Een PhD-student in een Engelse bibliotheek
In het voorgaande artikel volgden wij de koolstof-14 naar het Kufische fragment van Tübingen, waar een radiokoolstofmeting in Zürich een substantieel deel van de Koran met vijfennegentig procent waarschijnlijkheid tot de zevende eeuw dateerde, en daarmee de orientalistische stelling dat het Kufische schrift laat moest zijn onherroepelijk wegnam. Wij zagen hoe een natuurwetenschappelijke meting, blind voor theologie en polemiek, de islamitische tijdlijn bevestigde vanuit een hoek waar geen enkele moslimgeleerde de hand in had gehad. Maar de koolstof-14 had nog een tweede, scherper woord te spreken. Een tweede getuige zou uit een geheel onverwachte hoek komen, en zijn datering zou zelfs Tübingen naar een nog vroeger venster leiden.
Birmingham is geen stad waar men de geschiedenis van de Islam verwacht te vinden. Het is een stad van fabrieken en kanalen, van chocolade en staal, van een grijze hemel die negen maanden per jaar regen voorspelt. En toch lag daar, tussen de hoge boekenkasten van de Cadbury Research Library aan de Edgbaston-campus, ergens in een doos onder de signatuur Mingana Islamic Arabic 1572, een handschrift dat de wereld zou doen opkijken. Het had daar negentig jaar gelegen. Niemand wist wat het was.
In het voorjaar van 2015 werkte een jonge onderzoekster aan de Universiteit van Birmingham aan haar promotie. Haar naam was Alba Fedeli. Zij was een Italiaanse koranspecialiste, opgeleid in Milaan, en zij bestudeerde de manuscripten van de Mingana Collection met de geduldige toewijding die alleen een doctorandus opbrengt. Folio na folio. Bladzijde na bladzijde. Het schrift vergelijken, de inkt onderzoeken, de orthografie noteren, de varianten bijhouden. Het was het soort werk waarvoor men acht uur per dag in een leeszaal zit en aan het eind van de dag drie zinnen op papier heeft staan.
En toen viel haar iets op.
In het manuscript dat het catalogusnummer 1572 droeg, zaten twee folio’s die niet bij de rest hoorden. De rest van het boek dateerde uit een latere eeuw, vermoedelijk de zevende of achtste eeuw na de hijra. Maar deze twee bladen, gebonden tussen de andere, waren anders in alles wat telt: het pergament, de inkt en het schrift verrieden een andere hand en een ander tijdperk. Het schrift was groter, ronder, eenvoudiger; geen sierlijke Koefische afgemetenheid, maar het oude, organische Hijazi-handschrift dat de eerste generatie kalligrafen gebruikte.
Fedeli wist genoeg van Hijazi-script om te beseffen wat zij in handen had. Het Hijazi-handschrift was het schrift van de eerste eeuw na de hijra, geschreven zonder diacritische punten en zonder klinkertekens, met een licht voorovergebogen ductus die het verlengde en verticale karakter draagt van de vroegste mushafs. De grote codices van Sana’a, de mushaf van Tashkent, de mushaf van Samarqand, en de fragmenten in de Britse Bibliotheek vertonen allen ditzelfde script. Wie het eenmaal heeft gezien, herkent het direct.
Zij liep met haar bevinding naar haar promotor. Prof. David Thomas, hoofd van de afdeling Christian-Muslim Relations aan de Universiteit van Birmingham, luisterde aandachtig. De directrice van Special Collections, Prof. Susan Worrall, werd erbij gehaald. De drie keken elkaar aan en namen de enige beslissing die in zo’n situatie gerechtvaardigd is: zij stuurden een minuscuul fragment van het pergament naar het Oxford Radiocarbon Accelerator Unit voor datering. De rest zou de wetenschap doen.
Wat zij terugkregen, was niet het antwoord dat zij hadden verwacht. Het was een antwoord dat de hele kalender van de vroege islamitische geschiedenis aan een laboratorium-uitslag bond.
Vóór dit moment had niemand serieus betoogd dat ergens onder een Britse universiteitsbibliotheek een van de oudste materiële Korans ter wereld lag te wachten. De Mingana Collection stond in academische kringen bekend, maar werd vooral gewaardeerd om haar Syrische en Christelijk-Arabische bezit. De Koranfragmenten waren een bijproduct van Mingana’s bredere ambitie. Dat één van zijn doorbraken negentig jaar lang ongezien zou liggen tussen de bladen van een jonger boek, was een mogelijkheid waar geen catalogus rekening mee had gehouden. Het toont, naast alles wat het toont over de Koran, ook iets over de fragiliteit van wetenschappelijke ontdekking: hoeveel er nog steeds in onze bibliotheken sluimert, alleen wachtend op iemand die nauwkeurig genoeg kijkt.
De Mingana Collection
Om te begrijpen waarom twee Hijazi-folio’s negentig jaar lang in Birmingham hadden kunnen liggen zonder dat iemand hun ouderdom kende, moet men terug naar het begin van de twintigste eeuw, naar een Chaldeeuwse priester met een ongebruikelijke passie en een onverwachte beschermheer.
Alphonse Mingana werd geboren in 1878 in een dorp nabij Mosoel, in het noorden van het huidige Irak. Hij was een geleerde van de Oost-Syrische kerk, geschoold in het Syrisch, het Arabisch, het Hebreeuws en het Aramees. In de jaren 1910 verhuisde hij naar Engeland, en in de jaren 1920 vond hij een onverwachte beschermheer in Edward Cadbury, de erfgenaam van het bekende chocolade-imperium in Bournville bij Birmingham. Cadbury was een Quaker, een man met een diepe interesse in religieus erfgoed, en hij financierde wat een van de meest opmerkelijke verzamelreizen van de twintigste eeuw zou worden.
Tussen 1924 en 1929 reisde Mingana drie keer naar het Midden-Oosten, telkens met de opdracht om manuscripten te verwerven voor wat de Mingana Collection zou gaan heten. Hij doorkruiste Irak, Koerdistan, Egypte, Palestina en Syrië. Hij kocht handschriften uit kloosters, uit privé-bibliotheken, van handelaren op de bazaars van Mosoel en Bagdad. Hij bracht meer dan drieduizend Syrische, Arabische, Christelijk-Palestijnse en Koptische manuscripten terug naar Birmingham. Onder die berg papier en pergament zaten kerkvaders, gebedsboeken, juridische verhandelingen, kronieken, en een aantal vroege Koranfragmenten waarvan de catalogering soms decennia zou duren.
Het manuscript dat het nummer 1572 zou krijgen, behoorde tot die eerste binnenkomst. Het werd gecatalogiseerd als een Koranhandschrift, gedateerd globaal op de zevende of achtste eeuw na de hijra. De twee oudere folio’s die ertussen waren gebonden, waren een vroege boekbinder onopgemerkt gebleven, of, waarschijnlijker, waren door diezelfde boekbinder met opzet bij de jongere bladen gevoegd om het volume te versterken of de bibliotheek aan te vullen.
Negentig jaar lang gebeurde er niets. De doos werd af en toe geopend, het handschrift af en toe geraadpleegd. Maar de kritische blik die noodzakelijk was om in te zien dat hier twee verschillende eeuwen in één band waren samengevoegd, kwam pas met Alba Fedeli. Het is een herinnering dat een ontdekking soms niet vraagt om nieuwe materialen, maar om nieuwe ogen.
Mingana zelf had over de Koran niet bepaald lovende dingen geschreven. In een beruchte essay uit 1917 in The Moslem World had hij beweerd dat de Arabieren in de tijd van de Profeet ﷺ amper een eigen alfabet bezaten, en dat hun schrift volgens hem leek op het Syrische estrangelo of zelfs het Hebreeuws. Het was een visie die in de Islamitische wetenschappelijke kringen op weinig instemming kon rekenen, en die stukje bij beetje werd ontmanteld door de daaropvolgende paleografische ontdekkingen: pre-Islamitische Arabische inscripties bij Zabad en Jabal Asis, en de gedocumenteerde brieven en dictaten van de Profeet ﷺ en zijn schrijvers. Het is een ironie van de geschiedenis dat de verzameling die zijn naam draagt, in 2015 een van de krachtigste tegenbewijzen aan zijn eigen stelling zou leveren. Mingana had Arabische manuscripten verzameld die spraken van een schrift dat hij zelf had gewantrouwd. Onder zijn folio’s lag een Hijazi-mushaf die alles wat hij had beweerd, weerlegde.
De inhoud van de twee folio’s
De twee folio’s tellen samen vier beschreven zijden. Het zijn bladen van schapen- of geitepergament, vermoedelijk dat laatste, in een ruim formaat van ongeveer vierendertig bij zesentwintig centimeter. Het zijn forse bladen, geen pocketformaat; dit was een mushaf bedoeld om opengeslagen op een lessenaar te worden gereciteerd, niet om in een tas te worden meegedragen. Per bladzijde staan zeventien tot vijfentwintig regels, in een ruime, regelmatige Hijazi-hand. De inkt is donkerbruin tot zwart. De marges zijn breed.
De tekst van de folio’s bevat delen van drie opeenvolgende soera’s: het slot van Soera Al-Kahf (Soera 18), een gedeelte van Soera Maryam (Soera 19), en het begin van Soera Taha (Soera 20). De volgorde is precies die van de moderne Koran. Dit klinkt vanzelfsprekend, maar het is het niet. Het is een eerste bewijs, in de meest fundamentele zin van het woord, dat de volgorde van de soera’s al in de vroegste fase vast lag zoals zij vandaag vast ligt.
Het script is zuiver Hijazi. Het ontbreekt aan diacritische punten, de *nuqat al-i'jam* die later zouden worden ingevoerd om de letters van elkaar te onderscheiden. Het ontbreekt aan klinkertekens, de *tashkil* die Abu al-Aswad ad-Du'ali ﵀ pas decennia later zou ontwerpen onder het gezag van Mu'awiya ﵁. Het is de naakte *rasm*, het geraamte van de tekst, exact zoals 'Uthman ﵁ het had laten kopiëren en exact zoals de vroege mushafs van Sana'a het tonen. Het is een Koran zonder hulpmiddelen, want zijn lezers hadden geen hulpmiddelen nodig: zij hadden de tekst in hun harten, en het pergament was slechts een tweede geheugen.Wat de wereld in juli 2015 verbaasde, was niet de schoonheid van het schrift. Het was de overeenkomst met de moderne Koran. Regel voor regel. Vers voor vers. Woord voor woord. Niet één betekenisvolle afwijking. Niet één omgekeerde zin, niet één toegevoegde of verwijderde aya. Hier en daar een orthografische variant van het type dat in alle vroege mushafs voorkomt, een alif dat ontbreekt waar wij hem nu schrijven, een spelling die strikt rasm volgt. Zulke varianten zijn precies wat het rasm 'Uthmani karakteriseert: een zuinige spelling waarin bepaalde lange klinkers niet worden uitgeschreven, omdat de mondelinge overdracht de uitspraak vasthield en het schrift slechts de hoeksteen was.
Het soort detail dat het meest weegt, is in dit geval de afwezigheid van afwijking. Wie hoopt op dramatische varianten die de canonieke tekst zouden ondergraven, vindt op deze twee bladen niets. Wie hoopt op bevestiging dat de Koran van vandaag de Koran is van de eerste generatie, vindt op deze twee bladen alles.
Er is nog een paleografisch aspect dat een geoefend oog onmiddellijk opmerkt. Op de Birmingham-folio’s ontbreken de aya-scheiders. In de vroegste mushafs werden de verzen niet door bolletjes of cirkeltjes van elkaar gescheiden; de scheider zou in de late eerste eeuw geleidelijk worden ingevoerd, eerst in de vorm van drie kolommen van drie stippen, later in een driehoekige schikking, nog later met goudinkten teardrops voor elke tiende vers. Dat de Birmingham-folio’s deze hulpmiddelen ontberen, plaatst ze paleografisch in de vroegste fase van de mushaf-traditie, vóór de eerste reading aids hun intrede deden. Het ontbreken van aya-scheiders is geen gebrek; het is een datering.
Een tweede paleografisch detail. De soera-titels in de Birmingham-folio’s zijn afwezig. De vroegste mushafs scheidden de soera’s niet met titels maar met een eenvoudige bismillah of, in iets latere fase, met een gekleurd ornament en goud. De afwezigheid van titels op de Birmingham-folio’s is een tweede aanwijzing dat zij behoren tot de allereerste fase, voorafgaand aan de versieringen die in de late eerste en vroege tweede eeuw na de hijra opkwamen.
Een derde detail, voor wie het ziet. De spelling van bepaalde woorden volgt het rasm 'Uthmani zo zuiver dat zij eerder oud is dan een latere normalisatie. Voor de moderne lezer betekent dit dat sommige woorden niet helemaal worden geschreven zoals zij vandaag in een gedrukte Koran staan; de uitspraak is identiek, maar de schriftvorm is karig. Wie de mushaf van Ibn al-Bawwab uit het jaar 391 na de hijra naast een moderne Madinah-druk legt, vindt al verschillen in spelling die niet betekenisvol zijn maar wel illustratief; de Birmingham-folio’s bevinden zich aan het vroegste uiteinde van dat spectrum.
Radiocarbon: 568 tot 645 CE
Het laboratorium dat in Oxford de pergament-skin onderzocht, behoort tot het meest gerespecteerde ter wereld. De Oxford Radiocarbon Accelerator Unit dateert sinds 1980 manuscripten, beenderen, textiel en hout met behulp van accelerator-massaspectrometrie, een methode die de hoeveelheid koolstof-14 in een staaltje met grote precisie meet. De methode kent een marge, maar die marge is met onzekerheids-percentages duidelijk vastgelegd.
De uitslag voor de twee Birmingham-folio’s was opmerkelijk. Het pergament was geproduceerd, met een betrouwbaarheidsinterval van 95,4 procent, tussen het jaar 568 en het jaar 645 van de gewone jaartelling.
Men moet dat getal even laten bezinken.
Het jaar 568 CE ligt twee jaar voor de geboorte van de Profeet ﷺ in het Jaar van de Olifant. Het jaar 645 CE ligt dertien jaar na zijn overlijden in het jaar 11 na de hijra. De middelste waarde, het meest waarschijnlijke jaar, zou ergens in de buurt van zijn profetische missie vallen. Het pergament waarop deze Koran is geschreven, kwam van een dier dat leefde tijdens, of vlak na, de levensjaren van de Boodschapper van Allah ﷻ.
Hier is een paleografisch detail dat de uitkomst nog scherper maakt. Pergament wordt vervaardigd onmiddellijk na de slacht van het dier. Het wordt gespannen, geschraapt, gekalkt en bewerkt; dat proces duurt enkele weken tot enkele maanden. Daarna is het beschrijfbaar. Het kan in principe jaren ongebruikt blijven liggen, maar de praktijk in de vroege Islamitische periode was dat pergament kostbaar was en zelden lang werd opgespaard. Een nuchtere bovengrens voor de schrijfdatum is dus enkele decennia na de productie van het materiaal. Een nuchtere ondergrens is direct na de productie.
Praktisch betekent dit: deze twee folio’s zijn geschreven binnen, of zeer kort na, de levensduur van de generatie die de Koran rechtstreeks uit de mond van de Profeet ﷺ had ontvangen. Het zijn geen kopieën van kopieën van kopieën. Het zijn, met grote waarschijnlijkheid, kopieën gemaakt onder het rechtstreekse gezag van de Metgezellen ﵃, in dezelfde decennia waarin Abu Bakr ﵁ het eerste compilatie-bevel had uitgevaardigd en 'Uthman ﵁ de canonieke kopieën naar de provincies had verstuurd.
De aankondiging van juli 2015
Op 22 juli 2015 belegde de Universiteit van Birmingham een persconferentie in de zalen van de Cadbury Research Library. De BBC was aanwezig. The Guardian. The Times. Reuters. Al Jazeera. CNN. Vóór de persconferentie hadden de twee folio’s negentig jaar in een doos gelegen. Na de persconferentie haalden zij elk grote krantenfront op aarde.
Prof. David Thomas formuleerde het zorgvuldig. De radiocarbon-datering, zei hij, suggereert dat dit een van de oudste Koranmanuscripten ter wereld is, mogelijk geschreven door iemand die de Profeet Muhammad ﷺ persoonlijk heeft gekend. Prof. Susan Worrall toonde het manuscript onder glas, met witte handschoenen, terwijl de camera’s klikten. Dr. Alba Fedeli, de PhD-onderzoekster wier oog het had gezien, gaf vraaggesprekken in het Italiaans, het Engels en het Frans.
De moslim-gemeenschap van Birmingham, een stad met een van de grootste islamitische bevolkingen van het Verenigd Koninkrijk, stroomde in groten getale naar de universiteit toe. Op de eerste publieke tentoonstellingsdagen vormden zich rijen die zich tot ver buiten het gebouw uitstrekten. Mannen en vrouwen, jongeren en bejaarden, kwamen kijken naar twee bladen pergament achter dik glas en velen huilden. Het was hun Koran. Hetzelfde dat zij dagelijks reciteerden. Geschreven op dierenhuid, dertien eeuwen geleden, in de hand van een schrijver die misschien wel naar de Profeet ﷺ zelf had geluisterd.
De internationale wetenschappelijke pers reageerde voorzichtiger maar onmiskenbaar onder de indruk. Joseph Lumbard, een Amerikaanse Korankenner, schreef dat dit, samen met de Sana’a-fragmenten, de stelling van orientalisten die beweerden dat de Koran pas in de tweede eeuw na de hijra was samengesteld, definitief naar de archieven verwees. Mustafa Shah, docent aan SOAS in Londen, gaf aan dat het Hijazi-script en de orthografie van de folio’s volledig overeenkwamen met wat men van een mushaf uit de allereerste decennia zou verwachten.
Eén bezoeker in het bijzonder verdient vermelding. De rabbijn van de centrale synagoge van Birmingham, dr. Tann, kwam met een delegatie van zijn gemeente kijken. Hij stond lang voor de vitrine. Voor hem was het de eerste keer dat hij een Heilig Boek van een andere traditie zag dat met dezelfde paleografische ouderdom als sommige bijbelse handschriften kon worden gedateerd, en hij sprak met respect over wat hij zag. Het was, hoe klein de scène ook was, een Birmingham-moment in een Birmingham-bibliotheek: een Italiaanse onderzoekster, een Britse universiteit, een Chaldeeuws-Iraakse priester die ooit het materiaal verzamelde, een Joods-Britse rabbijn die het kwam zien, en duizenden moslims die hun erfgoed kwamen aanraken met hun ogen. Het was het beste van wat een academische gemeenschap kan zijn.
In de weken daarna kwamen de televisieploegen op rij. Birmingham, een stad die in de pers gewoonlijk geassocieerd werd met deindustrialisering en met communautaire spanningen, was plotseling de stad waar de oudste Koran ter wereld zou kunnen liggen. De lokale economie van het culturele toerisme bloeide kort op. De universiteit ontving boekensponsorschap-aanvragen vanuit de Arabische wereld die de tentoonstelling moesten verlengen. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan publiceerden Amerikaanse academische tijdschriften discussieforums met titels als “What does the Birmingham manuscript change?” en “Reading the Cadbury folios alongside Sana’a”. De academische wereld had een nieuw artefact om over te denken.
De cruciale framing in de pers werd snel duidelijk. Samen met de Sana’a-palimpsest vormden deze Birmingham-folio’s de oudste materiële Korans ter wereld. Sana’a was een grotere vondst in volume; Birmingham was een verfijndere vondst in datering, omdat hier voor het eerst een radiocarbon-uitslag de schrijfdatum tot een venster van slechts tachtig jaar comprimeerde, met een gemiddelde dat midden in de profetische periode viel.
Wat het bewijst en wat het niet bewijst
Een zorgvuldig argument vraagt om zorgvuldige onderscheidingen. Het zou voor de auteur van dit artikel verleidelijk zijn de Birmingham-folio’s voor meer te laten staan dan zij zijn; het zou voor de criticus verleidelijk zijn ze voor minder te laten staan. Beide verleidingen moeten worden weerstaan.
Wat bewijzen de folio’s wel?
Ten eerste: dat de rasm van de Koran, het geraamte van de tekst, in de vroegste materiële getuige die wij bezitten, identiek is aan de rasm van de moderne Koran. De volgorde van de soera’s, de afbakening van de verzen, de spelling van de woorden, de keuze van de bewoordingen, allemaal vallen ze binnen de marge van orthografische variatie die binnen elke vroege mushaf normaal was. Spellingsvarianten van het type hatta dat door sommige stammen als 'atta werd uitgesproken, of alif dat in het schrift wel of niet werd uitgeschreven, zijn allemaal binnen het Hijazi-schriftsysteem dat 'Uthman ﵁ erkende.
Ten tweede: dat de Koran, in materiële zin, niet werd “samengesteld” in de tweede of derde eeuw na de hijra, zoals een hele lijn van orientalistische geleerden, van Goldziher tot Wansbrough, had betoogd. Een mushaf op pergament dat met 95,4 procent waarschijnlijkheid in de zevende eeuw is geschreven, vernietigt die theorie zonder verdere argumentatie. De materiële geschiedenis spreekt sterker dan de speculatieve geschiedenis.
Ten derde: dat de mondelinge en de schriftelijke overdracht van de Koran van het allereerste begin samengingen. Het is bekend dat de Profeet ﷺ in Medina een groot aantal schrijvers had, afkomstig uit uiteenlopende stammen en streken, die op zijn aanwijzing de openbaring noteerden op stukken pergament, leer, schouderbeenderen van kamelen, palmtakken en wit gesteente. De Birmingham-folio’s zijn een product van precies dat proces: pergament beschreven door een schrijver uit die kring of zijn directe leerlingen.
Wat bewijzen de folio’s niet?
De pergament-datering bewijst, strikt genomen, niet wanneer de inkt op het pergament werd aangebracht. Het bewijst alleen wanneer het dier waarvan de huid afkomstig is, leefde. In theorie zou een schrijver decennia na de productie van het pergament nog op een ongebruikt vel kunnen hebben geschreven. Dit is een nuance die elke serieuze paleograaf erkent. Het inkt-onderzoek dat aanvullende zekerheid zou bieden, vereist destructieve bemonstering en is om begrijpelijke redenen niet uitgevoerd.
Maar deze nuance heeft grenzen. Hijazi-script werd niet eindeloos lang gebruikt; het werd geleidelijk vervangen door de Kufische varianten in de loop van de eerste eeuw na de hijra. Een schrijver in 720 CE die op oud pergament uit 600 CE een Koran zou kopiëren, zou waarschijnlijk niet in Hijazi schrijven, maar in een vroege Kufische hand. De combinatie van vroeg pergament en vroeg script versterkt het argument dat het schrijven niet veel later kan zijn geweest dan de productie van het materiaal.
De voorzichtige slotsom is dan ook maat gehouden en juist tegelijk: de Koran van Birmingham is, met overweldigende waarschijnlijkheid, een mushaf uit het midden van de zevende eeuw, geschreven binnen één generatie na het overlijden van de Profeet ﷺ, in dezelfde periode waarin 'Uthman ﵁ zijn canonieke kopieën verspreidde. Het is een vroege materiële getuige die naadloos past in de tijdlijn die de traditie altijd heeft overgeleverd, zonder dat men het venster van de datering ook maar één stap hoeft op te rekken. Het is geen “Koran van de Profeet ﷺ zelf”; zulke claims worden gedaan voor andere manuscripten, en zullen in het volgende artikel worden besproken. Maar het is een Koran van de Metgezellen ﵃, of van hun directe leerlingen, en dat is in zichzelf een wonder van bewaring.
Een tweede onderscheid dat hier moet worden gemaakt: de Birmingham-folio’s bewijzen evenmin, op zichzelf, dat alle vroege moslims dezelfde Koran reciteerden zonder enige variatie. De geschiedenis kent verhalen over privé-mushafs van Metgezellen ﵃ zoals Ibn Mas’ud ﵁ en Ubay ibn Ka’b ﵁ die afweken in detail; deze afwijkingen betroffen voornamelijk de volgorde van soera’s en sporadische woordkeuzes, niet de inhoud van de openbaring zelf. De canonisatie onder 'Uthman ﵁ had als doel die uiteenlopende privé-kopieën te vervangen door één gestandaardiseerde rasm, en de Birmingham-folio’s zijn een vrucht van dat canonisatieproces. Zij bewijzen dus dat het canoniseringsproject succesvol was, niet dat er nooit varianten hadden bestaan; en zij bevestigen dat de canonieke rasm van 'Uthman ﵁ de tekst is die de Oemma sindsdien heeft bewaard.
Een derde onderscheid: men spreekt soms losjes over “de Birmingham Koran” alsof het een volledige mushaf zou betreffen. Het zijn slechts twee bladen, samen vier bedrukte zijden, met de tekst van drie soera’s in fragmenten. Het is geen gesloten boekdeel. Maar de fragmentariteit doet niets af aan de bewijskracht; de chemie en de paleografie hangen niet af van de hoeveelheid, alleen van de kwaliteit van het materiaal. Twee folio’s volstaan om een eeuw aan revisionistische speculatie te bekorten.
Het stilzwijgen van de academie
In de jaren na de aankondiging van 2015 was er een merkbaar fenomeen waaraan men gewoonlijk te weinig aandacht besteedt. Het is een fenomeen van stilte.
Wanneer een ontdekking wordt gedaan die voor een wetenschappelijk paradigma onaangename consequenties heeft, verschijnen er gewoonlijk binnen enkele jaren peer-reviewed artikelen die de ontdekking in twijfel trekken, anders interpreteren of de implicaties beperken. Dat is gezond. Dat is wetenschap zoals zij hoort te functioneren.
Voor de Birmingham-folio’s is dat in beperkte mate gebeurd. Enkele paleografen hebben gesuggereerd dat het pergament weliswaar oud is, maar dat het schrift mogelijk iets later moet worden gedateerd dan de radiocarbon-uitslag impliceert; een minderheidsstem, die de boveneinde van de 568 tot 645-marge benadrukt of voorzichtig een paar decennia naar later schuift. Anderen hebben opgemerkt dat de twee folio’s mogelijk afkomstig zijn uit hetzelfde codex als enkele bladen die zich in de Bibliothèque nationale de France in Parijs bevinden, onder de signatuur Arabe 328c, wat de archeologische context van de Birmingham-folio’s helpt vastleggen.
Wat echter opmerkelijk afwezig is, is een serieus textueel argument tegen de overeenkomst van de Birmingham-tekst met de moderne Koran. Het is afwezig omdat er niets is om over te schrijven. De varianten die op de twee folio’s voorkomen, zijn van het type orthografisch detail dat in elke vroege mushaf wordt aangetroffen. Geen aya is verschoven, geen vers ontbreekt, geen woord is anders.
De cruciale stilte is precies daar waar de critici van tevoren stoorgeluid hadden voorspeld. Een hele generatie revisionistische geleerden had verwacht dat, als ooit een echt vroege Koran zou worden ontdekt, hij dramatisch zou afwijken van de canon. Sana’a leverde, in zijn onderlaag, enkele varianten op; allen klein, geen van betekenisvolle theologische aard. Birmingham leverde geen varianten op van enig gewicht. Waar de critici tekstuele turbulentie hadden voorspeld, vonden zij tekstuele trouw.
Dat is, voor wie de geschiedenis van het kritisch Koranonderzoek heeft gevolgd, niet niets. Het is de stille bevestiging dat een hele theoretische bouwsel, opgetrokken op de vooronderstelling dat de Koran in de tweede en derde eeuw moet zijn “samengesteld”, op zijn fundament wordt weggespoeld door één radiocarbon-uitslag en één paar Hijazi-folio’s.
Wie de drie grote revisionistische werken van de twintigste eeuw heeft gelezen, John Wansbrough’s Quranic Studies uit 1977, Patricia Crone en Michael Cook’s Hagarism uit datzelfde jaar, en Gerd-Rüdiger Puin’s vroege artikelen over de Sana’a-fragmenten uit de jaren negentig, herkent in al deze werken een gemeenschappelijke vooronderstelling: dat het zwijgen van de archeologie een argument was. De Koran, zo werd geredeneerd, kon niet stammen uit de zevende eeuw, omdat er geen materiële sporen waren. Het zwijgen was, zo werd verondersteld, bewijs voor een latere herkomst.
Het zwijgen is echter geen bewijs; het is een lacune die op vulling wacht. Sana’a vulde de lacune in 1972. Birmingham vulde haar dieper in 2015. En met elke nieuwe radiocarbon-uitslag die de afgelopen vijftien jaar is gepubliceerd over Hijazi-fragmenten in Parijs, Tübingen, Leiden en Sint-Petersburg, sluit het materiële venster zich verder rond de zevende eeuw. Het zwijgen van de archeologie was nooit het bewijs waar het voor werd aangezien; het was de geduld van een wachtende waarheid.
Twee getuigen, één tekst
De Koranwetenschap kent een oude rechtsregel die uit de Hadithwetenschap is overgenomen: één betrouwbare getuige is bewijs; twee onafhankelijke betrouwbare getuigen die hetzelfde zeggen, is zekerheid. Het Arabische woord mutawatir duidt op die onafhankelijke meervoudige overdracht waaraan geen redelijke twijfel kan worden gesticht.
Met de Birmingham-folio’s beschikt de wereld over een tweede onafhankelijke materiële getuige van de Korantekst uit de eerste eeuw na de hijra. De eerste was Sana’a, opgegraven in 1972 uit het houtwerk van de Grote Moskee. De tweede is Birmingham, gelegen sinds de jaren 1920 in een doos in Engeland, geïdentificeerd in 2015 door een Italiaanse promovendus.
Beide getuigen zijn op verschillende plaatsen geconserveerd. Beide getuigen zijn met verschillende methoden gedateerd. Beide getuigen hebben verschillende vroege geschiedenissen. Sana’a kwam uit Jemen, vermoedelijk uit de tweede helft van de eerste eeuw na de hijra. Birmingham komt mogelijk uit Egypte of Syrië, vermoedelijk uit de eerste helft van de eerste eeuw na de hijra, gezien de extreem vroege radiocarbon-marge. Twee onafhankelijke getuigen, twee verschillende locaties, één tekst.
Zij stemmen overeen met elkaar en met de moderne Koran. De afwijkingen die in Sana’a onder het wegkrabbende oppervlak verschenen, waren reeds binnen de eerste eeuw uitgewist als foutieve persoonlijke kopieën. De Birmingham-folio’s tonen geen afwijkingen van enig gewicht. Tezamen leveren zij de materiële bevestiging van wat de moslim-wetenschap altijd had geleerd: dat Allah ﷻ niet alleen heeft beloofd Zijn Boek te bewaren, maar dat Hij die belofte feitelijk in de geschiedenis heeft waar gemaakt.
إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ
"Voorwaar, Wij hebben de Vermaning neergezonden, en Wij zijn er waarlijk de Bewakers van."
Soera Al-Hijr 15:9
Dat vers werd geopenbaard aan een ongeletterde Profeet ﷺ in Mekka, in een grot, op een berg, in een stad waar boeken nog geen waarde hadden. Dertien eeuwen later wijzen twee bladen pergament in een Engelse universiteitsbibliotheek erop dat de belofte van die aya geen poëtische frase was, maar een historisch programma dat zich, eeuw na eeuw, in het pergament zelf liet aflezen.
Het bewijs hoopt zich op
Wanneer een rechter een zaak beoordeelt, vraagt hij naar bewijs van verschillende soorten. Hij vraagt naar materiële bewijsstukken, naar getuigen, naar documenten, naar plausibele motieven, naar onafhankelijke bevestigingen. Hoe meer onafhankelijke lijnen van bewijs in dezelfde richting wijzen, hoe sterker zijn vonnis kan rusten.
Voor de Koran zijn de bewijslijnen in de afgelopen anderhalve eeuw zienderogen gegroeid. De hadith-overdracht en de geschiedwerken van de eerste twee eeuwen na de hijra waren altijd al gedetailleerd over de compilatie onder Abu Bakr ﵁ en de canonisatie onder 'Uthman ﵁. Het Sana’a-handschrift voegde daar in 1972 de eerste grote materiële getuige aan toe. De Birmingham-folio’s voegden daar in 2015 een tweede en chronologisch nog vroegere getuige aan toe. Daarbij komen tientallen kleinere fragmenten in Berlijn, Parijs, Sint-Petersburg, Caïro en Istanbul, allemaal Hijazi of vroeg Kufisch, allemaal binnen de eerste eeuw of begin tweede eeuw na de hijra, allemaal in tekstuele overeenstemming met de canonieke mushaf.
Het bewijs hoopt zich op. Het hoopt zich op in één richting. Het wijst alle naar dezelfde Korantekst, in dezelfde volgorde, met dezelfde verzen, in dezelfde bewoordingen. De Koran die de moslim van vandaag op zijn lessenaar legt, is de Koran die op het pergament van Birmingham staat, is de Koran die in de palimpsest van Sana’a wegglinstert, is de Koran die de Profeet ﷺ aan zijn schrijvers dicteerde in Medina.
Twee grote mushafs blijven over, en hun verhaal verdient een eigen artikel. In het Topkapi Sarayi-museum in Istanbul wordt een mushaf bewaard die de traditie toeschrijft aan 'Uthman ﵁ zelf. In de Telyashayakh-moskee in Tashkent, hoofdstad van Oezbekistan, wordt een tweede mushaf bewaard waarvan men eveneens beweert dat hij van 'Uthman ﵁ stamt; sommige bladen zijn in de negentiende eeuw naar Sint-Petersburg verhuisd, andere zijn in 1924 door Lenin teruggegeven aan de moslims van Toerkestan. Beide manuscripten worden door duizenden bezoekers per jaar bezocht, gefotografeerd en gekust. Beide dragen claims die in de paleografische gemeenschap omstreden zijn.
Zijn dit echt de mushafs die 'Uthman ﵁ in 25 na de hijra naar de provincies zond? Of zijn het iets latere kopieën die de naam van de Khalifa hebben overgenomen door eerbied en gebruik? De vraag is groot, en het antwoord vraagt om geduld. In het volgende artikel volgen wij twee koffers met pergament door dertien eeuwen van geschiedenis, van een gebed bij Medina tot een vitrine in Istanbul, van een Centraal-Aziatische moskee tot het paleis van de tsaar en weer terug. Het is het verhaal van twee codices waarvan elk de heilige status van een derde aaron-staf draagt: misschien echt, misschien een afgeleide, maar in beide gevallen een venster op de toewijding waarmee de Oemma haar Boek door de eeuwen heeft gedragen.
Want zo werkt deze geschiedenis. Een grot bij Mekka, een kamer in Medina, een soek in Mosoel, een doos in Birmingham, een vitrine in Istanbul, een lessenaar in Tashkent. Geen tijdperk droeg het alleen, geen plaats bewaarde het volledig, geen mens kon het kapot maken. De Koran reisde door de eeuwen zoals een rivier reist door een landschap: zij neemt de vorm aan van de plaats waar zij doorheen stroomt, en blijft zichzelf van bron tot zee. Birmingham was één bocht in die rivier. Topkapi en Tasjkent zijn de volgende.