Imam van Zawiyat al-Qusour
In het voorgaande artikel volgden wij de Senussi-onderneming van Umar al-Mukhtar ﵀ in Wadai in de jaren tussen 1894 en 1899, en wij beschreven hoe hij in deze jaren de eretitel “Leeuw van de Woestijn” verkreeg, hoe de geleidelijke Franse koloniale uitbreiding in Tsjaad de algemene Senussi-aanwezigheid begon te raken, en hoe hij in 1899 of 1900 naar Cyrenaica terugkeerde voor een nieuwe Senussi-opdracht. Dit artikel volgt hem in zijn aanstelling tot imam van de Zawiyat al-Qusour in het Jebel Akhdar-gebied van Cyrenaica vanaf 1902, en in zijn werk daar tot aan de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog in 1911.
De Zawiyat al-Qusour
Zawiyat al-Qusour, gelegen in het centrale Jebel Akhdar-gebied van Cyrenaica nabij de hedendaagse stad al-Bayda, was in 1862 door Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ persoonlijk opgericht en behoorde daarmee tot de oudere Senussi-zawiya’s in de regio, en zij nam binnen het Cyrenaïcaanse netwerk van zawiya’s een uitgesproken centrale plaats in. De plaats was gekozen om haar gunstige geografische ligging in de bergvallei van het Jebel Akhdar, met uitgebreide weidegebieden en watervoorraden in de directe omgeving, en zij was in de loop van vier decennia uitgegroeid tot een omvangrijke gemeenschap met enkele honderden vaste bewoners, met aanpalende landbouwgebieden, en met een centrale gebedszaal die op vrijdag een uitgebreid gehoor uit de naburige Bedoeïen-stammen ontving.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende zijn aanstelling als imam van deze zawiya in het voorjaar van 1902 een omvattende geestelijke en bestuurlijke verantwoordelijkheid in zijn ouderlijk Cyrenaïcaanse gebied. Hij was in deze jaren vierenveertig jaar oud, gevormd door zijn opleiding in Jaghbub en in Kufra en door zijn Wadai-jaren, en hij ontving de aanstelling met een combinatie van geestelijke ernst en grondige praktische voorbereiding op het werk dat hem in de zawiya wachtte.
De overgang van het hoofdleiderschap
Tegelijkertijd met zijn aanstelling voltrok zich in de Senussi-broederschap een overgang van het hoofdleiderschap, met de dood van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in 1902 en met de overname van de algemene leiding door zijn neef Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀. De overgang voltrok zich geleidelijk en in continuïteit, want Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ was in de voorafgaande jaren reeds nauw aan de bestuurlijke leiding van de broederschap gebonden geweest en hij voerde in zijn nieuwe positie de bestaande Senussi-strategie in haar geheel voort.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende deze overgang dat hij in zijn nieuwe positie als imam in Cyrenaica in een rechtstreekse verbintenis met het nieuwe hoofdleiderschap kwam te staan, en in de daaropvolgende jaren zou hij uitgebreide bestuurlijke en geestelijke uitwisselingen met Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ onderhouden. De verstandhouding tussen de twee mannen, die in de voorafgaande Wadai-jaren reeds was gevormd, ontwikkelde zich in deze jaren tot een nauwe werkverhouding waarin de hoofdleider in Umar al-Mukhtar ﵀ een van zijn meest betrouwbare ondersteuners herkende.
De dagelijkse werkzaamheden
De morgensessies in de moskee
De gewone ochtenden in de Zawiyat al-Qusour begonnen ermee dat Umar al-Mukhtar ﵀ na het fajr-gebed zijn opleidingswerkzaamheden voor de plaatselijke leerlingen op zich nam. De leerlingen, enige tientallen Cyrenaïcaanse Bedoeïen-jongens uit de naburige stam-families, ontvingen gezamenlijk hun ochtendlessen in Quran-recitatie, in eerste Arabische letteren, en in de gewone Senussi-discipline. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ vormden deze ochtenden het meest geestelijk-vervullende deel van zijn dag, want hij voelde in dit onderwijs de geleidelijke overdracht van de Senussi-traditie aan de aanstaande generatie, gedragen door een gemeenschappelijke toewijding.
In zijn onderwijs volgde hij een methode van persoonlijke aandacht waarin elke leerling een eigen gehoor ontving. Hij ontwikkelde een grondige kennis van elke individuele leerling, hij paste zijn onderwijsmethode aan de eigen aard van elke leerling aan, en hij gaf daarmee een gemeenschappelijke richting aan de algemene Senussi-vorming waarin de aanstaande Senussi-generatie zou worden geplaatst.
De juridische rechtspraak
Naast zijn onderwijswerkzaamheden voerde Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn imam-positie een uitgebreide juridische rechtspraak in geschillen tussen de plaatselijke Cyrenaïcaanse Bedoeïen-families. Partijen uit de naburige stam-gemeenschappen brachten hun zaken naar zijn zawiya, waar zij in hun geschillen een toepassing van de Maliki-fiqh ontvingen, en hij voerde de rechtspraak volgens de gewone Senussi-conventies, waarin de fiqh werd gecombineerd met een gevoeligheid voor de plaatselijke Bedoeïen-tradities.
Voor de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-families droeg de juridische beschikbaarheid van Umar al-Mukhtar ﵀ bij aan de geleidelijke aanvaarding van zijn algemene autoriteit, want zij ontvingen in zijn rechtspraak een rechtvaardige uitkomst die de algemene moslim-gemeenschap in een gemeenschappelijke discipline plaatste. In de loop van de jaren voor 1911 werd hij de gerechtelijke autoriteit voor een uitgestrekt gebied rond de Zawiyat al-Qusour, en zijn rechtspraak werd door de plaatselijke Bedoeïen-bevolking met algemene aanvaarding ontvangen.
In zijn dagelijkse werk als imam van Zawiyat al-Qusour combineerde Umar al-Mukhtar ﵀ geestelijke leiding, juridische rechtspraak, bestuurlijke organisatie en geleerde onderwijzing. Het ochtendprogramma was gewijd aan de gemeenschappelijke gebeden in de centrale moskee en aan de onderwijzing van de jonge leerlingen die in de zawiya hun opleiding ontvingen. De namiddag werd gebruikt voor de juridische rechtspraak in geschillen tussen de Bedoeïen-families van de naburige stammen, voor de administratie van de zawiya-economie, en voor de geleidelijke uitbreiding van de Senussi-aanwezigheid in de bredere Cyrenaïcaanse regio.
In zijn vrijdagspreken in de centrale moskee, die door een uitgebreid gehoor uit de naburige dorpen werden bijgewoond, gaf Umar al-Mukhtar ﵀ een geestelijke leiding waarin hij de algemene Senussi-discipline in een combinatie van praktische geleerdheid en geestelijke ernst aan zijn hoorders presenteerde. Hij sprak in zijn predikingen over de verantwoordelijkheid van de moslim-gemeenschap voor het behoud van haar geestelijke karakter onder de aanstaande dreigingen van de Europese koloniale uitbreiding, en hij bereidde zijn gemeenschap zo stap voor stap voor op wat haar in de aanstaande decennia te wachten stond.
De persoonlijke geestelijke discipline
In zijn persoonlijke geestelijke discipline onderhield Umar al-Mukhtar ﵀ in deze jaren de Senussi-wird in haar volle omvang. Hij stond gewoonlijk op voor de fajr en voerde naast het gemeenschappelijke gebed een uitgebreide persoonlijke dzikr-sessie waarin de Senussi-formules werden uitgevoerd. In de avonduren, na het isha-gebed, hield hij een aanvullende sessie van Quran-recitatie en persoonlijke bezinning waarin hij het geheel van zijn werk aan Allah ﷻ overdroeg.
In zijn vasten voerde hij regelmatige vrijwillige vasten naast het gewone vasten van Ramadan, als een aanvullende persoonlijke geestelijke oefening die hem een geestelijke standvastigheid verleende. Voor zijn lichamelijke gesteldheid gaf deze discipline bovendien een uithouding die hem in zijn aanstaande jaren als oudere militaire leider zou ondersteunen.
De geleidelijke militaire voorbereiding
In zijn rol als imam ondernam Umar al-Mukhtar ﵀ ook een geleidelijke militaire voorbereiding van de naburige Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen op de aanstaande Italiaanse koloniale invasie. Hij organiseerde regelmatige bijeenkomsten met de plaatselijke stam-shaykhs waarin de algemene strategische betekenis van de aanstaande dreiging werd besproken, en hij ondernam gestage aankopen van wapens via de gewone Senussi-netwerken, in een voorbereiding waarmee de plaatselijke Bedoeïen-stammen stap voor stap op de aanstaande verdediging werden voorbereid.
De militaire voorbereiding voltrok zich zonder volledige openheid, want Umar al-Mukhtar ﵀ wenste in zijn werk niet de aandacht van de Ottomaanse autoriteiten of van de Italiaanse informanten op zich te trekken voordat de aanstaande confrontatie daadwerkelijk zou aanvangen. In een combinatie van zorgvuldige geheimhouding en grondige praktische voorbereiding bouwde hij in de jaren tussen 1902 en 1911 een uitgebreid netwerk van militair gevormde Bedoeïen-strijders op, dat in het aanstaande verzet de bedding zou vormen waarop het Cyrenaïcaanse verzet in haar volle omvang zou kunnen worden gevoerd.
De gemeenschappelijke gestalte van de Senussi-leiding
In de jaren na zijn aanstelling als imam in de Zawiyat al-Qusour ontwikkelde Umar al-Mukhtar ﵀ een nauwe verbintenis met de bredere Senussi-leiding, die hem in de algemene structuur van de broederschap in een centrale positie plaatste. Hij ontmoette in geregelde bijeenkomsten in Kufra het hoofdleiderschap onder Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, hij voerde een uitgebreide correspondentie met de plaatselijke ikhwan-leiders in andere Cyrenaïcaanse zawiya’s, en hij ondernam uitgebreide reizen door de bredere Senussi-regio voor algemene strategische besprekingen en geestelijke uitwisselingen.
Voor Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ in zijn hoofdleidende positie vormde Umar al-Mukhtar ﵀ een van de meest vertrouwde plaatselijke leiders, en hij ontving in zijn werkverdeling enige van de meest gevoelige verantwoordelijkheden in de algemene Cyrenaïcaanse Senussi-organisatie. Hij werd belast met de leiding van de aanstaande militaire voorbereiding in zijn regio, met de organisatie van de wapenaanvoer via de Egyptische tussenhandelaren, en met de diplomatieke uitwisseling met de plaatselijke Ottomaanse autoriteiten in Benghazi voor de aanstaande gemeenschappelijke verdediging.
De plaatselijke stam-shaykhs
Een centraal deel van zijn werk in deze jaren was de opbouw van verbintenissen met de naburige Cyrenaïcaanse stam-shaykhs in de Awaqir, in de Bara’asa, in de Magharba en in de andere Saʿadi-stammen die in de aanstaande gewapende strijd een gemeenschappelijk leiderschap zouden moeten vormen. Hij ondernam in deze jaren herhaaldelijk reizen door de plaatselijke stam-gebieden voor uitgebreide overleg-bijeenkomsten met de plaatselijke shaykhs, hij voerde uitgebreide besprekingen over de aanstaande gemeenschappelijke strategie, en hij gaf aan de algemene opzet van de aanstaande verdedigings-organisatie een gemeenschappelijke vorm.
Voor de plaatselijke stam-shaykhs vormde Umar al-Mukhtar ﵀ een centrale geestelijke autoriteit die de gewone stam-rivaliteiten oversteeg. Voor de aanstaande gewapende strijd betekende deze organisatorische voorbereiding in haar uitkomst dat de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen gemeenschappelijk aan de Italiaanse koloniale uitbreiding zouden weerstaan, onder een Senussi-coördinatie die de gewone stam-versplintering in een gemeenschappelijke samenhang zou oplossen.
De Italiaans-Turkse oorlog in haar voorbereiding
In de jaren tussen 1908 en 1911 voltrok zich in het Italiaanse staatsverband een gestage koloniale voorbereiding op de aanstaande inval in Libië, die in haar volle omvang in september 1911 in de Italiaans-Turkse oorlog haar uitkomst zou vinden. Onder leiding van premier Giovanni Giolitti voerde Italië in deze jaren een diplomatieke voorbereiding uit, met uitgebreide onderhandelingen met Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland over de aanstaande Italiaanse koloniale aanwezigheid in Libië. Het Italiaanse leger ondernam in deze jaren een omvangrijke militaire voorbereiding, met de samenstelling van een expeditieleger van enkele tienduizenden manschappen en met de gestage aankoop van moderne wapens voor de aanstaande operatie.
De Senussi-broederschap in Cyrenaica volgde deze ontwikkelingen met aandacht via de gewone Senussi-informanten in de havensteden en via de bredere internationale verbintenissen van de broederschap. Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ voerde in deze jaren uitgebreide besprekingen met de plaatselijke ikhwan over de aanstaande Senussi-respons, en hij ondernam in deze zelfde jaren de directe organisatorische voorbereidingen op de aanstaande oorlog.
De Italiaanse Banco di Roma
Een onderdeel van de Italiaanse koloniale voorbereiding dat de plaatselijke economie van Libië aantastte, was de vestiging van de Banco di Roma in Tripolitania en in Cyrenaica. De bank, een Italiaanse handels- en kredietinstelling, vestigde in de jaren tussen 1907 en 1911 kantoren in Tripoli, in Benghazi en in Derna, in een ontwikkeling die de plaatselijke handel in een toenemende Italiaanse afhankelijkheid plaatste. De bank voerde uitgebreide kredietverleningen aan plaatselijke handelaren op een wijze die in haar uitkomst een Italiaanse economische invloed in de gewone Libische economie vestigde.
Voor de Senussi-broederschap betekende deze Italiaanse economische penetratie een strategische ontwikkeling die in haar uitkomst de aanstaande Italiaanse koloniale invasie voorbereidde. Umar al-Mukhtar ﵀ volgde in zijn imam-positie de opkomst van de Banco di Roma met aanzienlijke aandacht via de plaatselijke Senussi-informanten in de havensteden, en hij ondernam tegenmaatregelen door de plaatselijke Bedoeïen-handelaren aan te sporen om geen kredieten van de Italiaanse bank te aanvaarden en om hun handelsverbintenissen via de gewone Senussi-netwerken te onderhouden.
Het Ottomaanse beleid
Het Ottomaanse beleid tegenover de aanstaande Italiaanse dreiging bestond in deze jaren uit een geleidelijke militaire versterking van de Libische posities. De Ottomaanse autoriteiten in Tripoli en Benghazi versterkten in deze jaren stapsgewijs hun militaire aanwezigheid, met de aanvoer van nieuwe troepen uit Anatolië en met een uitgebreide uitwisseling met de Senussi-broederschap over een mogelijke gemeenschappelijke verdedigingsstrategie. De Senussi-broederschap aanvaardde de noodzaak van een gemeenschappelijk optreden met de Ottomaanse autoriteiten ondanks de voorafgaande spanningen, en zij voerde in 1910 en het vroege 1911 uitgebreide besprekingen met de Ottomaanse wali in Benghazi over de aanstaande gemeenschappelijke verdediging.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Zawiyat al-Qusour-positie betekende deze Ottomaanse-Senussi-uitwisseling dat hij in toenemende mate in de specifieke voorbereidingen op de aanstaande oorlog werd betrokken. Hij voerde in deze jaren uitgebreide besprekingen met Ottomaanse militaire officieren die in zijn zawiya verbleven, met uitgebreide uitwisselingen over de plaatselijke geografie en over de opzet van de gemeenschappelijke verdediging, en hij verwierf in deze besprekingen een grondige kennis van de moderne militaire planning die in zijn aanstaande rol als leider van het verzet onmisbaar zou blijken.
De algemene gestalte van Cyrenaica in deze jaren
In de jaren tussen 1902 en 1911 onderging de plaatselijke Bedoeïen-Senussi-samenleving van Cyrenaica enige aanzienlijke aanpassingen. De Ottomaanse autoriteiten in Benghazi voerden in deze jaren een aanzienlijke uitbreiding van hun bestuurlijke aanwezigheid uit, met de aanleg van moderne wegen tussen de havensteden en de bergvalleien van het Jebel Akhdar, met de instelling van een uitgebreid Ottomaans schoolwezen dat de plaatselijke aristocratische families in een Ottomaanse onderwijsomgeving plaatste, en met de aanleg van een eerste telegraaf-netwerk dat de algemene communicatie tussen Cyrenaica en het Ottomaanse hoofdcentrum versnelde.
Voor de Senussi-broederschap betekenden deze Ottomaanse moderniseringen een strategische ontwikkeling waarin de uitbreiding van de Ottomaanse aanwezigheid in een combinatie van aanvaarding en geestelijke voorzichtigheid moest worden ontvangen. Aan de ene kant boden de Ottomaanse bestuurlijke verbeteringen een praktische moderne infrastructuur die de algemene plaatselijke economie ondersteunde. Aan de andere kant brachten zij ook een uitgebreide Ottomaanse politieke controle met zich mee die de plaatselijke autonomie in de aanstaande jaren zou kunnen aantasten.
De plaatselijke economische uitwerking
In de plaatselijke Cyrenaïcaanse economie voltrokken zich in deze jaren enige veranderingen die de aanstaande gewapende strijd zouden ondersteunen. De gewone veeteelt van schapen, geiten en kamelen werd in haar gewone vorm voortgezet, maar zij werd aangevuld met een gestage uitbreiding van de plaatselijke agro-economie in de bergvalleien, waar de aanleg van olijfboomgaarden, gerstvelden en kleinere fruittuinen werd voortgezet. De algemene economie van de plaatselijke Bedoeïen-Senussi-gemeenschappen kwam daarmee in een uitgebreidere zelfvoorziening te staan, die de aanstaande aanhoudende gewapende uitwisselingen zou ondersteunen.
Voor de Senussi-broederschap voltrokken zich in deze jaren ook gestage wapenaankopen via de gewone Egyptische en Tunesische tussenhandelaren. De militaire voorbereiding bracht een uitgebreide magazijn-organisatie in de plaatselijke zawiya’s met zich mee, en zij gaf daarmee aan de aanstaande gewapende strijd een praktische logistieke gereedheid.
De geestelijke gestalte van de gemeenschap
In zijn vrijdagspreken in deze jaren gaf Umar al-Mukhtar ﵀ een geestelijke duiding van wat zijn gemeenschap te wachten stond. Hij sprak over de algemene moslim-verantwoordelijkheid voor het behoud van haar geestelijke autonomie onder de aanstaande Europese koloniale uitbreiding, hij gaf uitleg over de ontwikkelingen van de Mahdiyya-beweging in Soedan en over het Cyrenaïcaanse Senussi-perspectief op die ontwikkelingen, en hij gaf de plaatselijke gemeenschap zo een geleidelijke geestelijke voorbereiding op de aanstaande ontwikkelingen.
De gewone Bedoeïen-bevolking, die aan deze vrijdagspreken deelnam, ontwikkelde daarin gaandeweg een geestelijke voorbereiding op de ontwikkelingen die komen zouden. Voor de aanstaande Italiaanse koloniale confrontatie betekende deze geestelijke voorbereiding dat de Cyrenaïcaanse moslim-gemeenschap niet onverwacht zou worden getroffen, maar voorbereid was in een bedding van Senussi-discipline.
Naar de Italiaanse inval
In de zomer van 1911, naarmate de Italiaanse koloniale voorbereiding in haar volle omvang zichtbaar werd, intensiveerde Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Zawiyat al-Qusour-positie de uitgebreide voorbereidingen op de aanstaande oorlog. Hij ondernam herhaaldelijk reizen naar de naburige Bedoeïen-gemeenschappen waarin hij de plaatselijke stam-shaykhs op de aanstaande gemeenschappelijke verdediging voorbereidde, en hij voerde de laatste organisatorische voorbereidingen voor de aanstaande Senussi-organisatie van het anti-koloniale verzet uit. Aan de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog in september 1911 en aan de eerste fase van het Cyrenaïcaanse verzet onder zijn leiding zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 124–148.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 138–168.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 134–168.
- Nicola Labanca, Oltremare: Storia dell’espansione coloniale italiana, il Mulino (2002), pp. 112–168.
- Sergio Romano, La quarta sponda: La guerra di Libia 1911–1912, Bompiani (1977), pp. 14–68.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 168–214.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge, Hurst (1995), pp. 376–412.
