InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Basis van de Jihad
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

Basis van de Jihad

Basis van de Jihad

In het voorgaande artikel volgden wij al-Hajj Umar Tall ﵀ in zijn West-Afrikaanse terugkomstjaren, in zijn verblijf in Sokoto onder Sultan Muhammad Bello ﵀, in zijn werkjaren in Fouta Djallon waar hij zijn militaire macht en zijn Tijani-netwerk uitbouwde, en in de geleidelijke ontwikkeling van de politieke blauwdruk die hij in de Rimah tot theoretische gestalte bracht. Wij zagen hoe in 1849 of het vroege 1850 de spanning met de Almami van Fouta Djallon hem ertoe bracht een verplaatsing voor te bereiden naar de nederzetting Dinguiraye in het noordoostelijke deel van het hedendaagse Guinea, en hoe hij in deze maanden de logistieke en de geestelijke voorbereiding van deze verplaatsing voltooide. Dit artikel volgt hem op zijn aankomst in Dinguiraye in 1850 of 1851, op de organisatie van zijn nieuwe nederzetting tot een eerste werkbasis voor de aanstaande jihad-staat, en op de proclamatie van de jihad in 1852 die de West-Afrikaanse moslimwereld in een nieuwe fase van geestelijke en politieke beweging zou brengen.

De keuze van Dinguiraye in historisch perspectief

De plaats Dinguiraye, een onaanzienlijk Mandinka-dorp van enkele honderden inwoners, werd door Umar Tall’s ﵀ keuze tot een centrale plaats in de West-Afrikaanse geschiedenis verheven op een wijze die haar plaatselijke chefs in 1850 niet hadden voorzien. De naam Dinguiraye werd in de daaropvolgende decennia in heel West-Afrika synoniem met de Umarian-jihad-onderneming, en zij bleef ook na de uiteindelijke val van de jihad-staat een referentiepunt voor de moslimgemeenschappen die in de Umarian-traditie stonden. Vandaag, in de eenentwintigste eeuw, is Dinguiraye nog steeds een belangrijke moslimstad in noordelijk Guinea, met een grote Tijaniyya-zawiya die direct teruggaat op de oorspronkelijke door Umar Tall ﵀ gestichte moskee, en met een jaarlijkse mawlid-viering die de Tooroodo-Tijani-traditie van de negentiende eeuw in een hedendaagse uitwerking bewaart.

Voor het begrip van de oorspronkelijke keuze is het van belang in gedachten te houden dat een geleerde als Umar Tall ﵀ in 1850 niet kon weten welke gestalte zijn nederzetting in de geschiedenis zou krijgen, en dat de keuze in zijn eigen perspectief eerst en vooral een praktische strategische beslissing was die geleidelijk haar historische gestalte ontvouwde. Het is een waarneming die in de West-Afrikaanse historiografie soms wordt onderschat, want de neiging bestaat om gebeurtenissen achteraf in hun historische uitkomst te beschouwen alsof de keuze van de hoofdrolspeler in haar uiteindelijke gestalte was voorzien, terwijl de werkelijke beslissing in een veel beperkter perspectief werd genomen.

De aankomst in Dinguiraye

In de tweede helft van 1850 of mogelijk in het vroege voorjaar van 1851 voltrok zich de verplaatsing van Umar Tall ﵀ en zijn gemeenschap van hun nederzetting bij Timbo in Fouta Djallon naar Dinguiraye, in een uittocht die ongeveer tweeduizend personen omvatte, met inbegrip van gezinnen, leerlingen, militaire aanhangers, dienstpersoneel en de uitgebreide voorraad van wapens, manuscripten en huishoudelijke uitrusting die in de verplaatsing meeging. De uittocht voerde door een gebied van bergachtige bossen tussen Timbo en Dinguiraye, en zij vergde naar de overlevering ongeveer drie weken, met onderbrekingen voor de rusttijden en voor de verplichte vijfmaal-daagse gebeden.

In Dinguiraye, dat in 1850 een klein Mandinka-dorp was met enkele honderden inwoners onder een lokale Sarakole-chef, werd Umar Tall ﵀ ontvangen op grond van de voorafgaande onderhandelingen die Aboe Bakr Diouri ﵀ in de voorafgaande maanden had gevoerd. De plaatselijke chef, die in zijn eigen positie van de patronage van de naburige Bambara-staten afhankelijk was geweest, stemde in met de vestiging van de Tooroodo-gemeenschap in ruil voor de geestelijke status die de aanwezigheid van een internationale Tijani-khalifa zijn dorp zou verlenen, en voor de praktische voordelen die de verdediging van de plaatselijke gemeenschap door de Tooroodo-militaire macht zou opleveren. De verstandhouding was gemengd, maar zij was voldoende om de eerste vestigingsfase mogelijk te maken.

De inrichting van het nieuwe centrum

In de eerste maanden na hun aankomst voltrokken Umar Tall ﵀ en zijn directe medewerkers de inrichting van het nieuwe centrum, die de fysieke en geestelijke voorbereidingen voor de aanstaande jihad-staat omvatte. Een nieuwe moskee werd gebouwd die in haar grootte de plaatselijke Sarakole-moskee aanzienlijk overtrof, en zij werd ingericht als de centrale gebedszaal en als de zawiya voor de Tijani-gemeenschap. Een nederzetting voor de Tooroodo-gezinnen werd aangelegd in een uitbreiding van het oorspronkelijke dorp, volgens het gewone Tooroodo-stratenplan waarin de geleerden-families in een centrale positie ten opzichte van de moskee werden ondergebracht. Een werkplaats voor de wapenproductie en voor de smederij werd opgericht, en daaruit groeide geleidelijk een militair-industrieel complex op de schaal die in negentiende-eeuws West-Afrika ongewoon was. Een serie van magazijnen voor de opslag van voedsel, ammunitie en handelsgoederen werd aangelegd, en zij werden op georganiseerde wijze beheerd onder de leiding van Aboe Bakr Diouri ﵀ als algemeen kwartiermeester.

In het centrum van de nederzetting werd ook een afzonderlijk vertrek voor Umar Tall ﵀ zelf ingericht, niet paleisachtig maar als een eenvoudige geleerde-residentie waarin hij zijn werk, zijn lessen aan zijn naaste leerlingen en zijn audiënties met bezoekers zou kunnen uitvoeren. Het was een soort van Umarian-Aïn Madhi waarin hij de geestelijke gestalte van zijn voormalige leraar Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ in een West-Afrikaanse aanpassing zou kunnen voortzetten.

De groei van de gemeenschap

In het jaar dat volgde op de vestiging, dat wil zeggen in 1851 en de eerste maanden van 1852, voltrok zich een opmerkelijke groei van de Umarian-gemeenschap in Dinguiraye. Berichten over de vestiging van een Tooroodo-gemeenschap onder een internationale Tijani-khalifa verspreidden zich door heel West-Afrika via de gewone karavaanroutes en via de pelgrim-handelaren die in deze jaren door de regio reisden, en uit Fouta Toro, uit Fouta Djallon, uit Karta, uit Bondou en uit verre Tooroodo- en Fulbe-gemeenschappen begonnen kleinere en grotere groepen van uitwijkers naar Dinguiraye te trekken in antwoord op Umar Tall’s ﵀ herhaalde oproep tot de hijra. De gemeenschap groeide in de loop van 1851 van haar oorspronkelijke tweeduizend tot ongeveer vijfduizend personen, en tegen het einde van 1852 zou zij naar de schatting van de Franse koloniale berichtgeving uit Saint-Louis tot ongeveer tienduizend personen zijn uitgegroeid.

Deze groei vereiste van Umar Tall ﵀ en zijn naaste medewerkers een aanzienlijke bestuurlijke uitbreiding, met de aanleg van nieuwe nederzettingen rond Dinguiraye voor de aankomende uitwijkers, met een uitgebreidere organisatie van de Shariʿa-rechtspraak, en met de opbouw van een meer geprofessionaliseerde administratie voor de zakaat-inning en voor de verdeling van het grondbezit aan de nieuwe gezinnen. Het werk werd uitgevoerd onder Umar Tall’s ﵀ algemene leiding, met de praktische uitvoering verdeeld over zijn directe medewerkers en met de geestelijke begeleiding in zijn eigen handen behouden.

De bestuurlijke gestalte in Dinguiraye

De bestuurlijke gestalte die in Dinguiraye in de eerste jaren werd opgebouwd, vertoonde een combinatie van elementen die de uitwerking van Umar Tall’s ﵀ jarenlange voorbereiding weerspiegelde. De Shariʿa-rechtspraak werd georganiseerd onder een hoofdqadi die door Umar Tall ﵀ persoonlijk werd benoemd en die in beroepszaken naar hem terugverwees, met onder hem een corps van plaatselijke qadi’s voor de oorspronkelijke Dinguiraye-bevolking en voor de uitgewijde Tooroodo- en Fulbe-gemeenschappen. De zakaat-inning werd uitgevoerd door aangewezen ambtenaren die in elke nederzetting de jaarlijkse zakaat-bedragen registreerden en die de opbrengsten naar de centrale schatkist in Dinguiraye doorzonden. De algemene bestuurlijke coördinatie werd uitgevoerd door een raad van naaste medewerkers van Umar Tall ﵀ die in de centrale moskee tweewekelijks bijeenkwam om de algemene staatszaken te bespreken.

Deze bestuursvorm was niet enkel een militaire macht onder een geestelijke leider, maar een werkelijke staatsvorm die in haar interne coherentie en haar effectieve uitvoering aan haar bewoners een geordende en geestelijk-gerichte gemeenschap bood. Voor de uitwijkers uit Fouta Toro en Fouta Djallon, die in hun ouderlijke gemeenschappen onder een mengsel van Shariʿa en gewoonterecht hadden geleefd, was de zuivere Shariʿa-rechtsorde in Dinguiraye aanvankelijk een aanpassing die enige gewenning vergde, maar in haar geestelijke uitwerking werd zij door de meerderheid van de uitwijkers als een verbetering van de oude orde aanvaard.

De militaire uitbreiding

Naast de bestuurlijke uitbreiding ondernam Umar Tall ﵀ in deze maanden ook een aanzienlijke militaire uitbreiding van zijn macht. Hij zette de aanvoer van vuurwapens via Mauritanische en Senegambische handelaren in een verhoogd tempo voort, hij bouwde een uitgebreidere wapenproductie in zijn smederij op, en hij organiseerde zijn militaire macht in een meer gestructureerde vorm waarin een vast corps van enkele duizenden professionele strijders werd onderscheiden van een groter contingent van milities die in geval van algemene mobilisatie op de been konden worden gebracht. Het corps van professionele strijders, naar een lokaal Tooroodo-Mandinka-gebruik zogeheten talibé, werd in een combinatie van geleerde vorming en militaire training opgeleid, en zij vormden een soort van geleerd-militair elite-corps dat in de daaropvolgende jaren in de jihad-operaties de dragende kracht zou zijn.

De wapening van dit corps omvatte tegen het einde van 1852, naar de schatting van Franse koloniale waarnemers, ongeveer tweeduizend Europese vuurwapens van uiteenlopende herkomst, een aanzienlijk aantal locaal geproduceerde smeed-musketten van mindere kwaliteit, en een uitgebreide voorraad ammunitie en buskruit die voldoende was voor een meerjarige campagne. Het was een militaire macht die in negentiende-eeuws West-Afrika nergens anders bestond, en die in haar combinatie met de geestelijke discipline van de Tijani-tarīqa een formidabele dreiging vormde voor de naburige niet-moslim staten en voor de op te bouwen Franse koloniale aanwezigheid in Saint-Louis.

De moeilijkheden van de eerste fase

De eerste maanden in Dinguiraye verliepen niet zonder de gebruikelijke moeilijkheden waar een grote groep uitwijkers in een nieuwe omgeving tegen aanloopt. De plaatselijke voedselvoorziening was niet ingericht op de plotselinge bevolkingstoename, en in de eerste maanden moesten voorraden uit Fouta Djallon en uit naburige Mandinka-dorpen worden ingevoerd om de behoeften te dekken. Het klimaat van Dinguiraye, dat in zijn jaarlijkse regenseizoen tot uitgesproken malariaperioden leidde, vergde van de uitwijkers een gewenningsperiode waarin een aantal van hen aan de gewone tropische ziekten bezweek. De plaatselijke Mandinka-bevolking, hoewel zij in haar chef-leiding instemmend was geweest, vertoonde in de praktijk een gemengde houding tegenover de toestroom van Tooroodo-uitwijkers, en in een aantal gevallen kwam het tot kleine wrijvingen die door Umar Tall ﵀ persoonlijk langs diplomatieke weg moesten worden afgehandeld.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk vergden deze eerste maanden een aanzienlijke bestuurlijke aandacht, en hij ondernam herhaaldelijk persoonlijke bezoeken aan de naburige Mandinka-dorpen om de chefs toe te spreken en om hun zorgen over de Umarian-aanwezigheid langs geestelijke en politieke weg te bezweren. Zijn bezoeken vonden in de plaatselijke gemeenschappen een aanzienlijke ontvangst, en zij stelden hem in staat de Umarian-aanwezigheid in de regio geleidelijk te consolideren; zij zou in de daaropvolgende jaren tot de algemene aanvaarding in de Mandinka-gemeenschap groeien.

De geografische strategische ligging

Dinguiraye lag op een knooppunt dat aan Umar Tall ﵀ een aanzienlijk strategisch voordeel verleende voor de aanstaande operaties. Ten noorden van de nederzetting strekten zich de Saheliaanse vlakten uit waarin de Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta hun politieke greep handhaafden, en die in de aanstaande jihad de hoofddoelen zouden vormen. Ten westen strekten zich de bergachtige Fouta Djallon-gebieden uit, die hij in zijn voorgaande jaren grondig had leren kennen en die in geval van een terugtocht een natuurlijke schuilplaats konden bieden. Ten zuiden strekten zich de Mandinka-gebieden uit waar zijn eerste expansie-campagnes zouden plaatsvinden en waar de plaatselijke moslimminderheden geestelijk aan zijn beweging verbonden waren. Ten oosten, ten slotte, strekten zich de bovenloop-gebieden van de Niger uit waar de toekomstige fase van de jihad-staat na de inname van Kaarta haar uitbreiding zou vinden.

De ligging gaf hem dus tegelijkertijd toegang tot zijn hoofddoelen, een veilige terugtochtsroute, een uitbreidingsruimte naar het zuiden en een toekomstige expansiezone naar het oosten. Voor een strategisch denker van zijn caliber was deze geografische ligging een onmiskenbaar voordeel, en hij benutte haar in de daaropvolgende jaren met de bedachtzaamheid die hem in al zijn werk kenmerkte. De keuze van Dinguiraye boven andere mogelijke nederzettingsplaatsen was een van de meest doordachte strategische beslissingen die hij in zijn levensloop heeft genomen, en zij verleende aan zijn werk de geografische bedding waarin het geleidelijk tot volle ontplooiing kon komen.

De proclamatie van de jihad

In het late voorjaar of de vroege zomer van 1852, op een door de bronnen niet eenduidig vastgestelde datum die door David Robinson na zorgvuldige reconstructie op de zomer van dat jaar wordt geplaatst, proclameerde Umar Tall ﵀ in de centrale moskee van Dinguiraye in een formele vrijdagspreek de algemene jihad tegen de niet-moslim staten van de bovenloop van de Senegal en de Niger, in een aankondiging die de bedding zou vormen voor de elf jaar van militaire campagnes die in 1862 in het ongeluk van de Massina-fitna en in 1864 in zijn dood bij Bandiagara haar tragische uitkomst zouden vinden.

De proclamatie zelf, voor zover die in latere afschriften door zijn naaste medewerkers is bewaard, omvatte een aantal centrale elementen. Ten eerste de bevestiging van Umar Tall’s ﵀ status als imam en als leider van de gemeenschap onder de geestelijke autoriteit van de Tijaniyya, met de specifieke verwijzing naar zijn Aïn Madhi-ijaza als legitimiteitsgrond. Ten tweede de identificatie van de Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta en van de naburige niet-moslim staten als de directe doelen van de aanstaande jihad, met de juridische argumentatie dat hun voortdurende slavernijhandel tegen moslimbevolking de Shariʿa-grond voor een gewapende jihad zonder twijfel rechtvaardigde. Ten derde de oproep aan alle moslims in de gebieden tussen de Atlantische kust en de Niger om zich aan de jihad-staat aan te sluiten of, indien zij zich om welke reden dan ook niet konden aansluiten, in hun eigen gemeenschappen de jihad-zaak geestelijk te dragen.

De gestalte van de proclamatie-vergadering

De vergadering waarin de proclamatie werd uitgesproken, vond plaats in de centrale moskee van Dinguiraye op een vrijdag in juli of augustus 1852, en zij werd gehouden in de aanwezigheid van enkele duizenden moslims die uit Dinguiraye zelf en uit de naburige nederzettingen waren samengekomen. Umar Tall ﵀ besteeg na het gewone vrijdagsgebed het minbar, en hij begon zijn rede met de gebruikelijke Quran-citaten waarmee een vrijdagspreek werd geopend, gevolgd door een uitvoerige bespreking van de profetische voorbeeldigheid in de overgang van Mekka naar Medina en in de Medinese fase van openlijke gewapende strijd. Vervolgens kondigde hij formeel de jihad-status aan voor de gemeenschap onder zijn leiding, en hij riep elke aanwezige op tot een vernieuwing van zijn bayʿa aan de zaak waaraan hij in zijn aansluiting bij de Umarian-gemeenschap reeds gebonden was.

De aanwezige menigte beantwoordde de oproep met een gemeenschappelijke bevestiging die ritmisch uit duizenden kelen tegelijk klonk, en de gewone Tooroodo-takbir werd gemeenschappelijk uitgesproken en deed de hele moskee weerklinken. Het was niet enkel een politieke maar ook een geestelijke daad, waarin de gemeenschap haar trouw aan de zaak gemeenschappelijk bevestigde.

De juridische argumentatie

De juridische argumentatie waarmee Umar Tall ﵀ zijn proclamatie ondersteunde, was ondersteund door uitvoerige passages uit zijn werk Rimah, en zij volgde de Maliki-fiqh-traditie zoals zij in de werken van Khalil ibn Ishaq ﵀ en in de commentaren van Imam al-Dasuqi ﵀ in West-Afrika algemeen werd gehanteerd. De argumentatie steunde op drie hoofdvoorwaarden. Ten eerste dat een moslimstaat die haar gebied onder de Shariʿa kon brengen, de plicht had haar buurstaten waar zij dat moest doen tot de keuze tussen islam, jizya-onderwerping of jihad uit te dagen. Ten tweede dat een aanstaande jihad voldoende militaire kracht en voldoende geestelijke discipline moest bezitten om de aanstaande campagne tot een redelijke uitkomst te brengen, een voorwaarde die door Umar Tall’s ﵀ uitvoerige voorbereiding in Fouta Djallon naar zijn eigen oordeel werd vervuld. Ten derde dat de jihad-leider de specifieke geestelijke autoriteit moest bezitten waarop hij zijn proclamatie kon gronden, een voorwaarde die door zijn Tijani-ijaza naar zijn eigen oordeel werd vervuld.

Deze argumentatie werd door zijn naaste medewerkers in een reeks van vrijdagspreken in de naburige Tooroodo- en Fulbe-gemeenschappen verspreid, en zij werd door de meeste plaatselijke geleerden in haar volle juridische vorm aanvaard. Voor de scepticisten die in een aantal Fouta Toro- en Fouta Djallon-dorpen tegen de proclamatie aanvoerden dat de Bambara-staten in de voorgaande generatie reeds aanzienlijk waren geïslamiseerd en niet meer eenduidig als niet-moslim konden worden aangeduid, antwoordden Umar Tall ﵀ en zijn medewerkers met de juridische distinctie tussen formele en werkelijke islam-aanvaarding, in een discussie die in de daaropvolgende jaren herhaaldelijk zou terugkeren.

Het effect op West-Afrika

De proclamatie van de jihad in Dinguiraye in 1852 had een uitwerking die de hele Senegambia-regio en de bovenloop van de Niger in een nieuwe spanning bracht, en zij werd in de daaropvolgende maanden in alle bestuurlijke kringen van West-Afrika uitvoerig besproken. In Sokoto, in de hoofdsteden van de Bambara-koninkrijken, in de Almami-zalen van Fouta Djallon en Fouta Toro, in Hamdullahi van het Massina-Imamaat, en in Saint-Louis waar de Franse koloniale autoriteiten de berichten met aanzienlijke bezorgdheid ontvingen, werd in deze maanden over de proclamatie en haar mogelijke gevolgen druk vergaderd. Voor de Bambara-staten betekende zij een directe oorlogsdreiging, voor de Fouta Djallon- en Fouta Toro-imamaten een gemengde uitkomst van geestelijke instemming met militaire bezorgdheid, voor het Massina-Imamaat een onzekere verhouding waarin de geestelijke verschillen tussen Tijani en Qadiri-aanwezigheid een mogelijke bron van toekomstig conflict werden, en voor de Fransen een nieuwe geopolitieke factor die de aanstaande koloniale uitbreiding aan de Senegal-rivier onverwacht complexer maakte.

In Saint-Louis ontving Gouverneur Faidherbe, die kort na de proclamatie zijn ambt zou aanvaarden, gedetailleerde rapporten over de Umarian-beweging via een uitgebreid netwerk van plaatselijke informanten, en hij begreep onmiddellijk dat de aanstaande Umarian-jihad de Franse koloniale doelen in de Senegal-vallei ingrijpend zou raken. Hij gaf opdracht tot een verhoogde militaire voorbereiding aan de bovenloop van de rivier, en hij plande in de daaropvolgende jaren een uitbreiding van de Franse forten die in 1857 in het Fort de Médine haar culminatie zou vinden.

De eerste militaire operaties

In de tweede helft van 1852 en het begin van 1853 ondernam Umar Tall ﵀ de eerste militaire operaties van zijn geproclameerde jihad, en zij waren in hun keuze van doelen niet onmiddellijk de grote Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta maar de kleinere Mandinka-staten ten westen van Dinguiraye die eerst onder zijn macht moesten worden gebracht voordat hij zich met de hoofdvijanden zou kunnen confronteren. De staten Tamba, Bantu en de naburige Mandinka-dorpsverbintenissen werden in de winter van 1852 op 1853 in een serie van betrekkelijk kleine campagnes onderworpen, met aanzienlijk succes voor de Umarian-strijders en met verliezen die beperkt bleven.

De militaire tactiek die in deze campagnes werd toegepast en die in de daaropvolgende jaren in Umar Tall’s ﵀ jihad-staat de gewone vorm zou blijven, omvatte een combinatie van mobiele snelle aanvallen door de geprofessionaliseerde corpsen van talibé-strijders met geweren, met de bredere ondersteuning van Tooroodo- en Fulbe-milities die in hun aantal de overmacht bezaten maar die in hun bewapening van mindere kwaliteit waren. De combinatie was effectief tegen de plaatselijke Mandinka- en Bambara-troepen die voornamelijk met blanke wapens vochten en die geen vergelijkbare vuurkracht konden ontwikkelen, en zij gaf aan de Umarian-jihad in zijn eerste jaren een opeenvolging van overwinningen die het algemene moreel van zijn aanhangers hoog hield.

De integratie van onderworpen gemeenschappen

Bij elke onderwerping van een Mandinka- of plaatselijke gemeenschap voerde Umar Tall ﵀ een gestandaardiseerd inwerk-proces uit waarin de plaatselijke bevolking geestelijk en bestuurlijk in de Umarian-staat werd opgenomen. De eerste stap was een gemeenschappelijke vergadering in de plaatselijke moskee, indien een dergelijke moskee bestond, of in een tijdelijk ingericht gebedshuis, waarin Umar Tall ﵀ of een van zijn naaste medewerkers de plaatselijke moslims aansprak met uitleg over de Umarian-zaak en een oproep tot een formele bayʿa. De tweede stap was de aanstelling van een plaatselijke qadi uit de Umarian-talibé-corps, die in de daaropvolgende maanden de Shariʿa-rechtspraak in de plaatselijke gemeenschap in een vaste vorm zou invoeren. De derde stap was de toewijzing van een plaatselijke garnizoen-eenheid van enkele tientallen talibé-strijders, die in de gemeenschap zouden verblijven voor de orde-handhaving en de bescherming tegen mogelijke vijandige naburige troepen.

Deze gestandaardiseerde aanpak gaf aan de Umarian-expansie een bestuurlijke uniformiteit die in de West-Afrikaanse militaire onderneming van zijn tijd niet algemeen was, en zij stelde de jihad-staat in staat haar greep op de veroverde gebieden snel te consolideren. In de daaropvolgende jaren, naarmate de jihad-staat verder uitbreidde, werd deze aanpak verfijnd, maar de basisstructuur die in Dinguiraye werd ontwikkeld bleef in haar werking herkenbaar.

De geestelijke discipline in oorlogstijd

Een opmerkelijk aspect van de Umarian-jihad in haar uitvoering was de strenge handhaving van de geestelijke discipline in oorlogstijd die Umar Tall ﵀ van zijn strijders eiste en die een onderscheidende kwaliteit aan zijn macht verleende ten opzichte van de gewone West-Afrikaanse militaire operaties van zijn tijd. De vijf dagelijkse gebeden werden in de Umarian-troepen onder alle omstandigheden uitgevoerd, met aangewezen leerlingen die in elke divisie als imams voor het gemeenschappelijke gebed optraden. De Tijani-dzikr werd in de avonduren gemeenschappelijk uitgevoerd, met de Wazifa en de Hailala in hun volle vorm. Het vrijdagsgebed werd in een speciaal voor dat doel ingerichte zaalsamenkomst gevierd, met uitvoerige vrijdagspreken die door Umar Tall ﵀ zelf werden gegeven indien hij in het kamp aanwezig was.

Voor de gevangenen die in deze campagnes in Umarian-handen vielen, gold een Shariʿa-gebaseerde behandeling waarin moslim-gevangenen direct werden vrijgelaten, niet-moslim-gevangenen volgens de Maliki-fiqh-conventies werden behandeld, en de behandeling van vrouwen en kinderen afzonderlijk werd geregeld waarin de plaatselijke moskee-leiders een toezichthoudende rol vervulden. De handhaving van deze regels, hoewel zij in de chaos van oorlogsomstandigheden niet altijd volledig gelukte, was in haar consistentie opmerkelijk en zij verleende aan de Umarian-jihad in de West-Afrikaanse beschouwing een morele autoriteit die de gewone Bambara- of Mandinka-veldtochten van zijn tijd niet bezaten.

De toestroom van uitwijkers

De berichten over de succesvolle eerste campagnes en over de gestalte van de Umarian-staat verspreidden zich in 1853 en 1854 in heel West-Afrika, en zij brachten in de Tooroodo- en Fulbe-gemeenschappen van Fouta Toro en Fouta Djallon een geleidelijk groeiende beweging tot uitwijking voort. Hele dorpen of belangrijke delen van dorpen besloten in deze jaren om hun gezinnen, hun veestapels en hun handwerkers naar Dinguiraye te verplaatsen, en de bevolking van de Umarian-staat groeide in deze maanden van enkele tienduizenden tot ongeveer vijftigduizend personen tegen het einde van 1854. De uitwijkers werden op georganiseerde wijze opgevangen door de Umarian-bestuurlijke organisatie, en zij werden in nieuwe nederzettingen rond Dinguiraye geplaatst waarin zij grondbezit kregen toegewezen, in de gemeenschappelijke gebeden werden opgenomen en in de Tijani-discipline werden ingewijd.

Voor de oorspronkelijke Mandinka-bewoners van Dinguiraye en de naburige dorpen betekende deze toestroom een ingrijpende verandering van hun gemeenschap. Zij werden in een Tooroodo-Fulbe-meerderheid opgenomen waarin hun eigen culturele gebruiken in een Tijani-context werden omgevormd, en zij ondergingen een geestelijke transformatie die in de meeste gevallen door hun chefs werd aanvaard maar die in een aantal gevallen tot stille spanningen leidde. Umar Tall ﵀ ondernam in deze maanden Tijani-inwijdingen onder de Mandinka-bevolking om de gemeenschap in een hechte geestelijke gestalte te brengen, en hij slaagde er grotendeels in de overgang vreedzaam te voltrekken.

Naar de campagnes van 1855

Tegen het voorjaar van 1855 had de Umarian-jihad in haar eerste fase een geconsolideerde gestalte verkregen, met een eigen geografische basis in Dinguiraye en in de naburige Mandinka-gebieden, met een militaire macht van enkele tienduizenden manschappen waarvan een groot deel met vuurwapens bewapend was, met een bestuurlijke organisatie die de inkomsten uit de veroverde gebieden en uit de zakaat van de moedergemeenschap effectief beheerde, en met een geestelijke discipline die in haar consistentie het moreel van de aanhangers hoog hield. Umar Tall ﵀ stond gereed voor de volgende fase van zijn werk, namelijk de directe confrontatie met de Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta en met de geleidelijk uitbreidende Franse koloniale aanwezigheid in Saint-Louis.

Aan deze tweede fase, en aan de campagnes die in 1855 en daarop volgden tegen Bambara-Karta en tegen het Franse Fort de Médine in het jaar 1857, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. In dit artikel hebben wij gezien hoe in Dinguiraye in 1850 of 1851 de basis voor de jihad-staat werd gelegd, hoe de gemeenschap in haar eerste twee jaar tot een aanzienlijke omvang uitgroeide, hoe in 1852 de proclamatie van de algemene jihad werd uitgesproken, en hoe in de daaropvolgende winter de eerste militaire operaties tegen de kleinere Mandinka-staten met succes werden uitgevoerd. De Umarian-jihad was in haar bedding gelegd, en haar uitwerking in de daaropvolgende jaren zou de West-Afrikaanse moslimwereld in een nieuwe gestalte herinrichten.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 214–252.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 212–254.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 248–294.
  • John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 86–124.
  • Yves Person, Samori: une révolution dyula, tome I, IFAN-Dakar (1968), pp. 124–168.
  • Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade, Cambridge University Press (1998), pp. 208–256.
  • Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa, Cambridge University Press (2009), pp. 134–168.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Kitab Rimah Hizb al-Rahim, kritische editie Madina Ly-Tall, Dakar (1985), pp. 48–96.
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).