De Sanussi Orde
In het voorgaande artikel besteedden wij aandacht aan de West-Afrikaanse fitna van 1861 en 1862 en aan haar uitwerking op de Senussi-respons in Cyrenaica, en wij zagen hoe de Senussi-broederschap een geestelijke en strategische bezinning ondernam op de gevolgen van inter-moslim conflicten voor haar eigen werk. Dit artikel keert terug naar de chronologische lijn van Umar al-Mukhtar’s ﵀ levensloop en richt zich op het jaar 1876, toen hij achttien jaar oud was, en op de plaats Jaghbub waar de Senussi-broederschap in deze jaren haar grootste organisatorische omvang had verkregen onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀. Het beschrijft de Senussi-broederschap zoals zij in 1876 functioneerde, en het volgt Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn eerste aankomst in de Jaghbub-zawiya voor zijn formele Senussi-opleiding die in de daaropvolgende jaren tot zijn vorming als gevormd murid en uiteindelijk als ikhwan-leider zou voeren.
Jaghbub als hoofdkwartier
Jaghbub, een oasestad in de uitgestrekte zuidoostelijke Sahara nabij de huidige Libisch-Egyptische grens, op een afstand van ongeveer tweehonderdvijftig kilometer ten zuiden van de Mediterrane kust en te midden van waterbronnen en palmtuinen die een natuurlijke oase-economie ondersteunden, was sinds 1856 het hoofdkwartier van de Senussi-broederschap. De keuze van deze plek voor het hoofdkwartier was een strategische beslissing van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, die de broederschap op een veilige afstand van de Ottomaanse autoriteiten in Benghazi en Tripoli plaatste en die haar tegelijkertijd in een centrale ligging op de Trans-Saharaanse karavaanroutes positioneerde die de Senussi-organisatie internationaal verbond.
De stad zelf was in 1876 uitgegroeid tot een uitgebreide nederzetting van enkele duizenden inwoners, met de centrale Senussi-zawiya als grootste gebouw van het complex, met aanpalende vertrekken voor de murid-opleiding, met een bibliotheek, met magazijnen voor de gemeenschappelijke voorraden, met handwerkerswerkplaatsen voor de plaatselijke ambachten, met palmtuinen en groentetuinen voor de zelfvoorziening van de gemeenschap, en met aparte vertrekken voor de uitgebreide Senussi-familie die in deze jaren als clan-organisatie de geestelijke leiding van de broederschap voerde.
De architecturale gestalte van Jaghbub
De architectuur van Jaghbub vormde een stadsplan dat de geestelijke, bestuurlijke en economische functies van de Senussi-broederschap verenigde. Het centrale plein van de stad, omringd door de centrale moskee aan de oostelijke zijde, door het Senussi-residentie-complex aan de noordelijke zijde, door de bibliotheek en de scriptorium-zaal aan de zuidelijke zijde, en door de gemeenschappelijke gebouwen voor bestuurlijke aangelegenheden aan de westelijke zijde, vormde het hart van het Senussi-leven. Vanuit dit centrale plein liepen uitgestrekte straten naar de buitenwijken van de stad waarin de gewone Bedoeïen-families en de Senussi-leerlingen hun gemeenschappelijke verblijfplaatsen hadden.
De gebouwen waren volgens de Saharaanse architectuur opgebouwd, met dikke leemwanden die de overdadige hitte van het Saharaanse klimaat op natuurlijke wijze temperden, met platte daken zoals die in de Noord-Afrikaanse architectuur gewoon waren, en met binnentuinen die in het midden van elk gebouw de gemeenschappelijke ruimte voor verblijf en ontmoeting boden. Voor de gewone bezoeker van Jaghbub wekte het aanzicht van de stad onmiddellijk de indruk van een geestelijk en bestuurlijk centrum dat zich onderscheidde van de gewone Cyrenaïcaanse dorpen waaruit de bezoekers afkomstig waren.
Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀
Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, in 1876 negenenveertig jaar oud, voerde de algemene leiding van de Senussi-broederschap sinds 1859, toen hij na de dood van zijn vader Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ het hoofdleiderschap had overgenomen. Hij was een geleerde van uitzonderlijke welbespraaktheid en van diepe geestelijkheid, en hij ontwikkelde in zijn jaren van leiderschap de Senussi-broederschap tot haar grootste internationale uitbreiding en haar diepste organisatorische vorm. Onder zijn leiding breidde de Senussi-broederschap haar zawiya-netwerk geleidelijk uit, zodat het zich in 1876 reeds uitstrekte van Marokko in het westen tot de Tsjaadmeer-gebieden in het zuiden, met enkele honderden zawiya’s in een gemeenschappelijke organisatie.
Voor de gewone Senussi-leerling in 1876 was Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in zijn dagelijkse aanwezigheid een figuur van geestelijke autoriteit die in zijn welbespraaktheid en in zijn persoonlijke vroomheid de broederschap belichaamde. Hij voerde in de centrale moskee van Jaghbub de vrijdagspreken waarin de geestelijke leer van de broederschap werd uitgelegd, en hij ontving in afzonderlijke audiënties de pelgrim-bezoekers en de plaatselijke ikhwan voor persoonlijke leiding. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in 1876 in Jaghbub aankwam, was de eerste ontmoeting met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ een gebeurtenis die in zijn aanstaande levensloop een blijvende plaats zou krijgen.
De Senussi-organisatorische gestalte
De Senussi-broederschap had in 1876 een organisatie ontwikkeld die de individuele zawiya’s in een verbonden geheel plaatste onder de centrale leiding in Jaghbub. Zij was gebouwd op een vierdelige structuur waarin elke laag haar eigen specifieke functies vervulde.
Aan de top stond het Senussi-hoofdkwartier in Jaghbub, met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ als algemeen leider en met een uitgebreide Senussi-raad van naaste familieleden en gevormde ikhwan die gezamenlijk de algemene strategische en geestelijke leiding voerden. Onder het hoofdkwartier stonden de zogeheten qutb-zawiya’s, ongeveer twintig in aantal, die in de regionale hoofdsteden van het Senussi-netwerk waren gevestigd en die elk een uitgebreid gebied van directe zawiya’s onder hun leiding hadden. Onder de qutb-zawiya’s stonden de gewone zawiya’s, ongeveer honderdvijftig in aantal in 1876, die in de plaatselijke dorpen en in de uitgestrekte Bedoeïen-weidegebieden hun geestelijke werkzaamheden voerden. En op de onderste laag stonden de plaatselijke murid-kringen, de gewone Bedoeïen- en stedelijke moslims die aan de broederschap waren verbonden zonder een formele functie in haar organisatie te bekleden.
De ikhwan-vorming
De ikhwan-vorming, ofwel de opleiding van de Senussi-broederschap-leiders, voltrok zich in studie en geestelijke discipline en duurde gemiddeld vijf tot acht jaar. Een jonge leerling die tot de Jaghbub-opleiding was toegelaten, ontving in het eerste jaar een uitgebreide opleiding in de klassieke Arabische grammatica volgens de Ibn Malik-traditie, in de basisteksten van het Maliki-recht volgens Khalil ibn Ishaq ﵀ en al-Dasuqi ﵀, in de fundamenten van de Quran-recitatie in de Warsh-overlevering die in Noord-Afrika algemeen was, en in de basisteksten van het Idrisi-tasawwoef waaruit de Senussi-traditie haar onderscheiden geestelijke karakter ontleende.
In de daaropvolgende jaren werd de opleiding uitgebreid met meer gespecialiseerde studie van de hadith-wetenschap, met de bestudering van de werken van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ zelf in een grondige fiqh- en tasawwoef-uitleg, met de praktische opleiding in de zawiya-bestuurlijke organisatie, en met de geleidelijke geestelijke discipline van de Senussi-dzikr-praktijk. Aan het einde van de opleiding ontving de gevormde ikhwan een formele ijaza waarmee hij in het Senussi-netwerk als gevormd leider werd erkend en waarmee hij in een aanstaande aanstelling tot leider van een eigen zawiya kon worden geplaatst.
Mukhtar’s aankomst
In het najaar van 1876, naar de meest gangbare reconstructie, kwam de achttienjarige Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub aan na een reis van enkele weken vanuit zijn ouderlijk Cyrenaïcaanse dorp. Hij werd in de Jaghbub-zawiya ontvangen door de plaatselijke verantwoordelijke ikhwan voor nieuwe leerlingen, en hij werd, zoals voor een nieuwe Senussi-leerling gewoon was, ondergebracht in een gemeenschappelijke slaapzaal voor de jongere studenten. Zijn aankomst werd eenvoudig gevierd met een gemeenschappelijke maaltijd waarin de nieuwe leerlingen aan de gevormde ikhwan werden voorgesteld.
Voor de jonge Umar betekende de aankomst in Jaghbub een grote overgang van zijn ouderlijk Bedoeïen-leven naar het geleerde milieu van het Senussi-hoofdkwartier. Hij had in zijn voorafgaande jaren in zijn ouderlijk dorp en in de plaatselijke al-Bayda-zawiya reeds een basisopleiding ontvangen in de Quran-recitatie en in de eerste Arabische letteren, maar het geleerde leven van Jaghbub overtrof in zijn omvang en in zijn diepte alles wat hij in zijn voorafgaande opleiding had meegemaakt. Hij wijdde zich, naar wat de Senussi-overlevering van zijn jongelingsjaren vermeldt, met discipline aan zijn nieuwe studiewerk, en hij ontwikkelde in zijn vroege Jaghbub-jaren reeds de combinatie van geestelijke ernst en praktische bekwaamheid die hem in zijn aanstaande werk zou onderscheiden.
De reis vanuit Cyrenaica
De reis van zijn ouderlijk dorp in Cyrenaica naar Jaghbub voltrok zich als een gewone Bedoeïen-reis door het uitgestrekte Saharaanse binnenland, met een afstand van ongeveer vierhonderd kilometer die in twee tot drie weken werd afgelegd. De jonge Umar reisde in het gezelschap van zijn vader Mukhtar ibn Umar al-Manifi ﵀ en van een kleinere familiale escorte die in een combinatie van geestelijke ondersteuning en praktische beveiliging de tocht ondernamen. Zij reisden als caravaan met enkele kamelen voor het transport van hun bezittingen en met de gewone Bedoeïen-uitrusting voor de Saharaanse reisomstandigheden, met inbegrip van waterzakken, droge voorraden en de nodige tenten voor de overnachtingen onderweg.
De reis voerde door uitgestrekte zandvlakten waarin de plaatselijke geografie door de seizoenelijke omstandigheden geleidelijk varieerde, en zij doorkruiste enige Senussi-zawiya’s onderweg waar het gezelschap voor enkele dagen verbleef voor rust en voor geestelijke bijeenkomsten met de plaatselijke ikhwan. Voor de jonge Umar betekende deze reis een eerste kennismaking met de Saharaanse moslim-gemeenschap in haar volle uitbreiding, en hij ontwikkelde tijdens de reis een geestelijke voorbereiding op zijn aanstaande verblijf in Jaghbub die in zijn aanstaande studie-jaren herkenbaar zou doorklinken.
Het dagelijks ritme
Het dagelijks ritme van een Senussi-leerling in Jaghbub voltrok zich in een vast patroon dat geestelijke discipline en geleerde studie onafgebroken verenigde. De leerling stond op voor de fajr en voerde het ochtendgebed in de centrale moskee uit, gevolgd door een eerste sessie van persoonlijke dzikr volgens de Senussi-wird. Na het ontbijt, dat eenvoudig uit dadels en kameelmelk bestond, begon het ochtendprogramma met een les van een van de aangewezen leraren in het specifieke onderwerp van de dag. De ochtendlessen behandelden achtereenvolgens de Arabische grammatica, de Maliki-fiqh, de hadith-wetenschap, en de tasawwoef-literatuur, en zij voltrokken zich in een discussievorm waarin de leerlingen actief deelnamen.
In de namiddag werden de leerlingen ingezet in praktisch werk in de zawiya-economie, met onder andere het werk in de palmtuinen voor de gemeenschappelijke voorziening, het kopiëren van manuscripten in de scriptorium-zaal voor de geleidelijke uitbreiding van de Senussi-bibliotheek, het verzorgen van de algemene huishoudelijke taken in de gemeenschap, en in een aantal gevallen ook de onderwijzing van jongere kinderen uit de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen die in de Jaghbub-Quran-school hun eerste opleiding ontvingen. Na het avondgebed voltrok zich de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomst waaraan alle leerlingen en gevormde ikhwan deelnamen, en zij vormde het geestelijke hoogtepunt van de dag voordat de leerlingen zich in de gemeenschappelijke slaapzalen voor de nachtrust terugtrokken.
De uitreiking van de ijaza
De voltooiing van de Senussi-opleiding voltrok zich in de plechtige overdracht van de ijaza, een formele machtigingsbrief in het Arabisch waarmee de gevormde ikhwan werd erkend als bevoegd om de Senussi-wird in zijn eigen werk aan andere murids over te dragen. De ijaza werd in de centrale moskee van Jaghbub uitgereikt in een plechtigheid waaraan de gehele gevormde gemeenschap deelnam, met de algemene zegen van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ zou de ijaza-uitreiking in 1884 of 1885, op de leeftijd van ongeveer zesentwintig of zevenentwintig jaar, de geestelijke voltooiing van zijn opleidings-fase betekenen.
De ijaza omvatte de geestelijke overdracht-lijn die de ontvanger met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ verbond, via hem met Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, via hem met Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, en via hem met de reeks Idrisi-leraren tot in de gewone overdracht-keten met de Profeet ﷺ. Voor de gevormde ikhwan vormde de ijaza de geestelijke autoriteit waarmee hij in het gewone Senussi-werk zijn specifieke taken zou kunnen uitvoeren.
De Sanussi-leer
De Sanussi-leer, zoals zij in Jaghbub aan de leerlingen werd onderwezen, omvatte een aantal onderscheiden elementen die samen de Senussi-broederschap haar eigen specifieke geestelijke karakter verleenden. Ten eerste de directe terugkeer naar de Quran en de hadith als geestelijke autoriteit, zonder de tussenkomst van scholastieke commentaren die in de andere soefitische broederschappen vaak een centrale plaats innamen. Ten tweede de uitgesproken nadruk op de salat ʿala al-nabi, ofwel de zegen op de Profeet ﷺ in alle dzikr-formules van de tarīqa, een praktijk die in de Idrisi-erfenis was geworteld en die in de Senussi-traditie een centrale plaats innam.
Ten derde de zelfvoorziening in de zawiya-economie, met de plaatselijke gemeenschap die in gemeenschappelijke arbeid haar eigen voedsel, kleding en algemene onderhoud produceerde zonder afhankelijkheid van uitwendige steun. Ten vierde de geestelijke neutraliteit tegenover de andere soefitische broederschappen, zonder rivaliteit-aanspraken maar met behoud van het eigen specifieke karakter. En ten vijfde de geleidelijke voorbereiding op de aanstaande omstandigheden waarin de moslim-gemeenschap zou worden geplaatst, zonder een uitgesproken jihad-leer maar met een algemene aanmoediging tot persoonlijke en gemeenschappelijke ernst in de geestelijke en sociale verantwoordelijkheid.
De Senussi-economie
De Senussi-economie was op zelfvoorziening georganiseerd op een wijze die in negentiende-eeuws Noord-Afrika nauwelijks haar gelijke had. Elke zawiya beschikte over eigen palmtuinen voor de productie van dadels, die in het Saharaanse klimaat een centraal deel van de voedselvoorziening vormden, over uitgebreide groentetuinen voor de aanvullende voeding, over schapen- en geiten-kuddes voor melk en vlees, over een eigen smederij voor de productie van gewone gereedschappen, en over een groep handwerkers die gezamenlijk de plaatselijke ambachten uitoefenden. Daarnaast onderhielden de zawiya’s uitgebreide handelsverbintenissen via de Trans-Saharaanse karavanen voor de aanvoer van textiel, van zout, van metaalwaren en van andere goederen die in haar eigen productie niet beschikbaar waren.
Deze economie was onafhankelijk van uitwendige financiering of van politieke patronage, en zij gaf aan de Senussi-broederschap een geestelijke en politieke onafhankelijkheid die ongewoon was. Voor het aanstaande Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ zou deze economische zelfvoorziening van groot belang blijken, want het verzet zou op de uitgebreide voedselvoorraden en op de algemene infrastructuur van het Senussi-zawiya-netwerk steunen, die geen uitwendige financiering nodig had. De economie van de Senussi-broederschap vormde dus de praktische bedding waarop het aanstaande verzet in zijn onafhankelijke werking kon worden gebouwd.
De afwezigheid van een directe jihad-leer
Een opmerkelijk aspect van de Senussi-leer dat haar van vele andere soefitische broederschappen van haar tijd onderscheidde, was de afwezigheid van een uitgesproken directe jihad-leer. In tegenstelling tot de Naqshbandi-Khalidiyya in de Kaukasus onder Imam Shamil ﵀, en in tegenstelling tot de Umarian-Tijani beweging in Senegambia onder al-Hajj Umar Tall ﵀, voerde de Senussi-broederschap in haar oorspronkelijke leer geen uitgesproken pleidooi voor een gewapende strijd tegen niet-moslim machten. Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ had in zijn eigen werk de geestelijke discipline en de gemeenschappelijke opbouw benadrukt, en hij had een gewapende jihad tegen niet-moslim machten in zijn werken niet uitgesproken bepleit.
Deze afwezigheid van een directe jihad-leer betekende echter niet dat de Senussi-broederschap pacifistisch was in de gewone zin van het woord. Zij betekende veeleer dat de broederschap zich op de gemeenschapsopbouw en op de geestelijke discipline concentreerde, met de overweging dat in geval van een directe aanval op de moslim-gemeenschap de gewone fiqh-gronden van zelfverdediging zouden moeten worden geactiveerd. Voor het aanstaande Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ in de jaren 1911 tot 1931 zou deze houding van centrale betekenis zijn, want het verzet zou als een verdedigingsoorlog tegen de Italiaanse koloniale invasie worden gepresenteerd, niet als een offensieve jihad in de gewone West-Afrikaanse zin.
De eerste jaren in Jaghbub
In de eerste twee tot drie jaren van zijn opleiding in Jaghbub voltrok Umar al-Mukhtar ﵀ een basis-vorming die hem een vaste plaats gaf binnen de Senussi-traditie. Hij voltooide de bestudering van de Arabische grammatica en van de basisteksten van de Maliki-fiqh, hij verwierf een grondige kennis van de hadith-wetenschap zoals de Senussi-traditie die onderwees, en hij ontwikkelde in zijn persoonlijke discipline de Senussi-dzikr-praktijk die hem in zijn aanstaande levensloop een blijvende geestelijke grondslag zou geven.
Zijn leraren in deze eerste jaren, voor zover die in de Senussi-overlevering bij naam zijn vermeld, omvatten onder andere Sheikh Ahmad al-Mahdawi, die in Jaghbub de leiding had van het fiqh-onderwijs, en Sheikh Muhammad al-Sharif al-Janzuri, die in deze jaren als specialist in de hadith-wetenschap optrad. Onder hun leiding ontwikkelde de jonge Umar geleidelijk de geleerde basis die hem in zijn aanstaande levenswerk de geestelijke en juridische autoriteit zou verlenen om de gewone Cyrenaïcaanse moslim-bevolking in het anti-koloniale verzet te leiden.
De vorming van zijn karakter
Naast de geleerde vorming voltrok zich in deze jaren ook de karaktervorming van de jonge Umar, die zijn aanstaande leiderschap zou vormen. Hij ontwikkelde in zijn persoonlijke gedrag een uitgesproken bescheidenheid die hem in de Senussi-gemeenschap snel een respectvolle ontvangst gaf, hij voerde in zijn omgang met zijn medeleerlingen een geestelijke broederschap die de algemene Senussi-houding weerspiegelde, en hij toonde in zijn studiewerk een uitzonderlijke discipline die zijn leraren in Jaghbub deed opmerken dat de jongen uit Cyrenaica voor een buitengewoon leiderschap voorbestemd was.
Zijn relatie met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ ontwikkelde zich in deze jaren geleidelijk tot een persoonlijke vertrouwelijkheid waarin de hoofdleider van de broederschap in de jonge Cyrenaïcaan een toekomstige figuur van bijzonder belang zag. In een aantal gevallen, naar de Senussi-overlevering vermeldt, nodigde Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ de jonge Umar uit voor afzonderlijke audiënties waarin hij persoonlijk met hem sprak over de algemene toestand van de broederschap en over de aanstaande uitdagingen waarvoor zij in de aanstaande decennia zou staan. Deze gesprekken vormden voor de jonge Umar een geestelijke voorbereiding op zijn aanstaande leiderschap, en zij gaven hem een geestelijke diepte die in zijn medeleerlingen niet in dezelfde mate aanwezig was.
De bibliotheek van Jaghbub
Een van de onderscheidende kenmerken van het Senussi-hoofdkwartier was de bibliotheek die in Jaghbub in de loop van twee decennia was opgebouwd en die in 1876 reeds enkele duizenden manuscripten van klassieke islamitische geleerdheid omvatte. De bibliotheek was opgebouwd door een combinatie van directe aankopen via Trans-Saharaanse handelaren die in Marokko, in Egypte en in Mekka manuscripten verwierven voor de Senussi-broederschap, van geschenken van bezoekende geleerden die uit geestelijke waardering hun eigen werken aan de bibliotheek schonken, en van uitgebreide kopieer-arbeid door de plaatselijke Jaghbub-leerlingen die in een georganiseerd scriptorium de manuscripten in handgeschreven afschriften vermeerderden.
De inhoud van de bibliotheek omvatte de klassieke werken van de Maliki-fiqh, de hadith-corpus, een uitgebreide verzameling tasawwoef-literatuur met onder andere de werken van Imam al-Ghazali ﵀, van Sjeik ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀ en van Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, de eigen werken van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ in volledige vorm, en in een aantal gevallen ook bijzondere manuscripten uit het Andalusische en het Egyptische erfgoed die in de loop van de uitgebreide handelsverbintenissen van de broederschap in Jaghbub waren beland. Voor de leerlingen vormde deze bibliotheek in het dagelijks gebruik een geleerde omgeving waarin zij hun studie konden voortzetten en waarin zij geleidelijk hun eigen geleerdheid konden uitbreiden.
De pelgrim-functie van Jaghbub
Jaghbub vervulde in deze jaren ook een specifieke functie als rustplaats voor moslim-pelgrims die op weg naar Mekka via de Egyptische woestijn-route trokken, en de uitgebreide gastvrijheid die de Senussi-broederschap aan deze pelgrims verleende, vormde een onderdeel van de Senussi-strategie van internationale geestelijke verbintenissen. Pelgrims uit Marokko, uit West-Afrika, uit Mauretanië en uit het uitgestrekte Saharaanse binnenland verbleven in Jaghbub voor enige dagen op weg naar Mekka, en zij ontvingen daar onderkomen, voedsel, en in een aantal gevallen ook geestelijke begeleiding van de plaatselijke ikhwan voor hun aanstaande hadj-uitvoering.
Voor de Senussi-broederschap bewerkstelligde deze pelgrim-gastvrijheid een uitgebreide internationale uitwisseling waarin de plaatselijke pelgrims als verbindings-knooppunten functioneerden tussen Jaghbub en de uitgestrekte moslim-gemeenschappen die in hun reizen werden vertegenwoordigd. Pelgrims die in Jaghbub waren ingewijd in de Senussi-traditie, of die in hun verblijf geestelijke ondersteuning hadden ontvangen, droegen bij hun terugkeer naar hun eigen gemeenschappen de Senussi-naam geleidelijk uit. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die dit alles in Jaghbub in de dagelijkse gang van zaken waarnam, vormde de pelgrim-functie van het hoofdkwartier een les in het internationale karakter van de broederschap en in haar uitgebreide netwerk.
De tarbiya-vorming
Naast de formele studie in fiqh, hadith en tafsir omvatte de Senussi-opleiding in Jaghbub ook de tarbiya, ofwel de geleidelijke geestelijke vorming van de murid onder de persoonlijke begeleiding van zijn aangewezen leraar. De tarbiya voltrok zich in de Senussi-traditie in een combinatie van persoonlijke geleerden-gesprekken, van gedeelde dzikr-bijeenkomsten in kleinere kringen, en van geleidelijke geestelijke proeven waarin de leerling tot geestelijke zuivering werd geleid. De gewone tarbiya omvatte oefeningen in zelfobservatie, in de muraqaba waarin de leerling zijn eigen innerlijke bewegingen leerde waarnemen, en in de toepassing van de Senussi-wird in het dagelijkse en wekelijkse ritme dat het geestelijk leven van de murid verdiepte.
Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vormde deze tarbiya de innerlijke bedding waarin zijn aanstaande leiderschap geestelijk werd voorbereid. Hij ontwikkelde in zijn jaren in Jaghbub een opmerkelijke zelfobservatie waarmee hij zijn eigen innerlijke bewegingen leerde herkennen en bijsturen, en hij verwierf als aanstaande ikhwan een geestelijke standvastigheid die in zijn latere werk herkenbaar zou blijven. De combinatie van formele geleerdheid en geleidelijke tarbiya vormde de specifieke Senussi-opleiding waarin zijn aanstaande rol werd voorbereid.
De gemeenschap van de zawiya-bewoners
De gemeenschap van bewoners in en rond de Jaghbub-zawiya bestond uit verscheidene onderscheiden groepen die gezamenlijk het gewone leven van het Senussi-hoofdkwartier handhaafden. Aan de top stond de uitgebreide Senussi-familie zelf, met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ als hoofdleider en met zijn naaste familieleden in verschillende leidende posities. Daaronder bevonden zich de gevormde ikhwan, ongeveer tweehonderd in aantal in 1876, die hun specifieke verantwoordelijkheden in het bestuurlijke, geestelijke en economische werk van de gemeenschap voerden. Daaronder stonden de murid-leerlingen, in 1876 ongeveer driehonderd in aantal, die geleidelijk hun opleiding voltooiden voordat zij als ikhwan zouden worden aangesteld. En in de buitenste laag bevonden zich de gewone Bedoeïen-families en handwerksgemeenschappen die in de stad en in haar directe omgeving hun verblijfplaats hadden en die de algemene economie van de gemeenschap ondersteunden.
Voor de jonge Umar ontwikkelde zich in zijn dagelijkse omgang geleidelijk een verstandhouding met al deze groepen. Hij ontmoette in de gewone vrijdagsgebeden de uitgebreide Senussi-familie, hij studeerde onder de gevormde ikhwan in de opleiding, hij werkte met zijn medeleerlingen in de gewone tarbiya-bijeenkomsten, en hij onderhield in zijn praktische werkzaamheden in de zawiya-economie een verstandhouding met de gewone werkers en handwerkers. Het was een geleidelijke vorming van zijn plaats als Senussi-gemeenschapslid die zijn aanstaande rol als plaatselijke ikhwan-leider in de gemeenschap zou voorbereiden.
Naar de politieke opleiding
In de daaropvolgende jaren, vanaf ongeveer 1879 of 1880, zou de opleiding van Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub in een meer politieke richting worden uitgebreid, in een vorming die hem geleidelijk op zijn aanstaande rol als leider in de Senussi-organisatie zou voorbereiden. Aan deze politieke opleiding, en aan de specifieke wijze waarop zij hem op het aanstaande koloniale verzet voorbereidde, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. In dit artikel hebben wij gezien hoe in 1876 de jonge Cyrenaïcaan in het Jaghbub-hoofdkwartier aankwam voor zijn formele Senussi-opleiding, hoe de broederschap in deze jaren reeds een internationale organisatie was geworden, en hoe in de eerste jaren van zijn vorming de basis van zijn aanstaande levenswerk geleidelijk werd gelegd.
Bronnen
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 214–272.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 62–124.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 66–112.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 56–124.
- B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 178–214.
- Mark Sedgwick, Saints and Sons: The Making and Remaking of the Rashidi Ahmadi Sufi Order, 1799–2000, Brill (2005), pp. 124–168 [voor de Idrisi-erfenis].
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 62–98.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 48–88.
