InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het Beleg van Fort de Médine
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

Het Beleg van Fort de Médine

Het Beleg van Fort de Médine

In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ in de jaren 1855 tot het vroege 1857 de tweede fase van zijn jihad uitvoerde in een combinatie van militaire onderwerping van Kaarta, vreedzame opname van Bambouk en Bondou, en diplomatieke uitwisseling met de Franse koloniale autoriteiten in Saint-Louis. Wij zagen hoe Gouverneur Louis Faidherbe in zijn nieuwe koloniale doctrine de bouw van het Fort de Médine in Khasso voorbereidde als een directe Franse positie tegenover de aanstaande Umarian-uitbreiding aan de bovenloop van de Senegal. Dit artikel volgt de Umarian-aanval op Fort de Médine in de zomer van 1857, het lange beleg dat ongeveer drie maanden duurde, en de ontzetting van het fort door Faidherbe persoonlijk in de laatste fase, een uitkomst die voor de Umarian-jihad de eerste werkelijke militaire nederlaag betekende en die in haar gevolgen de strategie van de jihad-staat wezenlijk wijzigde.

De voorbereidingen aan beide zijden

In de eerste maanden van 1857 voltrokken zich aan beide zijden van de aanstaande confrontatie militaire voorbereidingen die in haar combinatie het verloop van de aanstaande belegering bepaalden. In Saint-Louis ondernam Faidherbe een aanvoer van wapens, ammunitie en versterkingen naar het fort, met stoomboten die wekelijks stroomopwaarts voeren om de bevoorrading op een niveau te brengen dat in geval van een langdurig beleg het garnizoen staande zou houden. Hij liet ook in Saint-Louis een reservetroep van enkele honderden tirailleurs in een verhoogde paraatheid brengen, met de uitgesproken bedoeling om bij de eerste tekenen van een Umarian-aanval een ontzettingsexpeditie te kunnen lanceren.

In Dinguiraye verzamelde Umar Tall ﵀ in deze maanden zijn strijdmacht uit de verschillende provincies van de Umarian-staat, met de oproep tot algemene mobilisatie die in elke nederzetting werd verspreid en die door de gewone Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-strijders met geestelijke bereidheid werd beantwoord. Hij voerde voorbereidingsbijeenkomsten met zijn naaste medewerkers waarin de tactische opzet van de aanstaande operatie werd vastgelegd, en hij ondernam een vasten-periode van enkele dagen in zijn persoonlijke gebed waarin hij de aanstaande campagne aan Allah ﷻ overdroeg als een persoonlijke geestelijke voorbereiding.

Het Fort de Médine

Fort de Médine, in 1855 begonnen en in het voorjaar van 1857 voltooid, was een Frans militair fort op een strategische ligging aan de noordelijke oever van de Senegal-rivier in het Khasso-grondgebied, op een afstand van ongeveer vijfhonderd kilometer stroomopwaarts van Saint-Louis. Het fort was gebouwd in een stijl die de moderne Franse militaire architectuur van de jaren vijftig weerspiegelde, met dikke aarde- en steenwanden in een vierkante aanleg, met bastion-versterkingen op de hoeken voor de kruisvuur-verdediging, met een binnenplaats voor het garnizoen, en met een aanlegplaats aan de rivier die de bevoorrading per stoomboot mogelijk maakte. De wallen waren bewapend met enige tientallen kanonnen van verschillende kalibers, met inbegrip van enkele zware kustkanonnen die in een uitgesproken aanvallende positie waren opgesteld, en zij konden tegen elke aanval met blanke wapens of met gewone muskettenvuur betrekkelijk veilig verdedigd worden.

Het garnizoen van het fort, onder bevel van Commandant Paul Holle, een halfbloed-officier van Frans-Senegalese afkomst die in de Franse koloniale dienst zijn carrière had opgebouwd, omvatte in juli 1857 ongeveer honderdvijftig manschappen, met onder hen een kleinere groep Franse officieren en een meerderheid van plaatselijke tirailleurs-soldaten die in de Franse koloniale dienst waren opgeleid. De groep werd in haar verdediging aangevuld met enige duizenden Khasso-strijders die onder hun plaatselijke chefs Hawa Demba en Sambala in de Franse alliantie stonden en die in hun bezetting van de naburige dorpen rond Médine een eerste verdedigingslinie vormden tegen een aanstaande Umarian-aanval.

De strategische betekenis

Voor beide partijen in de aanstaande confrontatie bezat Fort de Médine een strategische betekenis die de uitkomst van de Umarian-jihad in haar verhouding tot de Franse koloniale macht zou bepalen. Voor Faidherbe was het fort de springplank voor de aanstaande Franse uitbreiding stroomopwaarts in de Senegal-vallei en de barrière die de Umarian-uitbreiding stroomafwaarts zou kunnen tegenhouden. Voor Umar Tall ﵀ was het fort de blokkade die zijn aanstaande operaties tegen Segoe verder oostwaarts onmogelijk zou maken indien hij haar niet kon breken, en de eerste werkelijke Franse positie die zijn jihad in een directe gewapende confrontatie met de koloniale macht zou plaatsen. De inname van het fort, in geval van Umarian-succes, zou de Franse koloniale uitbreiding in een ernstige tegenslag plaatsen en zou aan de Umarian-jihad een internationale geestelijke en politieke autoriteit verlenen die haar tot dan toe ontbrak. De verdediging van het fort, in geval van Frans succes, zou de Franse koloniale strategie bevestigen en zou de Umarian-jihad in haar eerste werkelijke militaire nederlaag tot een wezenlijke heroriëntatie dwingen.

De geestelijke voorbereiding van de gemeenschap

Naast de militaire en logistieke voorbereidingen ondernam Umar Tall ﵀ in de wintermaanden van 1856 op 1857 ook een geestelijke voorbereiding van zijn gemeenschap op de aanstaande campagne, op een wijze die de Umarian-traditie zou kenmerken. Hij voerde in de hoofdmoskee van Dinguiraye een serie van vrijdagspreken waarin de aanstaande confrontatie met de Franse koloniale macht in een geestelijke kader werd geplaatst, en hij organiseerde gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten waarin de Tijani-discipline in een verhoogd ritme werd gevierd ter voorbereiding op de aanstaande beproeving. Hij riep ook de plaatselijke moskee-imams en de naib-bestuurders bijeen voor een uitgebreide vergadering waarin de geestelijke opzet van de aanstaande campagne gemeenschappelijk werd vastgelegd en waarin de plaatselijke instructies voor het ondersteunen van de campagne via gebed en zakaat-bijdragen formeel werden gegeven.

Deze geestelijke voorbereiding maakte de aanstaande campagne niet enkel tot een militair maar tot een werkelijk gemeenschapsmoment, en zij betrok de gehele Umarian-bevolking in de campagne via geestelijke deelname zelfs voor de gemeenschapsleden die fysiek niet in de mars meegingen. Zij hield de moreel van de aanstaande campagne hoog en ondersteunde in de daaropvolgende maanden van het beleg ook de uithouding van de strijders.

De Umarian-aanval

In de tweede helft van april 1857 begon de Umarian-strijdmacht haar opmars vanuit Dinguiraye in de richting van Fort de Médine, in een militaire campagne die in haar geheel ongeveer twintigduizend manschappen omvatte, met onder hen het kerncorps van talibé-strijders met geweren en een uitgebreide ondersteuning van Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-milities die zich in de campagnes van de voorafgaande jaren in de jihad-staat hadden gevormd. Umar Tall ﵀ voerde de campagne in persoonlijke leiding uit, met zijn zoon Ahmadu en met Alfa Umar Cherno Baila ﵀ in onderbevelhebbersposities, en met de uitgebreide logistieke ondersteuning waarop de Umarian-jihad in haar tweede fase kon steunen.

De opmars duurde ongeveer drie weken, met onderbrekingen voor de tactische voorbereiding van de aanstaande aanval en voor de coördinatie van een aantal kleinere Mandinka-bondgenoten die zich in de loop van de mars bij de Umarian-strijdmacht aansloten. Tegen de eerste week van mei stond de Umarian-troep voor Fort de Médine en begon de eerste fase van de gewapende confrontatie. Umar Tall ﵀, die in de voorafgaande dagen via gewone uitwisseling met Commandant Holle een ultimatum tot overgave had laten overdragen waaraan Holle in een waardige weigering had geantwoord, hief zijn troep voor de eerste bestorming op.

De eerste bestormingspogingen

Bij de eerste bestormingspogingen, in de tweede helft van mei en de eerste helft van juni 1857, trokken de Umarian-strijders herhaaldelijk in golven van enkele duizenden manschappen tegelijk tegen de wallen van het fort op in een poging via blootstelling van massa de Franse verdediging te overweldigen. De Umarian-tactiek, hoewel zij in haar voorafgaande campagnes tegen Mandinka- en Bambara-troepen herhaaldelijk succesvol was geweest, stuitte hier tegen een verdedigingsmacht die in haar bewapening en in haar verdedigingswijze van een geheel andere aard was dan haar voorafgaande tegenstanders.

De Franse kanonnen op de bastions, die een georganiseerd kruisvuur over de aanvalswegen konden uitvoeren, brachten in elke bestormingspoging zware verliezen aan de Umarian-strijders toe. De plaatselijke tirailleurs-soldaten, die van bovenaf op de wallen geweren afvuurden in een hoog tempo dat in West-Afrika nergens anders werd geëvenaard, brachten daarnaast aanzienlijke verliezen toe. En de kazematten van het fort, waarin de bevoorrading en de munitievoorraden veilig waren opgeslagen, stelden het garnizoen in staat een lang volgehouden weerstand te bieden zonder in een fundamentele logistieke uitputting te raken.

In de eerste vier weken van het beleg leden de Umarian-strijders verliezen van naar de Franse schattingen ongeveer drieduizend manschappen aan gesneuvelden en gewonden, en de algemene tactische uitkomst was geen merkbare voortgang in de richting van de inname van het fort. Umar Tall ﵀ herzag in deze fase zijn aanpak, en hij ging over van de directe bestormingstactiek naar een meer geleidelijke belegeringstactiek waarin het fort door uithongering en door geleidelijke ondermijning zou worden gebroken.

De ultimatum-uitwisseling

Voor de eerste bestormingen had Umar Tall ﵀ een ultimatum-uitwisseling met Commandant Holle gevoerd die de geestelijke ernst van de aanstaande confrontatie weerspiegelde. Hij zond aan Holle, via een Tooroodo-tolk die in het Frans en in het Arabisch tussen de twee partijen kon bemiddelen, een schriftelijk ultimatum waarin hij Holle drie keuzemogelijkheden voorlegde. Ten eerste de overgave van het fort aan de Umarian-staat, waarbij het garnizoen vreedzaam zou worden afgevoerd naar Saint-Louis en de Franse koloniale aanwezigheid aan de bovenloop van de Senegal zou worden opgeheven. Ten tweede de aansluiting van het garnizoen bij de Umarian-jihad onder de Tijani-discipline, indien de plaatselijke moslim-strijders dat in hun geweten voor Allah ﷻ wensten te kiezen. Ten derde de voortzetting van het verzet met de aanstaande gewapende confrontatie als gevolg.

Holle antwoordde schriftelijk, in de Franse koloniale traditie die gewone hoffelijkheid combineerde met onverbiddelijke vastberadenheid. Hij verklaarde dat het fort hem door de Franse koloniale macht was toevertrouwd, dat hij in geweten verbonden was deze opdracht uit te voeren tot het einde toe, en dat hij elke poging tot inneming met de hem ter beschikking staande militaire macht zou beantwoorden. De uitwisseling werd uitgevoerd in wederzijds militair respect, en zij vormde de bedding waarop de aanstaande gevechten als een geordende militaire confrontatie zouden plaatsvinden zonder de gewone gewelddadigheid van een ontaarde belegering.

Het lange beleg

Vanaf de tweede helft van juni 1857 tot in september van dat jaar voerde Umar Tall ﵀ een lang beleg uit waarin de Umarian-troep het fort afsloot, met de blokkade van de wegen die het garnizoen met de naburige Khasso-dorpen verbonden en met een aanhoudende lichtere militaire druk op de wallen zonder een nieuwe grote bestorming. De gedachte was dat de bevoorrading van het fort, die enkel via de rivier vanuit Saint-Louis kon worden uitgevoerd, in de loop van de regentijd in een natuurlijke wijze zou worden onderbroken indien de Umarian-troep de rivieraanlandingsplaats voldoende kon bedreigen, en dat het garnizoen in de daaropvolgende maanden geleidelijk zou worden uitgeput.

In de praktijk werkte deze tactiek slechts ten dele, want de Franse marine slaagde er met aanzienlijke moeite in de bevoorrading van het fort gedurende de zomer in stand te houden. Stoomboten van de Franse koloniale marine, een verschijning die in West-Afrika nieuw was en waartegen de Umarian-strijders geen geschikt antwoord bezaten, voeren herhaaldelijk stroomopwaarts naar Médine in opdrachten van bevoorrading en van versterking, en zij wisten in elke opdracht ondanks aanzienlijke Umarian-tegenstand het garnizoen staande te houden. De Umarian-strijders konden de boten met hun gewone muskettenvuur niet effectief tegenhouden, en zij beschikten over geen geschikte rivierwapens om de boten te onderscheppen.

De verdediging van het garnizoen

Voor het garnizoen van Fort de Médine, in zijn beklemde positie onder een Umarian-troep die het in aantal honderdtwintig keer overtrof, voltrok zich in deze maanden een verdediging die in de Franse koloniale geschiedschrijving tot een legende is uitgegroeid. Commandant Paul Holle voerde de verdediging in een combinatie van militair vakmanschap, persoonlijke moed en geleidelijke uitputting van zijn beschikbare middelen uit. De ammunitievoorraden werden streng gerantsoeneerd beheerd, het voedsel werd in een opklimmend rantsoenregime verdeeld, en de plaatselijke Khasso-strijders onder Hawa Demba en Sambala werden in een gemengde verdedigingsmacht met de Franse tirailleurs samengebracht in een coördinatie die ondanks de culturele en talige verschillen werkbaar bleef.

De gewone bewoners van Médine, die in hun dorp onder de bescherming van het fort hadden geleefd, ondergingen in het beleg ernstige ontberingen. Het voedsel raakte in de tweede helft van het beleg op, het drinkwater werd in zijn beschikbaarheid beperkt door de Umarian-blokkade, en de algemene zorg voor de gewonden en de zieken bracht een aanhoudende druk op de beperkte middelen van het garnizoen. Holle bewaarde in deze omstandigheden een persoonlijk leiderschap dat door zijn ondergeschikten in een blijvend respect werd opgenomen, en hij wist het garnizoen in een morele samenhang te houden die ondanks de objectieve hopeloosheid van de situatie effectief was.

De aanvallen via de tunnel-tactiek

In de tweede helft van juli 1857 ondernam Umar Tall ﵀ een aanvullende tactiek waarin de wallen van het fort via een aanleg van tunnels van onderaf zouden worden ondergraven om geleidelijk een doorbraak voor de aanstaande bestorming te scheppen. De tactiek werd uitgevoerd door een geleide groep van Mandinka-mijnwerkers die in de bovenloop van de Senegal in de plaatselijke goudwinning waren opgeleid en die over technische bekwaamheid in het graven van onderaardse gangen beschikten. Het graafwerk werd in een omslachtige discipline uitgevoerd, met de geluiden van de werkzaamheden 's nachts gemaskeerd door gewone Umarian-kampactiviteiten, en het vorderde in de loop van de zomer geleidelijk naar de eerste van de fortwallen.

Holle, die met zijn militaire ervaring de aanwezigheid van de Umarian-tunnel-aanleg via geluiden en via Khasso-informanten had opgespoord, ondernam een tegenmijntactiek waarin Franse pioniers vanuit het fort eigen tunnels groeven om de Umarian-werkzaamheden te onderscheppen. In de eerste week van augustus voltrok zich ondergronds een serie van kleinere gevechten tussen Umarian- en Franse mijnwerkers, die voor beide partijen verliezen veroorzaakte zonder dat de strategische uitkomst definitief werd bepaald. De tunnel-tactiek werd in de tweede helft van augustus door Umar Tall ﵀ opgegeven, en hij ging over op een hervatte directe belegering in afwachting van de verwachte Franse ontzettingsexpeditie.

De ontzetting door Faidherbe

In de eerste week van september 1857, na bijna vijf maanden van Umarian-aanwezigheid voor het fort, ondernam Faidherbe persoonlijk een ontzettingsexpeditie vanuit Saint-Louis stroomopwaarts naar Médine, waarmee de Franse koloniale macht haar volle inzet wenste te tonen tegen de Umarian-jihad. Hij verzamelde voor deze expeditie een troep van ongeveer vijftienhonderd manschappen, met onder hen Franse mariniers, koloniale tirailleurs, een aanzienlijke artillerie en een verzameling stoomboten die de overstand stroomopwaarts moesten leiden. De expeditie verliet Saint-Louis in de eerste week van september en vorderde stroomopwaarts in een tempo dat in de West-Afrikaanse militaire conventie nieuw was, namelijk gemiddeld vijftig kilometer per dag dankzij de combinatie van stoomvoortstuwing en de landingseenheden die in de tussenliggende dorpen de plaatselijke weerstand stelselmatig onderdrukten.

Tegen de 18e van september naderde Faidherbe Médine en confronteerde hij Umar Tall’s ﵀ troep in een serie van gevechten die zich uitstrekten over de daaropvolgende vijf dagen. De Franse militaire macht, in haar combinatie van geprofessionaliseerde infanterie, geconcentreerde artillerie en stoomvaart-mobiliteit, was van een geheel andere aard dan de Umarian-strijders eerder hadden ontmoet, en de directe schaal van deze gevechten plaatste het Umarian-tactische denken voor een fundamentele uitdaging. Umar Tall ﵀ besloot, in een doordachte beslissing die het karakter van een waardige terugtocht had en niet dat van een vlucht, op de 22e september de belegering op te heffen en zijn troep georganiseerd terug te trekken naar het oosten in de richting van de Niger-bovenloop.

De confrontatie aan de rivier

Op 18 september 1857 kreeg Umar Tall ﵀ via zijn verkennings-informanten het bericht dat Faidherbe’s stoomboten met de hoofdmacht van de ontzettingsexpeditie de laatste bocht in de rivier voor Médine waren genaderd. Hij ondernam in de daaropvolgende avond een laatste poging om de Franse opmars op te houden door een gecoördineerde aanval vanuit twee zijden van de rivier op de Franse boten en op de Franse landingseenheden. De aanval werd in de morgen van 19 september uitgevoerd in een combinatie van geweervuur vanaf beide oevers en van een opmars door Umarian-strijders te paard die de Franse landingseenheden snel trachtten te overweldigen voordat de hoofdmacht aan land kon komen.

De Franse troepen, in hun geprofessionaliseerde defensieve opstelling en met de ondersteuning van de zware kanonnen op de stoomboten, brachten de Umarian-aanval na enkele uren van bittere gevechten tot stilstand. De Umarian-verliezen in deze laatste fase waren aanzienlijk, met enkele honderden gesneuvelden en gewonden op een dag waarin de Umarian-tactiek voor het eerst niet voldoende was om de Franse militaire overmacht te breken. Faidherbe wist tegen het einde van de middag van 19 september zijn hoofdmacht aan land te brengen, en in de daaropvolgende dagen voltrok zich de ontzetting van het fort geleidelijk en zonder verdere grote gevechten.

De gestalte van de terugtocht

De terugtocht werd ordelijk uitgevoerd, met de Umarian-strijders in een formatie die hun gewonden en hun materieel meebracht en die de Franse achtervolging zo lang mogelijk vertraagde. Faidherbe ondernam in de eerste dagen een actieve achtervolging, maar hij begreep al snel dat een diepe achtervolging in het Umarian-territorium zonder verdere voorbereiding tot een Franse logistieke uitputting zou leiden die de uitkomst van de ontzetting in haar tegendeel zou keren. Hij keerde daarom na enige dagen terug naar Médine, hij bevestigde Holle in zijn verdedigingspositie, en hij verzamelde de gegevens voor zijn rapporten naar Parijs over de uitkomst van de Frans-Umarian confrontatie.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk had de uitkomst van het Beleg van Médine een dubbel karakter. Aan de ene kant was de inname van het fort niet gelukt, en in dat opzicht was de campagne militair een nederlaag. Aan de andere kant had hij zijn troep ondanks de Franse ontzetting ordelijk teruggetrokken, hij had de Franse koloniale macht voor het eerst in een directe militaire confrontatie met de Umarian-jihad geconfronteerd, en hij had in zijn campagne zelf de Franse uitbreiding stroomopwaarts in een aanzienlijke vertraging gebracht. De uitkomst was, met andere woorden, geen catastrofale nederlaag maar een teleurstellende mislukking die de Umarian-jihad tot een strategische heroriëntatie zou brengen.

De internationale weerklank

Het Beleg van Médine kreeg een internationale weerklank die in de tweede helft van 1857 in de Franse, Britse en Ottomaanse pers haar neerslag vond. In de Franse koloniale pers werd de verdediging door Holle en de ontzetting door Faidherbe gevierd als een glorieus moment van de Franse koloniale macht, en Holle en Faidherbe werden in de daaropvolgende decennia in de Franse koloniale herinnering tot helden verheven die in schoolboeken en in koloniale tentoonstellingen werden geëerd. In de Britse pers werd de gebeurtenis met meer afstand besproken, met aandacht voor de bredere geopolitieke uitwerking voor de West-Afrikaanse koloniale wedijver. In de Ottomaanse pers werd de Umarian-mislukking met enige geestelijke verlegenheid besproken, want de Ottomaanse autoriteiten hadden vanuit een algemene moslim-solidariteit een sympathie voor de Umarian-jihad onderhouden zonder daarbij directe steun te kunnen leveren.

Voor de moderne historiografie blijft het Beleg van Médine een van de centrale gebeurtenissen van de negentiende-eeuwse West-Afrikaanse koloniale geschiedenis, en het wordt in verscheidene moderne studies uitvoerig besproken als een kantelmoment waarin de Frans-Umarian betrekking in haar fundamentele vorm werd vastgesteld. Voor de Umarian-traditie blijft het beleg in haar herinnering gemengd aanwezig, in een geestelijke aanvaarding van de uitkomst gecombineerd met een blijvende waardering voor de moed waarmee de Umarian-strijders in een onevenwichtige confrontatie hun zaak hadden gevoerd.

De gevolgen van het beleg

In de maanden na de mislukking van het Beleg van Médine voltrok Umar Tall ﵀ een strategische heroriëntatie waarin de aandacht van zijn jihad werd verschoven van de directe confrontatie met de Franse koloniale macht naar de uitbreiding in oostelijke richting tegen Segoe en de daar gelegen Bambara-staat. Hij begreep dat de Franse macht in haar combinatie van vuurkracht, mobiliteit via de rivier, en logistieke beschikbaarheid een tegenstander was die in een directe gewapende confrontatie niet kon worden geslagen met de middelen die de Umarian-jihad op dat moment ter beschikking had, en hij koos voor een strategie waarin de Umarian-staat haar greep op de bovenloop van de Niger zou consolideren en in de daaropvolgende jaren een diepere expansie naar het oosten zou ondernemen.

De Franse-Umarian betrekking voltrok zich in deze gewijzigde vorm in de daaropvolgende vijf jaar in een onstabiel evenwicht waarin geen van beide partijen tot een definitieve confrontatie ging maar waarin de geleidelijke aftasting van elkaars positie langs diplomatieke weg voortduurde. Faidherbe verstevigde in deze jaren de Franse positie aan de bovenloop van de Senegal en breidde de Franse heerschappij langzaamaan stroomopwaarts uit, terwijl Umar Tall ﵀ zijn aandacht voornamelijk op de Segoe-campagne en op de daaropvolgende uitbreiding richtte.

De gestalte van Holle in de Franse herinnering

Paul Holle, de halfbloed-commandant die de verdediging van Fort de Médine in haar geheel had geleid, werd in de Franse koloniale herinnering tot een figuur verheven die in de daaropvolgende decennia in de gewone schoolboeken en in de koloniale gedenktekens van Saint-Louis werd gevierd. Hij overleefde het beleg en de daaropvolgende verdere koloniale dienst, hoewel zijn persoonlijke leven door de ontberingen van het beleg aanzienlijk werd belast, en hij ontving van de Franse autoriteiten in de daaropvolgende jaren verscheidene eervolle onderscheidingen voor zijn rol. Zijn positie als halfbloed-officier in de Franse koloniale dienst maakte hem in de daaropvolgende decennia ook tot een geliefd voorbeeld in de Franse koloniale propaganda van wat de assimilatie-doctrine moest worden, wat in de moderne historiografie met aanzienlijke kritische distantie wordt beschouwd.

Voor de Umarian-traditie blijft Holle in haar herinnering een figuur die met enige militaire respect wordt behandeld, want zijn moed in de verdediging werd zelfs door zijn vijanden erkend, maar zonder de bewondering die in de Franse koloniale herinnering aan hem werd toegekend. Het beeld van Holle in de twee historische tradities weerspiegelt de bredere Frans-Umarian betrekking, waarin elk van de twee partijen haar eigen helden vereert op een wijze die voor de andere partij vreemd blijft.

De geestelijke verwerking

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was de mislukking van het Beleg van Médine een geestelijke uitdaging waarin hij de uitkomst van zijn campagne innerlijk moest verwerken. In zijn vrijdagspreken in Dinguiraye in de maanden na de terugtocht, voor zover die in latere afschriften zijn bewaard, sprak hij over de uitkomst van Médine niet als een geestelijke nederlaag maar als een beproeving die door Allah ﷻ aan zijn gemeenschap was gezonden op een wijze die in de profetische voorbeeldigheid herkenbaar was. Hij wees op de mislukking van de Profeet ﷺ bij Uhud in het tweede jaar na de Hijra, waarbij de moslims na hun overwinning bij Badr een tegenslag ondergingen om in een geestelijke discipline gevormd te worden voordat zij in latere overwinningen hun definitieve vorm zouden verwerven.

De toepassing van deze profetische voorbeeldigheid op de Umarian-situatie was een geestelijke verwerking die de moreel van zijn aanhangers hoog hield ondanks de objectieve uitkomst van de campagne, en zij vormde de bedding waarop de Umarian-jihad in haar daaropvolgende fase opnieuw kon optrekken. Hij riep zijn gemeenschap op tot een vernieuwing van de geestelijke discipline, tot een bezinning op de eigen oprechtheid in de zaak, en tot een hervatte voorbereiding op de aanstaande campagnes tegen Segoe waarin de werkelijke uitkomst van de Umarian-jihad zou worden bepaald.

Naar Segoe en Massina

De jaren tussen 1858 en 1862 zouden in de Umarian-geschiedenis worden ingenomen door de campagnes tegen Segoe en de daaropvolgende campagnes tegen het Massina-Imamaat, waarin de Umarian-staat haar grootste territoriale uitbreiding zou bereiken maar waarin tegelijkertijd de eerste interne spanningen zouden opspelen die in 1862 in de Hamdullahi-fitna haar tragische uitkomst zouden vinden. Aan deze jaren, en in het bijzonder aan de inter-moslim oorlog met het Tijani-Qadiri-conflict tussen de Umarian-staat en het Massina-Imamaat, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.

In dit artikel hebben wij gezien hoe in 1857 de Umarian-jihad in haar eerste werkelijke confrontatie met de Franse koloniale macht een mislukking ondervond bij het Beleg van Fort de Médine, hoe Faidherbe in zijn ontzettingsexpeditie de Franse koloniale militaire macht in haar volle omvang demonstreerde, en hoe Umar Tall ﵀ in zijn strategische heroriëntatie de aandacht van zijn jihad naar het oosten zou richten. De Frans-Umarian betrekking was daarmee in een onstabiel evenwicht ingevoerd dat in de daaropvolgende jaren zou voortduren, en de Umarian-jihad in haar tweede fase was in haar verloop wezenlijk gewijzigd.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 294–334.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 294–334.
  • Yves Saint-Martin, Le Sénégal sous le second empire: Naissance d’un empire colonial (1850–1871), Karthala (1989), pp. 158–214.
  • Léonce Jore, “Le siège de Médine (1857)”, in Revue d’histoire des colonies 41, 144–145 (1954), pp. 268–319.
  • Leland Conley Barrows, “The Merchants and General Faidherbe: Aspects of French Expansion in Senegal in the 1850s”, in Revue française d’histoire d’outre-mer 61, 223 (1974), pp. 236–283.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 334–376.
  • John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 168–212.
  • Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade, Cambridge University Press (1998), pp. 294–334.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Bayan ma Waqaʿa, Arabisch handschrift; Franse vertaling Mahibou-Triaud, Éditions du CNRS (1983), pp. 24–88 [voor zijn eigen verslag van de Médine-campagne].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).