InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Tragische Fitna

De Tragische Fitna

In het voorgaande artikel zagen wij hoe in 1858 in een klein Bedoeïen-dorp in de Cyrenaïcaanse Saharazone Umar al-Mukhtar ﵀ werd geboren in een wereld die door de drie krachten van de Ottomaanse verzwakking, de Senussi-uitbreiding en de Italiaanse koloniale aspiratie werd gevormd. Dit artikel onderbreekt voor enige tijd de chronologie van zijn levensloop om aandacht te besteden aan een gebeurtenis in 1861 in West-Afrika, namelijk de tragische fitna tussen de Umarian-Tijani staat en het Massina-Qadiri Imamaat, die op de aanstaande vorm van de Senussi-broederschap en op haar specifieke strategische keuzes in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw een blijvende invloed zou hebben. De Senussi-leiders in Cyrenaica volgden de West-Afrikaanse ontwikkelingen via reizende handelaren en pelgrims met aanzienlijke aandacht, en de uitkomst van Hamdullahi werd een geestelijke waarschuwing die in de Senussi-strategie van de daaropvolgende decennia herkenbaar zou doorklinken.

De West-Afrikaanse achtergrond

De bredere moslimwereld in 1861

Het jaar 1861, waarin de aanloop tot de Umarian-Massina-fitna zichtbaar werd, was in de bredere moslimwereld een jaar waarin verscheidene grote ontwikkelingen zich gelijktijdig voltrokken die de algemene moslimwereld in een veranderend kader plaatsten. In het Ottomaanse Rijk regeerde Sultan Abdulaziz, die in 1861 zijn ambt aanvaardde na het overlijden van Sultan Abdulmecid I, en hij ondernam in zijn vroege jaren een modernisering van het Ottomaanse staatsapparaat in voortzetting van de Tanzimat-hervormingen van zijn voorganger. In Egypte regeerde Said Pasja als khedive onder Ottomaanse opperheerschappij, in een geleidelijke modernisering die de aanstaande Britse koloniale interventie van 1882 voorbereidde. In Marokko regeerde Sultan Muhammad IV als Alawi-soevereiniteit, met Frankrijk en Spanje in koloniale druk op zijn buitengrenzen.

Voor de Senussi-leiders in Jaghbub, die in hun strategische bezinning de algemene toestand van de moslimwereld volgden, was deze bredere context van centraal belang. Zij begrepen dat de West-Afrikaanse fitna niet geïsoleerd stond maar dat zij deel uitmaakte van een breder verband in de moslimwereld, waarin de Europese koloniale uitbreiding, de interne moslim-conflicten over tarīqa-aanspraken en de modernisering-vraagstukken samen tot een fundamentele uitdaging van de algemene moslim-Oemma uitgroeiden.

In een eerder artikel in deze cyclus, onder de held al-Hajj Umar Tall ﵀, hebben wij besproken hoe de Umarian-jihad-staat in haar uitbreiding tegen het Bambara-koninkrijk Segoe in 1859 haar grootste territoriale omvang bereikte, hoe in de daaropvolgende jaren een geleidelijke escalatie tussen de Umarian-staat en het Massina-Imamaat plaatsvond rond de uitlevering van de naar Massina gevluchte Bambara-leiders, en hoe in mei 1862 in de tragische veldslag voor Hamdullahi de Massina-imam Ahmad III ﵀ de marteldood vond, waarmee de inter-moslim fitna in haar volle omvang voor de West-Afrikaanse moslimwereld zichtbaar werd. Voor de bredere moslimwereld in haar geheel was dit conflict een gebeurtenis die in alle geestelijke kringen met aanzienlijke verlegenheid werd waargenomen, en de Senussi-leiders in Cyrenaica vormden hierop geen uitzondering.

In 1861, het jaar dat in dit artikel onze focus heeft, voltrok zich de aanloop tot de eigenlijke gewapende confrontatie tussen de Umarian-Tijani staat en het Massina-Qadiri Imamaat, met de diplomatieke escalaties die in het volgende jaar in de aanval op Hamdullahi hun uitkomst zouden vinden. De Senussi-leiders in Jaghbub, onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ die in 1859 het hoofdleiderschap van de broederschap had overgenomen, ontvingen in dat jaar uitgebreide rapporten over de West-Afrikaanse ontwikkelingen via de reizende handelaren die in deze decennia de Trans-Saharaanse karavaanroutes tussen Cyrenaica en het West-Afrikaanse binnenland onderhielden.

De Trans-Saharaanse informatie-uitwisseling

De Trans-Saharaanse karavaanroutes tussen Cyrenaica en het West-Afrikaanse binnenland onderhielden in de tweede helft van de negentiende eeuw een voortdurende uitwisseling van handel en informatie, waarin de plaatselijke gebeurtenissen in beide regio’s aan de andere zijde bekend werden. Tussen Kufra en Murzuq in het centrale Saharaanse gedeelte, en vervolgens via Bilma in het Tsjaad-Niger-grensgebied naar Kano en daaruit verder westwaarts naar Timboektoe en het Senegambia-gebied, voerden Bedoeïen-handelaren in caravaans van enkele honderden lastdieren een uitwisseling van textiel, zout, dadels, slaven, goud en geestelijke manuscripten. Naast deze materiële uitwisseling brachten zij ook politieke berichten over, die in elke etappe van de reis aan de plaatselijke moslim-gemeenschappen werden doorgegeven.

Voor de Senussi-broederschap was deze informatie-uitwisseling een centraal onderdeel van haar internationale netwerk, en de leiders in Jaghbub onderhielden correspondentie met de geestelijke leiders in heel sub-Sahariaans Afrika via de gewone handelaren-routes. De ontvangen rapporten uit West-Afrika werden op een georganiseerde wijze in het Senussi-hoofdkwartier behandeld, met aangewezen ikhwan die de binnenkomende informatie ordenden en die gezamenlijk met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ de betekenis van de informatie voor de Senussi-strategie bespraken.

De Egyptische al-Azhar-respons

In Caïro werd in de jaren na de Hamdullahi-fitna in de leerkring van al-Azhar een bezinning ondernomen op de geestelijke betekenis van inter-moslim conflicten en op de juridische gronden waarop een dergelijke confrontatie tussen verschillende soefitische broederschappen zou kunnen worden voorkomen. Egyptische geleerden van uitzonderlijke statuur, onder wie Sheikh Muhammad Ayyad al-Tantawi ﵀ en Sheikh Ibrahim al-Bayjuri ﵀, voerden geleerde correspondentie met de Senussi-leiders in Jaghbub waarin de algemene moslim-broederschap boven de specifieke tarīqa-verschillen werd uitgewerkt.

De Egyptische bezinning leverde een aantal geleerde fatwa’s op die in de bredere moslimwereld een vergelijkbare lijn ontwikkelden, waarin de inter-moslim eenheid boven de tarīqa-specifieke aanspraken werd geplaatst. Voor de Senussi-broederschap was deze Egyptische ondersteuning een geestelijke bevestiging van haar eigen positie van geestelijke neutraliteit in inter-moslim conflicten, en zij gaf aan de Senussi-traditie een internationale geestelijke dimensie die in haar daaropvolgende uitbreiding herkenbaar zou doorklinken.

Het algemene moslim-bewustzijn

De geestelijke weerslag van de West-Afrikaanse fitna op de bredere moslim-bevolking van Cyrenaica voltrok zich geleidelijk, want de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen ondergingen in de loop van de jaren 1860 en daarop een bezinning op de gevolgen van de inter-moslim conflicten voor de algemene moslim-Oemma. In de plaatselijke moskeeën en in de zawiya-bijeenkomsten op vrijdagavond werd herhaaldelijk over de gebeurtenissen in West-Afrika gesproken, en de plaatselijke ikhwan gaven daarbij de geestelijke uitleg waarin de West-Afrikaanse fitna als waarschuwing werd geplaatst.

Voor de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking betekende dit dat zij in haar dagelijkse geestelijke leven een onderwijzing ontving in de algemene moslim-broederschap die de specifieke tarīqa-verschillen oversteeg. Voor de jonge Bedoeïen-jongens die in de plaatselijke zawiya’s hun eerste opleiding ontvingen, en onder wie de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn aanstaande zesde of zevende levensjaar zou behoren, vormde deze onderwijzing een centraal element van hun geestelijke vorming. De algemene moslim-broederschap, met haar onderlinge solidariteit boven de specifieke tarīqa-verschillen, werd in hun jongelingsjaren tot iets zo natuurlijks dat zij in hun aanstaande werk herkenbaar zou blijven.

De Senussi-respons op de West-Afrikaanse ontwikkelingen

In de jaren 1860 en 1861, naarmate de aanstaande Umarian-Massina-confrontatie zichtbaar werd, voerden de Senussi-leiders een interne bespreking over de geestelijke en strategische gevolgen voor hun eigen werk. De besprekingen voltrokken zich in een combinatie van vrijdagspreken in de centrale moskee van Jaghbub waarin de algemene West-Afrikaanse situatie in haar geestelijke betekenis werd uitgelegd, van afzonderlijke bijeenkomsten van de Senussi-raad waarin de specifieke strategische gevolgen voor de Senussi-aanwezigheid in meer praktische zin werden besproken, en van privé-overwegingen van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ persoonlijk in diepe geestelijke nadenking.

De algemene uitkomst van deze besprekingen, voor zover die in de Senussi-archieven in latere afschriften is bewaard, omvatte drie hoofdpunten die in de Senussi-strategie van de daaropvolgende decennia herkenbaar zouden blijven. Ten eerste de verbintenis tot een uitgesproken vermijding van inter-moslim conflicten als de inter-Tijani-Qadiri confrontatie die in West-Afrika zichtbaar werd. Ten tweede de geleidelijke ontwikkeling van een eigen Senussi-vorm die in haar geestelijke onderscheidenheid een eigen plaats verkreeg zonder de andere soefitische broederschappen in haar specifieke gebied in een rivaal-aanspraak te bestrijden. Ten derde de geleidelijke voorbereiding op de aanstaande Europese koloniale uitbreiding als de gemeenschappelijke uitdaging die in de aanstaande decennia alle moslim-gemeenschappen zou raken.

De latere uitwerking in Senussi-geschiedschrijving

In de latere Senussi-geschiedschrijving, en in het bijzonder in de werken die in de eerste decennia van de twintigste eeuw door Senussi-geleerden in Cyrenaica werden voortgebracht, kreeg de Hamdullahi-fitna aandacht als een centraal punt van waarschuwing en geestelijk leerproces voor de Senussi-traditie. Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, de neef van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ die in 1902 het hoofdleiderschap van de broederschap overnam, sprak in zijn vrijdagspreken herhaaldelijk over de West-Afrikaanse fitna, waarbij haar uitkomst als waarschuwing aan de aanstaande Senussi-confrontaties met externe machten werd voorgesteld. Hij benadrukte dat de eenheid binnen de moslim-Oemma, zelfs in tijden van verschillen in tarīqa-aansluiting, een absolute prioriteit moest blijven indien de algemene moslim-gemeenschap haar geestelijke en politieke positie tegenover de Europese koloniale uitbreiding wilde behouden.

Deze geestelijke uitleg, voortgezet van het einde van de negentiende tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw, vormde de directe geestelijke achtergrond waarin Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn opleidingsjaren in Jaghbub zijn eigen vorming ontving. Hij hoorde, in de plaatselijke vrijdagspreken en in de geleerdengesprekken die in de Jaghbub-zawiya in zijn jongelingsjaren voortduurden, de uitleg van de Hamdullahi-fitna als geestelijke waarschuwing, en hij verwierf een diep besef van de gevolgen van inter-moslim conflicten dat hij in zijn latere werk herkenbaar zou voortzetten.

De geestelijke uitleg van de fitna

In de vrijdagspreken die Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in 1861 en 1862 in Jaghbub uitsprak, en die in de plaatselijke zawiya’s van Cyrenaica via zijn aangewezen ikhwan werden verspreid, voltrok zich een geestelijke uitleg van de West-Afrikaanse fitna die de algemene moslim-eenheid boven de tarīqa-specifieke verschillen plaatste. Hij sprak in deze uitleg over de gemeenschappelijke moslim-broederschap die de tarīqa-verschillen oversteeg, over de gevolgen van inter-moslim conflicten waardoor de gewone aspiraties van de moslim-gemeenschap vergeefs werden gemaakt, en over de plicht van iedere geestelijke leider om in zijn eigen werk de gemeenschappelijke eenheid herkenbaar te bewaren.

Voor de gewone Bedoeïen-bevolking van Cyrenaica was deze uitleg een geestelijke begeleiding die hen in een combinatie van solidariteit met de West-Afrikaanse moslim-broeders en van eigen plaatselijke voorzichtigheid plaatste. Zij voerden in de plaatselijke zawiya-bijeenkomsten gemeenschappelijke gebeden voor de West-Afrikaanse slachtoffers van de fitna, en zij ontvingen de geestelijke aansporing tot de instandhouding van de plaatselijke gemeenschappelijke eenheid in hun eigen Cyrenaïcaanse omgeving.

De rapporten uit het Westen

In de Senussi-archieven van Jaghbub, voor zover die in latere afschriften door E.E. Evans-Pritchard en door moderne historici zijn bestudeerd, zijn een aantal van de West-Afrikaanse rapporten bewaard die in de jaren 1860 tot 1864 door de Senussi-leiders werden ontvangen. Zij omvatten korte verslagen van Trans-Saharaanse handelaren die in caravaans uit het Westen waren gekomen, geleerde correspondentie van Mauritanische en Marokkaanse soefitische leiders die met de Senussi-broederschap in een vriendelijke verstandhouding stonden, en in enkele gevallen ook direct van de Umarian-staat of van Massina-Imamaat-vertegenwoordigers afkomstige brieven waarin de eigen positie van elke zijde aan de Senussi-leiders werd voorgelegd in de hoop op geestelijke ondersteuning of bemiddeling.

De Senussi-respons op deze rapporten was er een van geestelijke afstand en algemene aansporing tot moslim-eenheid, en de broederschap weigerde zich in een directe verbintenis met een van beide partijen te plaatsen. Maar zij ondersteunde in algemene zin de pleidooien voor een vreedzame uitkomst, en zij voerde in een aantal gevallen geleerde correspondentie met beide zijden waarin de gemeenschappelijke moslim-broederschap boven de specifieke tarīqa-verschillen werd geplaatst. De pogingen tot bemiddeling, zoals wij in een eerder artikel zagen, slaagden niet, maar de Senussi-houding van geestelijke neutraliteit in inter-moslim conflicten werd door dit leerproces blijvend gevestigd.

De geestelijke verschillen tussen Tijaniyya en Qadiriyya

Achter de Umarian-Massina-fitna lag een geestelijke geschiedenis van de verschillen tussen de Tijaniyya en de Qadiriyya in West-Afrika, die in dit artikel een aanvullende aandacht verdient om de uitkomst van de fitna in haar volle omvang te begrijpen. De Tijaniyya, gesticht door Ahmad ibn Muhammad al-Tijani ﵀ in de late achttiende eeuw, was een onderscheiden tarīqa die haar leerlingen in een directe geestelijke verbintenis met de Profeet ﷺ plaatste via een eenduidige ijaza-lijn die in de tarīqa als superieur aan andere overdrachtsketens werd beschouwd. De Qadiriyya, gesticht door Sjeik ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀ in de twaalfde eeuw, was een oudere tarīqa met haar eigen onderscheiden geestelijke discipline en haar eigen overdrachtslijn.

De geestelijke verschillen tussen de twee tarīqa’s waren op zichzelf niet onverenigbaar, en in vele moslim-gemeenschappen leefden Tijani- en Qadiri-aanhangers vreedzaam naast elkaar zonder dat de tarīqa-verschillen een politieke lading kregen. Maar in het specifieke verband van negentiende-eeuws West-Afrika, met de Tijaniyya in haar Umarian-vorm en met de Qadiriyya in haar Sokoto- en Massina-vorm, ontstonden geleidelijk enige spanningen waarin de specifieke aanspraken van elke tarīqa een politieke betekenis kregen. De Hamdullahi-fitna was de tragische uitkomst van deze spanningen, en zij vormde een waarschuwing aan de bredere moslimwereld over de mogelijke gevolgen van inter-tarīqa rivaliteiten wanneer deze in een politieke vorm werden uitgewerkt.

De Soedanese-Cyrenaïcaanse verbintenis

Naast de Mauritanische verbintenis onderhield de Senussi-broederschap in deze decennia ook een uitgebreide verstandhouding met de Soedanese moslim-gemeenschappen, in een combinatie van directe handelsverbintenissen via de Trans-Saharaanse karavanen en van geestelijke uitwisselingen via de pelgrim-routes naar Mekka. De Soedanese pelgrims die jaarlijks in caravaans van enkele duizenden personen via Wadai en via Kufra naar de Hejaz trokken, brachten in beide richtingen geestelijke berichten en plaatselijke nieuws-uitwisselingen over, en zij vervulden gezamenlijk een belangrijke functie als verbindings-knooppunt tussen de Saharaanse en de West-Afrikaanse moslim-gemeenschappen.

Voor de Senussi-broederschap waren deze Soedanese verbintenissen van groot belang voor het algemene begrip van de West-Afrikaanse situatie, want de Soedanese pelgrims hadden in hun reizen door West-Afrika hun eigen waarneming van de gebeurtenissen kunnen vormen. Hun rapporten over de Umarian-Massina-fitna, die vaak meer gedetailleerd waren dan de gewone handelaren-rapporten, gaven aan de Senussi-leiders een aanvullende informatie-bron die hun strategische bezinning in een uitgebreider kader plaatste.

De Mauritanische verbintenis

In de jaren na de fitna voltrok zich tussen de Senussi-broederschap en de Mauritanische soefitische gemeenschappen een uitwisseling waarin de gevolgen van de West-Afrikaanse gebeurtenissen voor de bredere Saharaanse moslimwereld werden besproken. Mauritanische geleerden van de gevestigde Qadiri-tradities, en met name de geleerden van de Kunti-clan onder leiding van Sidi al-Mukhtar al-Saghir al-Kunti ﵀, voerden geleerde correspondentie met de Senussi-leiders in Jaghbub. De Mauritanische geleerden, die in hun eigen positie zowel met de Umarian-Tijani uitbreiding als met de Massina-Qadiri verbintenissen werden geconfronteerd, vonden in de Senussi-broederschap een geestelijke gesprekspartner waarmee zij de gemeenschappelijke uitdagingen van hun positie konden bespreken.

De uitwisseling vormde een uitgebreid intellectueel debat over de juiste verhouding tussen de verschillende soefitische broederschappen in de Saharaanse moslimwereld, en zij voerde geleidelijk tot een aantal gemeenschappelijke aanzetten die in de daaropvolgende decennia tot een grotere Saharaanse soefitische samenwerking zouden uitgroeien. Voor Umar al-Mukhtar ﵀, die in zijn aanstaande jaren als Senussi-leerling in Jaghbub deze intellectuele traditie persoonlijk zou ontvangen, vormde deze achtergrond een centraal element van zijn vorming.

De Senussi-gestalte tussen de twee tarīqa’s

Voor de Senussi-broederschap had de positie tussen Tijaniyya en Qadiriyya een specifiek karakter dat de algemene Senussi-strategie zou kleuren. Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, de stichter van de broederschap, was in zijn vroege jaren in Mekka onder de Idrisi-tarīqa van Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀ opgeleid in een vorming die de algemene Idrisi-erfenis combineerde met specifieke elementen die in zijn latere broederschap centraal zouden staan. De Senussi-broederschap stond dus in haar oorsprong in de bredere Idrisi-traditie, en zij was geen Tijani- en geen Qadiri-tarīqa maar een onderscheiden broederschap met haar eigen ijaza-lijn.

Deze onderscheidenheid gaf aan de Senussi-broederschap in haar verhouding tot de Umarian-Massina-fitna een geestelijke afstand die haar in staat stelde de fitna in een algemene uitleg te plaatsen zonder zich in een van beide kampen te scharen. Voor Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ persoonlijk was deze afstand een nuttige positie waarin hij de West-Afrikaanse gebeurtenissen in zijn eigen geestelijke uitleg kon plaatsen zonder zich in een onmiddellijke politieke verbintenis te hoeven plaatsen, en zij vormde het geleerde kader waarin de Senussi-broederschap haar eigen specifieke werk in een combinatie van geestelijke onafhankelijkheid en algemene moslim-broederschap kon uitvoeren.

De Idrisi-erfenis en haar uitwerking

De Idrisi-erfenis waarin de Senussi-broederschap in haar oorsprong was geworteld, vormde een specifieke geestelijke positie tussen de gevestigde grote tarīqa’s van de moslimwereld. Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, geboren in 1760 in Maysur in Marokko en gestorven in 1837 in de bergen van Sabya in Asir, was een geleerde van uitzonderlijke welbespraaktheid die in zijn werk een hervorming van de soefitische traditie had bepleit. Hij verwierp in zijn werk de gevestigde tarīqa-hiërarchieën en pleitte voor een directe terugkeer naar de profetische traditie, met een directe geestelijke verbintenis met de Profeet ﷺ via dromen en visioenen die in zijn eigen leven herhaaldelijk waren voorgevallen.

Voor zijn leerlingen, onder wie Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ in Mekka behoorde, plaatste deze Idrisi-leer hen in een onderscheiden positie tegenover de oudere tarīqa’s zonder hen in een vijandige verhouding met haar te brengen. De Senussi-broederschap handhaafde, in haar voortzetting van deze erfenis, een geestelijke onderscheidenheid waarin haar eigen specifieke discipline werd bewaard zonder dat zij polemisch tegen de oudere tarīqa’s optrad. Voor de positie tegenover de Tijaniyya en de Qadiriyya in West-Afrika gaf deze houding aan de Senussi-leiders een geestelijke ruimte waarin zij in een combinatie van eigen onafhankelijkheid en algemene moslim-broederschap konden opereren.

De uitwerking voor de jonge Mukhtar

In het jaar 1861, toen de aanstaande fitna in West-Afrika zich voorbereidde, was Umar al-Mukhtar ﵀ een jongen van drie jaar oud in zijn ouderlijk huishouden in Janzur. Hij kon, in zijn jonge leeftijd, geen directe waarneming van de West-Afrikaanse gebeurtenissen hebben, en zijn ouders en familieleden hielden hem in het gewone Bedoeïen-kindleven dat in de directe nabijheid van de plaatselijke Senussi-zawiya zou worden gevoerd. Maar de invloed van de fitna op de bredere Senussi-strategie, en in het bijzonder de geleidelijke vorming van een Senussi-houding die de inter-moslim eenheid hoog plaatste en die de eigen specifieke werkzaamheid in een combinatie van geestelijke discipline en algemene broederschap voerde, zou in zijn aanstaande opleiding en in zijn latere werk herkenbaar terugkeren.

In het levenswerk dat hem te wachten stond, in zijn confrontatie met de Italiaanse koloniale uitbreiding na 1911, zou hij in zijn eigen werk de Senussi-lijn van inter-moslim eenheid en gemeenschappelijke broederschap blijvend voortzetten, en hij zou in zijn dagelijkse leiding van het Cyrenaïcaanse verzet de geestelijke discipline van de Senussi-traditie met de praktijk van een militaire verdediging op een onnavolgbare wijze combineren. De fitna in West-Afrika in 1861 en 1862, hoewel zij zijn eigen leven niet onmiddellijk raakte, vormde in de bredere Senussi-traditie een geestelijke achtergrond die in zijn aanstaande werk herkenbaar zou doorklinken.

De Cyrenaïcaanse Bedoeïen-respons

Voor de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking, die in haar grote meerderheid niet in een directe geestelijke betrokkenheid bij de West-Afrikaanse tarīqa-debatten verkeerde, vormden de berichten over de Hamdullahi-fitna een nieuwsgierigheid die in de plaatselijke avondbijeenkomsten van de stam-shaykhs uitvoerig werd besproken. De Bedoeïen-tradities van mondelinge overlevering, sinds eeuwen ontwikkeld, brachten de West-Afrikaanse gebeurtenissen via reizende handelaren en pelgrims naar de plaatselijke gemeenschappen, en zij voerden tot een geestelijke verwerking waarin de algemene moslim-eenheid hoog werd geplaatst.

Voor het aanstaande levenswerk van Umar al-Mukhtar ﵀ vormde deze Bedoeïen-respons een belangrijke achtergrond, want zij toonde aan dat zelfs in een afgelegen Bedoeïen-gemeenschap als Cyrenaica in de tweede helft van de negentiende eeuw een bezinning op de algemene toestand van de moslimwereld plaatsvond. De Cyrenaïcaanse Bedoeïen waren geen geestelijk geïsoleerde gemeenschap, maar zij stonden in verbintenis met de bredere moslim-Oemma, en zij voerden in eigen kring een bezinning op de algemene toestand van de moslim-Oemma die in zijn aanstaande werk herkenbaar zou doorklinken.

Het Senussi-leerproces

In de jaren tussen 1862 en 1900 voltrok de Senussi-broederschap in haar interne organisatie een uitvoerig leerproces waarin de uitkomst van de West-Afrikaanse fitna en de Europese koloniale uitbreiding in haar gevolgen voor de moslimwereld gemeenschappelijk werden uitgewerkt. Het leerproces voltrok zich in een combinatie van geestelijke onderwijzing in de plaatselijke zawiya’s, van geleerde correspondentie met andere soefitische broederschappen in Noord-Afrika en in het Midden-Oosten, en van praktische strategische voorbereiding op de aanstaande uitdagingen waarvoor de broederschap in de aanstaande decennia zou staan.

Voor Umar al-Mukhtar ﵀, die in deze decennia van zijn vroege kindertijd tot zijn jongelingsjaren in de Senussi-traditie opgroeide, vormde dit leerproces het directe geestelijke kader van zijn opvoeding. Hij ontving in de plaatselijke zawiya in al-Bayda zijn eerste opleiding als een gewone Senussi-leerling, en hij verwierf in zijn jongelingsjaren geleidelijk de uitgesproken Senussi-discipline waarin de combinatie van geestelijke ernst en praktische toepassing het algemene kenmerk was. Aan deze opleiding, en aan de specifieke wijze waarin zij hem voorbereidde op zijn latere werk, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.

De parallellen met de Senussi-toekomst

Een opmerkelijk aspect van de Umarian-Massina-fitna zoals die voor de Senussi-broederschap aan de orde kwam, was de overweging van mogelijke parallellen met de eigen aanstaande situatie in Cyrenaica. Wat zou er gebeuren, vroegen de Senussi-leiders zich af, indien in de toekomst een vergelijkbaar conflict tussen verschillende soefitische broederschappen in hun eigen regio zou ontstaan, en hoe konden zij in hun strategische voorbereiding deze mogelijkheid verhinderen. De besprekingen, voor zover die in latere Senussi-overlevering zijn bewaard, voerden tot een uitgebreid leerproces waarin de Senussi-leiders hun specifieke geestelijke onderscheidenheid combineerden met een algemene moslim-broederschap die interne conflicten zou kunnen vermijden.

Voor het aanstaande Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ in de jaren 1911 tot 1931 zou dit Senussi-leerproces uit de Hamdullahi-fitna-jaren een blijvende invloed hebben. Mukhtar zou in zijn algemene leiderschap van het verzet aandacht besteden aan het behoud van de inter-stamse en inter-broederschap eenheid binnen het Cyrenaïcaanse verzet, en hij zou herhaaldelijk in zijn vrijdagspreken en in zijn persoonlijke instructies aan zijn naaste medewerkers de afloop van Hamdullahi als waarschuwing aanvoeren, waarin de tragische uitkomst van interne moslim-conflicten werd getoond.

Naar de Senussi-opleiding

In dit artikel hebben wij de West-Afrikaanse fitna van 1861 en 1862 beschouwd vanuit de Senussi-Cyrenaïcaanse achtergrond, en wij hebben gezien hoe deze fitna een geestelijke invloed op de Senussi-broederschap kreeg die in haar daaropvolgende strategie aan de inter-moslim eenheid en de algemene broederschap een verhoogde plaats gaf. De Senussi-respons op de West-Afrikaanse gebeurtenissen, zoals die zich tussen 1861 en 1900 ontwikkelde, vormde de bedding waarop het aanstaande levenswerk van Umar al-Mukhtar ﵀ in de Senussi-discipline zou worden gebouwd, en zij gaf aan zijn latere strijd tegen de Italiaanse koloniale uitbreiding een geestelijke grondslag waarin de bredere moslim-eenheid en de gemeenschappelijke broederschap herkenbaar zouden blijven.

Voor de moderne moslim die het levenswerk van Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn volle omvang wenst te begrijpen, blijft de West-Afrikaanse fitna een geestelijke achtergrond die de Senussi-traditie waarin hij werd opgeleid in een specifiek licht plaatst, en zij vormt een onmisbaar element van het kader waarin zijn aanstaande werk in zijn geestelijke betekenis kan worden geplaatst.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal: The Western Sudan in the Mid-Nineteenth Century, Clarendon Press (1985), pp. 334–376 [voor de Umarian-zijde van de fitna].
  • William A. Brown, The Caliphate of Hamdullahi, ca. 1818–1864, University of Wisconsin Press (1969), pp. 198–248 [voor de Massina-zijde van de fitna].
  • Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 156–214 [voor de Senussi-respons].
  • E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 62–124.
  • B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 136–178.
  • Jamil M. Abun-Nasr, The Tijaniyya: A Sufi Order in the Modern World, Oxford University Press (1965), pp. 124–168.
  • Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa, Cambridge University Press (2009), pp. 204–248 [voor de uitwerking van de fitna in de Tijani-traditie].
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 376–426.
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).