De Vierde Kust
Voordat Umar al-Mukhtar ﵀ in 1858 in het Cyrenaïcaanse dorp Janzur werd geboren, voordat zijn naam in de droge bergen van de Jebel Akhdar zou rondklinken en voordat zijn ruiters de Italiaanse koloniale macht in de woestijn zouden uitputten, was Libië reeds in een lange en moeizame geschiedenis verwikkeld waarin de Mediterrane wereld, de Saharaanse handelsroutes en de Ottomaanse Hoge Porte elk hun eigen aanspraken op de kust en op het binnenland deden gelden. Wie het leven van Umar al-Mukhtar ﵀ wil verstaan, moet beginnen niet bij zijn geboorte maar bij de bredere geschiedenis van Cyrenaica, van de Senussi-broederschap die in het binnenland haar geestelijke en politieke rol ontwikkelde, en bij de Italiaanse koloniale aspiratie die de Mediterrane noordkust van Afrika tot de zogeheten Vierde Kust van Italië wenste te maken, en waarvan de tragische gevolgen zich in zijn eigen levensloop ten volle zouden tonen.
Cyrenaica in de negentiende eeuw
Het Ottomaanse Libië in zijn drie regio’s
Het Ottomaanse Libië bestond in de negentiende eeuw uit drie onderscheiden regio’s die geografisch en cultureel van elkaar verschilden. Tripolitania in het westen, met de hoofdstad Tripoli en met haar uitgestrekte landbouwgebieden langs de Mediterrane kust, was de meest verstedelijkte en de bestuurlijk meest geïntegreerde regio van het Ottomaanse Libië. Cyrenaica in het oosten, met de havensteden Benghazi en Derna, was overwegend Bedoeïens en veel losser aan de Ottomaanse opperheerschappij verbonden. En Fezzan in het zuiden, een uitgestrekte Saharaanse oasezone met de hoofdstad Murzuq, vormde een derde regio met een eigen cultureel en politiek karakter, waarin de Trans-Saharaanse handelsroutes de kern van de economie vormden.
Voor Umar al-Mukhtar’s ﵀ aanstaande levenswerk zou Cyrenaica van centraal belang zijn, want de Senussi-broederschap koos in haar verspreidingsstrategie de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen als haar primaire gemeenschap, en het verzet tegen de Italiaanse koloniale uitbreiding in de jaren twintig en dertig zou zich voornamelijk in de Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar voltrekken, op een wijze die de specifieke geografische en sociale verhoudingen van Cyrenaica weerspiegelde.
Cyrenaica, in het Arabisch Barqa, is het oostelijke deel van het hedendaagse Libië, een gebied dat zich uitstrekt van de Golf van Sirte in het westen tot aan de Egyptische grens in het oosten, en dat geografisch uit drie onderscheiden zones bestaat. Aan de Mediterrane noordkust een smalle strook van betrekkelijk vruchtbaar landbouwgebied met de havens van Benghazi, Derna en Tobruk. Direct ten zuiden daarvan de Jebel Akhdar, de Groene Bergen, een laag plateau van enkele honderden meters hoogte met dichte beboste hellingen aan de noordzijde en met uitgebreide weidegebieden in haar hogere delen. En verder zuidwaarts de uitgestrekte Saharaanse woestijn die zich tot in Tsjaad en Soedan uitstrekt en die door verspreide oasestadjes wordt onderbroken die in de geschiedenis van Cyrenaica een eigen onafhankelijke positie hebben behouden.
De bevolking van Cyrenaica was in de negentiende eeuw in haar grote meerderheid Arabisch-Bedoeïens van afkomst, met negen grote stamverbintenissen die onder hun gemeenschappelijke naam de Saʿadi-stammen werden aangeduid en die in een complex geheel van bondgenootschappen en rivaliteiten over het gebied waren verdeeld. Onder de Saʿadi-stammen bevonden zich onder andere de Awaqir, de Magharba, de Bara’asa, de Hasa, de Abid en de Aulad Ali, en zij oefenden in hun eigen weidegebieden een plaatselijke autonomie uit die door de Ottomaanse opperheerschappij formeel werd erkend maar die in de praktijk weinig directe Ottomaanse bestuurlijke aanwezigheid kende.
De Ottomaanse aanwezigheid
De Ottomaanse Hoge Porte had Libië in 1551 in haar Rijk opgenomen na de inname van Tripoli door Sinan Pasja, en zij voerde in de daaropvolgende drie eeuwen een indirecte heerschappij waarin de plaatselijke heersersfamilies in een vassallaat-positie het dagelijks bestuur uitvoerden onder een nominale Ottomaanse opperheerschappij. In de negentiende eeuw, en in het bijzonder vanaf 1835 toen de Ottomaanse autoriteiten in een hernieuwde inspanning de directe heerschappij over Libië wensten te vestigen, voltrok zich een geleidelijke verschuiving naar een directer Ottomaans bestuur, met de instelling van een wali in Tripoli en met een nevenadministratie in Benghazi voor het Cyrenaïcaanse oostelijke gebied.
De Ottomaanse autoriteiten in Benghazi onderhielden in de loop van de negentiende eeuw een bestuurlijke aanwezigheid die in de havensteden enig effect had maar die in het binnenland, en in het bijzonder in de Bedoeïen-weidegebieden van de Jebel Akhdar en de naburige Saharazone, grotendeels symbolisch bleef. De plaatselijke Bedoeïen-stammen erkenden de Ottomaanse opperheerschappij formeel door de jaarlijkse betaling van een bescheiden belasting en door de levering van enkele honderden ruiters in geval van een Ottomaanse oproep tot militaire dienst, maar zij behielden hun interne autonomie in alle praktische zaken en zij voerden hun eigen rechtspraak volgens een menging van de plaatselijke gewoonten en de Maliki-fiqh die door de Ottomaanse autoriteiten werd geduld.
De Saʿadi-stammen en hun gestalte
De negen Saʿadi-stammen die het binnenland van Cyrenaica bevolkten, ontleenden hun gezamenlijke naam aan de Banu Saʿadi-traditie waarin zij hun gemeenschappelijke afstamming van de Banu Hilal-Arabieren herleidden die in de elfde eeuw in een grote migratiebeweging vanuit het Egyptische gebied naar Noord-Afrika waren getrokken. De negen stammen waren in een complex geheel van bondgenootschappen en huwelijksverbintenissen met elkaar verbonden, en zij hadden in de loop van de eeuwen een interne ordening ontwikkeld waarin elke stam haar eigen weidegebied, haar eigen seizoenelijke verplaatsingsroutes, en haar eigen interne organisatie bezat.
Naast de Saʿadi-stammen bestonden in Cyrenaica ook enige niet-Saʿadi-stammen, plaatselijk de Maradi-stammen genoemd, die in een ondergeschikte positie aan de Saʿadi-stamverbintenissen verbonden waren en die in een uitgesproken clientelisme hun bestaan in de Bedoeïen-economie voerden. De Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving was dus gelaagd, in een combinatie van vrije Saʿadi-stammen en afhankelijke Maradi-stammen, een gelaagdheid die in de gewone dagelijkse omgang zichtbaar was en die in de juridische rechtspraak van de plaatselijke shaykhs op onderscheiden wijze doorwerkte.
De Senussi-broederschap
In dit politieke landschap voltrok zich vanaf 1843 een geestelijke ontwikkeling die Cyrenaica in de daaropvolgende decennia in een nieuwe vorm zou plaatsen. Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, een Algerijnse geleerde geboren in 1787 nabij Mostaganem die in zijn opleidingsjaren in Fez en in Mekka een grondige geleerdheid had verworven, vestigde in 1843 in het Cyrenaïcaanse gebied de eerste zawiya van wat in de daaropvolgende jaren tot de Senussi-broederschap zou uitgroeien, een soefitische tarīqa die in haar combinatie van geestelijke discipline, economische zelfstandigheid en politieke rol een onderscheiden ontwikkeling zou doormaken.
Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ had in zijn vroege jaren in Mekka onder de Idrisi-tarīqa van Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀ gestudeerd, en hij ontwikkelde in zijn eigen werk een richting die de algemene Idrisi-erfenis combineerde met specifieke nadruk op enkele elementen die in zijn latere broederschap centraal zouden staan. De Senussi-leer benadrukte ten eerste de directe terugkeer naar de Quran en de hadith zonder de tussenkomst van scholastieke commentaren, ten tweede de geestelijke discipline van een uitgebreide dzikr-praktijk die gemeenschappelijk werd uitgevoerd, en ten derde de organisatie van zelfvoorzienende zawiya-gemeenschappen die in een combinatie van godsdienstige toewijding en economische productie hun eigen bestaan konden onderhouden.
De netwerk-uitbreiding
In de daaropvolgende decennia, onder de leiding van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ zelf tot zijn dood in 1859 en onder zijn zoon Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ vanaf 1859, breidde de Senussi-broederschap zich uit tot een netwerk van enkele honderden zawiya’s die in de uitgestrekte Saharazone tussen Marokko in het westen, het Tsjaadmeer-bekken in het zuiden, en Egypte in het oosten waren verspreid. Het hoofdkwartier werd in 1856 verplaatst van het oorspronkelijke al-Bayda in de Jebel Akhdar naar Jaghbub, een oase in de uitgestrekte zuidoostelijke Sahara aan de huidige Libisch-Egyptische grens, een keuze die de broederschap op grotere afstand van de Ottomaanse autoriteiten plaatste en die haar de mogelijkheid bood haar eigen organisatie ongestoord te ontwikkelen.
Voor de Bedoeïen-stammen van Cyrenaica werd de Senussi-broederschap in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw tot een centrale geestelijke en sociale instelling. De plaatselijke zawiya’s, in elke grotere stamverbintenis vertegenwoordigd, fungeerden als Quran-scholen voor de kinderen, als juridische rechtbanken voor de geschillen tussen de stammen, als economische magazijnen voor de gemeenschappelijke voorraden, en als geestelijke centra voor de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten. De Senussi-broederschap voltooide in feite de bestuurlijke organisatie van Cyrenaica, in een vorm die de Ottomaanse opperheerschappij formeel handhaafde maar die in de praktische werkzaamheid een onafhankelijk Bedoeïen-Senussi-bestuur opbouwde.
De Senussi-zawiya als organisatie-eenheid
De Senussi-zawiya was in haar gewone vorm niet enkel een geestelijk centrum maar een uitgebreide bestuurlijke en economische eenheid waarin de plaatselijke gemeenschap haar collectieve aangelegenheden organiseerde. Een gewone zawiya omvatte een centrale gebedszaal die ook als bijeenkomstplek voor de plaatselijke djamaat fungeerde, een Quran-school voor de kinderen van de naburige Bedoeïen-families, een gastenhuis voor reizigers die door het gebied trokken, een uitgebreid magazijn voor de gemeenschappelijke graanvoorraden in geval van droogte of crisis, een eigen kleine moskee voor de gewone gebeden, en een bijzondere zaal voor de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten waarin de specifieke Senussi-discipline werd gevierd.
De zawiya werd geleid door een ikhwan, een plaatselijke broederschapsleider die door het Senussi-hoofdkwartier in Jaghbub was aangewezen en die in een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met de plaatselijke stam-shaykhs de aangelegenheden van de gemeenschap bestuurde. De ikhwan ontving een opleiding in het Senussi-hoofdkwartier voordat hij zijn aanstelling kreeg, en hij voerde in zijn werk een combinatie van geestelijke onderwijzing, juridische rechtspraak in plaatselijke geschillen volgens de Maliki-fiqh, en economische administratie van de gemeenschappelijke voorraden uit. Voor de plaatselijke Bedoeïen-bevolking was de ikhwan in het dagelijks leven een vertrouwde figuur die in een combinatie van geestelijke autoriteit en praktische bestuurlijke bekwaamheid de gemeenschap diende.
De Italiaanse koloniale aspiratie
Tegelijkertijd voltrok zich in het Italiaanse staatsverband van de tweede helft van de negentiende eeuw een geleidelijke ontwikkeling van de Italiaanse koloniale ambities die in 1911 in de Italiaans-Turkse oorlog haar uitkomst zou vinden. Italië, dat in 1861 zijn nationale eenheid had verworven onder leiding van Victor Emmanuel II en Camillo Cavour, aanvaardde in de daaropvolgende decennia geleidelijk de Europese koloniale wedijver, met een eerste experiment in Eritrea en Somalië in de jaren tachtig en negentig en met de katastrofale nederlaag van Adwa tegen Ethiopië in 1896 die de Italiaanse koloniale aspiraties tijdelijk voorzichtiger maakte.
In de eerste jaren van de twintigste eeuw, en in het bijzonder vanaf 1908 toen Italië onder leiding van premier Giovanni Giolitti een meer ambitieuze koloniale agenda begon te ontwikkelen, kregen de Italiaanse aspiraties op Libië geleidelijk hun beslag in een combinatie van economische penetratie, diplomatieke voorbereiding en militaire planning. De Banco di Roma vestigde in deze jaren handelskantoren in Tripoli en Benghazi, Italiaanse zendelingen openden scholen in de havensteden, en het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken voerde uitvoerige onderhandelingen met de Europese mogendheden over een toekomstige Italiaanse koloniale aanwezigheid in Libië.
De propaganda van de Vierde Kust
In de Italiaanse nationale propaganda werd Libië in deze jaren als de toekomstige Vierde Kust van Italië gepresenteerd, naar een woordgebruik dat de drie historische kusten van het Italiaanse schiereiland uitbreidde met een vierde kust aan de overzijde van de Middellandse Zee. De propaganda steunde op een combinatie van historische argumenten over de Romeinse aanwezigheid in Libië in de oudheid, op nationale aspiraties naar een Italiaanse mediterrane suprematie in navolging van de Romeinse traditie, en op economische argumenten over de toekomstige Italiaanse landbouwkolonisatie in de Libische bergen en kustzones. Het was een combinatie van nationaal-romantische en economisch-pragmatische argumenten die de Italiaanse openbare opinie geleidelijk voor een aanstaande koloniale onderneming voorbereidde.
Voor de Bedoeïen-Senussi-bevolking van Libië was deze Italiaanse propaganda in 1858 nog in een verre fase, en van een directe Italiaanse koloniale dreiging was in dat jaar nog geen sprake. Maar het algemene patroon van de Europese koloniale uitbreiding in Noord-Afrika was in deze jaren reeds zichtbaar, met de Franse aanwezigheid in Algerije sinds 1830, met de geleidelijke Franse penetratie in Tunesië die in 1881 in een protectoraat zou worden vastgelegd, en met de Britse aanwezigheid in Egypte die in 1882 in een onuitgesproken bezetting zou worden geformaliseerd. De aanstaande Italiaanse koloniale onderneming in Libië voltrok zich binnen een algemene Europese koloniale uitbreiding in Noord-Afrika waarin geen enkele moslim-gemeenschap in haar oorspronkelijke autonomie kon blijven bestaan.
De Italiaanse openbare opinie
In de Italiaanse openbare opinie van de jaren tussen 1900 en 1911 voltrok zich een geleidelijke geestelijke voorbereiding op de aanstaande koloniale onderneming in Libië die in de pers, in de literatuur en in de openbare bijeenkomsten van de tijd werd uitgewerkt. Italiaanse schrijvers als Giovanni Pascoli, in zijn beroemde toespraak La grande proletaria si è mossa uit 1911 die op de avond van de Italiaanse oorlogsverklaring tegen het Ottomaanse Rijk werd uitgesproken, formuleerden de aanstaande koloniale onderneming in een combinatie van nationaal-religieuze en sociaal-economische argumenten. Italië was, in zijn lezing, de grote proletarische natie die in haar koloniale uitbreiding niet de gewone roof van de oudere Europese koloniale machten zou ondernemen, maar een werkelijke beschaving-brengende onderneming waarin de Italiaanse arme boeren in de Libische bergen hun toekomstige bestaan konden vinden.
De propaganda van de Vierde Kust werd gedragen door geletterde en politieke vertegenwoordigers van de Italiaanse staat en samenleving. Het was geen marginaal verschijnsel maar een centraal element van het Italiaanse nationaal-politieke leven in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw, en zij vormde de bedding waarop de aanstaande Italiaans-Turkse oorlog en de daaropvolgende uitbreiding van de Italiaanse koloniale dominantie in Libië onder algemene Italiaanse instemming konden plaatsvinden. Voor Umar al-Mukhtar’s ﵀ aanstaande verzet betekende dit dat hij in zijn jarenlange strijd niet enkel tegen een militaire macht maar tegen een Italiaanse openbare opinie zou opereren die haar koloniale onderneming als een rechtvaardige zaak beschouwde.
De geboorte in een veranderde wereld
In het jaar 1858, toen Umar al-Mukhtar ﵀ in het Cyrenaïcaanse dorp Janzur ter wereld kwam, werkten dus drie krachten op zijn aanstaande wereld in. De Ottomaanse opperheerschappij, die de Libische soevereiniteit formeel nog handhaafde maar die in werkelijkheid in een geleidelijke verzwakking verkeerde. De Senussi-broederschap, die in haar netwerk van zawiya’s en in haar geleidelijke organisatorische uitbreiding de bedding aan het opbouwen was waarop zijn eigen latere leven en strijd zouden steunen. En de Europese koloniale uitbreiding, en in het bijzonder de Italiaanse aspiraties op Libië, die zijn levenswerk in zijn tragische verloop zou plaatsen.
Voor de gewone Bedoeïen-familie in Janzur in 1858, en voor de Mukhtar-clan binnen de Manifa-substam van de Hasa-bevolking waaruit het pasgeboren kind voortkwam, waren deze drie krachten nog niet in het dagelijks leven aanwezig. Het leven verliep op de gewone Bedoeïense wijze van veeteelt, van seizoenelijke verplaatsingen tussen de hogere weiden van de Jebel Akhdar in de zomer en de lagere weiden van de Saharazone in de winter, van gemeenschappelijke maaltijden van gerstebrei en kameelmelk, en van de gewone geestelijke verbintenissen met de plaatselijke Senussi-zawiya die in de directe nabijheid van de Mukhtar-clan haar geestelijke leiding verzorgde. Maar de bredere krachten waarin de wereld van het pasgeboren kind in de aanstaande decennia zou worden geplaatst, waren reeds aanwezig, en zij vormden de bedding waarop zijn levensloop zich op een eigen onnavolgbare wijze zou ontvouwen.
De geografische gestalte van Janzur
Janzur, oorspronkelijk een kleine Bedoeïen-nederzetting in de uitgestrekte zandvlakten ten zuidwesten van Tobruk, lag in een gebied waar de Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar geleidelijk overging in de droge Saharavlakten van de zuidoostelijke Libische woestijn. De nederzetting bestond in 1858 uit enkele tientallen Bedoeïen-tenten van de Mukhtar-clan en van een aantal verwante Manifa-substam-gezinnen, gegroepeerd rond een gemeenschappelijke waterput en omringd door de uitgestrekte weidegebieden waarop de plaatselijke kuddes hun seizoenelijke verplaatsingen voerden. Het was een nederzetting van geringe omvang die in het algemene patroon van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving paste.
De aanwezigheid van een Senussi-zawiya in de directe nabijheid van Janzur, in het naburige al-Bayda-gebied dat in deze jaren tot een geleidelijk groeiend Senussi-centrum was uitgegroeid, gaf aan de nederzetting een geestelijke verbondenheid die in het gewone dagelijks leven herkenbaar was. De Mukhtar-familie onderhield een verstandhouding met de plaatselijke ikhwan, en de pasgeboren zoon zou in zijn vroege jeugd via deze verstandhouding in de Senussi-traditie worden ingewijd, een inwijding die in zijn aanstaande levensloop een centrale plaats zou krijgen.
De Hasa-stamverbintenis
De Hasa-stamverbintenis, waartoe de Mukhtar-clan via de Manifa-substam behoorde, was een van de negen grote Saʿadi-stammen van Cyrenaica en voerde haar weidegebied in de oostelijke Jebel Akhdar en in de naburige Saharazone. De Hasa waren een gemiddeld grote Bedoeïen-stam met enkele duizenden gezinnen, met een uitgebreide veestapel van kamelen, schapen en geiten, en met een traditionele interne organisatie onder een raad van stam-shaykhs die gezamenlijk de plaatselijke aangelegenheden bestuurden. De Hasa stonden in het algemeen in een vriendelijke verhouding met de Senussi-broederschap, en de plaatselijke zawiya in haar weidegebied was een geestelijk centrum waaraan vele Hasa-families hun kinderen voor de eerste opleiding zonden.
Voor de Mukhtar-clan, en in het bijzonder voor de familie van het pasgeboren kind, nam de Senussi-verbintenis in 1858 reeds een centrale plaats in het familiale leven in. De vader van het kind, Mukhtar ibn Umar al-Manifi ﵀, was zelf een gerespecteerde stam-shaykh in de Manifa-substam en onderhield een goede verstandhouding met de plaatselijke Senussi-zawiya. Hij had in zijn jongere jaren een korte opleiding in deze zawiya genoten en hij was in zijn dagelijkse leven een vrome moslim in de Senussi-discipline, met regelmatige uitvoering van de vijf gebeden en met deelname aan de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten op vrijdagavond.
De uitwerking van de drie krachten
In de halve eeuw tussen 1858 en 1911 werkten de drie krachten die wij in dit artikel hebben besproken geleidelijk door op een wijze die Cyrenaica fundamenteel zou wijzigen. De Ottomaanse autoriteiten ondernamen in deze decennia herhaalde pogingen om hun directe heerschappij te versterken, met de instelling van een uitgebreidere administratie in Benghazi, met de ontwikkeling van de plaatselijke havenfaciliteiten, en met de uitbreiding van het Ottomaanse onderwijs, door Constantinopel als modernisering opgezet. Maar deze pogingen werden belemmerd door de toenemende interne moeilijkheden van het Ottomaanse Rijk, door de Russisch-Turkse Oorlog van 1877–1878, en door de daaropvolgende geleidelijke geopolitieke verzwakking van de Hoge Porte in haar Mediterrane positie.
De Senussi-broederschap breidde in deze decennia haar zawiya-netwerk verder uit, met de stichting van nieuwe centra in Kufra, in de Tsjaad-oasestadjes en in de uitgestrekte Saharazone tussen Libië en Sudan. Onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, die de broederschap van 1859 tot 1902 leidde, verkreeg de Senussi-organisatie haar grootste uitbreiding en haar diepste organisatorische vorm. Het hoofdkwartier werd in 1895 verder zuidwaarts verplaatst van Jaghbub naar Kufra, een keuze die de broederschap op een nog grotere afstand van de aanstaande Europese koloniale aanwezigheid plaatste, en zij vormde zo de bedding waarop het aanstaande verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ zou kunnen worden geleid.
De Egyptische en Soedanese invloed
Voor de Senussi-broederschap in haar uitbreiding ontstonden in deze decennia ook belangrijke verbintenissen met de geestelijke en politieke ontwikkelingen in Egypte en Soedan, die de bredere aanstaande ontwikkelingen in Cyrenaica beïnvloedden. De Mahdiyya-beweging in Soedan onder Muhammad Ahmad al-Mahdi ﵀ van 1881 tot 1885, en daarna onder zijn opvolger ʿAbd Allah ibn Muhammad ﵀ tot 1898, was een grote anti-koloniale beweging die in Senussi-Cyrenaïcaanse kring met aandacht werd gevolgd. De Senussi-leiders hielden in hun publieke uitlatingen afstand tegenover de Mahdiyya, want zij beschouwden de Mahdi-aanspraken van Muhammad Ahmad ﵀ als juridisch niet houdbaar volgens de gewone soennitische leer, maar in de praktijk ondersteunden zij de algemene zaak van het Soedanese verzet tegen de Britse en Egyptische koloniale uitbreiding.
Voor het aanstaande Cyrenaïcaanse verzet tegen Italië bood de Mahdiyya-ervaring een leerproces waarin zowel de mogelijkheden als de beperkingen van een soefitisch-geleid anti-koloniaal verzet konden worden gezien. De val van het Mahdiyya-regime in 1898 onder de Britse-Egyptische troepen van Kitchener in de Slag bij Omdurman, en de daaropvolgende Britse-Egyptische koloniale heerschappij over Soedan, leverde aan de Senussi-broederschap een waarschuwing over de aanstaande Italiaanse koloniale dreiging, en zij gaf in de jaren tussen 1898 en 1911 een geleidelijke geestelijke voorbereiding op de aanstaande confrontatie die in Mukhtar’s ﵀ aanstaande levenswerk haar tragische beloop zou krijgen.
De Italiaanse uitbreiding tot 1911
De Italiaanse koloniale uitbreiding voltrok zich in deze decennia geleidelijk en zou haar uiteindelijke uitkomst in de Italiaans-Turkse Oorlog van 1911–1912 vinden. In de jaren tussen 1880 en 1900 voerde Italië voornamelijk een diplomatieke en economische voorbereiding uit, met de uitvoerige onderhandelingen met Frankrijk en Groot-Brittannië over een toekomstige Italiaanse koloniale aanwezigheid in Libië en met de geleidelijke economische penetratie via de Banco di Roma en andere Italiaanse handelsondernemingen. Vanaf 1900 voltrok zich een meer assertieve fase, met de Italiaanse openbare opinie-campagne voor de Vierde Kust en met de militaire voorbereiding op de aanstaande oorlog.
Voor de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-Senussi-bevolking betekende deze geleidelijke Italiaanse uitbreiding dat de aanstaande koloniale onderneming in de plaatselijke geestelijke en politieke kringen werd voorvoeld lang voordat de eigenlijke oorlog in 1911 begon. Onder leiding van Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀, de neef van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ die in 1902 de leiding van de broederschap overnam, bereidde de Senussi-broederschap zich in de jaren tussen 1902 en 1911 voor op de aanstaande confrontatie, met de versterking van haar interne organisatie en met de geleidelijke aankoop van wapens uit verschillende internationale leveringen via Egyptische en Turkse tussenhandelaren.
Naar de geboorte zelf
Aan Umar al-Mukhtar’s ﵀ geboorte in 1858, aan zijn vroege jeugd in Janzur, en aan zijn opvoeding in de Senussi-traditie die hem in zijn jongelingsjaren tot een gevormde leerling van de broederschap zou maken, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. In dit artikel hebben wij de bredere historische achtergrond verkend waarin zijn aanstaande levensloop zou worden geplaatst, met de Ottomaanse opperheerschappij in haar geleidelijke verzwakking, met de Senussi-broederschap in haar geleidelijke uitbreiding, en met de Europese koloniale aspiratie die in haar Italiaanse vorm het uiteindelijke kader zou vormen waarin zijn werk zijn tragische uitkomst zou ontvangen.
De Vierde Kust, zoals de Italianen Libië in hun nationale propaganda noemden, zou in de aanstaande halve eeuw na 1858 de bedding worden voor een geestelijke en politieke strijd waarin de naam Umar al-Mukhtar ﵀ uiteindelijk tot een internationaal symbool van moslim-verzet zou uitgroeien. Maar in 1858, op de dag van zijn geboorte in het kleine dorp Janzur in de Cyrenaïcaanse Saharazone, was zijn aanstaande levensloop nog volledig in de toekomst verborgen, en zijn ouders konden niet weten dat het kind in hun armen op een dag in 1931, op de leeftijd van drieënzeventig jaar, in een Italiaans interneringskamp tot een martelaarsdood zou worden gebracht die zijn naam tot in de eenentwintigste eeuw blijvend in de moslimwereld zou laten weerklinken.
Wat de geboorte voor de Oemma betekende
Wanneer in 1858 in een klein Bedoeïen-dorp aan de uitloper van de Cyrenaïcaanse Saharazone een kind werd geboren in een familie van bescheiden stand en in een gemeenschap die in haar dagelijkse leven door de bredere geopolitieke krachten van haar tijd nauwelijks werd geraakt, kon niemand vermoeden dat de naam van dit kind in de loop van de twintigste en eenentwintigste eeuw zou uitgroeien tot een geestelijke kracht die in heel de moslimwereld als een symbool van het rechtvaardig verzet tegen koloniale onderdrukking zou worden herkend. De geboorte zelf was voor de Mukhtar-familie een gebeurtenis van persoonlijke vreugde, gecombineerd met het gewone verloop van een Bedoeïen-geboorte in haar tijd, en zij werd in de directe gemeenschap gevierd volgens de plaatselijke gewoonten van haar tijd.
Voor de bredere geschiedenis van de moslimwereld in de aanstaande halve eeuw was zij echter, achteraf gezien, een gebeurtenis die aan het anti-koloniale verzet in de eerste helft van de twintigste eeuw een blijvende geestelijke gestalte zou geven. Naast Imam Shamil ﵀ in de Kaukasus, naast al-Hajj Umar Tall ﵀ in Senegambia, naast Abd al-Qadir al-Jazaʾiri ﵀ in Algerije, en naast tal van andere geestelijke leiders die in hun eigen regio’s en in hun eigen tijden tegen de Europese koloniale uitbreiding hadden gestreden, zou Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn levenswerk een eigen onderscheiden plaats innemen, waarin Senussi-discipline, Bedoeïens militair vakmanschap en geestelijke standvastigheid op unieke wijze zouden worden verenigd.
Bronnen
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya: State Formation, Colonization, and Resistance, 1830–1932, State University of New York Press (2009), pp. 28–66.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 88–156.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 1–62.
- Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, 1830–1980, Princeton University Press (1986), pp. 56–112.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation: Colonial Legacy, Exile and the Emergence of a New Nation-State, Routledge (2010), pp. 23–62.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 1: Tripoli bel suol d’amore (1860–1922), Mondadori (1986), pp. 18–86.
- Nicola Labanca, Oltremare: Storia dell’espansione coloniale italiana, il Mulino (2002), pp. 56–112.
- Enzo Santarelli, Giorgio Rochat, Romain Rainero, en Luigi Goglia, Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 7–48.
