Het Jaar van de Mu’arada
Een terugkerend bezoek in Ramadan
In het vorige artikel volgden wij de schrijvende hand van de jonge Islamitische staat: de kanselarij van de Profeet ﷺ, met haar tientallen scribes, haar zegel en haar gedateerde diplomatieke brieven, tot in onze tijd bewaard als tastbaar, documentair bewijs dat de vroege gemeenschap niet enkel reciteerde maar ook schreef. Wij zagen hoe die verzegelde staatsbrieven de these van een schriftloze, louter orale vroege Islam bij de wortel weerlegden, en hoe de geschreven overdracht van de openbaring op dezelfde bestuurlijke bodem rustte. Maar of een tekst nu in de borst wordt bewaard of op perkament, hij vraagt om een toetssteen, iets dat hem telkens opnieuw aan zijn hemelse oorsprong ijkt.
Die toetssteen bestond, en zij verdient haar eigen verhaal. Want de hele overdracht van de openbaring, alles wat er was opgeschreven, gereciteerd, gememoriseerd en bewaard, had een hart: een terugkerende handeling die dat alles telkens opnieuw aan zijn hemelse oorsprong toetste. Die handeling heette mu’arada, en zij vond plaats in Ramadan.
Het tafereel is zo intiem dat een vluchtige lezer er overheen leest. Een huis in Medina, een avond na zonsondergang, twee figuren bij elkaar in een kamer. Geen menigte, geen verzamelde Metgezellen ﵃, geen openbare ceremonie. De Profeet ﷺ zit, en Jibril ﵇ zit, en samen reciteren zij de tot dan toe geopenbaarde Koran. Soms reciteert Jibril ﵇ terwijl de Profeet ﷺ luistert. Soms is het omgekeerd. De volgende avond hervatten zij waar zij gestopt waren. Zo gaat het de hele maand door.
Ibn 'Abbas ﵁ vertelt het in nuchtere bewoordingen: de Profeet ﷺ ontmoette Jibril ﵇ elke nacht in Ramadan, en samen namen zij de Koran door, tot het einde van de maand. Geen dramatische scène. Geen flits van licht. Een terugkerend bezoek, jaarlijks, dertig nachten lang. Dat de Engel in Ramadan kwam was geen toeval. De maand van de eerste openbaring was ook de maand van de jaarlijkse toetsing. De cirkel sloot zich elk jaar opnieuw rond de wortel.
De moskee van Medina kende dat ritme dan ook van binnenuit. Wanneer Ramadan naderde, veranderde het tempo van de Profeet ﷺ. Hij trok zich vaker terug in i’tikaf, hij verbleef langere uren in de moskee, en hij beperkte zijn slaap. De Metgezellen ﵃ wisten dat er in zijn nachten iets gebeurde dat niet in alle andere maanden gebeurde, en zij wisten genoeg om er niet onbescheiden naar te vragen. De informatie die ons bereikt over de mu’arada komt niet uit een toespraak waarin de Profeet ﷺ haar plechtig uitlegde aan zijn gemeenschap. Zij komt uit losse opmerkingen die later, in de generatie van de tweede en derde overdracht, door zijn meest nabije omgeving werden meegedeeld. De familie wist het. Een handvol intimi wist het. De rest hoorde het in fragmenten.
Dit was, voor wie het van een afstand bekijkt, een opmerkelijk protocol. Een jaarlijkse ijking van de ontvangen tekst aan zijn bron, integraal doorgenomen tussen de menselijke boodschapper en de hemelse, is een gegeven dat men in de overgeleverde geschiedenis van heilige teksten zelden zo scherp benoemd terugvindt. Wat in de oemma als vertrouwde gewoonte was aanvaard, verdient bij nadere beschouwing dan ook meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt.
En dat jaarlijkse protocol had een naam. Een naam die meer is dan een etiket. Een naam die het wezen van wat er gebeurde, in één woord vasthoudt.
Het woord mu’arada
Mu’arada komt van mufa’ala, een Arabisch grammaticaal patroon dat duidt op wederzijdse handeling. Twee partijen die hetzelfde doen aan hetzelfde object, beurtelings. Het is hetzelfde patroon als muqatala, wederzijds vechten, of mukataba, wederzijdse correspondentie. Het woord zelf draagt al de structuur in zich: niet één spreker en één toehoorder, maar twee partners die afwisselend handelen.
Wat betekent dat concreet? Het betekent dat Jibril ﵇ niet enkel de Koran kwam bevestigen in een eenrichtingsverkeer van hemel naar aarde. Het betekent ook dat de Profeet ﷺ niet enkel als ontvanger fungeerde. Beiden reciteerden. Beiden luisterden. Beiden controleerden. De Engel hoorde uit de mond van de Profeet ﷺ terug wat hij eerder uit Gods aanwezigheid had aangedragen, en de Profeet ﷺ hoorde uit de mond van de Engel terug wat hij in de loop van het jaar in zijn borst had ontvangen.
Dit is iets anders dan dictatie. Dit is iets anders dan inspectie. Dit is een gezamenlijke voordracht waarin de tekst, regel voor regel, soera voor soera, tussen twee betrouwbare dragers heen en weer bewoog. Wie het Arabische woord recht doet, ziet dat mu’arada niet enkel een controle was, maar een vorm van gemeenschappelijk bezit. De tekst werd niet enkel verzonden en ontvangen. Hij werd, een keer per jaar, samen gereciteerd.
Voor de gelovige is daar nog iets meer in aanwezig. De Koran zelf benoemt namelijk de eigenaar van de tekst, en die eigenaar is niet de mens. Wanneer in de Mekkaanse periode de Profeet ﷺ zo gretig was om de neerdalende verzen te memoriseren dat hij zijn tong in beweging zette voordat de openbaring was voltooid, kwam een vers neder dat hem rustig maande:
لَا تُحَرِّكْ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِۦٓ إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُۥ وَقُرْءَانَهُۥ فَإِذَا قَرَأْنَـٰهُ فَٱتَّبِعْ قُرْءَانَهُۥ ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَهُۥ
"Beweeg jouw tong er niet mee om er haastig mee te zijn. Voorwaar, Wij staan in voor de verzameling en de voordracht ervan. Wanneer Wij hem dan voordragen, volg dan zijn voordracht. Vervolgens, voorwaar, Wij staan in voor de verduidelijking ervan."
Soera Al-Qiyama 75:16-19
De woorden zijn theologisch zwaar, en commentaren zoals dat van at-Tabari wijzen op een betekenis die in onze context buitengewoon belangrijk is. Jam’ahu betekent zowel memorisatie als verzameling, zowel het samenbrengen in het hart als het samenbrengen in een boek. De verzameling van de tekst is geen menselijke onderneming die door gelovigen achteraf moet worden volbracht. Allah ﷻ zelf neemt die taak op zich. Het is op Ons dat de jam’ rust, niet op jou.
Wie deze verzen leest met de mu’arada in het achterhoofd, ziet plotseling waar die jaarlijkse review in het grotere plan past. De Auteur Zelf zegt: Ik verzamel het. Ik draag het voor. Ik verduidelijk het. En een keer per jaar daalt Zijn boodschapper neer om dat met de Profeet ﷺ tastbaar te bevestigen. De jaarlijkse mu’arada is, zo gezien, de zichtbare belichaming van een belofte die in Soera Al-Qiyama openlijk is uitgesproken. De ijking aan de bron, die Allah ﷻ heeft beloofd, vindt elke Ramadan plaats in een huis in Medina.
Wat tijdens de mu’arada gebeurde
De bronnen zijn op dit punt eerlijk en sober. Wij weten niet alles. Wij weten genoeg.
Wij weten dat het 's nachts gebeurde, want Ibn 'Abbas ﵁ spreekt expliciet over elke nacht in Ramadan. Wij weten dat het zich uitstrekte over de hele maand. Wij weten dat het de hele tot dan toe geopenbaarde tekst omvatte, niet enkel een selectie. Abu Huraira ﵁ formuleert het kort en helder: de Profeet ﷺ en Jibril ﵇ namen de Koran eens per jaar door. Niet stukken, niet hoofdstukken. Het geheel.
Wij weten ook dat de Profeet ﷺ tijdens deze ontmoetingen niet alleen toehoorder was. Bij andere openbaringen kwam Jibril ﵇ in een visuele gedaante, soms in de gedaante van een man, soms zo dat de Profeet ﷺ in een fysieke staat verkeerde die zijn omgeving direct kon zien. Aisha ﵂ heeft daarvan een bekende beschrijving achtergelaten: zij zag eens hoe de openbaring op een ijskoude dag op hem neerdaalde, en hoe zijn voorhoofd nat werd van zweet voordat het voorbij ging. Bij de mu’arada is dat fysieke spoor afwezig in de bronnen. Het lijkt erop dat dit een rustiger soort ontmoeting was, niet de stortvloed van een nieuwe openbaring maar een gesprek tussen twee oude bekenden over een tekst die zij beiden van binnen en van buiten kenden.
Wij weten verder dat dit een patroon was dat zich elk jaar herhaalde, niet pas in het laatste jaar. Dat is een punt waar de bronnen erg zorgvuldig zijn. Abu Huraira ﵁ benadrukt dat de Profeet ﷺ en Jibril ﵇ deze recitatie jaarlijks deden. Voor wie nadenkt over hoe lang dat patroon liep: de eerste openbaring kwam in 13 vóór de Hijra, het laatste jaar was 11 AH. Dat is een traditie die mogelijk meer dan twee decennia heeft geduurd. Twee decennia van jaarlijkse ijking. Een ritme dat zo regelmatig was dat het bijna onzichtbaar werd in de levensbeschrijving van de Profeet ﷺ, zoals het ademen onzichtbaar wordt in een biografie.
Er was mogelijk nog een tweede laag. Een overlevering die op naam van Ibn Mas’ud ﵁ staat, opent een raam naar de manier waarop de mu’arada van hemelse intimiteit overging in menselijke verspreiding. Volgens dat bericht reciteerde hij, na een sessie waarin de Profeet ﷺ en Jibril ﵇ samen de Koran hadden doorgenomen, vervolgens aan de Profeet ﷺ, die zijn voordracht welbespraakt noemde. Al-Azami ﵀ tekent bij deze overlevering eerlijk aan dat haar isnad zeer zwak is, en wij nemen die reserve over. Wij bouwen er dan ook geen sluitend argument op, maar noemen haar om te laten zien welk beeld de vroege gemeenschap zelf van de mu’arada bewaarde: een beeld waarin het in het verborgene geijkte niet op een hemelse plank bleef liggen, maar spoedig aan een menselijke voordrager werd doorgegeven.
Wij stellen ons dat voor. De maand Ramadan, de moskee in de late uren, de gelovigen die hun nachtelijke gebed hebben verricht, en een voordrager die reciteert wat de Profeet ﷺ met Jibril ﵇ had doorgenomen. De Profeet ﷺ luistert. De ijking van die nacht wordt hoorbaar in de gemeenschap, en de brug van hemel naar aarde is in één avond overgestoken.
Ook zonder dat zwakke bericht blijft het onderliggende patroon staan, want het rust op steviger grond. Hoe kon een tekst die in het verborgene tussen Engel en Profeet ﷺ werd geverifieerd, vervolgens in de bredere gemeenschap dezelfde graad van zekerheid bereiken? Het antwoord ligt niet in één losse overlevering, maar in de gehele werkwijze van de Profeet ﷺ, die nadrukkelijk aan zijn schrijvers en voordragers doorgaf wat hij ontving. Wat hij ontving, gaf hij door aan zijn Metgezellen ﵃, die het weer doorgaven aan hun studenten, en zij weer aan de hunne. De recitatieketen die in latere eeuwen isnad zou heten, begon in feite niet pas na de dood van de Profeet ﷺ. Zij begon tijdens zijn leven, in de moskee van Medina, elke keer dat een geijkte voordracht luidop ter bevestiging klonk.
De rol van Jibreel als mede-toetser
Wat deze ontmoetingen zo bijzonder maakt is de positie van Jibril ﵇ daarin. Hij was niet enkel de bode geweest die de openbaring uit de oorsprong naar de Profeet ﷺ bracht. Hij was nu ook de toetser die kwam controleren of wat hij had overgebracht, ongeschonden was bewaard.
In de gewone profetische geschiedenis zien wij engelen die boodschappen overbrengen en vervolgens vertrekken. Bij Ibrahim ﵇ kwamen drie boodschappers, en zij gingen weer. Bij Maryam ﵍ kwam Jibril ﵇, en hij ging weer. De boodschap werd afgeleverd, de bode verdween. De tekst, voor zover er een tekst was, lag vanaf dat moment in handen van de mens, en de mens was alleen verantwoordelijk voor wat er gebeurde tussen ontvangst en verspreiding.
Bij de Koran is het anders. Jibril ﵇ vertrekt niet definitief; hij blijft komen, elk jaar opnieuw, dertig nachten lang. Hij brengt geen nieuwe verzen, maar hij hoort de oude verzen, en de Profeet ﷺ hoort hem. Dat zegt iets cruciaals over hoe Allah ﷻ Zijn Boek beschouwt.
Een boek dat aan de mens wordt overgeleverd en daarna vrij rondzwerft, kan in een mensenleven veel verliezen. Het kan worden vermengd met andere woorden, kan worden omgevormd door dialectische verschuivingen, kan stil worden bijgewerkt door geheugens die zonder kwade bedoeling toch corrumperen. Een boek dat jaarlijks tegen zijn hemelse oorsprong wordt geverifieerd, kan dat niet. Want zelfs als een dragerhand verschuift, brengt de volgende mu’arada de afwijking aan het licht. Zelfs als één geheugen hapert, vangt de Engel het op.
Het gevolg is een tekst die nooit verder van zijn bron kon afdrijven dan één Ramadan ver. Dat volgt rechtstreeks uit de aard van de procedure zelf, want de afstand tussen tekst en oorsprong werd telkens opnieuw begrensd door de eerstvolgende jaarlijkse doorname. Een terugkoppeling met zo’n korte omloop is voor een overgeleverde tekst uitzonderlijk.
Voor de moderne lezer komt hier een gedachte op die in eerdere artikelen al heeft rondgezongen, maar die hier zijn scherpste vorm krijgt. Wanneer mensen die met een open hart de tekstgeschiedenis bestuderen, gewezen worden op de “late compilatie” van de Koran, of op de gedachte dat de tekst pas decennia na de Profeet ﷺ in zijn definitieve vorm zou zijn gegoten, hebben zij vaak niet door dat zij langs de mu’arada heen redeneren. Want vóór Abu Bakr ﵁ ooit een suhuf liet binden, vóór 'Uthman ﵁ ooit een mushaf liet kopiëren, vóór een enkele Metgezel ﵁ ooit het idee opperde om de Koran te verzamelen tot één boek, was de tekst al twintig keer of meer met Jibril ﵇ samen gereciteerd. De toetsing aan de bron was niet iets wat de oemma decennia later moest ondernemen. Die toetsing was elk jaar in Ramadan door hemelse instantie zelf voltooid.
Wat Abu Bakr ﵁ en 'Uthman ﵁ later zouden doen, was geen reconstructie. Het was consolidatie. Het verschil tussen die twee woorden is het verschil tussen het bouwen van een dijk uit niets en het verstevigen van een dijk die al staat.
Het laatste jaar
In 10 AH vertrok de Profeet ﷺ uit Medina voor zijn afscheidsbedevaart, waar hij op de vlakte van 'Arafat de oemma de hoofdlijnen van haar verantwoordelijkheid voor de toekomst meegaf. Volgens de klassieke tafsir-traditie daalde bij die bedevaart vers 5:3 neer: vandaag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt. Die vervolmaking betrof de godsdienst als geheel, en men mag haar niet zonder meer aan de mu’arada verbinden; wel tekent zij het tijdsgewricht waarin de laatste Ramadan viel.
Tussen die afscheidsbedevaart en zijn overlijden in het jaar 11 AH lag een kort tijdvenster. In dat venster viel de laatste Ramadan, en in die laatste Ramadan gebeurde iets dat de gewoonte doorbrak.
Jibril ﵇ kwam, zoals elk jaar. Maar deze keer reciteerde hij niet één keer de hele Koran met de Profeet ﷺ. Hij deed het twee keer.
Abu Huraira ﵁ legt het neer in een hadith van één enkele zin: de Profeet ﷺ en Jibril ﵇ namen de Koran eens per jaar door, en in het jaar waarin hij stierf namen zij die twee keer door. Het is een zin die in zijn nuchtere bewoording bijna achteloos klinkt. Maar voor wie hem leest met het besef van wat er volgt, ligt er een hele wereld in.
Twee keer. Een verdubbeling van de toetsing. Een tweevoudige bevestiging van wat er in de borst van de Profeet ﷺ rustte. Wat de Engel ééns deed wanneer alles normaal verliep, deed hij nu twee keer omdat het einde nabij was. De ijking werd verzegeld in een dubbele zegel.
De Profeet ﷺ zelf wist wat dit betekende. Hij had Jibril ﵇ niet hoeven te vragen waarom. Hij begreep het terstond. En hij deelde dat begrip met de mens die het dichtst bij hem stond.
Fatima ﵂ en de fluistertoon
Wij zien hen voor ons. De Profeet ﷺ in zijn vertrek, zijn dochter Fatima ﵂ bij hem geroepen. Wat hij haar gaat zeggen is geen toespraak voor de Metgezellen ﵃, geen mededeling voor de oemma, geen vers dat zal worden opgeschreven. Het is een vertrouwelijkheid tussen een vader en zijn jongste dochter, en het wordt overgeleverd in de termen waarin Fatima ﵂ het later zelf zou herinneren.
Zij vertelde aan Aisha ﵂ wat er was gezegd. Aisha ﵂ heeft het bewaard en doorgegeven. Vanuit haar bewaring is het in al-Bukhari’s Sahih terechtgekomen, onder de hoofdstukken die de waarde van de Koran behandelen.
De Profeet ﷺ: Jibril ﵇ pleegde eens per jaar de Koran met mij te reciteren, maar dit jaar heeft hij twee keer met mij gereciteerd. Ik geloof niet anders dan dat mijn termijn nadert.
Zo komt het bij ons binnen, als één regel, in de overlevering van een dochter die haar vader hoort spreken over zijn eigen dood. In de Arabische bewoording van al-Bukhari klinkt het als Ma ara illa qad hadara ajali, ik zie niet anders dan dat mijn termijn is gearriveerd. Het is geen klacht en geen vrees, maar een kalme vaststelling, uitgesproken door een man die begreep wat hij zojuist had waargenomen.
Fatima ﵂ huilde, vertelt Aisha ﵂ erbij. En toen lachte zij. De Profeet ﷺ had haar daarna nog iets verteld, iets wat haar zou troosten, dat zij de eerste van zijn familie zou zijn die hem in het Hiernamaals zou volgen. Dat is een ander verhaal, behoort tot een andere geschiedenis. Voor onze geschiedenis is wat ervoor staat genoeg.
Wij staan even stil bij het feit dat de informatie ons via twee vrouwen heeft bereikt. De Profeet ﷺ koos voor dit moment niet één van zijn meest vooraanstaande Metgezellen ﵃, niet Abu Bakr ﵁ aan wie hij in alle andere zaken zijn vertrouwen schonk, niet 'Umar ﵁ wiens scherpzinnigheid hij waardeerde. Hij koos zijn dochter. En Fatima ﵂ koos, op haar beurt, om wat zij wist te delen met Aisha ﵂. Tussen die twee vrouwen heeft een mededeling gewisseld die voor de oemma van betekenis bleek, en zonder hun bereidheid om haar door te geven, zou de oemma nooit hebben geweten waarom de dubbele mu’arada van dat jaar zo gewichtig was.
Want wat de Profeet ﷺ haar in vertrouwen had verteld, was niet een vaag voorgevoel. Het was een conclusie uit een waarneming. Hij had de Engel twee keer ontvangen waar hij gewoonlijk één keer ontving. Hij wist wat dat zei.
Voor onze geschiedenis van de tekst geeft dit moment nog iets extra’s. De mededeling die Fatima ﵂ aan Aisha ﵂ gaf, en die Aisha ﵂ aan de oemma overdroeg, is in de bronnen geen verloren verhaal. Het is een hadith die in de meest zorgvuldig gefilterde collectie van al-Bukhari ﵀ staat, met een keten van overdragers waarvan elke schakel benoembaar is. Dat de informatie over de dubbele mu’arada via een fluistertoon tussen vader en dochter, en vervolgens via een gesprek tussen twee vrouwen, in de openbare nalatenschap van de oemma terechtkwam, is in zichzelf een teken van hoe ernstig zelfs de meest persoonlijke mededelingen van de Profeet ﷺ werden bewaard.
Niets ging verloren. Een gesprek tussen Fatima ﵂ en haar vader werd door Aisha ﵂ doorgegeven aan haar omgeving. Haar omgeving gaf het door aan de volgende generatie. En in de derde of vierde schakel kwam het in een schriftelijke verzameling die wij vandaag nog raadplegen kunnen. Het persoonlijke werd publiek, zonder dat het zijn intimiteit verloor.
Zayd ﵁ en Ubayy ﵁ als getuigen
De mu’arada eindigde niet bij de Engel.
Een overlevering die Al-Azami uit het werk van A. Jeffery vermeldt, voegt aan het beeld een laatste laag toe. Na de finale sessie met Jibril ﵇ in dat laatste jaar, reciteerde de Profeet ﷺ samen met Zayd ibn Thabit ﵁ en Ubayy ibn Ka’b ﵁ aan elkaar. En aan Ubayy ﵁, een van de meest ervaren voordragers onder de Metgezellen ﵃, reciteerde hij in datzelfde laatste jaar twee maal.
Dit is geen detail om over te lezen. Het is, voor de tekstgeschiedenis van de Koran, een van de zwaartepunten van het hele leven van de Profeet ﷺ.
Want wat hier gebeurt is een overdracht. De hemelse toetsing was voltooid en Jibril ﵇ had zijn dubbele ijking gedaan, en nu droeg de Profeet ﷺ diezelfde geijkte tekst over aan de twee menselijke getuigen die hem het meest hadden opgeschreven en het meest met hem hadden gewerkt: de jongste van de schrijvers en een van de meest doorgewinterde voordragers. Beiden waren aanwezig, beiden deelnemer aan de finale recitatie, en beiden vanaf dat moment dragers van een tekst die al twee keer met de Engel was doorgenomen.
Dit verklaart waarom Zayd ibn Thabit ﵁ in het volgende artikel, wanneer Abu Bakr ﵁ hem opdracht geeft om de eerste suhuf te verzamelen, niet uit het niets begint. Hij heeft het gehoord. Niet ééns, maar in dat laatste jaar nog eens, en op een wijze die hij wist dat de definitieve was. Dit verklaart waarom Ubayy ibn Ka’b ﵁ later in 'Uthman’s ﵁ commissie zo’n centrale plaats inneemt. Hij was niet enkel een geleerde voordrager, hij was getuige van de afsluiting.
Wij moeten een ogenblik stilstaan bij wat dit betekent. Als wij ons afvragen wie de tekst van de Koran in zijn definitieve vorm hebben gehoord uit de mond van de Profeet ﷺ, in de wetenschap dat het de finale versie was, dan staan er twee namen op die lijst. Zayd ibn Thabit ﵁ en Ubayy ibn Ka’b ﵁. Hun aanwezigheid bij die laatste recitaties is niet symbolisch. Het is functioneel. Zij waren ooggetuigen, of beter gezegd, ooggetuigen-met-stem, van een tekst die juist die maand twee keer met de Engel was geijkt.
De keuze voor juist deze twee mannen is bovendien geen toeval. Zayd ﵁ was, zoals wij in het vorige artikel zagen, de jongste van de schrijvers, de man wiens huis naast de moskee lag en die met inktpot en schouderblad in de hand kwam wanneer de openbaring neerdaalde, en hij vertegenwoordigde daarmee de schriftelijke kant van de overlevering. Ubayy ﵁ vertegenwoordigde de mondelinge kant. Hij was de qari’, de geleerde voordrager, en al-Bukhari ﵀ bewaart de overlevering dat de Profeet ﷺ hem meedeelde dat Allah ﷻ hem had opgedragen Soera Al-Bayyina aan hem voor te dragen. Geschrift en stem, pen en mond: de twee kanalen waarlangs de Koran de toekomst in zou gaan, kwamen bij elkaar in de twee getuigen van de finale mu’arada.
En het is geen toeval dat in de generatie na het overlijden van de Profeet ﷺ deze twee namen telkens opnieuw aan elke verifiërende handeling worden gekoppeld. Zayd ﵁ stelt de eerste suhuf samen. Ubayy ﵁ vertegenwoordigt de Madinese recitatie-traditie. 'Uthman’s ﵁ commissie luistert naar hen. Zij waren niet zomaar geleerde Metgezellen ﵃, zij waren de menselijke contactpunten van de laatste mu’arada.
Wat dit betekent voor de tekstgeschiedenis
Voordat wij naar het slot gaan, vatten wij samen wat de mu’arada precies bewijst, en wat zij niet bewijst.
Zij bewijst dat de Koran tijdens het leven van de Profeet ﷺ niet enkel passief werd ontvangen, maar elk jaar in Ramadan actief werd geverifieerd aan zijn hemelse bron, door de Engel die de openbaring oorspronkelijk had gebracht. Dat is een gedocumenteerde, terugkerende procedure die men in de geschiedenis van overgeleverde openbaringsteksten op deze schaal en met deze regelmaat zelden aantreft.
Zij bewijst verder dat in het laatste jaar deze verificatie verdubbeld werd. Niet als nieuwe openbaring, maar als finale bevestiging. De tekst werd dubbel verzegeld voordat de Profeet ﷺ heenging. Wat onder Abu Bakr ﵁ in 12 AH werd verzameld, was niet een tekst die nog onderhevig was aan onzekerheid over zijn omvang of vorm. Het was een tekst die slechts maanden eerder twee keer met de Engel was doorgenomen, en in aanwezigheid van menselijke getuigen waarvan Zayd ﵁ zelf de samensteller zou worden.
Zij bewijst dat de oemma die de tekst overleverde, niet handelde uit reconstructieve nood. Zij handelde uit consolidatieve plicht. De inhoud stond vast. De volgorde stond vast. De plaatsing in soera’s stond vast, want Jibril ﵇ had die zelf bij verschillende gelegenheden geïnstrueerd. Wat ontbrak was niet de tekst, maar de fysieke bundeling.
Zij bewijst, ten slotte, dat de scepsis die in moderne polemieken weleens opduikt over de “late compilatie” van de Koran berust op een verkeerd uitgangspunt. Het uitgangspunt is dat een tekst die niet als gebonden codex bestaat, daarmee een onvoltooide tekst zou zijn. Maar de mu’arada toont dat de inhoud van de Koran al twee decennia voor de eerste bundeling jaarlijks tot in zijn laatste vers met de hemelse bron was geijkt. De vorm van de bundeling kwam later, ja. Maar de tekst die werd gebundeld was niet wat er na de Profeet ﷺ uit het collectieve geheugen werd opgevist. Het was wat in zijn laatste Ramadan twee keer met de Engel was gereciteerd, en wat hij vervolgens aan Zayd ﵁ en Ubayy ﵁ heeft overgedragen.
Tussen de tweede mu’arada en het sterfbed lagen slechts enkele maanden, en tussen het sterfbed en de aanvang van Abu Bakr’s ﵁ verzameling lag ongeveer een jaar. Voor een tekstgeschiedenis is dit niet laat, maar juist een opmerkelijk korte overgang van mondelinge en losse schriftelijke vastlegging naar een gebundelde codex.
De brug naar de ooggetuige
Wanneer later het verhaal naar de vlakte van Yamamah zal keren, naar de slag tegen Musaylimah de leugenaar en naar de huffaz die in één veldslag zouden vallen, zullen wij zien hoe 'Umar ﵁ in paniek bij Abu Bakr ﵁ binnenkomt en hem aanzet tot het binden van de Koran tot één gebonden geheel.
Wat de mu’arada-geschiedenis aan dat toekomstige moment toevoegt is dit: ‘Umar’s ﵁ paniek was geen paniek over de tekst zelf. Het was paniek over de dragers. De tekst stond vast. Hij was twee keer in het laatste jaar met de Engel doorgenomen. Hij was overgedragen aan Zayd ﵁ en Ubayy ﵁. Hij lag op honderden riqa’, adim, aktaf, adla’, likhaf, en 'usub in even zovele huizen. Wat de oemma echter aan het verliezen was, waren de menselijke geheugens die met de tekst meegingen.
Toen Zayd ibn Thabit ﵁ in het jaar 12 AH het stuk bot, perkament en palmsteel uit de huizen van Medina begon te verzamelen, deed hij geen archeologie. Hij deed boekhouding. Hij wist precies wat in zijn schrijfdoos hoorde te zitten. Hij had het zelf de Profeet ﷺ horen reciteren, in de aanwezigheid van Jibril ﵇, in de laatste mu’arada van de Profeet ﷺ. Wat hij in 12 AH op losse vellen verzamelde, was wat hij in 11 AH met eigen oren had gehoord. Geen reconstructie. Een uitschrijving.
Voor de oemma die de eeuwen door deze tekst zou dragen, blijft de mu’arada een rustpunt waar de twijfel zelden komt. Geleerden van vele generaties, onder wie at-Tabari ﵀, Ibn Hajar ﵀ en al-Baqillani ﵀, hebben ditzelfde gegeven telkens opnieuw teruggebracht naar zijn kern: dat de Koran niet door menselijke onderhandeling of redactionele compromissen tot stand is gekomen, maar jaarlijks in Ramadan met de Engel is doorgenomen, in het laatste jaar twee maal, en in aanwezigheid van benoembare menselijke getuigen aan zijn dragers is overgedragen. Wie deze keten begrijpt, begrijpt waarom de oemma in haar wijde geografische verspreiding niet over de inhoud van de tekst twist. Er valt niets te twisten, want de toetsing is veertien eeuwen geleden voltooid, op een wijze waar geen latere generatie iets aan kon toevoegen of afdoen.
Dat is, ten slotte, het diepste effect van de mu’arada op de geschiedenis van de tekst. Zij was, jaar na jaar, een gedocumenteerde toetsing van de tekst aan zijn goddelijke oorsprong, en het is die terugkerende audit die Zayd ﵁ de zekerheid gaf om in 12 AH te beginnen, die 'Uthman ﵁ in 25 AH zijn maatstaf gaf, en die de oemma tot vandaag het vertrouwen geeft dat de Koran die zij in haar handen houdt niet door menselijke commissies is opgesteld, maar tijdens het leven van de Profeet ﷺ aan zijn eigen hemelse bron is geijkt. Twee maal in zijn laatste Ramadan, voor het oog van twee menselijke getuigen.
En dat alles, zoals zovele cruciale momenten in de geschiedenis van de oemma, begon met een nachtelijk bezoek in Ramadan. Een Engel die kwam, zoals hij elk jaar kwam. Een Profeet ﷺ die met hem reciteerde, zoals hij elk jaar reciteerde. En één jaar, één enkel jaar, waarin die ene cyclus zich verdubbelde, en waarin een dochter haar vader hoorde fluisteren dat zijn termijn was gekomen.
Dat de dubbele mu’arada van dat laatste jaar tot ons is gekomen, danken wij aan een keten die door het huishouden van de Profeet ﷺ liep: Fatima ﵂ vertrouwde het toe aan Aisha ﵂, en Aisha ﵂ gaf het door aan de oemma. Zij was niet enkel de doorgeefster van dit ene bericht, maar de scherpste ooggetuige die de openbaringsgeschiedenis kent, de vrouw in wier kamer de wahy neerdaalde en op wier waarneming ons hele beeld van hoe zij neerdaalde berust. In het volgende artikel staan wij daarom stil bij haar getuigenis, voordat de tekst na de dood van de Profeet ﷺ tot één band wordt gebundeld: de getuigenis van Aisha ﵂ over de wahy.