is wet.

De Vele Schrijvers Onder De Metgezellen

Goldziher had één hadith op tafel gelegd. Al-Azami legt er, in de loop van zijn hoofdstuk over de schrijvers van de Companion-generatie, in totaal meer dan vijftig op tafel die het schrijven van Hadith expliciet bevestigen. Wanneer hij in latere hoofdstukken doorvloeit naar de generatie van de Successors en de Volgers, loopt het aantal documenten en verwijzingen op tot in de honderden. Wij geven hier slechts een dwarsdoorsnede, geen volledige inventaris, want het volledige overzicht zou meerdere artikelen vergen.

Abu Bakr ﵁ schreef vijfhonderd ahadith op, die hij later, uit bezorgdheid dat hij zonder bewust te zijn iets onnauwkeurig had opgenomen, weer liet uitwissen. Ad-Dhahabi ﵀ noemt deze beschrijving zelf onbetrouwbaar en betwijfelt dat het ooit zo is gegaan. Maar zelfs de aanname dat het wel zo zou zijn gegaan, bewijst dat hij wel degelijk schreef.

Umar ﵁ overwoog op een bepaald moment om een officiële verzameling van de Sunna te starten, en raadpleegde de Metgezellen ﵃ daarover. Na een maand van overweging besloot hij ervan af te zien, niet omdat hij dacht dat het schrijven verboden was, maar omdat hij vreesde dat een door de staat goedgekeurde codex naast de Quran zou kunnen komen te staan en de aandacht van de Quran zou kunnen aftrekken. Een politieke en pedagogische overweging, geen theologisch verbod.

Anas ibn Malik ﵁ noteerde de hadiths die hij van de Profeet ﷺ had gehoord, las ze hem ter bevestiging voor, en hield ze de rest van zijn leven bij zich. Hij was tien jaar oud toen de Profeet ﷺ in Medina aankwam, en hij diende hem als persoonlijke bediende tot aan zijn dood. Wie hem later bezocht, kreeg de boeken te zien. Hij zei tegen zijn zonen: kennis van wie niet schrijft, telt voor ons niet als kennis.

Abu Hurayra ﵁ leefde slechts drie jaar bij de Profeet ﷺ, en overleverde toch meer hadiths dan elke andere Metgezel ﵁. Hoe kon dat. Het antwoord is in de bronnen die Al-Azami verzamelt: hij dicteerde aan tientallen leerlingen. Hammam ibn Munabbih ﵀ noteerde honderdachtendertig hadiths uit zijn dictée in een Sahifa die in zijn geheel bewaard is gebleven en in moderne tijden door Hamidullah is uitgegeven. Bashir ibn Nahik en Aqibah ibn Abi al-Hasna schreven elk een eigen verzameling onder zijn supervisie. Abd al-Aziz ibn Marwan had bijna al zijn hadiths op schrift. Al-A’mash, weliswaar van een latere generatie, schreef duizend hadiths op uit de keten Abu Salih van Abu Hurayra.

Ibn Abbas ﵁, neef van de Profeet ﷺ, schreef zelf, liet zijn slaven schrijven, en dicteerde aan zijn studenten. Hij bezat onder andere een afschrift van de juridische beslissingen van Ali ﵁. Toen zijn ogen op latere leeftijd verzwakten, lieten zijn leerlingen hem zijn eigen boeken voorlezen. Sommige van die boeken kwamen na zijn dood in handen van zijn dienaar Kuraib, en via hem in handen van Musa ibn Uqba, een van de eerste systematische Sira-schrijvers van de Successor-generatie.

Ibn Umar ﵁, zoon van de tweede kalief, hield de Sunna van de Profeet ﷺ zo nauwkeurig in stand dat hij geen woordverandering toestond zelfs als de betekenis daarmee niet veranderde. Hij bezat de boeken van zijn vader Umar ﵁, die door Nafi’ aan hem werden voorgelezen. Toen een man hem vroeg al zijn hadiths op te schrijven, antwoordde hij: dat is teveel om op te schrijven. Een opmerking, schrijft Al-Azami, die alleen logisch is in de mond van iemand die het opschrijven op zichzelf geenszins ongepast vindt.

Ali ﵁, naast zijn Sahifa op het scabbard, dicteerde juridische beslissingen aan Ibn Abbas ﵁, aan zijn zoon Hasan ﵁ en aan tientallen anderen. Hasan ﵁ adviseerde zijn eigen zonen om de hadiths op te schrijven, en bezat zelf een boek waarover de overleveringen niet helemaal eens zijn of het uitsluitend uit hadiths van zijn vader bestond of ook uit hadiths van andere Metgezellen ﵃.

Aan deze rij kunnen worden toegevoegd Abu Ayyub al-Ansari ﵁, die ahadith aan zijn neef opstuurde; Abu Bakra al-Thaqafi ﵁, die een brief schreef aan zijn zoon de gouverneur van Sijistan met daarin hadiths over rechtspraak; Abu Musa al-Ash’ari ﵁, die wel niet voor het schrijven was maar die door Ibn Abbas ﵁ wel om hadiths werd gevraagd waarop hij ze schriftelijk doorzond; Abu Rafi’ ﵁, die Ibn Abbas ﵁ liet schrijven over de gebruiken van de Profeet ﷺ; Abd Allah ibn Abi Awfa ﵁, wiens dienaar Salim hadiths op vraag schriftelijk doorgaf; Asma’ bint Umais ﵂, die een verzameling ahadith bezat; Fatimah ﵂, dochter van de Profeet ﷺ zelf, die enkele hadiths schreef en in haar laatste maanden ontving via haar vader de bevestiging van de tweemalige Mu’arada van het laatste jaar.

De lijst loopt door. De zorgvuldige lezer van Studies in Early Hadith Literature loopt door honderden namen, en in elk van die namen treft hij een afzonderlijke bevestiging dat in de eerste generatie het schrijven van Hadith niet alleen voorkwam, maar wijdverbreid en onbetwist was. Wie tegenover deze massa nog wil staan op één omstreden hadith uit Abu Sa’id al-Khudri ﵁, doet aan tekstkritiek wat geen rechter in een rechtszaak zou toelaten: één getuige tegen vijftig wegen, en de vijftig negeren.

De Tijdelijkheid Van De Voorzorg

Het laatste element dat in deze openingsanalyse moet worden verhelderd, is de chronologie. Wanneer is het verbod, in welke vorm dan ook, uitgevaardigd, en wanneer is het opgeheven. Al-Azami volgt de klassieke chronologie. De voorzorg om Quran en Hadith op gescheiden bladen te houden, dateert uit de Mekkaanse periode en de vroegste jaren in Medina. Toen de Quran als geheel zijn definitieve vorm naderde en de Metgezellen ﵃ die in de moskee de openbaring noteerden ervaring hadden opgedaan met de strikte scheiding, viel de noodzaak van de oorspronkelijke voorzorg geleidelijk weg.

De uktub-hadith van Abdullah ibn Amr ﵁ wordt door de meeste vroege biografen in de latere Medinense periode geplaatst. De beslissing van de Profeet ﷺ om aan Abu Shah de toespraak op te laten schrijven dateert van 8 AH. De brief aan Amr ibn Hazm ﵁ dateert eveneens uit de latere Medinense periode, in een van de laatste jaren van het leven van de Profeet ﷺ. Het Verdrag van Hudaybiyya is van 6 AH. De Sahifa op het scabbard van Ali ﵁ heeft geen vaste datering maar wordt door de overleveraars in de Medinensische periode geplaatst.

In al deze gevallen kennen wij de richting. Niet van toestemming naar verbod, maar van voorzorg naar wijdverbreid schrift. Tegen het einde van zijn leven was de Profeet ﷺ omringd door schrijvers, door dictées, door brieven, door verdragen, door Sahifa’s. De stilte van zes eeuwen die in de grot van Hira was gebroken, was niet alleen mondeling doorgebroken. Zij was, vers na vers en bevel na bevel, ook in inkt vastgelegd.

Dit is wat Al-Azami tegenover Goldziher op tafel legt, niet als polemische uitval, maar als methodologische restauratie van de bronnen zelf. Lees ze opnieuw. Tel ze opnieuw. Plaats ze in hun werkelijke volgorde. En u zult zien dat de hele constructie die de oriëntalist op één hadith heeft gebouwd, instort onder het gewicht van wat overal eromheen geschreven staat.

Wat Dit Voor De Reeks Betekent

Dit is, zo gezegd, de openingszet van de hele wetenschap van de Hadith. Want zonder de bevestigde toestemming tot het opschrijven van de uitspraken van de Profeet ﷺ valt alles wat daarna komt, weg. Zonder die toestemming zouden de Sahifa van Abdullah ibn Amr ﵁, de Sahifa van Hammam ibn Munabbih ﵀, het boek van Anas ibn Malik ﵁, de bibliotheek van Ibn Abbas ﵁, de juridische dossiers van Ali ﵁, de brief van Amr ibn Hazm ﵁, allen producten van fraude moeten zijn, zorgvuldig achteraf gefabriceerd en in overleveringsketens ingeschoven om een onbestaande praktijk te suggereren. Geen serieuze historische methodologie kan een dergelijke massa-fraude aannemen zonder positief bewijs dat zij heeft plaatsgevonden. En dat positieve bewijs is nooit geleverd.

Aanvaardt men daarentegen wat de bronnen zeggen, dan opent zich een ander beeld. Een Profeet ﷺ die in zijn leven zelf de twee pijlers van de bewaring legt: het geheugen en het schrift. Een gemeenschap die vanaf de eerste dag begint met het noteren van wat zij hoort. Een Quran die op zijn eigen perkament wordt bewaard, vrij van vermenging. Een Sunna die op afzonderlijke bladen begint te groeien, in tientallen huizen tegelijk, van Mekka tot Najran, van Medina tot Damascus.

In het volgende artikel van deze reeks volgen wij één van die bladen door de geschiedenis heen. As-Sahifa as-Sadiqa, het Waarachtige Blad van Abdullah ibn Amr ibn al-As ﵁. Wij zien hoe hij het schreef, hoe hij het bewaarde, hoe hij ervan voorlas. Wij zien hoe zijn kleinzoon Amr ibn Shu’ayb het van hem overnam, hoe het in de tweede en derde eeuw door Hammam ibn Munabbih ﵀ in een eigen Sahifa werd herschapen, hoe het via die weg in het Musnad van Ahmad ibn Hanbal ﵀ en in de Sahihs van al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ uiteindelijk in zijn duizendtallen werd geërfd door de hele islamitische wereld.

Maar dat is voor het volgende artikel. Hier sluiten wij met het ogenblik waarop het hele bouwwerk in beweging kwam. Een jongen, een vraag, een Profeet ﷺ, een bevel.

Schrijf. Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, er komt niets uit dan waarheid.

De pen ging in de inkt. Het perkament lag uitgespreid. De stem die in de grot van Hira was begonnen, vond een tweede vorm. Niet alleen meer in het hart van wie luisterde, maar in de hand van wie schreef. En in die dubbele bewaring, in geheugen en in inkt, ligt het hele geheim van wat de eeuwen daarna nog ongeschonden zou doorgeven wat in Medina was gezegd.

De Hadith werd niet later uitgevonden. Zij werd, vanaf het bevel uktub, opgeschreven. En dat schrijven was niet de uitzondering, het was de regel. Goldziher heeft een eeuw lang anders geleerd. De bronnen, geduldig herlezen, leren iets anders. Wie het schrijven van Hadith tot een latere uitvinding maakt, moet eerst de uktub-hadith uit het bestand verwijderen, en met haar de Sahifa van Abdullah ibn Amr ﵁, en het document op het scabbard van Ali ﵁, en de brief aan Amr ibn Hazm ﵁, en het bevel aan Abu Shah, en de tientallen andere getuigenissen. Wie de oriëntalist tot het einde wil volgen, moet bereid zijn die hele bibliotheek weg te vegen. Wie de bronnen wil eren, kan dat niet.

Het Waarachtige Blad wacht in het volgende artikel. Wij zullen het opensloeg.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).