Politieke opleiding in Al-Jaghbub
In het voorgaande artikel volgden wij de aankomst van de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ in het Senussi-hoofdkwartier Jaghbub in het najaar van 1876, en wij beschreven de geestelijke en geleerde opleiding die hij in zijn eerste jaren in deze plaats ontving. Wij zagen hoe in zijn studiewerk de combinatie van Arabische grammatica, Maliki-fiqh, hadith-wetenschap en Senussi-tasawwoef geleidelijk zijn vorming als gevormde Senussi-leerling tot stand bracht. Dit artikel volgt de tweede fase van zijn opleiding in Jaghbub, vanaf ongeveer 1880 tot 1888, waarin zijn vorming in een meer politieke en bestuurlijke richting werd uitgebreid en hem op een specifieke wijze op zijn aanstaande leiderschap voorbereidde.
De politieke verbreding van de opleiding
Vanaf zijn drieëntwintigste of vierentwintigste jaar, toen hij de basisopleiding van een Senussi-leerling had voltooid en in de Jaghbub-gemeenschap als gevorderde leerling werd herkend, ontving Umar al-Mukhtar ﵀ een verbreding van zijn opleiding in politieke en bestuurlijke richting. De Senussi-broederschap onderhield voor haar meest belovende leerlingen een uitgebreide vorming waarin de algemene toestand van de moslimwereld, de specifieke geopolitieke uitdagingen waarmee de broederschap in de aanstaande decennia zou worden geconfronteerd, en de praktijk van bestuurlijk leiderschap werden onderwezen.
Voor de jonge Cyrenaïcaan vormde deze tweede fase van zijn opleiding een uitgebreide intellectuele verbreding waarin hij geleidelijk het moslimwereld-geheel in zijn negentiende-eeuwse toestand leerde kennen. Hij bestudeerde de Europese koloniale uitbreiding in haar verschillende regionale vormen, met de Franse aanwezigheid in Algerije en in Tunesië, met de Britse aanwezigheid in Egypte en in India, en met de aanstaande Italiaanse koloniale aspiraties op Libië die in deze jaren reeds in hun voorbereidende vorm zichtbaar werden. Hij leerde de Ottomaanse Hoge Porte in haar geleidelijke verzwakking begrijpen, en hij ontwikkelde een algemeen besef van de bredere geopolitieke krachten die in de aanstaande decennia zijn eigen werk zouden raken.
De geleerde vorm van de politieke opleiding
De politieke opleiding voltrok zich niet afzonderlijk van de gewone geestelijke vorming, maar werd ingeweven in de algemene Senussi-discipline. In de vrijdagspreken van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, in de geleerden-gesprekken in de Jaghbub-bibliotheek, in de correspondentie met andere soefitische broederschappen in Noord-Afrika en in het Midden-Oosten die door de leerlingen werd doorgelezen, en in de afzonderlijke audiënties die Umar al-Mukhtar ﵀ in deze jaren in toenemende mate met de hoofdleider van de broederschap ontving, voltrok zich een politieke vorming die in haar werking onmiskenbaar was zonder in een formele leer-categorie te worden geplaatst.
Voor Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ persoonlijk vormde de politieke opleiding van zijn meest belovende leerlingen een centraal deel van zijn werk, want hij begreep dat de aanstaande decennia van de Senussi-broederschap een leiderschap zouden vereisen dat in de combinatie van geestelijke ernst en politieke bekwaamheid zou moeten kunnen optreden. Hij wijdde in deze jaren aandacht aan de vorming van een nieuwe generatie van Senussi-leiders, en de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ nam in deze nieuwe generatie, waarin de hoofdleider zijn bijzondere hoop plaatste, een centrale plaats in.
De Italiaanse aspiraties in de jaren tachtig
In de jaren tussen 1880 en 1890 ontwikkelden zich in het Italiaanse staatsverband de koloniale aspiraties die in het begin van de twintigste eeuw de Italiaans-Turkse oorlog zouden voortbrengen. Italië, dat in 1881 het Franse protectoraat over Tunesië met aanzienlijke ergernis had ontvangen, ondernam in deze decennia een geleidelijke voorbereiding op zijn eigen koloniale aspiraties, die haar uitkomst zou vinden in een combinatie van diplomatieke onderhandelingen met de Europese mogendheden, van economische penetratie in Libië via de Banco di Roma en andere ondernemingen, en van een openbare opinie-campagne voor de Vierde Kust.
In de Senussi-leerkring van Jaghbub werden deze ontwikkelingen gevolgd via de Trans-Saharaanse handelsverbintenissen, via de uitgebreide pelgrim-uitwisseling, en via de specifieke informanten die Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ onderhield in de havensteden van Tripolitania en Cyrenaica. De rapporten over de Italiaanse aspiraties werden in afzonderlijke vergaderingen van de Senussi-raad besproken, en zij voerden geleidelijk tot een strategische bezinning op de aanstaande vormen van Senussi-respons. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in deze vergaderingen in toenemende mate als gevorderde leerling werd toegelaten, vormden deze besprekingen een praktische opleiding in geopolitieke besluitvorming die in zijn aanstaande werk een centrale plaats zou krijgen.
De Egyptische verstandhouding
Naast de Italiaanse en Ottomaanse verbintenissen onderhield de Senussi-broederschap in deze decennia ook geestelijke en politieke verstandhoudingen met de geleerde gemeenschap van Caïro en met de bestuurlijke autoriteiten van het Egyptische khedivaat. Egyptische geleerden van al-Azhar voerden uitgebreide correspondentie met de Senussi-leiders in Jaghbub en in Kufra, en zij ondersteunden de algemene zaak van de Senussi-broederschap als geestelijke gemeenschap in haar Saharaanse positie. Egyptische pelgrims die jaarlijks via Cyrenaica naar Mekka trokken, brachten in beide richtingen geestelijke berichten en plaatselijke nieuws-uitwisselingen, en zij gaven aan de Senussi-broederschap een uitgebreide informatie-basis over de algemene toestand van de negentiende-eeuwse moslimwereld.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn positie als gevormde ikhwan vormde deze Egyptische verstandhouding een praktische opleiding in internationale moslim-uitwisseling, en hij verkreeg in haar bestudering een beeld van de bredere moslim-Oemma dat in zijn aanstaande werk herkenbaar zou doorklinken. De Egyptische verbintenis was geen marginaal element van de Senussi-strategie maar een centraal aspect van haar internationale werk, en zij vormde een belangrijke bedding waarop de aanstaande Senussi-respons op de Italiaanse koloniale dreiging zou kunnen worden gebouwd.
De Egyptische verbintenis
Egypte vervulde in de jaren tussen 1880 en 1911 een specifieke rol als verbindings-knooppunt tussen de Senussi-broederschap in Libië en de bredere internationale moslimwereld. De Egyptische al-Azhar-universiteit ontving enige Senussi-leerlingen voor aanvullende geleerde opleiding, de Egyptische pers droeg berichten over de Libische situatie over aan de bredere Arabisch-sprekende moslimwereld, en de Egyptische bestuurlijke autoriteiten ontvingen in de aanstaande oorlogsjaren de vluchtelingen-stromen uit Libië. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ vormde de Egyptische verbintenis een strategische bedding die hem in zijn aanstaande positie als leider van het Cyrenaïcaanse verzet uitgebreide internationale ondersteuning zou bieden.
In zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren ondernam Umar al-Mukhtar ﵀ verscheidene reizen naar Egypte voor uitgebreide geleerde uitwisselingen met de plaatselijke Senussi-vertegenwoordigers in Caïro en in Alexandrië. Hij verkreeg in zijn Egyptische bezoeken een praktische ervaring in internationale moslim-diplomatie, en hij ontwikkelde geleidelijk persoonlijke verbintenissen met Egyptische geleerden en bestuurders die in zijn aanstaande werk zouden doorklinken. De Egyptische verbintenis was geen marginaal element van zijn vorming maar een centraal aspect van het internationale verband waarin zijn aanstaande werk zou worden geplaatst.
De Senussi-strategie tegenover Italië
De Senussi-strategie tegenover de aanstaande Italiaanse koloniale dreiging voltrok zich in deze jaren langs drie hoofdlijnen. Ten eerste de geleidelijke versterking van de eigen organisatie, met de uitbreiding van het zawiya-netwerk in de Saharaanse zone om in geval van een directe Italiaanse confrontatie in een veiliger positie te kunnen opereren. Ten tweede de geleidelijke aankoop van wapens via Egyptische en Ottomaanse tussenhandelaren, die in de aanstaande Italiaans-Turkse oorlog van groot belang zou blijken. Ten derde de diplomatieke uitwisseling met de Ottomaanse Hoge Porte, met de Egyptische khedive, en in een aantal gevallen ook met Britse vertegenwoordigers in Egypte die de bredere geopolitieke verbintenissen van de Senussi-broederschap konden ondersteunen.
Deze drievoudige strategie werd in de loop van de jaren tachtig en negentig geleidelijk uitgevoerd onder de algemene leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ en, vanaf 1902, onder zijn opvolger Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in toenemende mate in de praktische uitvoering van deze strategie werd betrokken, vormde zij een praktische opleiding in de Senussi-bestuurskunst die hem in zijn aanstaande leiderschap onmisbaar zou blijken.
De wapenaankopen in deze decennia
De wapenaankopen die de Senussi-broederschap in de jaren tussen 1880 en 1910 ondernam, voltrokken zich via een uitgebreid netwerk van tussenhandelaren die in een combinatie van voorzichtigheid en geheimhouding hun werk uitvoerden. De voornaamste leveranciers waren Egyptische handelaren in Caïro en Alexandrië die in de gewone handelspraktijk Europese vuurwapens via de gewone internationale handelsroutes verwierven en die hun voorraden naar Cyrenaica overbrachten via de gebruikelijke Saharaanse karavaanroutes. Daarnaast onderhield de Senussi-broederschap verbintenissen met Ottomaanse militaire afdelingen in Tripolitania die oudere wapens van het Ottomaanse leger aan de plaatselijke ikhwan konden doorverkopen.
De wapens die in deze decennia werden verworven, omvatten een verzameling gewone Europese musketten, een aantal modernere Lee-Enfield-geweren die in latere fasen werden verworven, en een voorraad ammunitie die in de uitgebreide magazijnen van de plaatselijke zawiya’s werd opgeslagen voor mogelijke aanstaande inzet. Tegen 1911, toen de Italiaanse koloniale invasie begon, beschikte de Senussi-broederschap over een wapenvoorraad die naar de schatting van Europese militaire waarnemers tussen vijfduizend en tienduizend vuurwapens bedroeg, een voorraad die voor het aanstaande verzet onmisbaar zou blijken.
De uitbouw van het Senussi-zawiya-netwerk
In de jaren tussen 1880 en 1900 voltrok de Senussi-broederschap een uitbouw van haar zawiya-netwerk die in haar volle uitbreiding ongekend was in de bredere moslimwereld. Tegen 1900 omvatte het netwerk ongeveer honderdvijftig actieve zawiya’s, verspreid over een geografisch gebied van Marokko in het westen tot Tsjaad in het zuiden tot Egypte in het oosten, en verenigd in een gemeenschappelijke organisatie onder de centrale leiding in Jaghbub en later in Kufra. Elke zawiya voerde de gewone taken van een Senussi-gemeenschap uit, met onderwijs, juridische rechtspraak, economische zelfvoorziening en een werking in de plaatselijke gemeenschap.
Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vormde dit netwerk in zijn volle omvang een praktische opleiding in de algemene werking van een grootschalige geestelijke organisatie. Hij ondernam in zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren reizen door verschillende zawiya’s die hem geleidelijk met de uitgebreide organisatie van de broederschap vertrouwd maakten, en hij verkreeg daarin een praktische kennis van de Senussi-bestuurskunst die hem in zijn latere werk zou ondersteunen.
De verplaatsing naar Kufra
In het jaar 1895 voltrok de Senussi-broederschap een beslissing waarvan de doorwerking voor het aanstaande Senussi-werk van groot belang zou blijken. Onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ werd het hoofdkwartier van de broederschap verplaatst van Jaghbub naar Kufra, een uitgebreide oasestad in de zuidelijke Saharaanse zone van Libië die door haar geografische ligging op een nog grotere afstand van de Ottomaanse autoriteiten en van de aanstaande Italiaanse koloniale aanwezigheid lag. De verplaatsing omvatte de overbrenging van de uitgebreide Senussi-bibliotheek, van de centrale familiale gemeenschap, en van een aanzienlijk deel van de gevormde ikhwan naar de nieuwe hoofdstad in de zuidelijke woestijn.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀, die in deze jaren als gevorderde ikhwan in de Senussi-organisatie functioneerde, betekende de verplaatsing een logistieke onderneming waaraan hij persoonlijk deelnam met actieve bestuurlijke verantwoordelijkheid. Hij begeleidde in 1895 of het vroege 1896 een van de caravaan-onderdelen van de verplaatsing van Jaghbub naar Kufra, en hij verkreeg daarin een praktische opleiding in de Saharaanse karavaan-organisatie die hem in zijn aanstaande werk als militair leider tegen de Italianen onmisbaar zou blijken.
Kufra als nieuwe hoofdstad
Kufra, in haar geografische ligging een uitgebreide oase-conglomeratie in de uitgestrekte zandvlakten van de zuidelijke Sahara, op een afstand van ongeveer zevenhonderd kilometer ten zuiden van de Mediterrane kust, was in haar oorsprong een centrum van inheemse Tubu-bevolking die in een combinatie van handel en plaatselijke landbouw haar bestaan voerde. De Senussi-aanwezigheid in Kufra was sinds de jaren tachtig geleidelijk gegroeid, en in 1895 werd zij tot een nieuwe hoofdstad geconsolideerd onder Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀.
De verplaatsing naar Kufra plaatste de Senussi-broederschap in een nog onafhankelijker positie tegenover de Mediterrane politieke kering, en zij gaf aan de broederschap een uitgebreide geografische ruimte voor haar aanstaande organisatie en strategische voorbereiding. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vormde Kufra in zijn aanstaande werk als ikhwan-leider een centrale plaats, en hij verbleef in de daaropvolgende jaren tussen Cyrenaica en Kufra in praktische werkzaamheid voor de Senussi-broederschap.
De Mahdiyya en de Senussi-respons
Een gebeurtenis die in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw in de bredere moslimwereld haar volle uitwerking had en die in de Senussi-leerkring met aanzienlijke aandacht werd gevolgd, was de Mahdiyya-beweging in Soedan onder leiding van Muhammad Ahmad al-Mahdi ﵀ en in de daaropvolgende jaren onder zijn opvolger ʿAbd Allah ibn Muhammad ﵀, de zogeheten Khalifa. De Mahdiyya, die in 1881 werd uitgeroepen en die in 1885 in de inname van Khartoem door Muhammad Ahmad ﵀ haar grootste overwinning behaalde, vormde een anti-koloniale onderneming tegen de Britse-Egyptische gezamenlijke heerschappij over Soedan.
Voor de Senussi-broederschap had de Mahdiyya een geestelijke en politieke betekenis die met aanzienlijke voorzichtigheid werd behandeld. Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ hield in zijn uitlatingen een afstandelijke houding tegenover de Mahdi-aanspraken van Muhammad Ahmad ﵀, want hij beschouwde de Mahdi-categorie in haar gewone soennitische opvatting als juridisch beperkt en hij weigerde de Soedanese aanspraken volledig te aanvaarden. Maar in de praktijk ondersteunde de Senussi-broederschap de algemene zaak van het Soedanese anti-koloniale verzet, en zij voerde geestelijke uitwisselingen met de Mahdiyya-vertegenwoordigers waarin de algemene moslim-eenheid centraal werd geplaatst.
De val van Khartoem en haar uitwerking
De val van Khartoem in januari 1885 en de marteldood van de Britse Generaal Charles Gordon in de inname van de stad door de Mahdiyya-troepen, vormden een internationale gebeurtenis die in de moslimwereld als een grote anti-koloniale overwinning werd gevierd. In de Senussi-leerkring van Jaghbub werd de gebeurtenis uitvoerig besproken, en zij voerde tot een bezinning op haar betekenis voor de aanstaande Senussi-positie. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in 1885 zevenentwintig jaar oud was en in zijn opleiding gevorderd was, vormde de val van Khartoem een praktische les in de mogelijkheden van anti-koloniaal verzet, en hij verkreeg in haar bestudering een geestelijke voorbereiding op zijn eigen aanstaande werk.
De daaropvolgende val van de Mahdiyya in 1898 onder de Britse-Egyptische troepen van Generaal Herbert Kitchener in de Slag bij Omdurman, vormde een tweede leerproces in tegenovergestelde richting, waarin de uitkomst van een anti-koloniaal verzet zonder politieke en militaire voorbereiding werd getoond. Voor de Senussi-strategen vormde dit tweede leerproces een waarschuwing over de noodzaak van zorgvuldige strategische voorbereiding voor een aanstaand verzet, en het bevestigde de Senussi-strategie van geleidelijke organisatorische versterking en wapenvoorraad-uitbreiding die in deze decennia werd uitgevoerd.
De huwelijksverbintenissen
In zijn jaren in Jaghbub voltrokken zich ook in het persoonlijke leven van Umar al-Mukhtar ﵀ huwelijksverbintenissen die in zijn aanstaande positie als ikhwan in de Senussi-organisatie van praktisch belang zouden worden. Hij huwde in 1885 of het vroege 1886 zijn eerste vrouw, Fatima bint Ahmad al-Manifi, een verwante uit zijn ouderlijk clan in Cyrenaica die hem door zijn vader was voorgesteld in de gewone gang van Bedoeïen-huwelijksonderhandelingen. Het huwelijk werd in Jaghbub gevierd, met de aanwezigheid van enige van zijn naaste medeleerlingen en met de bredere Senussi-familie in geestelijke broederschap.
Uit dit eerste huwelijk werden in de jaren tussen 1887 en 1900 verscheidene kinderen geboren, zonen en dochters die aan de zijde van hun vader in familiale en geestelijke verbintenis zouden staan. Het huishouden van Umar al-Mukhtar ﵀, in zijn combinatie van Cyrenaïcaanse Bedoeïen-traditie en Senussi-discipline, vormde een geleidelijke voorbereiding op zijn aanstaande algemene leiderschap, waarin het familiale gegeven centraal zou functioneren.
De rol van vrouwen in de Senussi-organisatie
De Senussi-broederschap besteedde ook aandacht aan de geestelijke vorming van vrouwen in de plaatselijke gemeenschappen, met aangewezen vrouwelijke muqaddama’s in de gewone zawiya’s en met afzonderlijke vrouwelijke dzikr-bijeenkomsten waarin de algemene Senussi-discipline in een aangepaste vorm werd uitgevoerd. Voor Fatima bint Ahmad al-Manifi, de jonge vrouw van Umar al-Mukhtar ﵀, betekende dit dat zij in haar eigen geestelijke hoedanigheid aan de Senussi-tarīqa was verbonden zonder in een ondergeschikte positie aan haar man te worden geplaatst. Het was een verhouding die in de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-traditie van haar tijd ongewoon was, en zij gaf aan het huishouden van Umar al-Mukhtar ﵀ een specifiek karakter waarin zijn vrouw in een eigen geestelijke autoriteit functioneerde.
De rol van de pelgrim-handelaren
De pelgrim-handelaren die jaarlijks via Jaghbub naar de Hejaz trokken, vormden een centraal kanaal van internationale uitwisseling waaraan Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn opleidings-jaren aandacht schonk. Zij kwamen uit Marokko, uit Tunesië, uit West-Afrika via de Trans-Saharaanse karavaanroutes, en zij ontmoetten in Jaghbub een uitgebreide Senussi-gastvrijheid. Voor de jonge Cyrenaïcaan vormden deze ontmoetingen een geleerde ervaring waarin hij geleidelijk de bredere moslimwereld in haar negentiende-eeuwse toestand leerde kennen.
In de avonduren, na de gemeenschappelijke gebeden, voerde Umar al-Mukhtar ﵀ uitgebreide gesprekken met de bezoekende pelgrim-handelaren over de algemene toestand van hun eigen gemeenschappen, over de Europese koloniale uitbreiding in hun eigen regio’s, en over de aanstaande omstandigheden waarvoor zij bij hun aanstaande terugkeer zouden staan. Hij ontving van Marokkaanse pelgrims berichten over de Franse penetratie in de Maghreb, van Tunesische pelgrims rapporten over het Franse protectoraat sinds 1881, en van West-Afrikaanse pelgrims verslagen over de koloniale uitbreiding in Senegambia, in Nigeria en in de aanstaande Tsjaad-Niger-zone.
De geestelijke uitwisseling met de Tijaniyya
Onder de bezoekende pelgrim-handelaren bevonden zich ook geleerden uit de Tijani-traditie van de West-Afrikaanse Umarian-erfenis, die de voortzetting van het Umarian-werk na de dood van al-Hajj Umar Tall ﵀ in 1864 droegen en die in hun verbintenis met de Senussi-broederschap een gemeenschappelijke moslim-broederschap voerden. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ vormden deze ontmoetingen een geestelijke uitwisseling waarin hij de Tijani-traditie in haar West-Afrikaanse vorm leerde kennen, en hij verkreeg een diepe waardering voor de gemeenschappelijke moslim-onderneming die de tarīqa-specifieke verschillen oversteeg.
De algemene aard van zijn opleiding in Jaghbub was dus niet enkel een gewone Senussi-vorming maar een internationale moslim-vorming waarin de bredere moslim-Oemma dagelijks aanwezig was. Voor zijn aanstaande werk als leider van het Cyrenaïcaanse verzet zou deze brede internationale vorming een bedding vormen, en zij zou hem in een verband plaatsen waarin hij in zijn eigen werk de algemene moslim-eenheid centraal zou kunnen handhaven.
De Ottomaans-Senussi verstandhouding
De verstandhouding tussen de Ottomaanse Hoge Porte en de Senussi-broederschap voltrok zich in de jaren tussen 1880 en 1900 in een geleidelijke ontwikkeling waarin de aanvankelijke spanningen door strategische samenwerking werden vervangen. De Ottomaanse autoriteiten, die in de eerste decennia van de Senussi-aanwezigheid in Libië de broederschap met wantrouwen hadden bezien als een mogelijke rivaal-aanspraak op de plaatselijke soevereiniteit, herzagen in de loop van de jaren tachtig en negentig hun standpunt, zodat de Senussi-broederschap werd gezien als een partner in de aanstaande weerstand tegen de Europese koloniale uitbreiding.
Deze nieuwe verstandhouding ontwikkelde zich onder Sultan Abdulhamid II, die van 1876 tot 1909 het Ottomaanse hoofdleiderschap voerde, in een pan-islamitische strategie waarin de Ottomaanse Hoge Porte zich als algemeen geestelijk leider van de moslimwereld presenteerde en waarin de verbintenissen met de soefitische broederschappen een centrale plaats kregen. Voor de Senussi-broederschap betekende deze nieuwe Ottomaanse strategie een geestelijke en politieke ondersteuning, en zij gaf aan de Senussi-onderneming een uitgebreide bedding van internationale legitimiteit.
Het bezoek van Ottomaanse afgezanten
In de jaren tussen 1885 en 1900 voltrokken zich verscheidene officiële Ottomaanse afgezant-missies naar Jaghbub en later naar Kufra, waarin de geleidelijke samenwerking werd vastgelegd. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren betekende de aanwezigheid van deze Ottomaanse afgezanten een diplomatieke uitwisseling die hij kon waarnemen en bestuderen, en hij verwierf daarin een praktische opleiding in diplomatieke onderhandelingen die in zijn aanstaande positie als leider van het verzet onmisbaar zou blijken.
In de ontwikkeling van de Ottomaans-Senussi verstandhouding voerden de twee partijen besprekingen over een mogelijke gemeenschappelijke weerstand tegen de aanstaande Italiaanse koloniale uitbreiding, en zij voltrokken enige praktische stappen, waaronder de geleidelijke Ottomaanse levering van wapens aan de Senussi-broederschap via de gewone gang van de Ottomaanse militaire uitwisseling. Voor de Italiaans-Turkse oorlog in 1911 vormde deze voorbereiding een uitgebreide bedding waarop de gemeenschappelijke Senussi-Ottomaanse verdediging zou kunnen worden gevoerd.
Naar zijn eerste leiderschapspositie
In de jaren rond 1900, toen Umar al-Mukhtar ﵀ tweeënveertig jaar oud was, voltrok zich in zijn persoonlijke loopbaan een geleidelijke toename van verantwoordelijkheid in de Senussi-organisatie. Hij werd in 1900 of het vroege 1901 door Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ aangesteld als ikhwan-leider voor een specifieke zawiya in Cyrenaica, in een aanstelling waarmee de hoofdleider zijn vertrouwen in de vorming van zijn voormalige leerling uitsprak. De aanstelling betekende dat Umar al-Mukhtar ﵀ naar Cyrenaica zou terugkeren voor zijn eerste zelfstandige leiderschapspositie in de Senussi-broederschap, en zij vormde de eerste fase van wat in de aanstaande decennia tot zijn algemene positie als leider van het Cyrenaïcaanse verzet zou uitgroeien.
In dit artikel hebben wij gezien hoe de jonge Umar in de jaren tussen 1880 en 1900 in Jaghbub en in een later stadium in Kufra een politieke en bestuurlijke vorming ontving die hem geleidelijk op zijn aanstaande leiderschap voorbereidde. De Senussi-strategie tegenover de aanstaande Italiaanse koloniale dreiging, in haar drievoudige opzet van organisatorische versterking, wapenvoorraad-uitbreiding en diplomatieke uitwisseling, werd in deze jaren voorbereid. En de verplaatsing van het hoofdkwartier van Jaghbub naar Kufra in 1895 gaf aan de broederschap een uitgebreide geografische ruimte voor haar aanstaande werk. Aan zijn eerste leiderschapspositie als ikhwan in Cyrenaica, en aan de wijze waarop zij hem geleidelijk op zijn aanstaande rol als leider van het Cyrenaïcaanse verzet voorbereidde, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge, Hurst (1995), pp. 272–334.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 124–186.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 112–158.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 124–186.
- B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 214–256.
- Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, 1830–1980, Princeton University Press (1986), pp. 112–168.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 98–134.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 88–134.
