De Tragische Fitna
In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ in de zomer van 1857 een lange en uiteindelijk vergeefse belegering uitvoerde van het Franse Fort de Médine, en hoe hij na de ontzetting door Faidherbe persoonlijk in september 1857 zijn jihad strategisch heroriënteerde van de directe confrontatie met de Franse koloniale macht naar de uitbreiding in oostelijke richting tegen het Bambara-koninkrijk Segoe en de daar gelegen Saheliaanse staten. Dit artikel volgt de campagnes van 1858 tot 1862 waarin de Umarian-staat haar grootste territoriale uitbreiding bereikte, en het concentreert zich in haar tweede helft op de tragische fitna van 1862, ofwel de inter-moslim oorlog tussen de Umarian-Tijani staat en het Massina-Imamaat-Qadiri staat van Hamdullahi, een conflict dat in de Umarian-geschiedenis tot vandaag een diepe geestelijke onrust achterlaat en dat de uiteindelijke val van Umar Tall ﵀ zelf in haar bedding voorbereidde.
De Segoe-campagne
In het voorjaar van 1859, ongeveer anderhalf jaar na de mislukking bij Médine en na een strategische heroriëntatie, begon Umar Tall ﵀ de campagne tegen het Bambara-koninkrijk Segoe die in zijn aanloop reeds vanaf 1855 was voorzien. Segoe, gelegen aan de bovenloop van de Niger in het hedendaagse centrale Mali, was de grootste en militair krachtigste van de twee Bambara-koninkrijken, met een hoofdstad van enkele tienduizenden inwoners, met een traditioneel sterke politieke organisatie onder de Massassi-dynastie, en met een uitgebreide militaire macht die uit duizenden ruiters en uit een groot contingent infanterie bestond.
De Umarian-strijdmacht die in deze campagne werd ingezet, was van een nog grotere omvang dan in de Kaarta-campagne van 1855, met naar de meest gangbare schatting ongeveer dertigduizend manschappen, met inbegrip van het kerncorps van talibé-strijders met geweren, met de Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-milities uit de gehele Umarian-staat, en met aanvullende contingenten uit Bambouk en Bondou die in de voorafgaande jaren bij de jihad-staat waren aangesloten. Het opperbevel werd door Umar Tall ﵀ persoonlijk uitgevoerd, met zijn zoon Ahmadu in een toenemend onafhankelijke positie als onderbevelhebber en met Alfa Umar Cherno Baila ﵀ en Tijani Tall ﵀ in andere belangrijke bevelhebbersposities.
De val van Segoe
De campagne tegen Segoe duurde naar de gewone reconstructie ongeveer drie maanden in haar hoofdfase, met de eerste opmars in mei en juni 1859 vanuit Dinguiraye, met een serie van veldslagen tegen de naburige Bambara-bondgenoten in juli en augustus, en met de doorslaggevende veldslag voor de hoofdstad Segoe in begin september. De Bambara-troepen, voornamelijk uit ruiters met blanke wapens en uit een kleiner contingent musket-schutters bestaande, vochten in hun verdediging met aanzienlijke moed, en de gevechten waren onder de zwaarste die de Umarian-jihad tot dan toe had meegemaakt. Maar de combinatie van Umarian-vuurkracht, Umarian-discipline en Umarian-aantallen bracht de Bambara-troepen uiteindelijk in een opeenvolging van verliezen die in de val van Segoe op de 9e of 10e september 1859 uitmondde.
De Massassi-koning Ali Diarra, die in zijn laatste verzet in de hoofdstad de eer van zijn dynastie wenste te bewaren, viel in een laatste persoonlijke uitval naar de Umarian-troepen voor de hoofdpoort van zijn paleis. De Umarian-troepen namen de hoofdstad in straatgevechten geleidelijk in bezit, met de inname van het koninklijk paleis op de 11e september en met de definitieve onderwerping van het garnizoen op de 14e september. De val van Segoe markeerde de val van het grootste niet-moslim koninkrijk in West-Afrika sinds de Songhai-Sahara, en de Umarian-jihad werd daardoor in heel West-Afrika gemerkt.
De verovering van de boeken
Onder de oorlogsbuit die in de inname van het paleis van Segoe in Umarian-handen viel, bevonden zich onder andere een uitgebreide verzameling Arabische manuscripten die in de loop van de eeuwen door verschillende Massassi-koningen waren verzameld, deels uit eigen Bambara-omzettingen tot de islam en deels uit handel of geschenken van naburige moslim-staten. Umar Tall ﵀ ontving de verzameling in een persoonlijke inspectie, en hij gaf opdracht voor de overbrenging van de manuscripten naar Dinguiraye waar zij in een eigen bibliotheek werden geplaatst. De verzameling omvatte werken van algemeen islamitisch belang, waaronder een aantal zeldzame afschriften van de werken van Imam Malik ﵀ en van Imam al-Suyuti ﵀, en zij vormde een aanzienlijke aanwinst voor de geleerdheid van de Umarian-staat.
Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was de verovering van de boeken een geestelijk hoogtepunt van de campagne, en hij beschouwde haar als een teken van Allah’s ﷻ goedheid waarin de geestelijke uitwerking van zijn jihad zich niet enkel in territoriale uitbreiding maar ook in de bescherming van de moslim-geleerdheid voltrok. Hij gaf in een vrijdagspreek in Segoe in de daaropvolgende maand aandacht aan de geestelijke betekenis van deze verovering, en hij vergeleek haar met de geleerdheid die in de voorafgaande generaties door de Songhai-Sahara-staten in Timboektoe was bewaard en die geleidelijk was verloren gegaan door de Marokkaanse invasie van 1591.
De bestuurlijke organisatie na Segoe
Na de inname van Segoe ondernam Umar Tall ﵀ in de daaropvolgende maanden de bestuurlijke organisatie van het veroverde gebied, die de Umarian-staat in een aanzienlijk grotere geografische omvang plaatste dan in de voorafgaande jaren het geval was geweest. Hij stelde zijn zoon Ahmadu aan als algemeen gouverneur over het Segoe-gebied, met de opdracht de Shariʿa-rechtsorde geleidelijk in te voeren onder de overwegend nog niet geïslamiseerde Bambara-bevolking. Hij voerde een uitgebreid programma van moskee-bouw in elke grotere nederzetting van het veroverde gebied, en hij stuurde Tooroodo-onderwijzers naar de plaatselijke dorpen voor de Quran-onderwijzing aan de Bambara-jongeren in een geleidelijke islamisering. De zakaat-inning werd op georganiseerde wijze ingesteld, en de oorlogsbuit werd volgens de fiqh-conventies over de strijders verdeeld.
Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was deze bestuurlijke fase een geleidelijke overgang van de directe militaire campagne naar de stabilisatie van de uitgebreidere jihad-staat, en hij bracht ongeveer een jaar in Segoe door in een combinatie van bestuurlijke werkzaamheden, geleerde activiteiten en geestelijke begeleiding van de islamisering-processen. Het was een rustig werk dat de jihad in haar consolidatie liet zien voordat in de daaropvolgende jaren de tragische Massina-fitna zou volgen.
Naar Massina
Na de val van Segoe stond Umar Tall ﵀ voor de keuze van zijn volgende uitbreiding. De Bambara-bevolking van Segoe-grondgebied moest geleidelijk tot de islam worden gebracht en in de Umarian-staat worden opgenomen, een proces dat in de daaropvolgende maanden door zijn bestuurlijke organisatie werd uitgevoerd. Maar de aanstaande strategische uitbreiding, in zijn afwegingen, lag in de richting van het Massina-Imamaat dat zich verder oostwaarts aan de middenloop van de Niger uitstrekte en dat onder Ahmad III ﵀ de geestelijke en politieke leiding van een door de Qadiriyya geleide moslimstaat voerde.
De keuze was geestelijk delicaat. Massina was geen niet-moslim staat zoals Segoe en Kaarta waren geweest, en zij viel daarmee buiten de juridische grond waarop Umar Tall ﵀ zijn voorafgaande jihad-operaties had gerechtvaardigd. Maar Massina stond in haar Qadiri-aanwezigheid in een fundamentele verhouding tot de Umarian-Tijani-aanwezigheid, een verhouding die in de daaropvolgende jaren op een uitsluitend gevoelige wijze zou opspelen, en zij had in haar politieke beleid in de Segoe-campagne een houding aangenomen die in de Umarian-lezing onaanvaardbaar was geworden. Aan beide kwesties, en in het bijzonder aan de tweede, zou de aanstaande fitna haar vorm ontlenen.
De Mande-bondgenoten van Segoe
Een specifiek gevolg van de Segoe-campagne dat in de bredere West-Afrikaanse politieke verhoudingen van belang werd, was de behandeling van de Mandinka- en Soninke-bondgenoten van Segoe in de campagnes van 1859. De Massassi-koningen van Segoe hadden in hun jarenlange politieke opbouw een uitgebreid bondgenootschap onderhouden met naburige Mande-gemeenschappen die in hun eigen positie eveneens door de Umarian-uitbreiding werden bedreigd, en deze bondgenoten hadden in de aanloop tot de Segoe-campagne hun troepen onder de Massassi-bevelhebbersposities gebracht. Voor de Umarian-strategen betekende dit dat de Segoe-campagne niet enkel een operatie tegen het Massassi-koninkrijk was maar tegen een uitgebreide Mande-coalitie, waarin de definitieve uitkomst ook de Mande-bondgenoten zelf tot een aanstaande Umarian-onderwerping zou moeten brengen.
Umar Tall ﵀ ondernam in de maanden na de val van Segoe een uitgebreide diplomatieke campagne onder de Mande-bondgenoten waarin hij hen voor de keuze stelde tussen vrijwillige onderwerping aan de Umarian-soevereiniteit of voortzetting van het verzet met de aanstaande gewapende confrontatie als gevolg. De meerderheid van de Mande-leiders koos voor vrijwillige onderwerping, en zij werden in de daaropvolgende maanden bestuurlijk in de Umarian-staat opgenomen. Een kleinere minderheid koos voor voortzetting van het verzet en werd in een serie van kleinere militaire campagnes in de loop van 1860 onderworpen.
Het Massina-Imamaat
Het Massina-Imamaat was in 1818 door Ahmadu Lobbo ﵀, een Fulbe-geleerde uit de Maasina-gemeenschappen aan de middenloop van de Niger, gesticht in een jihad die vergelijkbaar was met de Umarian-onderneming maar die ongeveer een halve eeuw eerder had plaatsgevonden. Ahmadu Lobbo ﵀ had Massina onder een door de Shariʿa geleide staat gebracht in een Qadiri-traditie die in de West-Afrikaanse Fulbe-gemeenschappen sinds Shaykh Usman dan Fodio ﵀ algemeen was geweest, en hij had in zijn levenswerk een staatsvorm opgebouwd die in haar bestuurlijke organisatie en in haar geestelijke discipline dragend voor het Fulbe-Massina-binnenland was geworden.
In 1859, het jaar waarin Umar Tall ﵀ Segoe innam, stond Massina onder de leiding van Ahmad III ﵀, een kleinzoon van Ahmadu Lobbo ﵀, in zijn vroege jaren als imam. Ahmad III ﵀ was een geleerde van eigen statuur, opgeleid in de Qadiri-traditie en in de Maliki-fiqh van het Massina-Imamaat, en hij voerde de leiding van zijn staat op een wijze die in haar interne organisatie effectief was maar die in haar verhouding tot de geleidelijk groeiende Umarian-staat onzeker bleef. Hij ontving in 1859 de berichten over de val van Segoe met aanzienlijke bezorgdheid, en hij begreep dat de aanstaande Umarian-uitbreiding ook Massina in haar invloedssfeer dreigde te brengen.
De familiale verbintenissen tussen de twee staten
Een specifiek gegeven in de relatie tussen de Umarian-staat en het Massina-Imamaat dat de aanstaande fitna nog tragischer maakte, was de uitgebreide familiale verbintenis die in de voorafgaande generatie tussen Tooroodo-uitwijkers in Massina en Massina-Fulbe-families was ontstaan. In de loop van de jaren twintig, dertig en veertig waren vele Tooroodo-gezinnen uit Fouta Toro naar Massina uitgeweken, voorafgaand aan Umar Tall’s ﵀ eigen oproep tot de hijra, en zij hadden in Massina in een welwillende ontvangst hun nieuwe gemeenschappen opgebouwd waarin huwelijken met de plaatselijke Fulbe-bevolking de twee gemeenschappen in een uitgebreid familiaal netwerk verbonden. Voor de aanstaande oorlog betekende dit dat strijders aan beide zijden tegenover bloedverwanten kwamen te staan, en dat de geestelijke uitwerking van de fitna tot in de gewone families van beide partijen herkenbaar zou worden.
Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was deze familiale verbintenis een geestelijk verzwarende omstandigheid die hij in zijn vrijdagspreken in de aanloop tot de campagne uitvoerig besprak. Hij erkende dat de fitna de gewone families van beide partijen in een tragische positie zou plaatsen, en hij verzocht zijn aanhangers in hun strijd de plaatselijke families zoveel mogelijk te ontzien, met bijzondere aandacht voor het ontzien van vrouwen, kinderen en niet-strijdende mannen aan beide zijden van de confrontatie.
De diplomatieke uitwisseling
In de wintermaanden van 1859 op 1860 voltrok zich tussen Umar Tall ﵀ en Ahmad III ﵀ een diplomatieke uitwisseling waarin de geestelijke en politieke vorm van hun aanstaande verhouding werd onderzocht. De brieven, voor zover die in latere afschriften zijn bewaard, tonen een gesprek tussen twee West-Afrikaanse moslim-leiders die elk in hun eigen positie de geestelijke autoriteit van de ander erkenden, maar die in hun specifieke standpunten over de juiste vorm van de aanstaande verhouding op grondige verschillen stuitten.
Umar Tall ﵀ verzocht Ahmad III ﵀ in zijn brieven om een formele Massina-erkenning van de Umarian-staatsoevereiniteit, in een geestelijke samenwerking waarin de twee staten zich in een gemeenschappelijke moslim-onderneming zouden verenigen onder de geestelijke leiding van de Tijaniyya. Ahmad III ﵀ antwoordde dat hij in zijn Qadiri-traditie niet onder de Tijani-soevereiniteit kon worden geplaatst zonder de eigen geestelijke identiteit van Massina te schaden, en dat hij de Umarian-staat als een naburige gelijkwaardige moslim-soevereiniteit erkende maar niet in een ondergeschikte positie aan haar wenste te worden gebonden. De uitwisseling kwam tot een impasse, en in de loop van 1860 begonnen zich aan beide zijden de eerste tekenen van een aanstaande gewapende confrontatie te tonen.
De ulama-debatten van 1860–1861
In de jaren 1860 en 1861, in de aanloop naar de gewapende confrontatie, voltrokken zich in heel West-Afrika ulama-debatten over de juridische gronden van het aanstaande conflict. In Hamdullahi zelf werden door Ahmad III ﵀ fatwa’s gevraagd van de gevestigde Massina-geleerden, en zij oordeelden in een meerderheidsstandpunt dat de Massina-positie in haar weigering tot de uitlevering juridisch verdedigbaar was op grond van de bescherming-doctrines van de Maliki-fiqh. In Dinguiraye en in Segoe werden door Umar Tall ﵀ vergelijkbare consultaties uitgevoerd, en de Umarian-ʿulamāʾ oordeelden in haar meerderheid dat de Umarian-positie in haar eis tot de uitlevering juridisch verdedigbaar was op grond van de soevereiniteit-doctrines die in dergelijke gevallen voorrang behoorden te krijgen.
In Sokoto en in Fouta Djallon en Fouta Toro werden in geleerden-vergaderingen vergelijkbare overwegingen besproken, en de meningsverschillen waren in deze gemeenschappen aanzienlijker dan in de directe Umarian- of Massina-kringen. De geleerden van de Sokoto-Qadiri-traditie neigden naar een Massina-vriendelijke uitleg, terwijl de geleerden van de Tooroodo-Tijani-aanwezigheid in Fouta Toro naar een Umarian-vriendelijke uitleg neigden. De debatten weerspiegelden de bredere geestelijke verdeeldheid tussen de Qadiri- en de Tijani-tradities in West-Afrika, en zij lieten zien dat de juridische gronden voor de aanstaande oorlog gemengd voorlagen, zonder een eenduidige uitkomst die door beide tradities zou worden aanvaard.
De Segoe-fitna in haar geestelijke gestalte
Naast de algemene impasse over soevereiniteitskwesties voltrok zich tussen de Umarian-staat en Massina in 1860 en 1861 een uitsluitend gevoelige geestelijke uitwisseling rond een specifiek geval dat de directe aanleiding voor de aanstaande gewapende confrontatie zou worden. In de chaos van de Segoe-campagne van 1859 was een aantal Bambara-leiders uit de Massassi-clan ontsnapt naar Massina-grondgebied, waar zij door Ahmad III ﵀ asiel kregen onder de gewone Massina-conventies van politieke vluchtelingenbescherming. Umar Tall ﵀ eiste in een briefwisseling de uitlevering van deze leiders, met de juridische argumentatie dat zij in de gewone Maliki-fiqh als niet-moslim vluchtelingen niet onder de bescherming van een moslimstaat konden worden gebracht zonder dat die staat zelf in een onrechtmatige positie zou komen te staan.
Ahmad III ﵀ weigerde de uitlevering op grond van de eigen Massina-juridische tradities en op grond van zijn oordeel dat de Bambara-leiders inmiddels de islam hadden aanvaard in een formele vorm die hen onder de Massina-soevereiniteit verbond. Umar Tall ﵀ beschouwde dit antwoord als juridisch onaanvaardbaar en als een directe uitdaging van de Umarian-soevereiniteit, en hij begon in de tweede helft van 1861 met de voorbereidingen voor een gewapende campagne tegen Massina. Het was een tragische uitkomst van een inter-moslim conflict dat in beide leiders niet de eigen wens was geweest maar dat in de geleidelijke escalatie van de standpunten geen vreedzame uitkomst meer toeliet.
De geestelijke verlegenheid
Voor de gehele West-Afrikaanse moslimwereld was de aanstaande Umarian-Massina-oorlog een geestelijke verlegenheid die de moslim-onderneming in negentiende-eeuws West-Afrika voor een fundamentele uitdaging plaatste. In Sokoto sprak Sultan Aliyu Babba ﵀ in een brief aan Umar Tall ﵀ zijn zorg uit over de aanstaande confrontatie en verzocht hij hem om een vreedzame uitkomst te zoeken. In Fouta Djallon en in Fouta Toro werden in geleerden-vergaderingen de juridische gronden van de Umarian-campagne uitvoerig besproken, met meningsverschillen tussen geleerden die de Umarian-positie verdedigden en geleerden die de Massina-positie als juridisch in haar recht beschouwden. Voor de gewone moslim-bevolking in beide staten was de aanstaande oorlog een geestelijke beproeving waarvan de uitkomst onzeker was en die de gemeenschappelijke moslim-eenheid serieus zou bedreigen.
Het laatste poging tot bemiddeling
In het vroege voorjaar van 1862, voordat de Umarian-troepen in beweging kwamen, voltrok zich nog een laatste poging tot bemiddeling waarin Sultan Aliyu Babba ﵀ van Sokoto in een formele delegatie van Sokoto-geleerden naar zowel Dinguiraye als Hamdullahi schreef met de oproep tot een vreedzame uitkomst van het conflict. De Sokoto-delegatie reisde in maart en april 1862 naar beide hoofdsteden en voerde uitvoerige gesprekken met Umar Tall ﵀ en met Ahmad III ﵀, in een poging een gemeenschappelijke grond te vinden waarin beide standpunten in een geestelijk compromis konden worden samengebracht.
De pogingen werden in beide partijen met respect en met ernstige aandacht ontvangen, maar zij konden geen vreedzame uitkomst voortbrengen. De grondslagen van het conflict, zoals die in de voorafgaande jaren in de juridische standpunten waren vastgelegd, waren in beide partijen tot een punt uitgegroeid waarin geen van beiden zonder gezichtsverlies kon terugtreden. De Sokoto-delegatie keerde in mei 1862 onverrichter zake terug, en Sultan Aliyu Babba ﵀ ontving het bericht van de aanstaande gewapende confrontatie met een geestelijke verlegenheid die in zijn eigen vrijdagspreken in Sokoto werd uitgedrukt. Voor de West-Afrikaanse moslimwereld was de mislukking van de bemiddeling een bevestiging dat het conflict in zijn uitkomst geen gemeenschappelijke vorm meer kon vinden, en dat het in zijn tragische vorm zou moeten worden uitgevochten.
De aanval op Hamdullahi
In het voorjaar van 1862 startte Umar Tall ﵀ de campagne tegen Hamdullahi, de hoofdstad van het Massina-Imamaat, met een strijdmacht van ongeveer dertigduizend manschappen en met de uitgesproken doelstelling om de Massina-staat in een Umarian-soevereiniteit op te nemen. De campagne voerde door de middenloop-gebieden van de Niger en werd door de Massina-troepen onder Ahmad III ﵀ persoonlijk weerstaan, met een moed en een persoonlijke offerbereidheid waarin de geestelijke traditie van het Massina-Imamaat herkenbaar was.
De doorslaggevende veldslag voltrok zich op de 17e of 18e mei 1862 voor de stadsmuur van Hamdullahi, waarin de Massina-troepen ondanks hun moedige verzet door de Umarian-overmacht werden verslagen. Ahmad III ﵀ viel in deze veldslag in persoonlijke uitval naar de Umarian-troepen, een uitkomst die de marteldood gaf aan een moslim-leider die zijn staat tegen een andere moslim-staat had verdedigd in een conflict dat geen werkelijke winnaar kon hebben. Hamdullahi viel op de 19e of 20e mei aan de Umarian-troepen, en Massina werd in een nominale Umarian-soevereiniteit opgenomen.
De gevechten voor Hamdullahi
De gevechten voor Hamdullahi zijn door beide bronnen, Umarian en Massina, in afzonderlijke verslagen bewaard, en zij lieten de oorlog zien als de zwaarste van Umar Tall’s ﵀ campagnes. De Massina-troepen, voornamelijk uit Fulbe-ruiters en uit een georganiseerd contingent musket-schutters bestaande, vochten met de uitgesproken bereidheid van een gemeenschap die haar geestelijke identiteit verdedigde, en zij brachten in de eerste twee dagen van gevechten aanzienlijke verliezen toe aan de Umarian-troepen. Ahmad III ﵀ persoonlijk leidde verscheidene uitvallen vanuit de stadsmuur, en hij toonde in deze laatste fase van zijn leven een persoonlijke moed die in de West-Afrikaanse moslim-overlevering blijvend is bewaard.
In de derde dag van de gevechten, op de 17e mei 1862 naar de meest gangbare reconstructie, ondernam Ahmad III ﵀ met zijn meest betrouwbare medewerkers een laatste uitval, waarin hij de marteldood vond. Hij viel in een gevecht voor de hoofdpoort van Hamdullahi met het zwaard in de hand en met de takbir-formule op zijn lippen, op een wijze die in de Massina-overlevering tot een geestelijk-eerbiedwaardige uitkomst is uitgegroeid. Zijn lichaam werd door zijn medewerkers naar binnen de muren getrokken, en hij werd ritueel begraven in de centrale moskee van Hamdullahi voordat de stad in de daaropvolgende dagen door de Umarian-troepen werd ingenomen.
De tragische gestalte
De uitkomst van de Hamdullahi-veldslag had voor Umar Tall ﵀ persoonlijk een diepe geestelijke uitwerking van rouw en van innerlijke onrust. De dood van een mede-moslim leider in een conflict dat niet in een eenduidige juridische uitkomst kon worden vastgelegd, was voor een geleerde van zijn statuur een innerlijke beproeving die in zijn vrijdagspreken in de daaropvolgende maanden werd uitgedrukt. Hij sprak over Ahmad III ﵀ met respect voor diens geestelijke statuur en voor diens persoonlijke moed, en hij gaf in zijn predikingen aan dat de uitkomst van Hamdullahi niet als een Umarian-overwinning moest worden gevierd maar als een tragisch noodzakelijke uitkomst in een gemeenschappelijke moslimwereld die in haar interne verdeeldheid haar eigen leiders had verloren.
De geestelijke uitwerking van de fitna op de Umarian-gemeenschap was een verminderde moreel en een toenemende interne verdeeldheid. Vele Umarian-strijders en hun families ondergingen in de maanden na Hamdullahi een innerlijke crisis waarin zij de juistheid van de campagne in hun eigen geweten in twijfel trokken, en in een aantal gevallen verzochten zij Umar Tall ﵀ persoonlijk om opheldering over de geestelijke betekenis van de gebeurtenis. Umar Tall ﵀ beantwoordde deze vragen met de welbespraaktheid en de geestelijke ernst die hem in al zijn werk kenmerkten, maar de interne onrust in zijn gemeenschap bleef voortbestaan en zou in de aanstaande Toucouleur-Massina-opstand van eind 1863 haar tragische uitkomst vinden.
De uitkomst voor Umar Tall ﵀ persoonlijk
In de maanden na de val van Hamdullahi voltrok zich in Umar Tall’s ﵀ persoonlijke geestelijke leven een periode van verhoogde intensiteit waarin hij in lange uren van afzondering en gebed de uitkomst van de fitna in zijn eigen geweten verwerkte. Zijn naaste medewerkers vermelden in latere overlevering dat hij in deze maanden meer tijd dan ooit in zijn voorafgaande jihad-jaren in stille gebed doorbracht, dat hij vaker dan gewoonlijk de Quran-recitatie persoonlijk uitvoerde, en dat hij in zijn directe nabijheid een merkbaar verminderde uiterlijke geestdrift toonde. Voor degenen die hem in deze maanden van nabij ontmoetten, was de uiterlijke gestalte die van een man die de last van zijn levenswerk in toenemende mate voelde, en die de geestelijke kosten van de Hamdullahi-fitna in zijn eigen ziel droeg in een wijze die hij niet in publieke woorden uitsprak.
In zijn vrijdagspreken in deze periode sprak hij echter onverminderd over de geestelijke zaak van de Umarian-jihad, en hij riep zijn gemeenschap op tot een vernieuwing van de Tijani-discipline die de fitna zou kunnen overstijgen door een verhoogde geestelijke ernst. De uitwerking van deze prediking op zijn aanhangers was een gemengd gegeven, want de innerlijke onrust over de fitna kon niet enkel door geestelijke aansporing worden weggenomen, en de aanstaande Massina-opstand zou de blijvende geestelijke en politieke uitwerking van het conflict ten volle tonen.
Naar de ondergang
De jaren tussen 1862 en 1864 zouden de slotfase van Umar Tall’s ﵀ levenswerk vormen, waarin de tragische uitvloeisels van de Hamdullahi-fitna ten volle zichtbaar zouden worden. De Massina-bevolking, die in haar Qadiri-traditie zich niet zonder verzet in de Umarian-Tijani-soevereiniteit liet brengen, ondernam in 1863 een algemene opstand tegen de Umarian-bezetting, en in de daaropvolgende maanden voltrok zich een lange uitputtingsoorlog die in 1864 in Bandiagara zijn einde zou vinden in Umar Tall’s ﵀ persoonlijk dood. Aan deze laatste fase, en aan de wijze waarop de adelaar van West-Afrika in een grot bij Bandiagara zijn vleugels neervouwde, wijdt het laatste artikel van deze cyclus zijn aandacht.
In dit artikel hebben wij gezien hoe in 1859 de Umarian-jihad de grootste van de Bambara-koninkrijken in Segoe innam, hoe in de daaropvolgende jaren een geleidelijke escalatie tussen de Umarian-staat en het Massina-Imamaat plaatsvond rond de uitlevering van de Bambara-leiders, hoe in mei 1862 in de tragische veldslag voor Hamdullahi Ahmad III ﵀ van Massina de marteldood vond, en hoe de uitkomst van deze fitna de Umarian-gemeenschap in een geestelijke crisis bracht die de bedding zou vormen voor de aanstaande ondergang.
Bronnen
- David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 334–376.
- John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 334–376.
- Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 376–426.
- John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 212–256.
- William A. Brown, The Caliphate of Hamdullahi, ca. 1818–1864: A Study in African History and Tradition, University of Wisconsin Press (1969), pp. 124–198.
- Bintou Sanankoua, Un empire peul au XIXe siècle: La Diina du Maasina, Karthala (1990), pp. 156–214.
- Amadou Hampâté Bâ en Jacques Daget, L’Empire peul du Macina, IFAN-Mouton (1962), pp. 256–314 [voor de Massina-gestalte van het conflict].
- Yves Person, Samori: une révolution dyula, tome I, IFAN-Dakar (1968), pp. 168–212.
- al-Hajj Umar Tall ﵀, Bayan ma Waqaʿa en aanvullende geschriften over de Hamdullahi-fitna; Franse vertaling Mahibou-Triaud, Éditions du CNRS (1983), pp. 88–168.
