Al-Rahiba en de Escalatie naar Genocide
In het voorgaande artikel volgden wij de Slag om Bir Bilal in het voorjaar van 1923, een overwinning van de Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-strijders onder de leiding van Umar al-Mukhtar ﵀ tegen een Italiaanse expeditiecolonne in de zuidelijke Saharazone. Wij zagen hoe de uitkomst van de slag in haar gevolgen een bevestiging gaf aan de guerrilla-strategie van het verzet, en hoe de Italiaanse reactie zich voltrok in een geleidelijke strategische herziening die in haar gevolgen een uitgebreide militaire en politieke heroriëntatie inhield. Dit artikel volgt de geleidelijke escalatie van het conflict in de jaren tussen 1924 en 1929, en in het bijzonder de geleidelijke ontplooiing van de Italiaanse strategie van uithongering en collectieve bestraffing onder Generaal Pietro Badoglio en daarna onder Generaal Rodolfo Graziani, een strategie die in haar uiteindelijke vorm zou voortbrengen wat in de moderne historiografie als de Libische genocide wordt aangeduid.
De Italiaanse strategische herziening
De rol van de Italiaanse koloniale ambtenarij
Het Italiaanse koloniale optreden in Cyrenaica tussen 1929 en 1931 voltrok zich in zijn geheel onder de uitgebreide algemene leiding van een koloniale ambtenarij die in haar samenstelling de Italiaanse Fascistische bestuurlijke traditie van haar tijd weerspiegelde. De voornaamste figuren in dit bestuur omvatten Pietro Badoglio als algemeen gouverneur van Libië, Rodolfo Graziani als militair opperbevelhebber van Cyrenaica, en aanvullende koloniale ambtenaren die onder hun leiding het plaatselijke bestuur in de praktijk voerden. Voor de algemene samenhang van het Italiaanse koloniale optreden vormde deze ambtenarij in haar geheel de bestuurlijke bedding waarop de maatregelen van uitgebreide collectieve bestraffing konden worden gevoerd.
In de bestuurlijke praktijk van de Italiaanse ambtenarij voltrokken zich de ontwikkelingen waarin de algemene Fascistische ideologische richting aan de uitgebreide plaatselijke koloniale praktijk in een gemeenschappelijk verband werd verbonden. Voor de moderne historiografie van het Italiaanse koloniale optreden in Libië vormt deze ambtenarij in haar geheel het bestuurlijke verband waaraan de uitgebreide juridische en morele verantwoordelijkheid voor de menselijke ramp in haar volle omvang moet worden toegewezen.
In de loop van 1924 en 1925 voerde de Italiaanse hoge leiding onder Mussolini een strategische herziening van de Libische koloniale onderneming uit, in een besluitvorming die in haar volle uitkomst de bestaande aanpak van geleidelijke militaire uitbreiding door een uitgebreidere en hardere aanpak verving. De voornaamste elementen van de nieuwe strategie omvatten ten eerste de uitbreiding van het Italiaanse militaire apparaat in Libië tot ongeveer dertigduizend manschappen tegen 1927 en tot meer dan honderdduizend tegen het hoogtepunt van de operaties in 1930. Ten tweede de geleidelijke aanleg van uitgebreide forten en logistieke posten in de Jebel Akhdar-zone, met de uitgesproken bedoeling het verzet in zijn natuurlijke bedding te omsingelen en te isoleren. Ten derde de geleidelijke invoering van maatregelen van collectieve bestraffing tegen de plaatselijke Bedoeïen-bevolking, die in haar volle omvang een wezenlijke verbreking van de algemene logistieke ondersteuning van het verzet beoogde.
Onder Generaal Pietro Badoglio, die in 1929 als gouverneur van Libië werd aangesteld, en onder Generaal Rodolfo Graziani, die in 1930 het militaire opperbevel over Cyrenaica op zich nam, kwam deze strategie in de daaropvolgende jaren tot haar volle uitvoering. De combinatie van Badoglio’s bestuurlijke leiding en Graziani’s militaire uitvoering vormde daarbij het gemeenschappelijke verband waarin de Italiaanse koloniale politiek haar methoden tegen de Cyrenaïcaanse bevolking uitvoerde.
Generaal Rodolfo Graziani
Generaal Rodolfo Graziani, in 1882 geboren in Filettino in Centraal-Italië, was een Italiaanse koloniale officier die in zijn voorafgaande loopbaan in Libië, in Eritrea en in Somalië een uitgebreide praktische ervaring in koloniale militaire onderdrukking had verworven. Hij voerde in zijn Cyrenaïcaanse opdracht een reeks geleidelijk hardere methoden uit, waarin de gewone Italiaanse koloniale conventies in een uitgesproken Fascistische zin werden uitgewerkt. Voor de Cyrenaïcaanse bevolking betekende zijn aanstelling in haar gevolgen de aanvang van een fase van toenemend lijden, waarin het bestaan en de samenhang van de plaatselijke gemeenschappen in hun volle omvang zouden worden aangetast.
Graziani’s methoden omvatten in hun samenhang enige fundamentele elementen die in de aanstaande jaren in hun volle vorm zouden worden uitgewerkt. Hij voerde executies uit van de plaatselijke Bedoeïen-mannen die in verdenking stonden van ondersteuning aan het verzet, hij ondernam uitgebreide vernielingen van de plaatselijke palmtuinen en waterbronnen, in een optreden dat in zijn uitkomst de algemene economische grondslag van de gemeenschappen aantastte, en hij voerde geleidelijk de aanleg uit van uitgebreide concentratiekampen waarin de gewone Bedoeïen-bevolking in een toestand van gedwongen ontheemding zou worden samengebracht.
De concentratiekampen
De aanleg van de concentratiekampen in Cyrenaica voltrok zich in haar geheel vanaf 1929, in een beweging die in haar uitkomst de gehele plaatselijke Bedoeïen-bevolking van de Jebel Akhdar-zone in een gedwongen ontheemding tot in de zandvlakten van de oostelijke Saharaanse zone bracht. De voornaamste kampen werden opgericht in de plaatsen al-Agheila, al-Magrun, Suluq, Sidi Ahmed Magrun en in enige andere afgelegen locaties, en zij ontvingen in hun geheel ongeveer honderdduizend Cyrenaïcaanse Bedoeïen onder omstandigheden van honger, dorst, ziekte en algemene onderdrukking.
Voor de gewone Bedoeïen-families betekende de deportatie naar de kampen een verlies dat zich in vele vormen voltrok. Zij werden in deze beweging gedwongen hun ouderlijke weidegebieden te verlaten in marchen van enkele honderden kilometers onder Italiaanse militaire begeleiding, en enige van hen bezweken in deze marchen aan uitputting en aan Italiaans verzuim van bevoorrading. In de concentratiekampen zelf voltrokken zich de daaropvolgende ontberingen, met massale sterfte door honger en ziekten, in een omvang die naar de moderne demografische schattingen ongeveer veertigduizend Cyrenaïcaanse Bedoeïen tot in het einde van de jaren dertig kostte. Voor de algemene Cyrenaïcaanse bevolking, die in 1928 ongeveer tweehonderdduizend zielen telde, was de uitkomst van de kampen in haar geheel een demografische ramp die de algemene samenhang van het Cyrenaïcaanse Bedoeïen-volk fundamenteel aantastte.
De gestalte van de gedwongen verplaatsing
De gedwongen verplaatsing van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking naar de concentratiekampen tastte de algemene Cyrenaïcaanse orde van seizoenelijke verplaatsingen tussen de uitgebreide Saharaanse winterweidegebieden en de Jebel Akhdar-zomerweidegebieden in haar uitkomst definitief aan. De gewone Bedoeïen-gezinnen werden gedwongen hun ouderlijke weidegebieden en hun uitgebreide veestapels achter te laten, waardoor de algemene economische orde van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving in haar volle omvang fundamenteel werd aangetast. De veestapels, die in de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-economie de grondslag van rijkdom en gemeenschappelijke welvaart vormden, werden in een beweging van verlies of confiscatie aan hun gewone eigenaars onttrokken.
In haar menselijke gevolgen bracht de gedwongen verplaatsing bovendien uitgebreide sterfte onderweg naar de concentratiekampen. Uit de getuigenissen van overlevenden, voor zover die in latere optekeningen zijn bewaard, blijkt dat de marchen door de uitgestrekte Saharaanse omstandigheden in hun uitkomst menselijke verliezen voortbrachten. Ouderen die de uitgebreide reisinspanning niet konden volhouden, kinderen die aan uitputting en dehydratatie bezweken, en gewonden uit eerder gewapend verzet die onder de mars stierven, vormden in hun geheel tellingen die in hun volle omvang de menselijke ramp van de verplaatsing bevestigden.
Al-Rahiba als specifieke gestalte
Een specifieke gebeurtenis in de geleidelijke escalatie, een gebeurtenis die in de Cyrenaïcaanse overlevering met bijzondere aandacht is bewaard, was de confrontatie die zich bij al-Rahiba in 1927 of 1928 voltrok, waaraan dit artikel zijn specifieke titel ontleent. Al-Rahiba, in haar geografische ligging een plaats in de Jebel Akhdar-zone op een afstand van ongeveer veertig kilometer ten zuiden van al-Bayda, was het toneel van een specifieke confrontatie waarin een uitgebreide Italiaanse strafexpeditie tegen een Cyrenaïcaans dorp werd uitgevoerd, in een optreden dat de algemene aard van de Italiaanse koloniale onderdrukking in haar volle omvang toonde.
De plaatselijke bevolking van al-Rahiba werd in 1927 of het vroege 1928 onder verdenking gesteld van ondersteuning aan een Cyrenaïcaanse adwar-eenheid die in de naburige bergen had geopereerd, en de Italiaanse strafexpeditie voerde in haar optreden een geheel uit van executies, verbranding van huizen, vernielingen van de plaatselijke palmtuinen en deportatie van de overlevenden naar de concentratiekampen uit. De gebeurtenis werd in de plaatselijke Bedoeïen-overlevering uitvoerig bewaard, en zij werd in de daaropvolgende jaren in de Cyrenaïcaanse moslim-gemeenschappen herhaaldelijk in vrijdagspreken herinnerd, in een gedachtenis die de algemene moreel van het aanhoudende verzet hoog zou houden.
De uitwerking op het verzet
Voor het Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ vormden de maatregelen van de Italiaanse koloniale onderdrukking in Cyrenaica in hun samenhang een strategische crisis, waarin de algemene voortzetting van het Cyrenaïcaanse verzet in een fundamentele heroriëntatie moest worden geplaatst. De gewone bedding waarop het verzet had gefunctioneerd, namelijk de uitgebreide gemeenschappelijke ondersteuning van de plaatselijke Bedoeïen-families in de vorm van voedselvoorziening, verbergplaatsen en algemene informatie-uitwisseling, werd door de geleidelijke deportatie van de Bedoeïen-bevolking naar de concentratiekampen in haar geheel fundamenteel aangetast.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk betekende dit dat hij een geleidelijke aanpassing van zijn guerrilla-strategie moest uitvoeren, waarbij de strijders in een toenemende afhankelijkheid van de Saharaanse zone werden geplaatst en waarbij de algemene operaties als een strijd van uitputting moesten worden voortgezet. Hij voerde in deze jaren uitvoerig besprekingen met zijn naaste medewerkers over de aanstaande vormen van het Cyrenaïcaanse verzet, en hij handhaafde met geestelijke standvastigheid de algemene moreel van het verzet op een opmerkelijke wijze.
De Egyptische grenslijn
Een specifiek strategisch element dat in de loop van 1929 geleidelijk van centraal belang werd, was de aanleg, door de Italiaanse autoriteiten, van een uitgebreide grenslijn langs de Cyrenaïcaans-Egyptische grens, die in haar opzet de bewegingsruimte van de Cyrenaïcaanse strijders tussen Cyrenaica en het Egyptische bevriende gebied wezenlijk moest beperken. De grenslijn, ongeveer tweehonderd kilometer lang en uitgerust met een uitgebreide hoeveelheid prikkeldraad, met versterkte forten op vaste afstanden, met patrouilles van Italiaanse troepen en met een stelsel van algemene controle, vormde in haar uitkomst een fundamentele beperking van de algemene Cyrenaïcaanse bewegingsruimte.
Voor het Cyrenaïcaanse verzet was deze grenslijn in haar gevolgen een strategische uitdaging, want zij sneed de uitgebreide ondersteuning van de Cyrenaïcaanse vluchtelingen in Egypte voor de gewapende strijders in Cyrenaica in haar geheel fundamenteel af. Umar al-Mukhtar ﵀ ondernam in 1930 enige operaties tegen deze grenslijn in een poging haar te ondergraven, maar de Italiaanse versterkingen waren in hun uitkomst voldoende om de algemene uitkomst van deze pogingen beperkt te houden.
De algemene gestalte van de genocide
In de moderne historiografie wordt de algemene uitkomst van de Italiaanse koloniale onderdrukking in Cyrenaica in de jaren tussen 1929 en 1931 in toenemende mate als genocide aangeduid, in een beoordeling die in haar geheel de massale sterfte in de concentratiekampen, de uitgebreide vernielingen van de plaatselijke economische grondslagen en de algemene Italiaanse politieke en militaire onderdrukking in een gemeenschappelijk verband plaatst. De algemene demografische uitkomst, met naar de moderne schattingen ongeveer een derde tot een helft van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking die in deze jaren bezweek, was in haar omvang een bevestiging van deze classificatie.
Voor het Italiaanse staatsverband na de Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder na de verwerking van de Italiaanse koloniale erfenis in de tweede helft van de twintigste eeuw, vormde de Libische koloniale geschiedenis in haar volle omvang een gevoelig historisch onderwerp, dat pas in de eenentwintigste eeuw in de openbaarheid werd erkend. De Italiaanse staat bood in 2008 een formeel excuus aan Libië aan, in een gemeenschappelijke verklaring van premier Silvio Berlusconi en de toenmalige Libische leider Muammar al-Gaddafi, waarmee de Italiaanse koloniale geschiedenis in een historische bezinning werd geplaatst.
De omvang van de concentratiekampen
De omvang van de Italiaanse concentratiekampen in Cyrenaica demonstreerde in haar geheel de Italiaanse koloniale onderdrukking in haar uiteindelijke vorm. De voornaamste kampen omvatten in hun afzonderlijke tellingen aantallen die de menselijke omvang van de deportaties in een gemeenschappelijk beeld tonen. Al-Agheila ontving ongeveer twintigduizend gedeporteerde Bedoeïen, al-Magrun ontving ongeveer vijftienduizend gedeporteerde Bedoeïen, Suluq ontving ongeveer twintigduizend gedeporteerde Bedoeïen, Sidi Ahmed Magrun ontving ongeveer dertigduizend gedeporteerde Bedoeïen, en aanvullende kampen ontvingen aanvullende tellingen die in hun uitkomst de algemene omvang van het Italiaanse koloniale optreden in Cyrenaica bevestigden.
De algemene leefomstandigheden in de concentratiekampen voltrokken zich in hun geheel als omstandigheden van uitgebreide menselijke ontbering. De gedeporteerde Bedoeïen werden in de kampen ondergebracht in tenten en gewone hutten, die geen bescherming boden tegen de uitgestrekte Saharaanse weersomstandigheden van hitte in de zomer en kou in de winter. De voedselrantsoenen waren in hun samenstelling onvoldoende voor de gewone menselijke behoefte, met voorraden die proteïne-arm waren en die in hun uitkomst ondervoeding onder de gedetineerden voortbrachten.
De medische toestand
De algemene medische toestand in de concentratiekampen vormde in haar verloop een tragisch geheel, waarin de uitgebreide infectieziekten voor uitgebreide sterfte zorgden. Cholera-epidemieën voltrokken zich in de kampen in de zomers van 1930 en 1931, met een sterfte die in haar uitkomst tot duizenden bezweken Bedoeïen leidde. Tuberculose-epidemieën voltrokken zich onder de uitgebreide gedeporteerde bevolking, met langduriger gevolgen die in de overlevenden van de kampen zouden doorklinken. Mazelen-uitbraken voltrokken zich onder de kinderbevolking van de kampen, met een uitgebreide kindersterfte die de algemene demografische toestand van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking aantastte.
De algemene Italiaanse medische voorziening in de concentratiekampen bleef beperkt, met onvoldoende medische voorzieningen, met onvoldoende geneesmiddelen, en met onvoldoende geneeskundig personeel. Voor de algemene Italiaanse koloniale autoriteiten vormde de uitgebreide sterfte in de kampen geen bezorgdheid, en de uitkomst van de sterfte werd in haar geheel als algemeen aanvaardbaar gevolg van de koloniale pacificatie ontvangen.
Het kantelmoment
De algemene uitkomst van het Italiaanse koloniale optreden in Cyrenaica tussen 1929 en 1931 vormde in haar geheel een tragedie die de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving in haar geheel aantastte. De voornaamste demografische uitkomsten omvatten een uitgebreide reductie van de algemene Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking van ongeveer tweehonderdduizend zielen in 1928 tot ongeveer honderdtwintigduizend tegen 1933, een vermindering die in haar omvang in de moderne demografische analyse als genocide wordt aangeduid. Voor de Italiaanse koloniale autoriteiten betekende deze uitkomst de eindelijke pacificatie van het Cyrenaïcaanse verzet, en daarmee de conclusie van de uitgebreide herovering van de “Vierde Kust” voor de Italiaanse koloniale onderneming.
De internationale onverschilligheid
Een aspect van het Italiaanse koloniale optreden in Cyrenaica dat de algemene moderne historiografie voor een morele uitdaging plaatst, was de internationale onverschilligheid waarmee de uitgebreide menselijke uitkomsten in de wereld van haar tijd werden ontvangen. De algemene Volkenbond, als de uitgebreide internationale organisatie die in 1920 was ingesteld voor internationale uitwisseling, besteedde geen formele aandacht aan het Italiaanse koloniale optreden in Libië, en zij ondernam evenmin onderzoek-missies naar de menselijke uitkomsten van dat optreden. De algemene internationale pers besteedde enige beperkte aandacht aan de menselijke gevolgen van de Italiaanse koloniale onderdrukking, maar de algemene ontvangst van de Cyrenaïcaanse gebeurtenissen voltrok zich in haar geheel onder onverschilligheid.
Voor de moderne historiografie en voor de moderne morele bezinning vormt deze internationale onverschilligheid in haar uitkomst een morele uitdaging waarvan de uitkomst nog in de moderne post-koloniale bezinning voortklinkt.
Naar het einde van de strijd
In dit artikel hebben wij de geleidelijke escalatie van het Italiaanse koloniale beleid in Cyrenaica gevolgd in de jaren tussen 1924 en 1929, met de uitgebreide strategische herziening onder Mussolini, met de aanstelling van Generaal Rodolfo Graziani als militair opperbevelhebber van Cyrenaica, met de aanleg van de concentratiekampen die sterfte onder de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking veroorzaakten, met de gebeurtenis van al-Rahiba als specifiek voorbeeld van Italiaanse strafmethoden, en met de aanleg van de Egyptische grenslijn in 1929, die de algemene bewegingsruimte van het Cyrenaïcaanse verzet wezenlijk beperkte. Wij zagen ook hoe de algemene uitkomst van de Italiaanse koloniale onderdrukking in de moderne historiografie in toenemende mate als genocide wordt aangeduid. Aan het einde van de strijd in 1931, en aan de gevangenneming van Umar al-Mukhtar ﵀ in september van datzelfde jaar in een hinderlaag in het Slonta-gebied, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- Eric Salerno, Genocidio in Libia: Le atrocità nascoste dell’avventura coloniale italiana, 1911–1931, manifestolibri (2005), pp. 86–212.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 2, Mondadori (1988), pp. 168–268.
- Ali Abdullatif Ahmida, Genocide in Libya: Shar, a Hidden Colonial History, Routledge (2020), pp. 1–112.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 294–334.
- Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia, 1911–1931, il Mulino (2012), pp. 248–298.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 214–248.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 376–426.
- John Wright, Libya: A Modern History, Croom Helm (1981), pp. 124–168.
- Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies Toward the Arabic-Speaking Inhabitants of Libya, 1911–1943 (1988), pp. 168–256.
