InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Al-Hajjaj's regionale Mushafs en de beschuldiging van elf woorden

Al-Hajjaj’s regionale Mushafs en de beschuldiging van elf woorden

Vier decennia na de vijf steden

In het vorige artikel hebben wij Abu al-Aswad ad-Du’ali ﵀ gevolgd, de dichter uit Basra die de eerste vocaalpunten in rode inkt boven, onder en naast de letters plaatste, zodat de niet-Arabische lezer de klanken kon vinden die het puntloze rasm nog verzweeg. Zijn stippen raakten de tekst van Uthman ﵁ niet aan; zij zweefden als een dienende tweede laag boven het heilige zwart. Maar het schrift dat hij zo begaanbaar maakte, ging terug op een nog oudere gebeurtenis. Bij de Mushaf die naar de vijf steden reisde, zagen wij hoe Uthman ibn Affan ﵁ in het jaar 25 AH de gestandaardiseerde Mushaf liet kopiëren in een handvol exemplaren en deze door koeriers liet wegbrengen naar Mekka, Kufa, Basra, Damascus en Yemen, met één meester-exemplaar dat in Medina achterbleef. Vijf steden, vijf kopieën, en in elke stad een door de kalief aangewezen lezer die de plaatselijke recitatie voortaan tegen de geschreven referentie kon toetsen; daarmee was het geschreven skelet van de Quran, in het Quraishi-dialect, in vijf hoofdsteden tegelijk publiekelijk geverifieerbaar geworden.

Vier decennia later was die Oemma onherkenbaar gegroeid. De ruiters die in 25 AH vanuit Medina vertrokken hadden in hun zadeltassen één manuscript per provincie meegevoerd, maar tegen het einde van de eerste eeuw AH telden de moskeeën van Irak, Sham en Egypte vele duizenden gelovigen, niet allemaal van Arabische afkomst, niet allemaal opgegroeid met de Quraishi-tong, en niet allemaal in staat de dotloze consonanten van het vroegste Hijazi-schrift zonder leeshulp uit elkaar te houden. Wat in het kleine Medina van Uthman ﵁ als één geschreven referentievorm voor een nog overzichtelijke Oemma had volstaan, vroeg in het uitgebreide Kalifaat van Abd al-Malik ibn Marwan en zijn zonen om een tweede, administratieve operatie: niet om de tekst te veranderen, maar om hem in groter aantal, met betere leesbaarheid, en in meer steden tegelijk beschikbaar te maken.

Die operatie kwam niet uit Medina. Zij kwam uit het Oosten van het Kalifaat, van de gouverneur die daar in deze jaren de feitelijke macht uitoefende, en die naam is de eeuwen door blijven hangen aan een beschuldiging die, ware zij waar geweest, een hele tekstgeschiedenis zou hebben omvergeworpen. Zijn naam was Al-Hajjaj ibn Yusuf ath-Thaqafi, en zijn bijdrage aan de Mushaf bestond, volledig gedocumenteerd, uit het verspreiden van afschriften van de bestaande Uthmaanse tekst naar de steden. Op die nuchtere logistieke daad is later de aantijging geënt dat hij in die afschriften elf woorden van de openbaring zou hebben veranderd. Zij was niet waar. Maar haar weerlegging, juist omdat zij door latere sceptici zo zwaar werd ingezet, is voor het thema van dit artikel onmisbaar.

Wij staan in dit artikel dus voor twee bewegingen tegelijk. De ene is administratief: wat liet Al-Hajjaj feitelijk vervaardigen, en hoe verspreidde hij die kopieën over de provincies. De andere is polemisch: hoe is het verhaal ontstaan dat hij in die kopieën elf woorden van de Uthmaanse tekst zou hebben gewijzigd, op welke overlevering rust dat verhaal, en waarom kunnen wij met grote zekerheid vaststellen dat het niet meer is dan een achteraf-projectie. Al-Azami ﵀ behandelt beide bewegingen in zijn zesde hoofdstuk over de geschiedenis van de Quran-tekst, en zijn weerlegging draait, zoals wij zullen zien, niet om vrome verzekeringen maar om één hard paleografisch feit dat de beschuldiging op slag onmogelijk maakt.

Wie was Al-Hajjaj ibn Yusuf

De man wiens naam in dit artikel centraal staat, was geen Metgezel ﵁, geen geleerde en geen reciteur; hij was, in de meest letterlijke zin van het woord, een bestuurder in een jonge politieke orde die zich nog aan het vormen was rond de Umayyad-dynastie. Hij werd geboren in Ta’if, vermoedelijk rond het jaar 41 AH, in een familie van de Banu Thaqif, en hij maakte zijn opmars onder kalief Abd al-Malik ibn Marwan in de jaren na het einde van de tweede fitna. In 75 AH werd hij benoemd tot gouverneur van Irak, een post die hij twee decennia lang, tot zijn overlijden in 95 AH, in handen hield, en onder de daaropvolgende kalief Walid ibn Abd al-Malik bleef die positie tot het einde van zijn leven onveranderd.

Al-Azami vat de man in enkele woorden samen: een gouverneur van Irak van considerable notoriety, wiens onbuigzame, ijzeren bestuur hem in de kronieken van Irak vele weinig vleiende oordelen bezorgde. Wat dit artikel niet zal doen, is dat portret uitvoerig uitwerken. Zijn militaire campagnes tegen Abdullah ibn az-Zubayr ﵁ in Mekka in 73 AH zijn onder de oemma omstreden tot op de dag van vandaag, en zijn hardvochtige bestuursstijl heeft bij latere geleerden gemengde oordelen opgeleverd, maar dat is niet de zaak die hier moet worden behandeld. De vraag die ons aangaat is uitsluitend tekstueel: wat heeft de gouverneur van Irak, in zijn ambtelijke hoedanigheid, met de Quran-tekst gedaan, en wat heeft hij ermee niet gedaan.

Op één biografisch punt moeten wij echter wel scherp blijven, omdat het straks meeweegt in de weerlegging. Al-Hajjaj was een bestuurder met administratieve doortastendheid. Hij liet in 84 AH op de Tigris, halverwege tussen Kufa en Basra, een nieuwe garnizoensstad bouwen die de naam Wasit kreeg, het Arabisch voor het tussenliggende, omdat zij precies tussen de twee oudere militaire hoofdsteden in lag, en die stad werd zijn residentie en zijn administratieve zenuwcentrum. Zijn bemoeienis met de Quran was geen privé-initiatief; zij droeg de signatuur van een staatszaak, gedekt door Abd al-Malik ibn Marwan in Damascus en voortgezet onder diens zoon Walid ibn Abd al-Malik.

Wat hij wettelijk in handen had, beperkte zich tot Irak en zijn afhankelijke gewesten. Hij was geen kalief, hij regeerde geen rijk, hij was de hoogste gezagdrager in zijn provincie, en toen hij afschriften naar de steden liet zenden, kwamen die exemplaren terecht in een wereld die veel groter was dan zijn eigen ambtsgebied. Juist die geografische beperking is, zoals wij verderop zullen zien, een van de redenen waarom de latere beschuldiging van een tekstwijziging structureel onmogelijk is: wat hij ook aan het Iraakse afschrift had gedaan, buiten Irak lagen de oudere exemplaren die geen gouverneur kon aanraken.

Het kopieerproject van de gouverneur

Wat Al-Hajjaj liet vervaardigen, was geen nieuwe Quran, maar een aanvullende oplage van de bestaande Uthmaanse Quran. Al-Azami tekent zijn optreden hier op in het spoor van Uthman ﵁ zelf: zoals de kalief in 25 AH exemplaren over de provincies had verspreid, zo verspreidde Al-Hajjaj op zijn beurt afschriften van de Quran naar verscheidene steden. De bron die Al-Azami hier aanhaalt, as-Samhudi in navolging van Ibn Zabala, laat weinig ruimte voor twijfel over de aard van de operatie: Al-Hajjaj zond de Quran naar de grote steden, waaronder een groot exemplaar naar Medina, en hij was de eerste die de Mushaf ook naar de kleinere steden liet uitgaan.

Waar de vijf Uthmaanse zendingen van 25 AH de hoofdsteden hadden bereikt, drong de operatie van Al-Hajjaj verder door, tot in de moskeeën van kleinere plaatsen die in de eerste generatie nog geen eigen exemplaar hadden bezeten. Het waarom van die verbreding hoort niet bij theologische verzuchting maar bij koele demografie. Al-Azami wijst, in een voetnoot bij dit bericht, op de reden die de bronnen zelf geven: de moslimbevolking was in het meer dan een halve eeuw tussen de tijd van Uthman ﵁ en die van Al-Hajjaj sterk gegroeid, en die groei had onveranderlijk geleid tot een toegenomen vraag naar Mushafs.

Die groei is niet moeilijk voor te stellen. De vijf oorspronkelijke exemplaren waren, na vier decennia van dagelijks gebruik, in de handen van hun bewaarders versleten; zij waren met de hand geschreven op perkament dat door voortdurende raadpleging zijn randen verloor. Tegelijk was in elke hoofdstad de gemeenschap veelvoudig gegroeid, en waar in 25 AH één moskee met één referentie-exemplaar had volstaan, ontstonden nu secundaire moskeeën waarin een eigen exemplaar wenselijk werd. De vraag naar geschreven Mushafs was, eenvoudig gezegd, groter geworden dan het aanbod uit de eerste oplage, en Al-Hajjaj beschikte over precies de bestuurlijke middelen om die vraag op grote schaal te beantwoorden.

Het patroon is een herhaling, in groter formaat, van wat Uthman ﵁ in 25 AH had gedaan: een centrale autoriteit liet kopieën vervaardigen en zond ze onder gouvernementeel gezag naar de bestemming, met dit verschil dat het bereik nu ruimer was en dat de opdrachtgever ditmaal geen kalief was maar een gouverneur. En juist omdat het een gouverneur betrof en geen commissie van Companions ﵃, is het van belang te onderstrepen dat de tekstuele controle daarmee niet aan ambtenaren werd overgelaten. De skelet-tekst die werd gekopieerd, kwam uit de Uthmaanse moeder-exemplaren; de schrijvers hadden geen vrijheid om af te wijken, want zij kopieerden letter voor letter van een gevalideerde voorlegger.

Wij moeten hier één nuance onderstrepen, omdat zij voor het vervolg cruciaal is. Aan de ontvangende zijde, in elke stad waar een afschrift aankwam, stonden de plaatselijke qurra’ klaar die in hun mondelinge isnad-keten de tekst al kenden voordat het pakket hun handen bereikte. De geschreven kopie kwam niet in een leegte terecht, zij kwam terecht in een gemeenschap die de openbaring uit het hoofd droeg en die elk geschreven exemplaar tegen dat geheugen aflegde. Een schrijver die één letter had veranderd, zou zijn afwijking hebben moeten verantwoorden tegenover mensen die de Boek in hun mond droegen en die het verschil onmiddellijk zouden hebben gehoord. Dat verantwoordingsmechanisme, verspreid over vele steden tegelijk, is, zoals wij verderop zullen zien, het hart van de zaak.

De beschuldiging van elf woorden

De beschuldiging heeft een naam en een keten, en Al-Azami noemt beide zonder omhaal. Zij gaat terug op 'Auf bin Abi Jamila, een overleveraar die leefde van 60 tot 146 AH, en zij is tot ons gekomen via Ibn Abi Dawud, die haar in zijn Kitab al-Masahif optekende. In die overlevering wordt Al-Hajjaj beschuldigd van het wijzigen van de Uthmaanse Mushaf op elf plaatsen, telkens één woord dat, naar de voorstelling van de beschuldiging, door een ander woord zou zijn vervangen.

Voordat wij de lijst zelf bekijken, moeten wij de overleveraar bekijken, want Al-Azami staat er nadrukkelijk bij stil. 'Auf, merkt hij op, mag dan als betrouwbaar te boek staan, hij had daarnaast Shiitische neigingen, en dat is in deze zaak geen bijzaak maar de kern van de context. Wasit, de garnizoensstad die Al-Hajjaj had gesticht, was een van de sterkste steunpunten van de Umayyad-macht, en dus een natuurlijk doelwit voor wie uit de tegenpartij kwam; elk bericht dat uit dat vijandige kamp afkomstig was, moet, zo stelt Al-Azami, met de grootst mogelijke behoedzaamheid worden benaderd. Daar komt een tweede overweging bij die de beschuldiging van binnenuit verzwakt. Mu’awiya ﵁, de eerste Umayyad-heerser, had Ali ﵁ juist onder het voorwendsel van het bloed van Uthman ﵁ bestreden; een Umayyad-gouverneur die de Uthmaanse tekst zou hebben aangetast, zou daarmee de eigen zaak van zijn dynastie hebben geschaad. De beschuldiging veronderstelt dus een handeling die tegen het belang van de beschuldigde zelf indruist, en dat maakt haar, in Al-Azami’s woorden, bijzonder onwaarschijnlijk.

Wij moeten de beschuldiging niettemin eerlijk weergeven voordat wij haar weerleggen. Het beweerde mechanisme is als volgt: Al-Hajjaj zou, gebruikmakend van zijn administratieve controle over het verspreiden van afschriften, in elf specifieke verzen één woord door een ander woord hebben vervangen, met als doel een politiek-religieuze accentverschuiving die zijn dynastie ten goede zou komen. Al-Azami neemt de volledige lijst van elf plaatsen op in een tabel, met in de ene kolom de Uthmaanse lezing en in de andere de beweerde Hajjajiaanse vervanging, opdat de lezer de zaak in haar concrete gestalte voor zich heeft en niet in vage verdachtmaking blijft hangen.

Zo presenteert zich de beschuldiging in haar volle vorm. Zij is, zoals Al-Azami met één beslissend argument aantoont, niet waar, en dat argument is niet retorisch maar grafisch: het ligt in de vorm van het vroegste Arabische schrift zelf, en juist daaraan ontrafelt de aantijging zich.

De weerlegging

De eerste weerlegging: het dotloze skelet

Het zwaarste argument dat Al-Azami tegen de beschuldiging inbrengt, is tegelijk het eenvoudigste, en het rust niet op vroomheid maar op de fysieke gedaante van het vroegste Arabische schrift. Lang voordat 'Auf bin Abi Jamila zijn aantijging tegen Al-Hajjaj uitsprak, hadden geleerden zich reeds over de officiële exemplaren van Uthman ﵁ gebogen en die letter voor letter met elkaar vergeleken; en de varianten die die vroege geleerden bij dat nauwkeurige werk vaststelden, komen niet overeen met de varianten die 'Auf noemt. Dat is het eerste barstje. Het tweede is beslissend.

De Mushafs die Uthman ﵁ had laten vervaardigen, bevatten geen punten. In het vroegste Arabische schrift stond het consonantale skelet, de rasm, kaal op het perkament, zonder de diakritische puntjes die pas later systematisch werden aangebracht om consonanten met dezelfde grondvorm van elkaar te onderscheiden. En, zo benadrukt Al-Azami, zelfs in de tijd van Al-Hajjaj was het gebruik van die punten nog geenszins algemeen. Wie de tabel van elf beweerde wijzigingen nu bekijkt met dit gegeven in gedachten, ziet het probleem meteen: verscheidene van de woorden in die tabel worden, zodra men de punten wegdenkt, volstrekt identiek. Het beweerde oorspronkelijke woord en het beweerde vervangende woord dragen, in het dotloze skelet, precies dezelfde letters op precies dezelfde plaats.

Daarop stelt Al-Azami de vraag die de hele beschuldiging in één zin ontwricht. Hoe zou Al-Hajjaj deze woorden hebben kunnen wijzigen, wanneer de punten afwezig waren en de skeletten precies dezelfde waren. Er valt in een kaal skelet niets te vervangen dat het skelet zelf zou veranderen; het verschil tussen de twee lezingen leeft uitsluitend in de puntjes, en die puntjes stonden er nog niet. De beweerde wijziging is dus niet zozeer onwaarschijnlijk als wel grafisch onmogelijk: zij veronderstelt een handeling aan een laag van het schrift die in Al-Hajjaj’s exemplaren nog niet aanwezig was. Het consonantale skelet, dat wél aanwezig was, is in de Uthmaanse tekst en in de zogenaamd gewijzigde tekst één en hetzelfde.

Daar komt een derde waarneming bij die de beschuldiging haar laatste steunpunt ontneemt. Geen van de elf beweerde wijzigingen raakt de betekenis van de betrokken verzen; ook waar de puntzetting een lezing zou kunnen kleuren, blijft de strekking van het vers dezelfde. Een politiek-religieuze accentverschuiving ten gunste van een dynastie, het motief dat de beschuldiging aan Al-Hajjaj toeschrijft, is in deze elf plaatsen nergens terug te vinden, want er verschuift eenvoudig geen betekenis. Al-Azami trekt hieruit de conclusie die na dit alles vanzelf spreekt: de beschuldiging zelf is baseless, zonder grond.

De tweede weerlegging: het zwijgen van de gemeenschap

Stel, voor de duur van één denkstap, dat de aantijging tóch enige grond had gehad, en dat Al-Hajjaj werkelijk de Uthmaanse tekst zelf had aangetast. Wat zou er dan zijn gebeurd. Al-Azami beantwoordt die tegenfeitelijke vraag met een argument dat, juist omdat het op het gedrag van hele gemeenschappen berust, moeilijk te ontwijken valt. Had Al-Hajjaj enige wijziging aangebracht in de werkelijke Uthmaanse Mushaf, dan zou noch de moslimgemeenschap noch de gevestigde macht daarover hebben gezwegen. En de Abbasiden, die de Umayyad-dynastie als opvolgers verdrongen en er alle politiek belang bij hadden om hun voorgangers in diskrediet te brengen, zouden zo’n daad ten volle hebben uitgebuit.

Dat laatste weegt zwaar, en het loont de moeite het uit te vouwen. De Abbasiden hebben, toen zij eenmaal aan de macht waren, de nagedachtenis van de Umayyaden op talloze manieren zwartgemaakt; zij groeven elke misstand op die het oude regime in een kwaad daglicht kon stellen. Een Umayyad-gouverneur die de heilige tekst van de Islam had durven vervalsen, zou voor hun propaganda een geschenk uit de hemel zijn geweest, een verwijt dat zij van elke minbar hadden kunnen laten klinken. Dat zij dit verwijt nooit hebben gemaakt, dat de tekstuele kwestie in hun uitgebreide anti-Umayyad-literatuur ontbreekt, is niet zomaar een leemte. Het is het zwijgen van precies die partij die het hardst zou hebben geschreeuwd als er iets te schreeuwen was geweest.

Voeg daaraan toe het zwijgen van de gemeenschap zelf. In elke stad waar een afschrift van Al-Hajjaj aankwam, lag ofwel een Uthmaans moeder-exemplaar uit 25 AH, ofwel een afgeleide kopie die in een ononderbroken keten op zo’n moeder-exemplaar teruggreep, en overal stonden de qurra’ die de tekst uit het hoofd kenden en haar dagelijks reciteerden, niet uit de nieuwe kopie maar uit hun eigen geheugen en hun reeds aanwezige voorgangers. Op het moment dat een nieuw afschrift naast een ouder exemplaar werd gelegd en op elf plaatsen een andere lezing had vertoond, zou het verschil binnen één zitting van reciteurs aan het licht zijn gekomen, en zou er een protest, een briefwisseling, een correctief proces op gang zijn gekomen zoals dat ook onder Uthman ﵁ tussen Hudayfah ﵁ en Medina was verlopen. De geschiedschrijving van de eerste twee eeuwen AH zou zo’n breuk hebben opgetekend met dezelfde nauwkeurigheid waarmee zij elke andere bestuurlijk-religieuze episode heeft vastgelegd. Niets daarvan is er, en die stilte, gedragen door zowel de vijandige machthebbers als de wakende gemeenschap, is in de historische methodologie het zwaarste bewijs dat de veronderstelde afwijking eenvoudig niet heeft bestaan.

De derde weerlegging: wat het toezicht werkelijk inhield

Er is nog een bericht dat Al-Azami aandraagt, en het is verhelderend omdat het de ware aard van Al-Hajjaj’s bemoeienis met de exemplaren laat zien. Op gezag van een rapport van Asim al-Jahdari ﵀ wordt overgeleverd dat Al-Hajjaj hem, samen met Najiya ibn Rumh ﵀ en ‘Ali ibn Asma’ ﵀, aanstelde om de Mushafs te onderzoeken, met de bedoeling elk exemplaar dat van de Mushaf van Uthman ﵁ afweek te verscheuren; de eigenaar van zo’n afwijkend exemplaar werd daarvoor met zestig dirham gecompenseerd.

De betekenis van dit bericht staat haaks op de beschuldiging. Al-Hajjaj bracht geen afwijkingen in de tekst aan; hij liet afwijkingen juist uit de omloop verwijderen, om de Uthmaanse lezing te beschermen. Zijn drie aangestelden, Asim al-Jahdari ﵀, Najiya ibn Rumh ﵀ en ‘Ali ibn Asma’ ﵀, waren geen vervalsers maar controleurs, aangesteld om exemplaren die van de standaard afweken op te sporen en te vernietigen, en om de eigenaars niet te benadelen maar te vergoeden. Wie deze rol zuiver leest, ziet een bestuurder die de Uthmaanse tekst met bestuurlijke middelen handhaafde, precies het tegendeel van wat 'Auf hem verwijt.

Juist in dat handhavingsproces ligt, zo suggereert Al-Azami in navolging van Ibn Qutayba, een aanknopingspunt voor een alternatieve verklaring van hoe het misverstand kon ontstaan. Enkele afwijkende exemplaren ontsnapten aan volledige vernietiging doordat men ze niet verscheurde maar corrigeerde, door de inkt op de afwijkende plek uit te wissen en de correcte lezing er met een verse pen overheen te schrijven. Wie zo’n gecorrigeerd blad later onder ogen kreeg, zonder de toedracht te kennen, kon in de uitwissing en de herschrijving ten onrechte de hand van Al-Hajjaj lezen als een poging tot verandering van de Quran, terwijl het in werkelijkheid een terugbrenging naar de Uthmaanse standaard was. Wat de beschuldiging als wijziging voorstelt, is in de kern het spoor van een correctie in de tegenovergestelde richting.

Wat Al-Hajjaj wèl heeft gedaan

Tot zover de bescherming van wat hij niet heeft gedaan. Het is verhelderend om daar tegenover te zetten wat hij wel deed, want zijn werkelijke bijdrage aan de Mushaf is in de bronnen goed gedocumenteerd en zij ligt geheel op het administratieve vlak. Zij was tweeledig. In de eerste plaats liet hij, zoals wij zagen, afschriften van de Uthmaanse tekst naar de steden zenden en handhaafde hij die tekst door afwijkende exemplaren te laten opsporen en vernietigen; in de tweede plaats gaf hij, uit een soort bestuurlijke nieuwsgierigheid, opdracht tot een nauwkeurige inventarisatie van de tekst die hij verspreidde.

Dat laatste bericht is te aardig om over te slaan, en Al-Azami tekent het met genoegen op. Al-Hajjaj riep, aldus Abu Muhammad al-Himmani, eens de huffaz bijeen, degenen die de Quran uit het hoofd kenden, en nam plaats te midden van hen, want hij rekende zich tot die groep. Hij droeg hun op het aantal tekens in de Quran te tellen, en toen zij klaar waren, kwamen zij eenparig uit op het ronde getal van 340.750 tekens. Zijn nieuwsgierigheid was daarmee nog niet gestild; hij wilde weten op welk punt precies de helft van de Quran viel, en waar elk zevende deel begon, en de tellers zochten het antwoord tot in het vers en de letter. Al-Himmani vermeldt dat Al-Hajjaj de vorderingen van de commissie elke avond volgde, en dat de hele onderneming vier maanden vergde.

Het is de moeite waard even stil te staan bij wat dit bericht laat zien. Een gouverneur die de tekst had willen vervalsen, zou het laatste zijn geweest wat men verwacht: hij zou de tekst niet openlijk tot op de letter laten natellen door een voltallige commissie van geheugendragers, want elke telling is een collatie, en elke collatie zou een wijziging aan het licht hebben gebracht. Dat Al-Hajjaj juist die telling liet uitvoeren, avond na avond, vier maanden lang, in het gezelschap van mensen die de Boek woord voor woord uit het hoofd kenden, is op zichzelf al een bewijs dat hij niets te verbergen had. Al-Azami merkt op dat, hoewel wij de precieze telmethode van Al-Hajjaj’s commissie niet meer kennen, het feit dat hun uitkomst zo dicht bij de moderne telling ligt, aantoont dat die vier maanden van nauwgezet tellen werkelijk hebben plaatsgevonden.

Wat Al-Hajjaj dus deed, laat zich in een enkele lijn samenvatten: hij vermenigvuldigde de Uthmaanse tekst, hij verspreidde die, hij handhaafde die tegen afwijking, en hij liet die tot op de letter natellen. Geen van die vier handelingen raakt de tekst; alle vier bevestigen haar. De historische geheugenketen heeft, waar zij Al-Hajjaj met een tekstwijziging in verband bracht, precies het tegenovergestelde omgekeerd van wat de bronnen laten zien.

Op één punt is bovendien een misverstand denkbaar dat het waard is te benoemen, want het verklaart hoe uit een onschuldige ontwikkeling een beschuldiging kon groeien. In de eeuw waarin Al-Hajjaj leefde, was het schrift nog in beweging. Bij de eerste punten van Abu al-Aswad ﵀ hebben wij zijn werk in Basra onder Ali ibn Abi Talib ﵁ gevolgd, waarmee de eerste vocaalpunten werden geïntroduceerd, en verderop in deze reeks lopen wij door tot Khalil ibn Ahmad ﵀, die in de tweede eeuw AH het diakritische systeem in zijn rijpe vorm zou geven. Tussen die twee mannen in werden de consonant-onderscheidende punten en de vocaalmerken geleidelijk gemeengoed, aanvankelijk spaarzaam, later stelselmatig. Zo’n toegevoegd punt is geen ingreep in de openbaring; het is een leeshulp, een teken dat aan de bestaande consonant wordt toegevoegd opdat een lezer die niet in het Hijazi-schrift was opgevoed de juiste medeklinker van zijn fonetisch gelijke buur kan onderscheiden. Een Mushaf met punten en een Mushaf zonder punten dragen dezelfde Quran; wie de tekst uit het hoofd kent, kan de punten in gedachten weglaten en het kale skelet lezen alsof het voor hem ligt.

Juist daarin schuilt, naar alle waarschijnlijkheid, de vergissing waaruit de latere polemiek is gegroeid. Wie in een latere eeuw, zonder kennis van de eerste-eeuwse paleografie, een exemplaar uit deze overgangstijd naast een ouder, kaal Hijazi-exemplaar legde, kon de toegevoegde punten en merken aanzien voor veranderingen aan de tekst zelf, terwijl zij niets anders waren dan een leeshulp aan de buitenkant van het skelet. Waar dat misverstand samenviel met het bericht over de uitgewiste en herschreven correctie-exemplaren, en met een overleveraar die uit een de Umayyaden vijandige hoek kwam, was de bodem gelegd waarop de aantijging van elf gewijzigde woorden kon opschieten. Zij bleef, ook toen, een misverstand; het skelet was op geen van de elf plaatsen aangeraakt.

Wat dit betekent voor de tekstgeschiedenis

Wat aan de oppervlakte een polemische episode lijkt, is bij nader inzien een testcase voor de robuustheid van de Quranische overlevering als geheel. Drie observaties tezamen dragen die conclusie.

De eerste observatie is dat de Oemma haar eigen tekst op een manier controleerde die geen vorst, hoe machtig ook, kon ontwijken. Al-Hajjaj was in zijn provincie een van de meest gevreesde gouverneurs van de eerste eeuw AH; hij beschikte over politieke macht, militaire middelen, administratieve infrastructuur en schrijvers-ateliers in zijn eigen residentie. Als één man in die eeuw in de positie was om een tekstuele wijziging door te drukken, was hij het. Dat hij het niet heeft gedaan, niet omdat hij niet kon maar omdat de gemeenschapscontrole de wijziging onmiddellijk zou hebben gerapporteerd, illustreert waar de tekstuele zekerheid werkelijk berust. Zij ligt niet bij een politieke autoriteit; zij ligt bij een collectief geheugen dat over vele steden tegelijk de tekst draagt, en dat op elke afwijking binnen één generatie zou hebben gereageerd. Het feit dat de meest gevreesde gouverneur van zijn tijd de tekst niet kon aanraken zonder ontdekt te worden, zegt meer over de kracht van de overlevering dan enige theologische verzekering zou kunnen.

De tweede observatie is dat het verspreidingsproject zelf, ironisch genoeg, de tekstuele eenheid niet heeft verzwakt maar heeft versterkt. Door in vele afschriften de Uthmaanse skelet-tekst niet alleen over de oude hoofdsteden maar ook over de kleinere steden te verspreiden, breidde Al-Hajjaj de kring van plaatsen uit waar de tekst onderling verifieerbaar was. Waar in 25 AH een handvol exemplaren over een handvol hoofdsteden had gewaakt, lag er nu een dichter net van parallelle kopieën, en elk nieuw exemplaar kon tegen meer voorgangers worden afgemeten dan in de tijd van Uthman ﵁ mogelijk was geweest. Dat heeft de kans op een onopgemerkte ingreep niet verkleind maar reëel onmogelijk gemaakt: hoe meer parallelle getuigen, hoe minder ruimte voor een stille afwijking.

De derde observatie betreft het paleografische spoor dat de eeuwen ons hebben nagelaten. Al-Azami bespreekt in ditzelfde hoofdstuk een van de oudste bewaarde exemplaren, de Mushaf in het Topkapi Sarayi te Istanbul, nummer 44, waarvan sommige aantekeningen suggereren dat hij nog in de eerste eeuw AH werd geschreven; hij weegt de dateringsdiscussie zorgvuldig en acht de twijfel aan die vroege datering ongegrond. Verderop in deze reeks komen daarnaast de Sana’a-manuscripten aan de orde, waarvan de oudste laag eveneens in de eerste eeuw AH wordt geplaatst, en de Topkapi-codex, waarop wij dan uitvoeriger ingaan. Wat deze vroege getuigen met elkaar en met de huidige Mushaf gemeen hebben, is hun consonantale skelet: op de spaarzame orthografische bijzonderheden na dragen zij dezelfde rasm die vandaag in elke gedrukte Quran staat. En juist dat skelet is de laag waarin de elf beweerde wijzigingen zouden moeten leven; dat het over de eeuwen en over de continenten heen onveranderd is gebleven, is de tastbare tegenhanger van het argument dat in het dotloze schrift die wijzigingen nooit hebben kunnen bestaan.

Eén Quranisch vers vat het beginsel waaronder dit alles staat samen. Het is niet het vers uit Soera al-Hijr 15:9, dat in eerdere artikelen al de garantie van bewaring heeft uitgesproken; hier past beter het anker uit Soera Fussilat, waarin Allah ﷻ haar onaanraakbaarheid in de tijd zelf bevestigt.

لَّا يَأْتِيهِ ٱلْبَـٰطِلُ مِنۢ بَيْنِ يَدَيْهِ وَلَا مِنْ خَلْفِهِۦ ۖ تَنزِيلٌ مِّنْ حَكِيمٍ حَمِيدٍ

"Geen valsheid kan haar van voor noch van achter benaderen. Een neerzending van een Alwijze, een Geprezene."

Soera Fussilat 41:42

Van voor noch van achter. De zinsnede heeft in de exegese altijd zowel een chronologische als een ruimtelijke lezing meegekregen: geen valsheid kan haar in haar oorspronkelijke openbaring binnenkomen, en geen valsheid kan haar in haar latere overlevering insluipen. De Al-Hajjaj-episode, in de manier waarop zij in dit artikel uiteenvalt, is een historische illustratie van het tweede deel van die uitspraak. Een politieke autoriteit op het hoogtepunt van haar macht, met administratieve middelen tot haar beschikking en met een schrijvers-atelier binnen bereik, was niet in staat de tekst in elf woorden te wijzigen, en zelfs de aantijging dat zij het wel had gedaan, kon de feitelijke continuïteit van de tekst niet aantasten. Zij bleef, van voor noch van achter, onaangeraakt.

Vooruitkijken naar Khalil ibn Ahmad

Toen Al-Hajjaj in 95 AH overleed, had zijn bijdrage aan de Mushaf de Uthmaanse tekst in nieuwe afschriften over de grote en de kleinere steden van het kalifaat verspreid en tot op de letter laten inventariseren. Wat hij had gehandhaafd, was het geschreven skelet; wat in de eeuwen na hem nog om verfijning vroeg, was de leeshulp die binnen dat skelet moest groeien. De rode vocaalpunten van Abu al-Aswad ﵀ en de eerste zwarte consonantpunten die in Al-Hajjaj’s eigen eeuw geleidelijk gemeengoed werden, dienden de lezer al, maar zij vormden nog geen sluitend en elegant geheel. De geschreven zekerheid stond; het diakritische apparaat wachtte nog op zijn rijpe vorm.

Die rijpe vorm wachtte op een geleerde uit Basra, in de tweede eeuw AH. Zijn naam was al-Khalil ibn Ahmad al-Farahidi ﵀, en zijn werk was de vervolmaking van het hele stelsel van leestekens, zodat de klinkers en de consonant-onderscheidende punten elkaar niet langer konden kruisen en het rasm van Uthman ﵁ onaangeraakt onder de nieuwe laag bleef liggen. Wat in dit artikel over de administratieve verspreiding en handhaving van de geschreven tekst is verteld, krijgt bij Khalil ibn Ahmad ﵀, verderop in deze reeks, zijn technische voltooiing: de skelet-zekerheid die de kopieën van Al-Hajjaj en de Uthmaanse moeder-exemplaren samen droegen, werd door al-Khalil ﵀ voorzien van een leessysteem dat tot op vandaag in elke Mushaf ter wereld zichtbaar is.

Wat tussen de verspreiding onder Al-Hajjaj en de vervolmaking van het diakritische systeem ligt, is geen breuk maar een doorgaande lijn. De Oemma heeft, met de middelen van haar eigen geheugen en haar eigen isnad-discipline, één Boek bewaard tegen elke poging tot ingreep, en de aantijging van elf gewijzigde woorden is, in die lange lijn bekeken, niet meer dan een voetnoot waarvan de weerlegging in de bronnen zelf besloten ligt. De feiten staan in het dotloze skelet dat geen wijziging kon dragen, in de vroege manuscripten van Sana’a en Istanbul, in de qira’at-ketens van Basra en Kufa, in het zwijgen van de Abbasiden die geen misstand hadden om aan te wijzen, en in de mond van elke moslim die vandaag, in welke ahruf-modaliteit ook, dezelfde openbaring reciteert die in 25 AH in vijf steden tegelijk werd vastgelegd en die onder Al-Hajjaj over vele steden meer werd verspreid.

Geen valsheid kan haar van voor noch van achter benaderen. Op de elf veronderstelde plaatsen, en op elke andere plaats in de geschreven of mondelinge overlevering, dragen de bronnen ditzelfde getuigenis. Wat in de eerste eeuw AH onder een gevreesde gouverneur grafisch onmogelijk bleek en door geen tijdgenoot werd opgemerkt, is in elke eeuw daarna eveneens onmogelijk gebleven.

واللّٰه أعلم

Sources

Al-Azami, The History of The Qur’anic Text, pp. 67–206.