De Slag om Benghazi
In het voorgaande artikel volgden wij Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn aanstelling als imam van de Zawiyat al-Qusour vanaf 1902, in zijn dagelijkse werkzaamheden in deze positie, en in zijn geleidelijke voorbereiding op de aanstaande Italiaanse koloniale invasie. Dit artikel volgt de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog in september 1911, de Italiaanse inname van de havensteden van Libië in oktober van dat jaar, de Slag om Benghazi waarin de Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-troepen onder Umar al-Mukhtar’s ﵀ deelname weerstand boden aan de Italiaanse opmars, en de eerste fase van het verzet dat hem in de daaropvolgende decennia tot zijn positie als leider van het Cyrenaïcaanse anti-koloniale verzet zou voeren.
De Italiaanse oorlogsverklaring
Op 29 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het Ottomaanse Rijk, waarbij de voornaamste casus belli werd voorgesteld als de noodzaak van Italiaanse koloniale uitbreiding in Libië voor de aanstaande nationale ontwikkeling. De oorlogsverklaring werd in Rome openlijk gevierd, met aanzienlijke straatdemonstraties en met redevoeringen van politieke leiders waarin de aanstaande verovering van de Vierde Kust werd voorgesteld. Op 3 oktober 1911 voer een Italiaanse expeditievloot van enkele tientallen schepen onder bevel van Vice-Admiraal Luigi Faravelli naar Tripoli, en op 5 oktober ondernam Italië de eerste landing in de Libische hoofdstad, een landing die de aanstaande inname van de havensteden zou inluiden.
Voor Tripoli ondernam de Italiaanse vloot een bombardement van de Ottomaanse verdedigingsposities in de havenstad, gevolgd door de landing van een uitgebreid expeditieleger van ongeveer dertigduizend manschappen onder bevel van Generaal Carlo Caneva. De Ottomaanse verdediging, die uit ongeveer vierduizend reguliere troepen bestond aangevuld met enige duizenden plaatselijke moslim-vrijwilligers, kon tegen de overweldigende Italiaanse vuurkracht niet standhouden, en de Italiaanse troepen hadden op 10 oktober Tripoli bezet.
De landing in Benghazi
Op 19 oktober 1911 voerde de Italiaanse vloot een vergelijkbare operatie uit voor Benghazi, met een bombardement van de havenfaciliteiten en met de aanstaande landing van een tweede Italiaans expeditieleger van ongeveer tienduizend manschappen onder bevel van Generaal Ottavio Briccola. De Ottomaanse verdediging van Benghazi voltrok zich op vergelijkbare wijze als in Tripoli, met reguliere troepen aangevuld door plaatselijke moslim-vrijwilligers, en zij kon tegen de Italiaanse vuurkracht in de directe confrontatie niet standhouden.
Maar in tegenstelling tot Tripoli, waar de Italiaanse troepen na de eerste bezetting de stad in relatieve rust konden bezetten, vond in Benghazi een Cyrenaïcaanse Bedoeïen-respons plaats waarin de plaatselijke Senussi-broederschap direct tot actief verzet overging. Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ riep in een formele vrijdagspreek in Kufra de algemene Senussi-jihad uit tegen de Italiaanse invasie, en hij gaf zijn naaste medewerkers, onder wie Umar al-Mukhtar ﵀ in een centrale rol, de opdracht om de plaatselijke Bedoeïen-stammen voor de aanstaande gewapende verdediging te organiseren.
De Senussi-mobilisatie
In de dagen na de Italiaanse landing in Benghazi voltrok zich in heel Cyrenaica een Senussi-mobilisatie waarin de plaatselijke Bedoeïen-stammen voor de gewapende verdediging werden samengebracht. Umar al-Mukhtar ﵀, die in zijn Zawiyat al-Qusour-positie geografisch centraal stond, voerde in deze dagen een organisatorische werkzaamheid uit waarin hij de plaatselijke verdediging in haar gemeenschappelijke vorm tot stand bracht. Hij zond boodschappers naar de naburige stam-shaykhs voor overleg-bijeenkomsten, hij organiseerde de aanvoer van wapens uit de uitgebreide Senussi-magazijnen naar de verdedigingsposities, en hij voerde de strategische voorbereiding uit voor de gemeenschappelijke Cyrenaïcaanse verdediging.
In de gemeenschappelijke verdediging die in de daaropvolgende weken tot stand kwam, voerden de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen onder de algemene Senussi-leiding een strategie uit waarin zij in een combinatie van Ottomaanse reguliere troepen en plaatselijke Bedoeïen-milities de Italiaanse uitbreiding stroomopwaarts van Benghazi moesten tegenhouden. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk was deze gemeenschappelijke verdediging een praktische opleiding in de gemeenschappelijke oorlogvoering waarin hij zich op zijn aanstaande algemene leiderschap zou voorbereiden.
Het terrein
Het Cyrenaïcaanse terrein, in zijn combinatie van Mediterrane kustzone, bergachtige Jebel Akhdar en uitgestrekte Saharazone, vormde voor het Cyrenaïcaanse verzet een natuurlijke omgeving. De Italiaanse troepen, die in hun bewapening en in hun organisatie aan de kustlinie een uitsluitend voordeel bezaten, konden naar het binnenland nauwelijks vorderen zonder zich aan Bedoeïen-hinderlagen bloot te stellen. De Cyrenaïcaanse Bedoeïen, in hun kennis van het plaatselijke terrein en in hun snelle paarden-bewegelijkheid, voerden een onbarmhartige guerrilla-tactiek die de Italiaanse troepen geleidelijk uitputte.
In de eerste maanden van het verzet, tussen oktober 1911 en het voorjaar van 1912, voltrok zich een uitgebreide reeks van schermutselingen waarin de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-troepen herhaaldelijk de Italiaanse opmars stroomopwaarts van Benghazi tegenhielden. De Italiaanse troepen, met hun bewapening en hun artillerie, behaalden in directe veldslagen aan de kust herhaaldelijk de overhand, maar zij konden naar het binnenland geen blijvende vooruitgang behalen, en zij verkeerden tegen het voorjaar van 1912 in een toestand van uitputting en in een onvermogen tot definitieve doorbraak.
De Italiaans-Turkse vredesverdrag
In de zomer van 1912 voltrokken zich in de Italiaans-Turkse oorlog enige ontwikkelingen die het Cyrenaïcaanse verzet in een nieuwe fase zouden plaatsen. Het Ottomaanse Rijk, dat in deze maanden in interne moeilijkheden verkeerde door de aanstaande Eerste Balkan-oorlog die in oktober 1912 zou uitbreken, voerde vredesonderhandelingen met Italië die hun uitkomst zouden vinden in het Verdrag van Ouchy van 18 oktober 1912. In het verdrag erkende het Ottomaanse Rijk formeel de Italiaanse soevereiniteit over Libië, en de Ottomaanse autoriteiten ondernamen de geleidelijke terugtrekking van hun reguliere troepen uit het Libische grondgebied.
Voor het Cyrenaïcaanse verzet betekende deze diplomatieke ontwikkeling een strategische crisis. Zonder de Ottomaanse reguliere troepen, die in de voorafgaande maanden in gemeenschappelijke verdediging met de Senussi-Bedoeïen-milities hadden gefunctioneerd, zou het verzet zich in een nieuwe vorm moeten heroriënteren. Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ ontving het bericht van het Ottomaanse vredesverdrag met aanzienlijke geestelijke verlegenheid, en hij voerde besprekingen met zijn naaste medewerkers, onder wie Umar al-Mukhtar ﵀ in een centrale rol, over de aanstaande heroriëntatie van het verzet.
De Slag bij Sciara Sciat
Een episode uit de eerste fase van het verzet die in de Italiaanse koloniale herinnering een plaats verkreeg, was de Slag bij Sciara Sciat op 23 oktober 1911 in een buitenwijk van Tripoli. In deze confrontatie, slechts enkele dagen na de Italiaanse landing, voerden Tripolitaanse Bedoeïen-strijders een verrassingsaanval uit tegen Italiaanse posities in de Sciara Sciat-buurt, en zij brachten de Italiaanse troepen aanzienlijke verliezen toe. De Italiaanse vergeldingsmaatregelen voltrokken zich in executies van plaatselijke Bedoeïen-burgers, een gebeurtenis die in de Italiaanse koloniale geschiedschrijving werd vermeld maar die in de Tripolitaanse moslim-overlevering een geestelijke uitwerking verkreeg.
Voor de Cyrenaïcaanse verzets-organisatie onder Umar al-Mukhtar ﵀ vormde de uitkomst van Sciara Sciat een praktische les in de aanstaande Italiaanse vergeldingsmaatregelen tegen burgers. Hij voerde besprekingen met zijn medewerkers over de wijze waarop de Bedoeïen-bevolking tegen de aanstaande Italiaanse vergeldingsmaatregelen moest worden beschermd, en hij gaf aan de algemene strategische voorbereiding een zorgvuldige voorzichtigheid mee.
De voortzetting van het verzet
In de besprekingen die in de winter van 1912 op 1913 in Kufra en in de naburige Senussi-centra werden gevoerd, besloten de Senussi-leiders dat de algemene Senussi-onderneming als zelfstandig anti-koloniaal verzet zou worden voortgezet, ondanks de Ottomaanse capitulatie. De Senussi-broederschap weigerde de Italiaanse koloniale soevereiniteit over Libië te aanvaarden, en zij voerde de voortzetting van het verzet uit, waarin de plaatselijke Bedoeïen-stammen gemeenschappelijk hun verdediging tegen de Italiaanse uitbreiding zouden voortzetten.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk vormde deze voortzetting een periode van toenemende verantwoordelijkheid in de Senussi-organisatie, want hij werd in toenemende mate met de algemene leiding van het Cyrenaïcaanse verzet belast. In de jaren tussen 1913 en 1918, terwijl Italië in koloniale stabilisatie verkeerde en in 1915 door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in een nieuwe geopolitieke situatie werd geplaatst, voerde hij in zijn Jebel Akhdar-positie de geleidelijke opbouw van de Cyrenaïcaanse weerstand uit, een opbouw die in de aanstaande Fascistische uitbreiding na 1922 haar tragische vervolg zou vinden.
De Italiaanse landing
De Italiaanse landing in Tripoli op 5 oktober 1911 en in Benghazi op 19 oktober 1911 weerspiegelde de Italiaanse militaire en logistieke macht van haar tijd. De expeditievloot omvatte ongeveer veertig schepen, met onder hen vier moderne slagschepen, een aantal kruisers en torpedoboten, en troepenschepen die de algemene Italiaanse militaire macht aan de Libische kust plaatsten. De voorafgaande artillerie-bombardementen van de Ottomaanse kustfortificaties duurden uren, waarin de Ottomaanse verdediging grotendeels werd uitgeschakeld voor de aanstaande landing.
Voor de plaatselijke Cyrenaïcaanse moslim-bevolking betekende de Italiaanse landing een schok en een onmiddellijke gemeenschappelijke geestelijke respons. In de plaatselijke moskeeën van Benghazi voltrokken zich gemeenschappelijke gebeden waarin de algemene moslim-gemeenschap haar verzet tegen de Italiaanse koloniale uitbreiding uitsprak. Voor de Senussi-broederschap betekende de landing dat de geleidelijke voorbereidende fase definitief was beëindigd en dat de aanstaande gewapende verdediging in haar volle omvang moest worden gevoerd.
De rol van de plaatselijke moslim-collaborateurs
In de eerste dagen na de Italiaanse landing voltrokken zich in Benghazi geleidelijke onderhandelingen tussen de Italiaanse autoriteiten en enige plaatselijke moslim-notabelen die voor koloniale collaboratie werden aangezocht. Deze notabelen, voornamelijk leden van enige Cyrenaïcaanse aristocratische families die in de voorafgaande jaren in verstandhouding met de Ottomaanse autoriteiten in Benghazi hadden gestaan, ontvingen van de Italiaanse autoriteiten aanbiedingen van koloniale bestuurlijke posities in ruil voor hun publieke ondersteuning van de Italiaanse soevereiniteit.
Voor de Senussi-broederschap vormden deze onderhandelingen een geestelijke uitdaging die zij in een uitgebreide reeks van vrijdagspreken aan haar gemeenschap voorlegde. Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ verklaarde in een formele uitspraak dat de aanvaarding van Italiaanse koloniale posities door moslim-notabelen een uitgesproken vorm van afvalligheid van de moslim-gemeenschap vormde, en hij richtte een geestelijke aansporing tot de plaatselijke gemeenschappen om de Italiaanse koloniale aanbiedingen te verwerpen.
Naar de strategie van de Groene Bergen
In dit artikel hebben wij de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog gevolgd in september en oktober 1911, de Italiaanse inname van de havensteden van Libië, en de eerste fase van het Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-verzet onder Umar al-Mukhtar’s ﵀ deelname. Wij zagen hoe het Italiaanse expeditieleger met zijn bewapening de kustlinie wist te beheersen maar in het binnenland door de Bedoeïen-guerrilla werd opgehouden. Wij zagen ook hoe het Ottomaanse vredesverdrag in oktober 1912 de Senussi-broederschap voor een strategische heroriëntatie plaatste waarin de algemene voortzetting van het anti-koloniale verzet zonder Ottomaanse reguliere steun werd geformuleerd. Aan de aanstaande fase van het verzet onder de Italiaanse koloniale stabilisatie, en aan de guerrilla-strategie die in de jaren twintig onder Umar al-Mukhtar’s ﵀ algemene leiding tot haar volle ontwikkeling zou worden gebracht, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 1: Tripoli bel suol d’amore (1860–1922), Mondadori (1986), pp. 86–168.
- Sergio Romano, La quarta sponda: La guerra di Libia 1911–1912, Bompiani (1977), pp. 68–212.
- Nicola Labanca, Oltremare: Storia dell’espansione coloniale italiana, il Mulino (2002), pp. 168–214.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 148–186.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 168–198.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 168–214.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 214–268.
- William C. Askew, Europe and Italy’s Acquisition of Libya, 1911–1912, Duke University Press (1942), pp. 156–212.
