De Geboorte van de Leeuw van de Woestijn
In het voorgaande artikel volgden wij de politieke opleiding van Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub en in Kufra, en wij zagen hoe hij in de jaren tussen 1880 en 1900 in de Senussi-vorming werd voorbereid op zijn aanstaande rol als leider in de broederschap. Wij beschreven de Senussi-strategie tegenover de aanstaande Italiaanse koloniale dreiging, de wapenaankopen in deze decennia, de huwelijksverbintenissen die hem familiaal in de Senussi-organisatie verbonden, en de verplaatsing van het hoofdkwartier van Jaghbub naar Kufra in 1895. Dit artikel volgt zijn eerste belangrijke leiderschapsopdracht in de Senussi-organisatie, namelijk de Senussi-onderneming in het Tsjaad-Wadai-gebied in de jaren tussen 1890 en 1899, een onderneming die de eretitel “Leeuw van de Woestijn” aan zijn naam zou verbinden, een eretitel die in zijn aanstaande leven en in de Cyrenaïcaanse overlevering een blijvende uitwerking zou krijgen.
De Senussi-uitbreiding in het zuiden
De motieven achter de zuidelijke strategie
De Senussi-uitbreiding in de zuidelijke Saharaanse zone vond haar motieven in drie samenkomende overwegingen. Ten eerste de Europese koloniale uitbreiding in Noord-Afrika, waarin de Franse aanwezigheid in Algerije sinds 1830 was uitgebreid naar Tunesië in 1881 en zich naar het Tsjaad-Niger-gebied zou uitbreiden, met de noodzaak voor de Senussi-broederschap om zich strategisch op deze aanstaande uitbreiding voor te bereiden. Ten tweede de economische opportuniteiten in de zuidelijke Saharaanse zone, met haar uitgestrekte Trans-Saharaanse handelsroutes en met haar goud-, zout- en slaven-handel, die de financiële positie van de Senussi-broederschap zou kunnen versterken. Ten derde de geestelijke werking onder de plaatselijke moslim-gemeenschappen, waarin de Senussi-discipline een uitbreiding van de algemene moslim-organisatie in de regio in een gemeenschappelijke vorm kon plaatsen.
Onder Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ vormden deze drie motieven gezamenlijk de bedding waarop de zuidelijke strategie werd gebouwd. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ betekende zijn aanstelling tot algemene leider van de Wadai-onderneming dat hij deelnam aan een strategische onderneming waarin de Senussi-broederschap haar aanstaande uitbreiding vorm zou geven.
In de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw voltrok de Senussi-broederschap een uitbreiding in het zuidelijke gedeelte van haar netwerk, naar de Tsjaad-Wadai-gebieden en tot in de naburige Saheliaanse zones. De uitbreiding voltrok zich onder de leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ volgens een strategie die drie hoofddoelen omvatte. Ten eerste de uitbreiding van het Senussi-zawiya-netwerk in een gebied dat in de aanstaande Europese koloniale uitbreiding aan een Franse en Britse uitbreiding zou worden onderworpen, waarin een vroegtijdige Senussi-aanwezigheid de plaatselijke moslim-gemeenschappen in een geestelijke houding van weerstand zou kunnen plaatsen. Ten tweede de versterking van de Senussi-economische verbintenissen met de uitgestrekte Trans-Saharaanse handelsruimte die in het Tsjaad-gebied een centraal knooppunt had. Ten derde de geestelijke werking van de Senussi-broederschap onder de plaatselijke Tubu-, Kanembu- en Kanuri-gemeenschappen, die in hun specifieke moslim-tradities een uitbreiding van het Senussi-netwerk konden ondersteunen.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀, die in 1893 of het vroege 1894 door Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ werd aangewezen voor de leiding van een specifieke Senussi-missie naar Wadai, betekende de aanstelling een uitdrukking van het vertrouwen dat de hoofdleider in zijn vorming stelde. Hij vertrok in 1894, op de leeftijd van zesendertig jaar, vanuit Kufra in een lange karavaan-onderneming naar Wadai, met de opdracht om de Senussi-aanwezigheid in de plaatselijke gemeenschappen te vestigen.
Wadai en haar geestelijke gestalte
Wadai, in haar geografische ligging een uitgebreid Saheliaans sultanaat in het centrale Tsjaad-bekken op een afstand van ongeveer duizend kilometer ten zuidwesten van Kufra, was een moslim-koninkrijk dat sinds de zeventiende eeuw een eigen geestelijke en politieke traditie had ontwikkeld. De plaatselijke heersers, onder leiding van Sultan Yusuf in de jaren negentig, onderhielden uitgebreide geestelijke verbintenissen met soefitische broederschappen in Noord-Afrika en in Egypte, en zij ontvingen de Senussi-aanwezigheid met geestelijke gastvrijheid.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende deze geestelijke gastvrijheid bij zijn aankomst in Wadai een werkbasis waarin hij samen met de plaatselijke Wadai-ulama een Senussi-zawiya kon stichten op een centrale plaats in het sultanaat. Hij vestigde zich in een nederzetting nabij de hoofdstad Abeche, en hij begon onmiddellijk met de onderwijzing van Senussi-inwijdingen aan de plaatselijke moslim-bevolking, in een combinatie van geestelijke leiding en organisatorische opbouw. In de daaropvolgende vijf jaar bouwde hij in Wadai en in de naburige gebieden een Senussi-netwerk op dat in zijn omvang ongeveer tien zawiya’s omvatte, met aangewezen plaatselijke ikhwan die onder zijn algemene leiding hun specifieke werk uitvoerden.
De Wadai-uitwerking in haar bredere context
De Wadai-onderneming was deel van een bredere Senussi-uitbreiding die zich in deze jaren ook in andere zuidelijke Saharaanse regio’s voltrok. In Kufra werd, in samenhang met de Wadai-onderneming, een uitgebreide consolidatie van het hoofdkwartier voortgezet, in het oostelijke Niger en in noordelijk Tsjaad werden aanvullende zawiya’s gesticht, en de gemeenschappelijke verbintenissen tussen al deze gebieden werden onder de centrale leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ gehandhaafd. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende dit dat hij in zijn Wadai-positie deelnam aan een ontwikkeling die de Senussi-broederschap als de meest invloedrijke moslim-organisatie in de uitgestrekte Saharaanse zone vestigde.
In zijn correspondentie met het Senussi-hoofdkwartier bracht Umar al-Mukhtar ﵀ uitgebreide rapporten over zijn voortgang uit, en hij ontving aanwijzingen voor de aanstaande fasen van zijn werk. De correspondentie werd via Trans-Saharaanse karavanen overgebracht, met geheimhouding en zorgvuldige logistieke voorbereiding, en zij vormde een centraal onderdeel van de algemene Senussi-coördinatie tussen de uitgestrekte regionale werkzaamheden.
De Leeuw van de Woestijn
De eretitel “Leeuw van de Woestijn”, die in de daaropvolgende decennia blijvend met Umar al-Mukhtar’s ﵀ naam zou worden verbonden, ontleende haar oorsprong aan deze Wadai-jaren. In de plaatselijke overlevering wordt vermeld dat een Senussi-ikhwan in een vrijdagspreek in een van de Wadai-zawiya’s de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vergeleek met een leeuw die in de uitgestrekte Saharaanse woestijn zijn gemeenschap diende, een vergelijking die de combinatie van moed en persoonlijke ernst uit zou drukken. De vergelijking werd door de plaatselijke gemeenschap aanvaard, en in de loop van enkele jaren werd de eretitel in de gewone Senussi-overlevering met zijn naam verbonden.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk was deze eretitel een gewone uiting van Senussi-bewondering die hij in een persoonlijke nederigheid niet als toepasselijk beschouwde, maar die hij in haar plaatselijke doorwerking moest aanvaarden. Hij gaf in zijn vrijdagspreken in Wadai en in zijn afzonderlijke gesprekken met de plaatselijke ikhwan herhaaldelijk aan dat geestelijk leiderschap aan Allah ﷻ toebehoorde en niet aan de geestelijke leider zelf, en hij weigerde enige bovenmatige aandacht aan de eretitel te besteden. Maar in de Senussi-overlevering, en in haar latere doorwerking in heel Cyrenaica en in de bredere moslimwereld, zou de eretitel “Leeuw van de Woestijn” onlosmakelijk met zijn naam worden verbonden.
De Franse koloniale uitbreiding
Tegelijkertijd met de Senussi-uitbreiding in Wadai voltrok zich in deze decennia een Franse koloniale uitbreiding in het Tsjaad-bekken die de aanstaande ontwikkeling van de regio zou bepalen. De Franse koloniale autoriteiten, die sinds 1870 hun koloniale uitbreiding in West- en Centraal-Afrika ondernamen, zetten in de jaren negentig hun uitbreiding naar Tsjaad voort, met een serie van militaire expedities die in 1898 in de doorslaggevende Slag bij Kousseri culmineerden, waarin de Franse troepen de plaatselijke macht van Rabih az-Zubayr ﵀ braken en de Franse koloniale heerschappij over Tsjaad formeel vestigden.
Voor de Senussi-onderneming in Wadai betekende de Franse uitbreiding een complicatie van de omstandigheden waarin zij was begonnen, want de Wadai-sultanaat-autoriteiten werden in de aanstaande decennia onderworpen aan een toenemende Franse politieke druk die in 1909 in de inname van Abeche door Franse troepen haar uitkomst zou vinden. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ vormde de Franse aanwezigheid in zijn Wadai-werk een strategische uitdaging waarin hij in een combinatie van geestelijke discipline en politieke voorzichtigheid de Senussi-aanwezigheid moest behouden.
De terugkeer naar Cyrenaica
In 1899 of het vroege 1900, na ongeveer vijf jaar van Senussi-werk in Wadai, ontving Umar al-Mukhtar ﵀ een uitnodiging van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ tot terugkeer naar Cyrenaica voor een nieuwe specifieke opdracht. De terugkeer voltrok zich met de overdracht van zijn Wadai-leiderschap aan een aangewezen opvolger en met een lange karavaan-reis terug naar Cyrenaica via Kufra. In de plaatselijke Wadai-gemeenschap werd zijn vertrek met aanzienlijk verdriet ontvangen, want hij was in zijn vijf jaar van werk daar een centrale geestelijke figuur geworden, en de plaatselijke ikhwan reden hem gezamenlijk uit voor de eerste etappe van zijn terugreis.
In Kufra werd hij ontvangen door Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in een audiëntie waarin de hoofdleider zijn waardering uitsprak voor het werk dat de jonge Cyrenaïcaan in Wadai had voltooid. Hij ontving in deze ontmoeting de nieuwe opdracht om in Cyrenaica de leiding op zich te nemen van een belangrijke zawiya in het Jebel Akhdar-gebied, in een aanstelling die zijn geleidelijke groei tot algemeen Senussi-leider in Cyrenaica zou inluiden. Hij voerde deze nieuwe opdracht uit in een combinatie van geestelijke discipline en praktische werkzaamheid, en in de daaropvolgende jaren zou hij uitgroeien tot een van de meest gerespecteerde Senussi-leiders van Cyrenaica.
De huiselijke gestalte na de terugkeer
Na zijn terugkeer naar Cyrenaica in 1899 of 1900 hervatte Umar al-Mukhtar ﵀ het huiselijke leven met zijn vrouw Fatima en met de kinderen die in zijn afwezigheid in haar zorg waren opgegroeid. De terugkeer was een emotionele hereniging, met het hervinden van het gemeenschappelijke leven en met de opbouw van het aanstaande huiselijke leven in een combinatie van zijn voorafgaande Bedoeïen-gewoonten en zijn Senussi-discipline. Fatima had in zijn afwezigheid op haar eigen wijze de huiselijke organisatie gehandhaafd, en zij ontving haar man met waardigheid en gemeenschappelijke geestelijke verbintenis.
De kinderen, die in zijn afwezigheid waren opgegroeid, kenden hun vader voornamelijk via de overlevering van hun moeder en van de naburige familieleden, en zij ontmoetten hem bij zijn terugkeer in een wederzijdse hernieuwing. In de daaropvolgende jaren bouwde Umar al-Mukhtar ﵀ een hechte familiale verbondenheid op met zijn kinderen, en hij wijdde uitgebreide aandacht aan hun geestelijke vorming in een combinatie van Bedoeïen-traditie en Senussi-discipline.
De gestalte van het Cyrenaïcaanse werk
In zijn nieuwe Cyrenaïcaanse positie verbleef Umar al-Mukhtar ﵀ in praktische werkzaamheid in de plaatselijke zawiya en in persoonlijke en familiale verbondenheid met de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-gemeenschappen. Hij ontving in zijn zawiya leerlingen uit verschillende Bedoeïen-stammen, en hij voerde Senussi-inwijdingen uit voor de plaatselijke moslim-bevolking, in een werk dat de Senussi-aanwezigheid in zijn gebied versterkte. Hij voerde ook uitgebreide juridische rechtspraak in plaatselijke geschillen volgens de Maliki-fiqh, en hij gaf in zijn vrijdagspreken een geestelijke leiding aan de plaatselijke gemeenschap die zijn geestelijke autoriteit bevestigde.
De Tubu-volk en hun rol
In zijn Wadai-werk ontmoette Umar al-Mukhtar ﵀ ook de Tubu-bevolking, een uitgebreid Saharaans volk dat in zijn geografische verspreiding van het noordelijke Tsjaad-bekken tot in de zuidelijke Libische woestijn een eigen onderscheiden vorm van Saharaans bestaan voerde. De Tubu, in hun bestaan een combinatie van veeteelt en handel, met een uitgesproken bekwaamheid in de Saharaanse oriëntatie en in de Saharaanse oorlogvoering, vormden een uitgebreide gemeenschap die in het aanstaande Senussi-werk in een uitgesproken rol zou functioneren.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende de Tubu-verbintenis in zijn Wadai-jaren een uitbreiding van zijn geestelijke werk die zich over de gewone Wadai-gemeenschap heen uitstrekte. Hij voerde Senussi-inwijdingen uit onder Tubu-clans, en hij verkreeg in zijn werk daar een kennis van de Tubu-traditie die hem in zijn aanstaande rol als militair leider in de Saharaanse zone onmisbaar zou blijken. De aanstaande Italiaanse koloniale uitbreiding in Libië zou de Tubu-bevolking in een directe confrontatie plaatsen, en de Senussi-Tubu-verbintenis zou een centraal element van het anti-koloniale verzet voortbrengen.
De geleidelijke verschuiving in Senussi-leiderschap
Tegelijkertijd met zijn Wadai-werkzaamheden voltrok zich in de bredere Senussi-broederschap een geleidelijke verschuiving in het hoofdleiderschap, waarin Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ zijn opvolgers bij de verantwoordelijkheid betrok. Zijn neef Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, in deze jaren in zijn vroege dertig, werd tot een actieve rol in de Senussi-leiding gebracht, en hij voerde in toenemende mate praktische bestuurlijke verantwoordelijkheden uit. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende deze geleidelijke verschuiving dat hij bij zijn aanstaande terugkeer naar Cyrenaica in een nieuwe positie in de Senussi-leiding zou worden gepositioneerd, in een ontwikkeling die in zijn aanstaande rol als algemeen leider van het Cyrenaïcaanse verzet onmisbaar zou blijken.
Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀
Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, in 1894 ongeveer tweeëndertig jaar oud, was een neef van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ en in zijn opleiding een gevormd geleerde die in zijn jongere jaren in Mekka en in Caïro had gestudeerd voordat hij het hoofdleiderschap van de Senussi-broederschap zou overnemen. Hij was in zijn persoonlijke voorkomen een man van welbespraaktheid en van diepe geestelijke ernst, en hij verwierf geleidelijk het vertrouwen van zijn oom voor de aanstaande overgang van het hoofdleiderschap.
De verstandhouding tussen Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ en de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in deze jaren werd ontwikkeld, vormde een centrale verbintenis voor het aanstaande anti-koloniale verzet. In de jaren tussen 1902 en 1918, toen Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ het hoofdleiderschap voerde, zou hij een beroep doen op de geestelijke en praktische bekwaamheden van Umar al-Mukhtar ﵀, en de samenwerking tussen de twee mannen zou de bedding vormen waarop het verzet zou worden gebouwd.
Het werk in de Wadai-zawiya’s
In de jaren tussen 1894 en 1899 voltrok Umar al-Mukhtar ﵀ een geleidelijke opbouw van Senussi-zawiya’s in het Wadai-gebied en in de naburige zones. De eerste zawiya werd in 1894 of het vroege 1895 gevestigd op een plek nabij Abeche, met de instemming van Sultan Yusuf van Wadai en met de uitgebreide deelname van plaatselijke moslim-geleerden die aan de Senussi-zaak werden verbonden. In de daaropvolgende jaren werden vier of vijf aanvullende zawiya’s in de naburige Wadai-dorpen opgericht, en zij voerden de gewone Senussi-werkzaamheden uit van Quran-onderwijs, juridische rechtspraak, en uitbreiding van de plaatselijke moslim-discipline.
Voor de plaatselijke Wadai-bevolking betekende de Senussi-aanwezigheid dat haar bestaande moslim-traditie in een meer gestrenge en gedisciplineerde vorm werd voortgezet. De Senussi-wird werd in de plaatselijke moskeeën gemeenschappelijk uitgevoerd, de Senussi-conventies van zelfvoorziening en gemeenschappelijke opbouw werden in de plaatselijke dorpen geïntroduceerd, en de Senussi-juridische praktijk in de plaatselijke geschillen-rechtspraak vormde een uitbreiding van de gewone Maliki-fiqh-toepassing.
De interne organisatie
In de interne organisatie van de Senussi-zawiya’s in Wadai functioneerde Umar al-Mukhtar ﵀ in een algemene leidinggevende positie. Elke plaatselijke zawiya werd onder een aangewezen plaatselijke ikhwan geleid, en deze ikhwan kwamen in geregelde bijeenkomsten in de centrale Abeche-zawiya samen voor besprekingen met Umar al-Mukhtar ﵀ over de algemene voortgang van het werk en over de aanstaande zaken waarvoor de gemeenschap zou staan. De besprekingen verenigden gemeenschappelijke geestelijke en bestuurlijke overwegingen, en zij gaven aan Umar al-Mukhtar ﵀ een praktische opleiding in de algemene bestuurlijke leiding die in zijn aanstaande rol als algemeen leider zou doorklinken.
De terugreis door de Sahara
De terugreis van Wadai naar Cyrenaica voltrok zich in enkele maanden, met een caravaan-onderneming die de uitgebreide Saharaanse zone tussen Tsjaad en Libië doorkruiste. De reis voerde Umar al-Mukhtar ﵀ door verscheidene Senussi-zawiya’s onderweg, waar hij met de plaatselijke ikhwan in geleerde gesprekken sprak over de uitwerking van zijn Wadai-werk en over de aanstaande ontwikkeling van de Senussi-broederschap in de bredere Saharaanse zone.
Voor zijn persoonlijke geestelijke leven vormden deze maanden van reis een bezinning op de uitkomst van zijn Wadai-jaren en op de aanstaande vorm van zijn Cyrenaïcaanse werk. Hij ondernam in de avonduren van de reis, na de gemeenschappelijke gebeden in het caravaan-kamp, lange uren van persoonlijke dzikr in de Senussi-discipline, en hij voerde een strategische bezinning op de aanstaande Italiaanse koloniale dreiging waarvan de uitwerking in zijn ouderlijk Cyrenaica steeds zichtbaarder werd.
De Tubu-cavalerie-traditie
Een specifiek aspect van de Tubu-bevolking dat voor het aanstaande Cyrenaïcaanse verzet van groot belang zou zijn, was de Tubu-cavalerie-traditie, waarin zij in de Saharaanse oorlogvoering hun specifieke militaire bekwaamheid hadden ontwikkeld. De Tubu-strijders voerden op snelle kamelen en met hun plaatselijke kennis een vorm van Saharaanse guerrilla-oorlogvoering die de gewone Europese militaire conventies van haar tijd ver overtrof. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende de verstandhouding met de Tubu in zijn Wadai-jaren een uitgebreide praktische opleiding in deze specifieke Saharaanse oorlogvoering, en hij verkreeg een kennis van de Tubu-militaire bekwaamheid die hem in zijn aanstaande rol als militair leider zou ondersteunen.
In de daaropvolgende decennia zou de Tubu-bevolking een rol vervullen in het Cyrenaïcaanse Senussi-verzet, met haar uitgebreide deelname aan de gewapende uitwisselingen tegen de Italiaanse koloniale troepen en met haar strategische ondersteuning in de zuidelijke Cyrenaïcaanse Saharazone. Voor het algemene succes van het verzet in zijn lange uitvoering zou de Tubu-verstandhouding, die in Umar al-Mukhtar’s ﵀ Wadai-jaren in haar fundament was gevestigd, doorslaggevend blijken.
De Franse koloniale uitbreiding in haar uitwerking
De Franse koloniale uitbreiding in het Tsjaad-Niger-gebied voltrok zich in de jaren tussen 1890 en 1910 in een geleidelijke militaire en bestuurlijke onderwerping, waaraan de plaatselijke moslim-gemeenschappen werden onderworpen en waartegen zij weerstand voerden. De Franse troepen, onder leiding van generaals als Émile Gentil en later Henri Gouraud, voerden in deze jaren uitgebreide expedities uit die de plaatselijke politieke organisaties in hun gewone vorm aantastten. De Slag bij Kousseri in 1898, waarin Rabih az-Zubayr ﵀ de marteldood vond, vormde in haar uitkomst de aanvang van de definitieve Franse koloniale heerschappij over Tsjaad.
Voor de Senussi-broederschap in haar werk in Wadai en in de naburige zones betekende deze Franse uitbreiding een strategische uitdaging. Umar al-Mukhtar ﵀ ondernam in zijn Wadai-jaren observaties van de Franse militaire methoden, hij verkreeg via de plaatselijke Tubu- en Wadai-informanten inlichtingen over de aanstaande Franse bewegingen, en hij gaf rapporten door aan de Senussi-centrale leiding in Kufra over de algemene ontwikkeling van de aanstaande Franse koloniale uitbreiding in de regio.
Het bezoek aan de Mahdi-overlevenden
Tijdens zijn Wadai-jaren ontmoette Umar al-Mukhtar ﵀ ook enige van de overlevenden van de Mahdiyya-beweging in Soedan, die in 1898 onder de Britse-Egyptische troepen van Generaal Kitchener was gevallen en wier overlevende leden in de Saharaanse zone tussen Tsjaad en Soedan een vluchtelingengemeenschap vormden. De ontmoetingen met deze Mahdi-overlevenden vormden een praktische opleiding in de gevolgen van een gefaalde anti-koloniale onderneming, en zij gaven aan Umar al-Mukhtar ﵀ een geleerd inzicht in de uitwerkingen van koloniale militaire methoden tegen een moslim-gemeenschap die vanuit haar geestelijke overtuiging verzet had gevoerd.
In zijn gesprekken met de Mahdi-overlevenden, voor zover die in latere overlevering zijn bewaard, voerde Umar al-Mukhtar ﵀ een bezinning op de algemene vorm van anti-koloniaal verzet in zijn negentiende-eeuwse uitwerking. Hij verkreeg in deze gesprekken een geleerd inzicht dat hem als aanstaande leider van het Cyrenaïcaanse verzet zou onderscheiden in de aanstaande Italiaanse confrontatie waarin hij zou moeten staan.
Naar de Imam-positie van Zawiyat al-Qusour
In de jaren rond 1902, toen Umar al-Mukhtar ﵀ vierenveertig jaar oud was, voltrok zich in zijn persoonlijke loopbaan een verdere stap van verantwoordelijkheid in de Senussi-organisatie. Onder de overgang van het Senussi-hoofdleiderschap van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ naar zijn neef Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ in dat jaar, werd hij aangesteld als imam van de Zawiyat al-Qusour, een specifieke zawiya in het Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar-gebied die een centrale plaats in het regionale Senussi-netwerk innam. Aan deze aanstelling, en aan de wijze waarop zij hem op zijn aanstaande algemene leiderschap van het Cyrenaïcaanse verzet voorbereidde, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
In dit artikel hebben wij gevolgd hoe de jonge Umar in de jaren tussen 1894 en 1899 in een Senussi-onderneming in Wadai een uitgebreide praktische vorm van leiderschap ontwikkelde, hoe hij in zijn werk daar de eretitel “Leeuw van de Woestijn” verkreeg die in zijn aanstaande leven en in de Cyrenaïcaanse overlevering een blijvende uitwerking zou krijgen, hoe de Franse koloniale uitbreiding in Tsjaad de algemene voortgang van het Senussi-werk in haar zuidelijke zone begon te raken, en hoe in 1899 of 1900 de terugkeer naar Cyrenaica zijn geleidelijke groei tot algemeen Senussi-leider in zijn eigen geboortegebied in een nieuwe fase plaatste.
Bronnen
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 186–214.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge, Hurst (1995), pp. 334–376.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 158–198.
- Jean-Claude Zeltner, Pages d’histoire du Kanem: Pays tchadien, L’Harmattan (1980), pp. 156–214 [voor de Wadai-Senussi-context].
- Dennis D. Cordell, Dar al-Kuti and the Last Years of the Trans-Saharan Slave Trade, University of Wisconsin Press (1985), pp. 124–168.
- Pierre-Alban Thomas, Les rezzous Sénoussistes au Tchad, Karthala (1979), pp. 56–124.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 186–214.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 134–168.
