De Strategie van de Groene Bergen
In het voorgaande artikel volgden wij de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog in september 1911 en de eerste fase van het Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-verzet onder de deelname van Umar al-Mukhtar ﵀, met zijn werk in de coördinatie van de plaatselijke Bedoeïen-stammen voor de gemeenschappelijke verdediging tegen de Italiaanse opmars stroomopwaarts van Benghazi. Wij zagen hoe het Ottomaanse vredesverdrag van Ouchy in oktober 1912 de Senussi-broederschap in een strategische heroriëntatie plaatste, en hoe de algemene voortzetting van het anti-koloniale verzet onder de zelfstandige leiding van de Senussi-broederschap werd geformuleerd. Dit artikel volgt de jaren tussen 1913 en 1923, met de geleidelijke uitbouw van het verzet onder de Italiaanse koloniale stabilisatie, met de Eerste Wereldoorlog en haar gevolgen voor de Cyrenaïcaanse situatie, en met de opkomst van de specifieke guerrilla-strategie in de Jebel Akhdar die onder Umar al-Mukhtar’s ﵀ algemene leiding tot haar volle vorm zou worden gebracht.
De jaren tussen 1913 en 1915
De algemene Cyrenaïcaanse gestalte na 1912
Na het Ottomaanse vredesverdrag van Ouchy voltrok zich in de algemene Cyrenaïcaanse situatie een uitgebreide aanpassing, waarin de plaatselijke moslim-gemeenschappen hun aanstaande positie onder de Italiaanse koloniale soevereiniteit moesten formuleren. De gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen voerden enige uitgebreide interne besprekingen, waarin de aanstaande keuze tussen onderwerping aan de Italiaanse autoriteit, uitwijking naar Egypte of naar de zuidelijke Saharazone, en voortzetting van het gewapende verzet onder de leiding van de Senussi-broederschap uitgebreid werd besproken. De overgrote meerderheid van de plaatselijke stammen koos voor de voortzetting van het gewapende verzet, in een gemeenschappelijke keuze die in haar uitkomst de Cyrenaïcaanse gemeenschap aan de algemene leiding van de Senussi-broederschap bond.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn aanstaande rol als algemeen militair leider betekenden deze plaatselijke besprekingen in haar uitkomst de uitgebreide bedding waarop zijn aanstaande opbouw van het algemene verzet in een gemeenschappelijke vorm zou worden gebouwd.
In de jaren onmiddellijk na het Verdrag van Ouchy voltrok zich in Cyrenaica een geleidelijke Italiaanse koloniale uitbreiding, gecombineerd met aanhoudend Cyrenaïcaans verzet. Italië voerde in deze jaren een uitbreiding van haar bezette gebied uit, met de inname van de naburige steden Derna in november 1911 en Tobruk in 1912, en met de geleidelijke uitbreiding stroomopwaarts in de Jebel Akhdar in de daaropvolgende jaren. De Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-troepen, onder de algemene leiding van Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ en met Umar al-Mukhtar ﵀ in een centrale positie van plaatselijke leiding, voerden aanhoudende guerrilla-operaties tegen de Italiaanse posities, die de Italiaanse uitbreiding in uitgebreide mate tegenhielden.
Voor de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking betekenden deze jaren een toestand van ontberingen en onzekerheid, met geleidelijke verstoringen van haar traditionele veeteelt-economie door de aanhoudende oorlogsomstandigheden en met verliezen in de gemeenschappelijke gewapende uitwisselingen met de Italiaanse troepen. Maar het gemeenschappelijke moreel van het verzet bleef gehandhaafd, en de plaatselijke netwerken van Senussi-zawiya’s voerden in een georganiseerde vorm een ondersteuning van de gewone Bedoeïen-families in de moeilijke omstandigheden van de oorlogstijd.
De Eerste Wereldoorlog
De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 had gevoelige gevolgen voor de Cyrenaïcaanse situatie. Italië, dat in het begin van de oorlog neutraal bleef, trad in mei 1915 toe tot de geallieerde zijde tegen de Centrale Mogendheden, en zij verschoof in deze jaren een aanzienlijk deel van haar militaire aandacht van Libië naar de Europese fronten. Het Ottomaanse Rijk, dat sinds november 1914 aan de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in de oorlog deelnam, voerde in 1915 een uitwisseling met de Senussi-broederschap voor een hernieuwde gemeenschappelijke onderneming tegen de Italianen en tegen de Britten in Egypte.
Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ aanvaardde in een strategische beslissing de Ottomaanse uitnodiging tot gemeenschappelijke onderneming, en in 1915 voerde de Senussi-broederschap in een gemeenschappelijke vorm met Ottomaanse officieren een invasie van het westelijke Egypte uit. De campagne bracht in haar eerste fase enige Senussi-overwinningen voort, maar zij eindigde uiteindelijk in een nederlaag tegen de Britse troepen in de Slag bij Aqaqir in februari 1916. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Cyrenaïcaanse positie betekende deze Egyptische uitbreiding een strategische ervaring waarin hij geleidelijk de bredere implicaties van een algemene Senussi-onderneming kon waarnemen.
De overgang naar Idris al-Sanusi
In 1918 voltrok zich in de Senussi-broederschap een overgang in het hoofdleiderschap, waarin Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ zijn positie geleidelijk aan zijn neef Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ overdroeg. Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ verliet Libië voor een geestelijke afzondering in Ottomaans gebied, en hij stierf in 1933 in Medina, na een geestelijke en politieke werkzaamheid die zich in een internationale omgeving voltrok. Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀, in 1918 zevenentwintig jaar oud, voerde in zijn nieuwe positie het algemene hoofdleiderschap van de Senussi-broederschap uit, en hij voerde diplomatieke onderhandelingen met de Italiaanse autoriteiten over een mogelijke vreedzame uitkomst van de Cyrenaïcaanse situatie.
In de jaren tussen 1919 en 1922 werden in de uitwisseling tussen Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ en de Italiaanse koloniale autoriteiten enige akkoorden bereikt, waarin de Senussi-broederschap een vorm van interne autonomie in de Jebel Akhdar-zone ontving in ruil voor een nominale erkenning van de Italiaanse soevereiniteit. Het Verdrag van Regima van 1920 en het Verdrag van Bu Maryam van 1921, met hun bepalingen van interne Senussi-autonomie onder nominale Italiaanse opperheerschappij, vormden in hun uitkomst een geleidelijke vreedzame coëxistentie die aan de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking enige rust schonk na de jarenlange oorlogsomstandigheden.
De aanleg van forten
In de loop van de Italiaanse koloniale stabilisatie tussen 1913 en 1922 voltrok zich de uitgebreide aanleg van Italiaanse forten en logistieke posten in de Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar-zone. De forten werden op strategisch gekozen plaatsen aangelegd, met uitgebreide steenmuren, met een bewapening van kanonnen en machinegeweren, en met logistieke voorzieningen voor de aanstaande Italiaanse troepen. Voor de aanstaande vorm van het verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ vormde deze geleidelijke fort-aanleg in haar uitkomst een uitgebreide strategische uitdaging waarvoor hij tactieken moest ontwikkelen.
Hij voerde enige uitgebreide observaties van de Italiaanse fort-bouwtechnieken uit, hij verwierf via plaatselijke informanten een uitgebreide kennis van de specifieke opbouw van elk fort, en hij ontwikkelde specifieke guerrilla-tactieken waarin de aanstaande aanvallen op Italiaanse forten in een uitgebreide vorm werden voorbereid. De algemene lijn van deze tactieken hield in dat de Cyrenaïcaanse strijders niet de fortmuren rechtstreeks zouden aanvallen, maar dat zij de fort-garnizoenen in een vorm van uitgebreide isolatie zouden afsnijden van hun bevoorrading en van hun uitgebreide ondersteuning.
De rol van Umar al-Mukhtar ﵀ in deze jaren
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Cyrenaïcaanse positie betekenden deze diplomatieke ontwikkelingen een periode van geleidelijke geestelijke en bestuurlijke werkzaamheid, in een verminderde mate van actief gewapend verzet. Hij voerde de bestuurlijke aangelegenheden van de Senussi-zawiya’s in zijn invloedssfeer, hij onderhield verbintenissen met de plaatselijke Bedoeïen-stammen, en hij ondernam uitwisselingen met Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ over de toekomst van het Senussi-werk in de gewijzigde politieke omstandigheden.
Maar in zijn persoonlijke geestelijke houding behield Umar al-Mukhtar ﵀ een scepsis over de aanstaande Italiaanse intenties, en hij voerde een geleidelijke voorbereiding op de aanstaande hernieuwing van het verzet, die hij in zijn persoonlijke beoordeling als onontkoombaar beschouwde. Hij ondernam in deze jaren herhaaldelijk reizen door de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen voor overleg-bijeenkomsten over de aanstaande vorm van een mogelijke hernieuwde gemeenschappelijke verdediging, en hij voerde als onderdeel van deze voorbereiding aankopen van wapens via de gewone netwerken van de Senussi-broederschap uit.
De gestalte van de uitgewekenen in Egypte
In de jaren tussen 1913 en 1923 voltrok zich een geleidelijke migratie van Cyrenaïcaanse Senussi-familieleden en aanhangers naar Egypte, in een ontwikkeling die in haar uitkomst het verzet in een uitgebreide internationale bedding plaatste. Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ verbleef in zijn diplomatieke werkzaamheid herhaaldelijk in Egypte, en uitgebreide groepen Cyrenaïcaanse uitgewekenen vestigden zich in Alexandrië, in Caïro en in enige uitgebreide groepen in de Egyptische westelijke woestijn-zone. Voor de algemene voortzetting van het verzet vormden deze uitgewekenen in haar uitkomst een uitgebreide bedding waarin logistieke ondersteuning, diplomatieke uitwisseling met internationale moslim-gemeenschappen, en geleidelijke wapenverwervingen via Egyptische tussenhandelaren konden worden voortgezet.
In Caïro vestigde Sayyid Muhammad Idris ﵀ geleidelijk een politieke aanwezigheid waarin hij in een uitgebreide vorm bij de Britse koloniale autoriteiten in Egypte voor een internationale erkenning van een aanstaande Cyrenaïcaanse moslim-staat pleitte. De Britse autoriteiten betrachtten in haar omgang met de Senussi-uitgewekenen enige uitgebreide voorzichtigheid, want de algemene Britse koloniale strategie vergde een uitgebreide diplomatieke uitwisseling met Italië, zodat de Britten een openlijke ondersteuning van een tegenstander van de Italiaanse koloniale macht moesten vermijden.
Het Fascistische tijdperk
In oktober 1922 voltrok zich in Italië een politieke ommekeer waarin Benito Mussolini in de zogeheten Mars op Rome het Italiaanse premierschap verwierf, in een ontwikkeling die in haar volle omvang de Italiaanse koloniale politiek in Libië in een hardere vorm zou plaatsen. Mussolini en zijn Fascistische beweging voerden in hun propaganda-werk een hernieuwing van de Vierde Kust-aspiratie, waarin de geleidelijke vreedzame coëxistentie van de voorafgaande jaren werd verworpen ten gunste van een hervatte koloniale onderwerping. In 1923 werden de akkoorden met de Senussi-broederschap formeel opgezegd door de Italiaanse autoriteiten, en de aanstaande gewapende confrontatie werd in haar volle omvang voorbereid.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Cyrenaïcaanse positie betekende de hernieuwde Italiaanse koloniale aandrang dat zijn jarenlange voorbereiding op de hernieuwing van het verzet in haar volle omvang tot uitvoering moest komen. Hij ontving in 1923 van Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀, die zich in deze maanden naar Egypte terugtrok om in een vorm van diplomatieke uitwisseling de internationale aandacht voor de Cyrenaïcaanse situatie te wekken, de formele aanstelling als algemeen militair leider van het Cyrenaïcaanse verzet. Hij was inmiddels vijfenzestig jaar oud, in zijn fysieke toestand nog krachtig ondanks zijn leeftijd, en in zijn geestelijke en bestuurlijke vorming volledig gereed voor de aanstaande vorm van de algemene leiding.
De interne organisatie van de adwar
De interne organisatie van de adwar-eenheden voltrok zich volgens een uitgebreide opzet die in haar uitkomst de gewone Bedoeïen-stamcohesie met de gemeenschappelijke Senussi-verbintenis combineerde. Elke adwar werd uit gewone Bedoeïen-strijders uit een specifieke stamverbintenis samengesteld, in een vorm die in haar uitkomst de gewone interne cohesie van de stam aan de algemene vorm van de adwar verleende. De aangewezen onderbevelhebber kwam uit een aristocratische laag van de stam, en hij werd door Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk gekozen op grond van gemeenschappelijke besprekingen met de stam-shaykhs.
De wekelijkse adwar-bijeenkomsten voltrokken zich in afgelegen Jebel Akhdar-locaties, waar de algemene veiligheid voor de uitgebreide militaire planning in een uitgebreide vorm kon worden gewaarborgd. Onder de algemene leiding van de aangewezen onderbevelhebbers voerde de adwar uitgebreide tactische voorbereidingen uit, met onderlinge verkenningsmissies, met opslag van wapens en ammunitie in geheime grotcomplexen, en met gemeenschappelijke training in de specifieke Cyrenaïcaanse guerrilla-tactieken. Voor het algemene verzet vormde deze interne organisatie in haar uitkomst de uitgebreide bedding waarop de aanhoudende guerrilla-strijd over acht jaren kon worden voortgezet.
De Jebel Akhdar als bedding
De Jebel Akhdar-zone, in haar geografische vorm een uitgebreid plateau van enkele honderden meters hoogte, met dichte beboste hellingen aan de noordzijde, met uitgestrekte weidegebieden in haar hogere delen, met talrijke kleinere bergvalleien die in haar uitkomst uitstekende verdedigingsposities boden, en met waterbronnen die in een geleidelijke verbintenis met de plaatselijke Bedoeïen-bevolking stonden, vormde de natuurlijke bedding waarop de aanstaande vorm van het verzet zou kunnen worden gebouwd. De Italiaanse troepen, in haar bewapening en in haar georganiseerde vorm aangepast aan de kustlinie en aan het gewone vlakke gevechtsterrein, ondervonden in de Jebel Akhdar moeilijkheden bij haar uitbreiding, en het bergachtige gebied vormde de natuurlijke verdedigingszone waaruit de Cyrenaïcaanse guerrilla-strijders konden opereren.
De Italiaanse koloniale doctrine onder Mussolini
De Italiaanse koloniale doctrine onder Mussolini voltrok zich in een uitgebreide combinatie van Fascistische ideologie en praktische koloniale politiek. Voor de algemene Italiaanse Fascistische politiek vormde de aanstaande herovering van Libië in haar uitkomst een uitgebreide nationale prestige-onderneming waarin de Italiaanse koloniale macht in een uitgebreide vorm zou worden gedemonstreerd. Onder Mussolini kreeg de Italiaanse koers een hardere koloniale vorm, waarin de gewone Italiaanse koloniale conventies van geleidelijke pacificatie werden vervangen door een uitgebreide militaire onderwerping zonder aandacht voor de plaatselijke gemeenschappen.
Voor de Cyrenaïcaanse verzets-organisatie betekende deze nieuwe Italiaanse koloniale koers in haar uitkomst een uitdaging waarvoor zij aanstaande aanpassingen moest formuleren. Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn algemene leiderschap erkende de nieuwe gedaante van zijn tegenstander, en hij voerde uitgebreide besprekingen met zijn naib-leiders waarin de aanstaande aanpassingen van de guerrilla-strategie aan de hardere Italiaanse koers in een uitgebreide vorm werden geformuleerd.
De guerrilla-strategie
In de loop van 1923 en het vroege 1924 voltrok Umar al-Mukhtar ﵀ de uitwerking van de specifieke guerrilla-strategie waarmee het Cyrenaïcaanse verzet in de aanstaande jaren onder zijn algemene leiding zou worden gevoerd. De strategie omvatte in haar volle vorm enige fundamentele elementen die in haar uitvoering in de aanstaande zeven jaar herkenbaar zouden blijven.
Ten eerste de organisatie van het verzet in zogeheten adwar, ofwel kleine guerrilla-eenheden van enkele tientallen tot enkele honderden manschappen elk, die in een combinatie van onafhankelijkheid en algemene coördinatie hun specifieke werkzaamheden voerden. Ten tweede de aanvaarding van een hit-and-run-tactiek waarin de Cyrenaïcaanse strijders de Italiaanse posities aanvielen, hun verliezen toebrachten, en zich vervolgens terugtrokken in de bergvalleien voordat de Italiaanse hoofdmacht tot vergelding kon optreden.
Ten derde de verbintenis tussen de gewapende strijders en de gewone Bedoeïen-bevolking, in een gemeenschappelijke samenwerking waarin de plaatselijke families met voedselvoorziening, met verbergplaatsen en met algemene informatie-uitwisseling de strijders ondersteunden. Ten vierde de bewegelijkheid van de strijders, die in en uit de Sahara konden bewegen, met de Egyptische grens als rustplaats waar de Italiaanse troepen geen vrije bewegingsmogelijkheid hadden. En ten vijfde de verbintenis met de uitgebreide netwerken van de Senussi-zawiya’s, die in een georganiseerde vorm de algemene logistieke ondersteuning van het verzet voerden.
De financiering van het verzet
De algemene financiering van het Cyrenaïcaanse verzet voltrok zich via uitgebreide bronnen die in haar uitkomst de aanhoudende voortzetting van het verzet ondersteunden. De voornaamste bronnen omvatten de uitgebreide zakaat-bijdragen van de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen, die in een gemeenschappelijke vorm aan de Senussi-broederschap werden afgedragen, de uitgebreide donaties van Cyrenaïcaanse uitgewekenen in Egypte en in andere internationale moslim-gemeenschappen die de algemene zaak ondersteunden, de wapenaanvoer-betalingen die via de bestaande economische structuren van de Senussi-broederschap werden gedragen, en de militaire buit die uit de gewone aanvallen op Italiaanse posities werd verkregen.
Voor het algemene verzet vormde deze financiële basis in haar uitkomst een uitgebreide bedding zonder welke de aanhoudende strijd in haar volle omvang niet had kunnen worden voortgezet. Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn algemene leiderschap besteedde uitgebreide aandacht aan de uitgebreide financiële organisatie, met een geleidelijke bestuurlijke voorzichtigheid waarin de beschikbare middelen in een uitgebreide vorm werden beheerd voor de aanhoudende voortzetting van het verzet.
De adwar in hun specifieke gestalte
Elke adwar werd in haar volle vorm geleid door een aangewezen onderbevelhebber die aan Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk verantwoordelijk was, en de specifieke vorm van de adwar maakte het mogelijk de algemene strategische lijn in een gemeenschappelijke vorm uit te voeren zonder de gewone vorm van een algemene veldslag waarin de Italiaanse vuurkracht in haar volle omvang tot inzet zou kunnen worden gebracht. De gemeenschappelijke lijn van de adwar werd in geregelde bijeenkomsten in afgelegen Jebel Akhdar-locaties uitgewerkt, waarin Umar al-Mukhtar ﵀ met zijn onderbevelhebbers de algemene strategie besprak en specifieke instructies voor de aanstaande operaties uitvaardigde.
In de eerste jaren van haar uitvoering, tussen 1923 en 1927, bleek deze strategie succesvol. De Italiaanse troepen, die ondanks haar bewapening moeilijkheden ondervonden om de Cyrenaïcaanse Bedoeïen in haar bewegelijkheid bij te houden, leden in deze jaren verliezen in een opeenvolgende reeks van kleinere gevechten die de Italiaanse koloniale bezetting geleidelijk uithongerden. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk waren dit de jaren waarin zijn strategische denken zich geleidelijk in een gemeenschappelijke reeks van resultaten vertaalde.
De rol van de plaatselijke vrouwen
Een specifiek aspect van het Cyrenaïcaanse verzet dat in de moderne historiografie pas geleidelijk de aandacht heeft gekregen die zij verdient, was de rol van de plaatselijke Bedoeïen-vrouwen in haar ondersteuning van de gewapende strijders. De vrouwen voerden een vorm van logistieke ondersteuning die voor de aanstaande vorm van het verzet onmisbaar was. Zij bereidden de uitgebreide voorraden van gerstbroden en gedroogde dadels die de gewapende strijders op hun verplaatsingen door de Saharaanse zone konden meedragen, zij beschermden wapens en ammunitie in de gewone vorm van de huishoudelijke voorraadkamers, en zij voerden een uitgebreide informatie-uitwisseling waarin berichten over de Italiaanse troepenbewegingen aan de strijders werden doorgegeven.
Voor het algemene verzet vormde deze vrouwelijke ondersteuning in haar uitkomst een uitgebreide bedding zonder welke de gewapende strijd in haar volle omvang niet had kunnen worden gevoerd. Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn algemene leiderschap erkende deze fundamentele rol, en hij gaf herhaaldelijk aanwijzingen aan zijn naib-leiders waarin de bescherming van de gewone Bedoeïen-vrouwen in een uitgebreide vorm werd vastgelegd. In zijn vrijdagspreken sprak hij herhaaldelijk over de geestelijke waarde van de plaatselijke vrouwen in de gemeenschap, en hij gaf aan de gewone Bedoeïen-mannen uitgebreide aansporingen tot aandacht en bescherming voor hun vrouwelijke familieleden.
De geestelijke discipline in oorlogstijd
Naast de militaire zijde handhaafde Umar al-Mukhtar ﵀ de algemene geestelijke discipline van zijn strijders in een uitgebreide gemeenschappelijke vorm. Hij eiste dat alle vijf dagelijkse gebeden onder alle omstandigheden in een gemeenschappelijke uitvoering werden voltrokken, dat de Senussi-wird dagelijks door iedere strijder in zijn persoonlijke vorm werd uitgevoerd, dat de gewone Ramadan-vasten in een uitgebreide vorm werd gehandhaafd, zelfs onder de omstandigheden van een actieve campagne, en dat de Quran-recitatie in een gemeenschappelijke vorm aan de avondbijeenkomsten van de adwar-eenheden werd voortgezet.
Voor de gewone Cyrenaïcaanse strijders vormde deze geestelijke discipline in haar uitkomst een uitgebreide bedding van morele standvastigheid die het verzet in haar lange duur ondersteunde. Voor de Italiaanse waarnemers die de Cyrenaïcaanse strijders in haar gewone doen bestudeerden, was de geestelijke discipline van het verzet een onverwacht verschijnsel, dat in haar uitkomst de algemene Italiaanse koloniale analyse van haar tegenstander aantastte.
De wekelijkse vrijdagspreken
In het uitgebreide guerrilla-werk van het verzet zette Umar al-Mukhtar ﵀ de uitgebreide wekelijkse vrijdagspreken in een gemeenschappelijke vorm voort. Wanneer de gewone strijders in afgelegen Jebel Akhdar-locaties waren gegroepeerd voor een operationele rust, voerde Umar al-Mukhtar ﵀ uitgebreide vrijdagspreken waarin hij in een gemeenschappelijke vorm de algemene geestelijke zijde van de aanstaande operaties besprak.
Zijn vrijdagspreken in deze vorm voltrokken zich volgens een gemeenschappelijke lijn die in haar uitkomst de algemene traditie van de Senussi-prediking voortzette. Hij sprak over de algemene moslim-verantwoordelijkheid voor het uitgebreide verzet tegen koloniale overheersing, hij gaf een uitgebreide juridische rechtvaardiging voor de gewone vorm van de aanstaande operaties op grond van de Maliki-fiqh, en hij voerde een geestelijke aansporing tot een uitgebreide gemeenschappelijke standvastigheid.
De uitvoerige logistieke gestalte
De logistieke organisatie van het verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ voltrok zich in een uitgebreide vorm waarin de economische zelfstandigheid van de Senussi-traditie op een gemeenschappelijke wijze werd toegepast. Hij organiseerde uitgebreide voorraadketens in de Jebel Akhdar-zone, waarin de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen in een gemeenschappelijke vorm bijdragen leverden voor de algemene voortzetting van het verzet. Hij voerde uitgebreide wapenleveranties via de gewone Egyptische tussenhandelaren, in een uitwisseling die in haar uitkomst ondanks de Italiaanse blokkade-pogingen aan de Egyptische grens een voortgaande wapenaanvoer voortbracht.
Voor het verzet in haar lange voortzetting vormde deze uitgebreide logistieke organisatie in haar uitkomst de uitgebreide bedding waarop de aanhoudende guerrilla kon worden gevoerd. Zonder deze logistiek had het verzet binnen enige maanden in een toestand van uitputting moeten worden beëindigd, en haar voortzetting over een uitgebreide periode van acht jaren tussen 1923 en 1931 vormde in haar uitkomst een bewijs van de uitgebreide logistieke organisatie die Umar al-Mukhtar ﵀ had opgezet.
De Trans-Saharaanse routes
De Trans-Saharaanse routes tussen Cyrenaica en de bredere internationale moslim-gemeenschap ontwikkelden zich in deze jaren als een belangrijke bedding voor het algemene verzet. Via Kufra in de zuidelijke Cyrenaïcaanse Saharazone, en via aanvullende posten in Wadai en in Tsjaad, bleven de Senussi-zawiya’s in een gemeenschappelijke verbintenis de algemene vorm van het verzet met internationale moslim-ondersteuning verbinden. De Italiaanse koloniale autoriteiten ondernamen herhaaldelijk pogingen om deze Trans-Saharaanse routes in een uitgebreide vorm te onderbreken, en de Italiaanse inname van Kufra in 1931 zou in haar uiteindelijke uitkomst de algemene voortgaande Trans-Saharaanse verbinding aantasten.
Naar de Slag om Bir Bilal
In dit artikel hebben wij de jaren tussen 1913 en 1923 gevolgd, met de geleidelijke ontwikkeling van het Cyrenaïcaanse verzet, met de Eerste Wereldoorlog en haar gevolgen voor de Senussi-Egyptische onderneming, met de overgang naar het hoofdleiderschap van Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀, met de geleidelijke vreedzame akkoorden van 1920 en 1921, en met de hernieuwde Italiaanse koloniale aandrang onder Mussolini vanaf 1922. Wij zagen hoe in 1923 Umar al-Mukhtar ﵀ tot algemene militaire leider van het Cyrenaïcaanse verzet werd aangesteld en hoe in de daaropvolgende maanden de specifieke guerrilla-strategie van de adwar in haar volle vorm werd uitgewerkt. Aan een van de meest opmerkelijke gevechten van deze fase van het verzet, de Slag om Bir Bilal in 1923, wijdt het volgende artikel zijn aandacht.
Bronnen
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 148–214.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 198–248.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 2: Dal fascismo a Gheddafi, Mondadori (1988), pp. 14–86.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 214–268.
- Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia, 1911–1931, il Mulino (2012), pp. 124–198.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 268–334.
- Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, Princeton University Press (1986), pp. 168–214.
- Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies Toward the Arabic-Speaking Inhabitants of Libya, 1911–1943, Garash al-Habayyib (1988), pp. 56–124 [in Arabisch met Engels overzicht].
