De zeven ahruf: Umar ﵁ en Hisham ﵁ aan de moskee
Eén skelet, vele monden
In het vorige artikel hebben wij de schrijvers van de Profeet ﷺ aan het werk gezien, van perkament tot schouderblad tot palmstam, tot aan het einde van zijn leven de openbaring in geschreven vorm in tientallen huizen van Medina verspreid lag. Wij zagen hoe elk vers werd gedicteerd, geplaatst en teruggelezen, en hoe zo één geschreven skelet-tekst ontstond die door tientallen handen tegelijk was vastgelegd.
Dat geschreven skelet is een zekerheid die wij in dit artikel moeten verbreden, niet vernauwen. Want naast die ene geschreven skelet-tekst leefden, vanaf diezelfde eerste jaren in Medina, meerdere geoorloofde mondelinge recitaties van diezelfde Quran naast elkaar. Niet als verschillende boeken. Niet als rivaliserende edities. Maar als verschillende, door de Profeet ﷺ zelf vergunde, manieren om hetzelfde vers in de mond te leggen. Het beginsel waaronder zij stonden, droeg een naam die de oemma vanaf het Profetisch tijdperk in haar geheugen heeft bewaard. Het heette de zeven ahruf.
Wij keren in dit artikel terug naar Medina, naar een ochtend in de moskee waarop een man die Umar ibn al-Khattab ﵁ heet een andere man hoort reciteren in een vorm die hij niet herkent. De scène zelf is kort, maar de gevolgtrekkingen die zij afdwingt dragen de hele rest van de tekstgeschiedenis van de Quran. Zonder de ahruf-vergunning was de openbaring gebonden gebleven aan één enkele dialectische tong, en had geen gelovige buiten die tong het Boek in zijn eigen mond kunnen leggen zonder eerst zijn spraak te verloochenen. Zonder die vergunning was er ook geen Hudayfah ﵁ geweest die decennia later vanaf het front naar Medina zou komen aanrijden met de alarmkreet die tot Uthman’s ﵁ standaardisatie zou leiden, en waarop wij verderop in deze reeks terugkomen, want er was dan nooit een meervoudige recitatie-praktijk geweest om over te alarmeren. Wat hier wordt gevergund, is de ruimte waarin alles wat daarna komt zich heeft afgespeeld, en het is een vergunning die niet uit de mond van een geleerde of een kalief opsteeg, maar uit de mond van de Profeet ﷺ zelf.
De scène in de moskee
De overlevering komt uit de mond van Umar ﵁ zelf. Al-Azami ﵀ vermeldt haar in zijn elfde hoofdstuk in de beknoptste vorm: Umar ﵁ en Hisham ﵁ verschilden over een vers uit Soera al-Furqan, Umar ﵁ vroeg Hisham ﵁ wie hem die passage had geleerd, en Hisham ﵁ antwoordde: de Profeet ﷺ. Dat is alles wat het hoofdstuk over de tekstgeschiedenis van de zaak nodig heeft, en al-Azami verwijst daarvoor naar al-Bukhari ﵀ in de sectie Fada’il al-Qur’an en naar Muslim ﵀ in de sectie Salat al-Musafireen. De volledige, uitvoerige weergave van het tafereel, met de recitatie in de gebedszaal, het grijpen van het kleed en de dubbele bekrachtiging door de Profeet ﷺ, staat niet in dat beknopte hoofdstuk. Zij leeft in de bredere klassieke overlevering zelf, en wel in de langere versie die al-Bukhari ﵀ in zijn Sahih heeft opgetekend in Fada’il al-Qur’an, met parallelle ketens in de secties Khusumat en Bad’ al-Khalq, naast de aparte keten van Muslim ﵀. Een hadith met deze graad van meervoudige isnad-bevestiging is in de hadith-wetenschap van het hoogste kaliber. Wat in deze paragrafen volgt, is die volledige overlevering, geput uit haar klassieke bron, en wat wij daarmee met zekerheid weten.
Umar ibn al-Khattab ﵁ was in de moskee aanwezig, nog tijdens het leven van de Profeet ﷺ, en al geeft de overlevering geen exacte datum, zij situeert het tafereel onmiskenbaar in de Medinese periode, vermoedelijk in de latere jaren, toen Hisham ibn Hakim ﵁ inmiddels in Medina als gelovige Metgezel ﵁ leefde. Juist dat maakt de scène zo veelzeggend, want Hisham ﵁ was geen voor de hand liggende bron van een vreemde recitatie: hij stamde uit een gegoede Quraish-familie, was de zoon van Hakim ibn Hizam ﵁ en bij de verovering van Mekka tot de Islam gekomen, zodat hij niet uit een verafgelegen stam of streek kwam maar even Quraishi van afkomst was als Umar ﵁ zelf. Wat Umar ﵁ die ochtend hoorde, kwam dus niet uit een vreemde tong die men gemakkelijk had kunnen wantrouwen, maar uit de mond van een man van zijn eigen stad en zijn eigen stam.
Umar ﵁ hoorde hem reciteren. Wat Hisham ﵁ in zijn mond nam, was Soera al-Furqan, het hoofdstuk dat begint met een verklaring over het Onderscheid dat Allah ﷻ aan Zijn dienaar had neergezonden. Soera al-Furqan is een van de Mekkaanse soera’s waarvan Umar ﵁ in zijn lange jaren in de aanwezigheid van de Profeet ﷺ vele recitaties had gehoord. Hij kende de soera. Hij kende de woordvolgorde. Hij kende de klanken waarin de Profeet ﷺ haar had voorgedragen.
En precies hier kwam de schok, want Hisham ﵁ reciteerde de soera niet in de vorm die Umar ﵁ van de Profeet ﷺ had gehoord. Op meerdere plekken, zo zegt de overlevering, kwamen er klanken en woorden voor die Umar ﵁ niet kende, en dat waren geen schreeuwende afwijking, geen omgekeerde betekenis, geen vervalsing van de inhoud, maar andere modi, andere vocalisaties, een ander register, in een passage die Umar ﵁ in zijn geheugen op een andere manier had verankerd.
Hier komt het temperament van Umar ﵁ in beeld, want de Profeet ﷺ zelf had ooit gezegd dat wanneer de duivel Umar ﵁ op één weg zag lopen, hij voor de zekerheid een andere weg koos. Umar ﵁ was niet de man die in stilte een vraag koesterde, en evenmin de man die zich zwijgend bij een onbekende variant neerlegde en thuis bij zichzelf bedacht hoe hij die kon plaatsen. Wat hij hoorde was voor hem geen abstractie, maar de Boek van Allah ﷻ in de mond van een Metgezel ﵁, in een vorm die hij niet uit de Profeet ﷺ kende, en dat liet hij niet liggen.
Hij wachtte tot Hisham ﵁ klaar was met zijn voordracht, tot het taslim was uitgesproken en de gebedshandeling was afgesloten, en wat hij vervolgens deed is in de bredere overlevering met fysieke precisie vastgelegd. Hij liep op Hisham ﵁ af, greep hem bij het kleed dat over zijn schouder hing, en sleepte hem mee uit de moskee de straat op. Er was geen ruzie in de gebedszaal zelf en geen onderbreking van de aanwezige gemeenschap, wel een ondubbelzinnig, lichamelijk arrest van een Metgezel ﵁ door een andere Metgezel ﵁, in het volle zicht van wie er nog aan het wegtrekken was.
Tussen de moskee en het huis waarin de Profeet ﷺ zich bevond, lagen slechts een paar minuten lopen. Umar ﵁ overbrugde die afstand met Hisham ﵁ in zijn greep. De fysieke verontwaardiging van de man die de straat over werd geleid, en de fysieke vastberadenheid van de man die hem leidde, vormden het kortste mogelijke voorspel tot wat aan de andere kant van de drempel volgde.
De Profeet ﷺ ontving hen, en wat tussen die drie mannen werd uitgewisseld is door Umar ﵁ zelf later in detail naverteld, omdat hij niet wilde dat de oemma de scène in een vluchtige samenvatting zou bewaren maar in haar precieze bewoordingen. Op zijn aandringen is de hadith in vrijwel verbatim vorm in de canonieke verzamelingen van al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ terechtgekomen, en wij geven haar hier weer in de Nederlandse weergave die zo dicht mogelijk bij de Bukhari-formulering blijft.
Umar ﵁: O Boodschapper van Allah ﷻ, ik heb deze man Soera al-Furqan horen reciteren op een wijze die ú mij niet heeft geleerd. Ik wachtte tot hij klaar was, en toen heb ik hem bij zijn kleed gegrepen en hierheen gebracht.
De Profeet ﷺ: Laat hem los. Reciteer, Hisham.
De Profeet ﷺ: Zo werd zij geopenbaard.
De Profeet ﷺ: Reciteer jij nu, Umar.
De Profeet ﷺ: Zo werd zij ook geopenbaard. Deze Quran is in zeven ahruf neergedaald. Reciteer dus wat van haar voor jullie gemakkelijk is.
Bij dit fragment moeten wij een aantal dingen langzaam aflopen, want in zijn beknoptheid draagt het de hele theologie van de zeven ahruf.
De Profeet ﷺ neemt geen partij in de zin die Umar ﵁ verwachtte, want hij ondervraagt Hisham ﵁ niet over een vermeende fout en hij betuttelt Umar ﵁ evenmin over diens drift. Hij doet één enkele beweging: hij vraagt beide mannen om hun lezing in zijn aanwezigheid te herhalen, eerst Hisham ﵁ en dan Umar ﵁, en achter beide voordrachten zet hij precies hetzelfde zegel. Zo werd zij geopenbaard. Niet zo mag het ook, niet zo is het toegestaan binnen de marge, niet zo is het in de Quraishi-tong gangbaar, maar tweemaal, in volstrekt identieke bewoordingen: zo werd zij geopenbaard. Beide recitaties komen, naar het getuigenis van de Profeet ﷺ zelf, rechtstreeks uit de openbaring, en geen van beide staat een trede lager dan de andere.
Pas daarna volgt de uitleg, en zij is geen academische definitie en geen lijst van zeven dialecten, maar een eenvoudige mededeling van een goddelijke concessie met een praktische instructie tot afsluiting. Deze Quran is in zeven ahruf neergedaald. Reciteer dus wat van haar voor jullie gemakkelijk is. Leg in je mond wat je in je mond kunt leggen, luidt de strekking, want de tekst is ruim genoeg gegeven om voor verschillende monden geschikt te zijn.
Umar ﵁ heeft, naar zijn eigen latere getuigenis, op dat moment iets begrepen wat hij niet eerder had begrepen. Hij was, om zijn eigen woorden te benaderen, een man die de Boek had gehoord uit de mond van de Profeet ﷺ in één bepaalde vorm en die op die vorm zijn vertrouwen had gebouwd. Wat de Profeet ﷺ hem hier liet zien, was dat het vertrouwen op zijn eigen vorm niet betekende dat de andere vorm onbetrouwbaar was. De openbaring had meer kanalen dan zijn oor in zijn nabijheid had opgevangen. En die meerdere kanalen waren, alle zonder uitzondering, hemels gewettigd.
Wat de zeven ahruf zijn
Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst vragen wat het woord ahruf eigenlijk betekent. Het is het meervoud van het Arabische harf, dat letterlijk letter of rand betekent en in een ruimere lezing zoveel aanduidt als een wijze van uitspreken of een modaliteit, en de geleerden hebben aan de precieze draagwijdte ervan, vanaf de eerste eeuwen na de openbaring, een heel hoofdstuk van hun wetenschap gewijd. As-Suyuti ﵀ vermeldt in zijn al-Itqan dat er ongeveer veertig verschillende geleerde standpunten bestaan over wat de zeven ahruf precies aanduiden.
Veertig is een groot getal voor de uitleg van één hadith, en het verdient enige aandacht dat het zo hoog is opgelopen. Het laat allereerst zien dat de geleerden niet lichtvaardig te werk gingen, want een enkele voor de hand liggende betekenis had nooit veertig gedocumenteerde standpunten voortgebracht. Het laat vervolgens zien dat de zaak zelf niet eenvoudig lag, en dat de Profeet ﷺ in zijn beknopte mededeling geen sluitende technische definitie heeft achtergelaten, maar een beginsel heeft gegeven en de nadere uitwerking ervan aan de geleerden na hem heeft overgelaten. Voor de tekstgeschiedenis van de Quran is dat een belangrijk gegeven op zichzelf, want het betekent dat wie vandaag stellig beweert precies te weten welke zeven de zeven ahruf zijn, meer zekerheid claimt dan de klassieke traditie zichzelf ooit heeft toegestaan.
Wij hoeven hier niet alle veertig opvattingen langs te lopen, maar het is de moeite waard er twee tegenover elkaar te zetten, opdat de lezer proeft hoe open de kwestie werkelijk is. Een deel van de geleerden heeft betoogd dat zeven hier niet enkel als een rekenkundig getal moet worden gelezen, omdat het getal zeven in het klassieke Arabische taalgebruik, naast zijn eigenlijke waarde, ook een afgeronde ruime hoeveelheid kan aanduiden, zoals wanneer men in het Arabisch zeventig of zevenhonderd zegt om een veelheid uit te drukken. In die lezing doelde de Profeet ﷺ niet noodzakelijk op precies zeven afzonderlijke dialecten in een gesloten opsomming, maar op een goddelijke concessie die zich binnen een afgebakende maar ruime marge uitstrekt.
Een andere, even klassieke lijn houdt vol dat het getal hier wel degelijk een feitelijke aanduiding was. In één bekende uitwerking van die lijn, verbonden aan de traditie van Abu Ubayd, worden zeven Arabische dialect-zones genoemd, die van Quraish, van Hudhayl, van Thaqif, van Hawazin, van Kinanah, van Tamim en van Yemen, met de Quraishi-vorm als basis omdat in haar de openbaring oorspronkelijk had geklonken, en de overige zes als toegevoegde concessies. Wij noemen deze opsomming hier uitdrukkelijk als één opvatting onder de veertig, niet als de vaststaande betekenis van de zeven ahruf. Andere geleerden hebben andere zeventallen genoemd, weer anderen hebben het getal verbonden aan zeven soorten variatie in plaats van zeven stammen, en een klassieke stem als die van as-Suyuti ﵀ heeft de hele reeks juist zorgvuldig opgesomd zónder er één als beslissend uit te roepen. De precieze inhoud van de zeven bleef betwist, en dat behoort in een eerlijke behandeling zichtbaar te blijven.
Wat echter in élke van de veertig interpretaties overeind blijft, en wat voor de tekstgeschiedenis het enige werkelijk noodzakelijke punt is, laat zich in één zin samenvatten: de zeven ahruf zijn geen zeven verschillende Qurans, maar een afgebakende veelheid van recitatie-modi waarin één en dezelfde openbaring legitiem kon worden voorgedragen. Inhoudelijk, in betekenis en in wet, is er tussen de ahruf geen verschil, en de variatie ligt uitsluitend in de talige verwerking, in een andere klinker, een ander synoniem of een andere werkwoordsvorm waarin twee Arabische tongen naar precies hetzelfde streven. Wat de ene tong met het klassieke voorbeeld aqbil doet, doet de andere met ta’al, en beide zeggen kom hier zonder dat één van beide ook maar iets anders zegt dan de andere. Het Arabische taallichaam was ruim genoeg om voor hetzelfde begrip twee gelijkwaardige woorden te dragen, en de ahruf-vergunning maakte beide tot even legitieme dragers van de openbaring.
Een tweede onderscheid moeten wij hier alvast uitspreken, omdat het in het vervolg van dit thema centraal komt te staan: de zeven ahruf zijn niet hetzelfde als de zeven qira’at. De ahruf zijn een Profetisch, vergunnend beginsel, de ruime ruimte waarbinnen meerdere mondelinge recitaties van de openbaring legitiem zijn, terwijl de zeven qira’at een veel latere systematisering vormen, uit de derde en vierde eeuw AH, waarin de geleerde Ibn Mujahid ﵀ en zijn opvolgers binnen het Uthmaanse skelet zeven canonieke recitatie-tradities hebben geïdentificeerd, elk verbonden aan een naamgevende geleerde uit centra als Kufa, Basra, Mekka, Medina, Damascus en Hims. De qira’at bewegen zich dus binnen het Uthmaanse skelet, binnen één geschreven vorm, terwijl de ahruf zich uitstrekken over een bredere ruimte die in de pre-Uthmaanse periode in de mondelinge overdracht aanwezig was, en op die latere codificatie van de zeven canonieke lezingen onder Ibn Mujahid ﵀ komen wij verderop in deze reeks uitvoerig terug.
Voorbeelden van ahruf-variatie
Om te begrijpen waarover wij hier spreken, moeten wij voor één moment uit het abstracte komen en ons afvragen wat voor soort variatie er nu eigenlijk onder de ahruf-vergunning viel, en wat Hisham ﵁ die ochtend in zijn mond had gehad waarvan Umar ﵁ zo schrok.
Wij beschikken niet over een woordelijke registratie van precies welke verzen uit Soera al-Furqan Hisham ﵁ die ochtend reciteerde, en evenmin over een verslag van zijn afwijkende klanken, want de overlevering bewaart het beginsel en niet de filologische details van die ene voordracht. Wat wij wel hebben, zijn andere overgeleverde voorbeelden van ahruf-variatie binnen verzen die in de Mushaf zelf reeds een meervoudige lezing toelaten, en zij tonen de aard van het verschijnsel duidelijker dan enige abstracte omschrijving dat zou kunnen.
Het meest geciteerde voorbeeld komt uit Soera al-Fatiha, het vers dat in elk gebed door elke moslim wordt uitgesproken.
مَـٰلِكِ يَوْمِ ٱلدِّينِ
"Heer van de Dag des Oordeels."
Soera Al-Fatiha 1:4
In dit vers staat het vierde woord, in de uitgesproken vorm, op de grens tussen twee even oude en beide door de Profeet ﷺ vergunde recitaties. De ene reciteert malik, met de lange a, en dat betekent eigenaar of bezitter, terwijl de andere malik reciteert, met de korte a, en dat betekent koning of vorst. In de geschreven skeletvorm van het Uthmaanse Mushaf staan beide lezingen onder dezelfde consonantenrij, want het skelet bevat in zijn vroegste vorm geen markering van de lange klinker tussen m en l, en zo dragen dezelfde drie letters beide woorden tegelijk. Beide vormen werden door de Profeet ﷺ geleerd, beide werden door verschillende Companions ﵃ in de overdrachtsketens doorgegeven, en beide zijn tot op de dag van vandaag in de canonieke qira’at vertegenwoordigd.
De betekenisverhouding tussen eigenaar en koning van de Dag des Oordeels is niet die van een tegenstrijdigheid, want beide zijn waar: Allah ﷻ is op die Dag zowel de Eigenaar van haar gebeurtenissen als de Koning over haar gerechtigheid. De twee ahruf zijn hier niet twee elkaar tegensprekende uitspraken, maar twee schakeringen van dezelfde theologische realiteit, elk volledig waar en elk met haar eigen accent, en wie in zijn gebed het ene zegt mist niets van wat in het andere besloten ligt, net zomin als wie het andere zegt iets mist van wat in het ene ligt. De openbaring is, om al-Azami’s ﵀ eigen onderscheid te lenen, niet variantelijk kwetsbaar maar lexicaal rijk.
Andere voorbeelden lopen langs vergelijkbare lijnen, en de klassieke werken over de recitatiewetenschap hebben ze rijkelijk verzameld. Een werkwoordsvorm die in de ene tong met een korte a werd uitgesproken, kon in een naburige tong met een korte i klinken zonder dat de betekenis verschoof; een eindklank die in het ene dialect met imala werd verbogen, een lichte neiging naar de i-klank, kon in het andere dialect zonder die neiging worden uitgesproken; en een aanvullend waw of fa aan het begin van een zin kon in de ene recitatie wel en in de andere niet aanwezig zijn, telkens zonder dat de juridische of theologische strekking erdoor verschoof. Op dezelfde lijn ligt de bekende dubbelvorm waarin één en dezelfde vraagformule door de ene recitatie in de derde en door de andere in de tweede persoon werd gedragen, ook weer zonder dat de strekking van de vraag veranderde, en in een aantal verzen droeg de ene recitatie een synoniem dat in een andere door een gelijkwaardig synoniem werd vervangen, met behoud van de volle betekenis.
Even belangrijk is hier wat de ahruf niet zijn. Zij zijn geen verschillende rechtsoordelen voor dezelfde casus, geen verschillende getuigenissen over dezelfde historische gebeurtenis, geen verschillende voorstellingen van Allah ﷻ of van zijn Profeten ﵈ of van de Wet, maar uitsluitend fonetische en lexicale schakeringen binnen één theologisch geheel. Wie tussen twee ahruf moet kiezen, kiest daarom nooit tussen waarheid en dwaling, maar altijd tussen twee uitspraakvormen van dezelfde waarheid.
Daarom heeft al-Azami in zijn behandeling het woord variant met opzet vermeden voor de ahruf en gekozen voor het woord meervoudig, want een variant suggereert dat er één correcte oerlezing is en daarnaast een afwijkende, gebrekkige kopie ervan, terwijl een meervoud juist suggereert dat er verscheidene, alle even correcte lezingen tegelijk bestaan binnen een ruimte die de auteur van de tekst zelf heeft vergund. Voor de Quran geldt onmiskenbaar het tweede en niet het eerste, en in dat ene woordonderscheid ligt het hele verschil tussen een tekst die onder verdenking staat en een tekst die in rijkdom overloopt.
De goddelijke wijsheid van de concessie
Waarom zou Allah ﷻ de Quran in meerdere ahruf neerzenden en niet in één enkele dialectische vorm, en waarom zou een Boek dat universele waarheid claimt voor zijn eigen voordracht uiteenlopende uitspraakvormen toelaten in plaats van zich in één gepolijste norm vast te leggen. Het antwoord komt niet van de geleerden achteraf, maar uit de overlevering zelf, in een tweede hadith die niet bij Umar ﵁ maar bij Ubayy ibn Ka’b ﵁ berust, de man die verderop in deze reeks, bij de alarmkreet van Hudayfah ﵁ en Uthman’s ﵁ standaardisatie, naar voren komt als de meester der recitatie in Syrië.
Ubayy ibn Ka’b ﵁ heeft over de ahruf-concessie meer dan één overlevering doorgegeven, en de klassieke bronnen bewaren ze afzonderlijk. In de versie die Muslim ﵀ in zijn Sahih heeft opgetekend, in de sectie Kitab as-Salat, kwam Jibreel ﵇ bij de Profeet ﷺ toen deze zich in de nabijheid van Banu Ghifar bevond, en ontvouwde zich het gesprek dat wij hieronder weergeven.
Jibreel ﵇: Allah ﷻ heeft jou bevolen om de Quran aan jouw volk in één dialect te reciteren.
De Profeet ﷺ: Ik vraag Allah ﷻ om vergeving en bescherming. Mijn volk is daartoe niet in staat.
Jibreel ﵇: Allah ﷻ heeft jou bevolen om de Quran aan jouw volk in twee dialecten te reciteren.
De Profeet ﷺ: Ik vraag Allah ﷻ om vergeving en bescherming. Mijn volk is daartoe niet in staat.
Jibreel ﵇: Allah ﷻ heeft jou bevolen om de Quran aan jouw volk in drie dialecten te reciteren.
De Profeet ﷺ: Ik vraag Allah ﷻ om vergeving en bescherming. Mijn volk is daartoe niet in staat.
Jibreel ﵇: Allah ﷻ heeft jou toegestaan om de Quran aan jouw volk in zeven ahruf te reciteren, en in welk van die ahruf zij ook reciteren, hun recitatie zal correct zijn.
In een tweede overlevering, eveneens via Ubayy ﵁ maar door Ibn Hanbal ﵀ in zijn Musnad opgetekend, is de plaats van het gesprek een andere en klinkt de verklaring van Jibreel ﵇ nog letterlijker. Daar ontmoette de Profeet ﷺ hem bij de mira’-stenen, aan de rand van Medina in de nabijheid van Quba’, en daar viel de zin die de wijsheid van de concessie in één beeld vangt: Ik ben gezonden naar een natie van ongeletterden, onder wie de oude rondsluipende sheikh, de bejaarde vrouw en het jonge kind. Beveel hen dus de Quran in zeven ahruf te reciteren.
Hierin schuilt de wijsheid van de concessie, want de openbaring kwam neer op een Arabisch volk dat niet één uniforme tong bezat, en al vormde Quraish het centrum, Quraish stond niet alleen: buiten Mekka leefden talloze stammen wier mond door geboorte en gewoonte naar andere fonetische patronen was gevormd. De overlevering vangt die veelheid niet in een lijst van stammen, maar in drie menselijke gezichten, de rondsluipende grijsaard, de bejaarde vrouw en het jonge kind, en juist die keuze is veelzeggend. Het is de afgeleefde man wiens tong door de jaren haar vorm niet meer kon herzien, het is de oude vrouw wier spraakgewoonten een leven lang waren ingesleten, en het is het kind dat zijn eerste klanken al in een plaatselijk dialect had geleerd; drie mensen aan wie een strikte Quraishi-norm de Boek nagenoeg onuitspreekbaar zou hebben gemaakt. De concessie tilde de drempel juist voor zulke monden weg, zonder onderscheid naar stam of streek.
Wat Jibreel ﵇ in deze overlevering aandraagt, is dan ook geen pragmatisch compromis en geen louter pedagogische tegemoetkoming, maar een goddelijk geopenbaard beginsel: de Quran wordt vergund in meerdere modi, opdat geen Arabier het Boek als onbereikbaar zou ervaren. De openbaring buigt zich ten dele naar het oor van de hoorder, opdat de hoorder zich vervolgens met zijn hele leven naar de openbaring kan buigen, en de ahruf zijn de drempel die het Boek laag genoeg legt voor elk huis, in elke stam en in elke streek van Arabië.
Dit beginsel verklaart waarom de ahruf-vergunning niet in de Mekkaanse maar in de Medinese fase tot volle ontplooiing kwam. In Mekka was de groep gelovigen klein, geografisch geconcentreerd en in hoge mate Quraishi van afkomst, zodat de praktische noodzaak voor meervoudige ahruf beperkt bleef. Vanaf de Hijra veranderde dat ingrijpend, want in Medina kwamen de Aws en de Khazraj erbij, twee stammen van zuidelijke, Jemenitische oorsprong die zich generaties eerder in de Hijaz hadden gevestigd, en in de jaren na Badr en na de Verovering van Mekka stroomden soldaten en bekeerlingen uit vrijwel alle Arabische stammen toe. De ahruf-concessie maakte dat de Quran in elke nieuwe mond gedragen kon worden, zonder dat de hoorder zijn eigen tong eerst moest verloochenen om gelovige te kunnen zijn, en zo werd de eenheid van de tekst niet bewaard ondanks de veelheid van tongen, maar juist dóór een openbaring die die veelheid van meet af aan in zich had opgenomen.
Waarom de standaardisatie de ahruf niet vernietigde
Verderop in deze reeks, bij de alarmkreet van Hudayfah ﵁ en Uthman’s ﵁ standaardisatie, komt in detail aan de orde wat er decennia na de Hisham-Umar-scène met de ahruf gebeurde. In de jaren na de Profeet ﷺ verspreidde de oemma zich over Syrië, Irak, Egypte en verder. Iedere garnizoensstad had haar eigen leermeester, en iedere leermeester gaf in zijn lokale recitatie-praktijk de ahruf door zoals hij ze had geleerd. Wat in Medina onder de hoede van de Profeet ﷺ als ruimhartige concessie had gefunctioneerd, werd in de provincies, ver van zijn aanwezigheid, voor de tweede en derde generatie soldaten een bron van verwarring. De Syriër die zijn recitatie van Ubayy ﵁ had, en de Irakees die zijn recitatie van Ibn Mas’ud ﵁ had, vonden elkaars klanken in het kamp aan de Kura-rivier verdacht. Uit dat conflict zou Hudayfah ﵁ naar Medina komen aanrijden met de boodschap die tot de Uthmaanse standaardisatie zou leiden.
De vraag die wij hier moeten beantwoorden, met onze nieuwe kennis van wat de ahruf in oorsprong waren, ligt voor de hand: heeft de Uthmaanse standaardisatie de ahruf-vergunning afgeschaft, en heeft Uthman ﵁ door één Mushaf in het Quraishi-skelet aan de oemma op te leggen een door de Profeet ﷺ vergunde ruimte vernauwd tot één enkele lezing.
Het antwoord, zoals al-Azami het in zijn elfde hoofdstuk uitwerkt, vraagt om een zorgvuldig onderscheid. De standaardisatie heeft één laag van de ahruf-vergunning in geschreven vorm vastgelegd, namelijk de consonantale skelet-laag waarin de overgrote meerderheid van de ahruf-variatie kon worden opgenomen, en die skeletvorm draagt in zijn klassieke, van punten en tekens ontblote gedaante meerdere uitspraakmogelijkheden die alle binnen de vergunning vallen. Het voorbeeld van Soera al-Fatiha 1:4 dat wij hierboven gaven, laat dat rechtstreeks zien, want dezelfde drie letters m-l-k dragen zowel malik als malik, en een Uthmaanse Mushaf in skeletvorm sluit geen van beide lezingen uit maar neemt ze allebei impliciet in zich mee.
Op die plekken waar de ahruf-variatie niet enkel de uitspraak maar het skelet zelf raakte, heeft de Uthmaanse commissie wel een keuze moeten maken, en al-Azami merkt op dat het totale aantal plekken waarop de officiële vijf Uthmaanse Mushafs onderling van skelet verschillen niet meer dan ongeveer veertig karakters bedraagt. Veertig karakters, over de volle omvang van de Mushaf, en op elk van die plekken heeft de commissie bewust gekozen voor de Quraishi-lezing als referentienorm, in lijn met de instructie die Uthman ﵁ aan Zayd ﵁ en de drie Quraishi-commissieleden gaf en waarop wij verderop in deze reeks, bij zijn standaardisatie, terugkomen. Wanneer jullie met Zayd van mening verschillen, schrijf dan in het dialect van Quraish, want in hun tong is hij geopenbaard.
Maar wat de Uthmaanse commissie níet deed, was de andere ahruf-recitaties als ongeldig verklaren. Zij stelde een geschreven referentie in, één skeletvorm, voor één gestandaardiseerd publiek gebruik in een verspreid kalifaat. Zij liet de mondelinge recitatie-tradities, binnen die skeletvorm, ongemoeid. De Syrische leerlingen van Ubayy ﵁ konden hun door hem doorgegeven uitspraak voortzetten, voor zover die binnen het geschreven skelet paste. De Iraakse leerlingen van Ibn Mas’ud ﵁ konden, met dezelfde restrictie, hun overgedragen uitspraak voortzetten. Wat onmogelijk werd, was de skelet-overschrijdende variatie, want het skelet stond nu vast. Wat mogelijk bleef, was de skelet-binnenliggende variatie, en zij is, gedragen door overgeleverde isnad-ketens, voortgezet tot zij in de derde en vierde eeuw AH door Ibn Mujahid ﵀ in zeven canonieke qira’at werd gesystematiseerd.
In andere woorden: Uthman ﵁ heeft één van de ahruf in een geschreven, openbaar gemaakte referentievorm gestold, en de andere ahruf hun mondelinge voortbestaan binnen dat skelet gegund. De vergunning die de Profeet ﷺ aan Umar ﵁ en Hisham ﵁ had verklaard, werd niet ingetrokken. Zij werd, voor de praktische bestuursbehoefte van een uitgebreid rijk, geconcentreerd in een vorm die in alle steden tegelijk geverifieerd kon worden, met behoud van haar mondelinge breedte voor wie haar in een geautoriseerde isnad-keten had ontvangen.
Het beginsel dat de tekstgeschiedenis draagt
Voor de tekstgeschiedenis van de Quran draagt wat in dit artikel is verteld vier zware gevolgtrekkingen, en wij lopen ze hier één voor één af, omdat juist in hun samenhang de these van deze hele kaart zichtbaar wordt: dat gecontroleerde, door de Profeet ﷺ vergunde variatie niet de zwakte maar de kracht van de overlevering is.
In de eerste plaats verklaart de ahruf-vergunning waarom in de vroegste recitatie-tradities van de oemma onderling verschillen bestonden zonder dat één Companion ﵁ een andere van bedrog beschuldigde. Ubayy ﵁ en Ibn Mas’ud ﵁ leerden niet dezelfde uitspraak in hun respectievelijke steden, en zij wisten dat ook van elkaar. Geen van beiden meende dat de ander de Boek had verminkt. Beiden wisten dat zij hadden gereciteerd zoals de Profeet ﷺ hen had geleerd, en beiden wisten dat de Profeet ﷺ in zijn leven verschillende leerlingen verschillende ahruf had aangereikt. Wat in latere eeuwen door sceptici is voorgesteld als bewijs van een chaotische pre-Uthmaanse tekstoverdracht, is in werkelijkheid bewijs van een gedocumenteerde Profetische concessie.
In de tweede plaats verklaart de ahruf-vergunning het tempo en de aard van de Uthmaanse standaardisatie, want Uthman ﵁ stond niet voor een probleem van een corrupt geraakte tekst, maar voor een probleem van een vergunde ruimte zonder gids. Decennia na de Profeet ﷺ, met de ahruf-leraren verspreid over de provincies en hun leerlingen die de bredere context niet meer kenden, dreigde de oorspronkelijke ruimhartigheid om te slaan in onderlinge beschuldigingen, en Uthman ﵁ heeft daarop niet de ahruf verkleind maar een geografische gids in geschreven vorm uitgegeven, opdat in elke stad dezelfde skeletvorm kon worden geraadpleegd, terwijl hij de mondelinge recitatie-traditie aan de bevoegde leraren overliet. Daarmee heeft hij de Profetische concessie niet afgeschaft maar haar binnen het kalifaat regeerbaar gemaakt.
In de derde plaats weerlegt de ahruf-vergunning een sceptisch argument dat soms wordt opgevoerd, namelijk dat er vóór de Uthmaanse standaardisatie talloze rivaliserende Qurans bestonden waarvan Uthman ﵁ er één heeft gekozen en de rest heeft onderdrukt. Dat beeld klopt op geen enkel punt, want wat er bestond was niet een verzameling concurrerende boeken maar één Quran in meerdere door de Profeet ﷺ vergunde recitatie-modi, en Uthman ﵁ heeft niet één Quran uit een stapel Qurans gekozen maar één geschreven skelet vastgelegd waarbinnen die reeds vergunde modi konden voortbestaan. De rivaliteit die de sceptici veronderstellen is een projectie achteraf op een gemeenschap die van binnenuit wist dat zij één Boek bezat en daarover enkel in haar mondelinge breedte verschilde.
In de vierde plaats geeft de ahruf-vergunning de oemma haar uitspraak-zekerheid tot op de huidige dag. Want de zeven canonieke qira’at die vandaag in moskeeën van Marokko tot Indonesië worden gereciteerd, zijn niet privé-projecten van middeleeuwse geleerden. Zij zijn vastgelegde isnad-ketens van bewaarde ahruf-recitaties, elk teruggaand op een Companion ﵁ die zijn uitspraak rechtstreeks van de Profeet ﷺ had gehoord, en elk binnen het Uthmaanse skelet. Wie vandaag in Caïro de qira’a van Hafs op gezag van Asim reciteert, en zijn neef in Marrakech de qira’a van Warsh op gezag van Nafi’, zegt niet een andere Boek dan de ander. Hij zegt dezelfde Boek in een door de Profeet ﷺ vergunde modaliteit, gedragen door een gedocumenteerde keten die teruggaat tot de openbaring zelf.
Zayd ibn Thabit ﵁, dezelfde man die de eerste Suhuf onder Abu Bakr ﵁ zou verzamelen en verderop in deze reeks de commissie van Uthman ﵁ zou leiden, heeft over deze hele kwestie een uitspraak gedaan die in vier woorden de hele zaak in haar plaats zet. Al-qira’atu sunnatun muttaba’atun. De recitatie is een nagevolgd sunna. Niet een persoonlijke smaak, niet een filologische voorkeur, niet een dialectische gewoonte. Een sunna die door overdracht is doorgegeven, in elke schakel verbonden aan een ontvanger die haar van zijn eigen leermeester had genomen, tot terug naar de Profeet ﷺ. Wat in de eerste eeuwen van de oemma aan recitatie-zekerheid bestond, bestond niet bij gratie van consensus of meerderheidsbesluit. Het bestond bij gratie van isnad.
Wat hierna komt
Wij hebben in dit artikel het beginsel van de zeven ahruf vastgelegd: een goddelijke concessie aan de uiteenlopende Arabische dialecten, vergund door de Profeet ﷺ in het tafereel waarin Umar ﵁ Hisham ibn Hakim ﵁ aan diens mantel naar de woning van de Profeet ﷺ leidde, en waarin de Profeet ﷺ beide recitaties van Soera al-Furqan met dezelfde vier woorden bekrachtigde. Zo werd zij geopenbaard. Wij hebben gezien dat de precieze inhoud van de zeven door de klassieke geleerden nooit tot één vaststaande lijst is teruggebracht, dat zelfs veertig opvattingen naast elkaar konden staan, en dat juist die openheid geen zwakte verraadt maar de eerlijkheid van een traditie die niet meer zekerheid claimde dan zij bezat. Wat in élke opvatting vaststond, was dat de ahruf geen rivaliserende Qurans waren maar door de Profeet ﷺ zelf gewettigde manieren om één en dezelfde openbaring te reciteren, en dat de variatie ertussen gecontroleerd, gezaghebbend en zonder betekenisverlies was. Wij hebben ten slotte gezien hoe de Uthmaanse standaardisatie hun mondelinge voortbestaan binnen een gestandaardiseerd geschreven skelet heeft gegund zonder hun vergunning af te schaffen, zodat de rijkdom bewaard bleef terwijl de eenheid werd bewaakt.
De ruimte die op die ochtend in Medina tussen Umar ﵁, Hisham ﵁ en de Profeet ﷺ werd geopend, draagt vanaf dat moment tot in onze eigen eeuw elk reciterend gebed van elke moslim, in welke ahruf-tong hij of zij hem ook in de mond legt. Reciteer dus wat van haar voor jullie gemakkelijk is.
Wij hebben nu gezien dat de openbaring in meerdere geoorloofde recitatie-wijzen kon worden voorgedragen, en dat die mondelinge veelheid door de Profeet ﷺ zelf was vergund. Maar naast die levende, mondeling-tekstuele rijkdom stond de geschreven zijde van dezelfde jonge staat, en juist die zijde laat zich met tastbare voorwerpen bewijzen. Want dezelfde gemeenschap die de Quran in zeven ahruf reciteerde, bezat een kanselarij die gedateerde staatsbrieven produceerde, verzegeld met het zegel van de Profeet ﷺ en verzonden tot aan de hoven van keizers en gouverneurs. In het volgende artikel verlaten wij voor een moment de reciterende mond en volgen wij de schrijvende hand: de verzegelde diplomatieke brieven van de Profeet ﷺ, bewaard tot in onze eigen tijd, als documentair bewijs dat de vroege Islam niet enkel sprak maar ook schreef.