Thuiskomst in de Tuin der Gelovigen
In het voorgaande artikel zagen wij hoe Shamil ﵀ op de zesentwintigste augustus 1859 in een nobele overgave aan Veldmaarschalk Aleksandr Ivanovich Baryatinsky de imamaat in haar formele gestalte beëindigde, hoe hij vervolgens via Tiflis, Charkov en Moskou naar Sint-Petersburg werd overgebracht waar hij door Tsaar Alexander II in een formele audiëntie werd ontvangen, en hoe hij in de daaropvolgende jaren in een eervolle ballingschap in de Russische provinciestad Kaluga zou worden gevestigd. Aan deze tien jaar van ballingschap, aan zijn lange voorbereiding op de pelgrimsreis die hij sinds zijn jeugd als religieuze plicht had beschouwd en die de omstandigheden hem in zijn imamaat-jaren niet hadden toegestaan te vervullen, en aan zijn definitieve thuiskomst in 1871 bij het graf van de Profeet ﷺ in de Tuin der Gelovigen van Medina, is dit laatste artikel gewijd.
De jaren in Kaluga
Kaluga, een Russische provinciestad ongeveer honderdvijftig kilometer ten zuidwesten van Moskou aan de oever van de rivier de Oka, werd in het najaar van 1859 door de Russische autoriteiten als verblijfplaats voor Shamil ﵀ en zijn familie aangewezen om verscheidene redenen die in hun combinatie de keuze van deze stad logisch maakten. Zij was ver genoeg van Sint-Petersburg en Moskou om buiten de directe waarneming van het Russische diplomatieke en publieke leven te liggen, zij was ver genoeg van de Kaukasus om elke mogelijkheid van een terugkeer naar de bergen praktisch uit te sluiten, en zij was tegelijkertijd een stad met een redelijk ontwikkeld bestuurlijk apparaat en een culturele infrastructuur die aan een eervolle gast een acceptabele levensstandaard kon bieden. Shamil ﵀ werd er ondergebracht in een ruim landhuis dat hem door de Russische staat ter beschikking werd gesteld, met een ruime tuin, met de mogelijkheid een persoonlijke moskee in een van de bijgebouwen in te richten, en met een dienstpersoneel dat in zijn dagelijkse behoeften kon voorzien.
Zijn dagelijks regime in Kaluga, voor zover dit in de rapporten van zijn Russische begeleiders en in de getuigenissen van zijn familieleden bewaard is, vertoonde een opmerkelijke continuïteit met het leven dat hij in Dargo en in zijn eerdere imamaat-jaren had gevoerd. Hij stond op voor de fajr, hij voerde de vijf dagelijkse gebeden in zijn persoonlijke moskee uit, hij beoefende de dzikr van de Naqshbandi-Khalidiyya in stilte en in groepsvorm met zijn aanwezige metgezellen, hij las elke dag enkele uren in de Arabische teksten die in zijn persoonlijke bibliotheek waren ondergebracht, en hij ontving in de namiddag- en avonduren de bezoekers die in de loop van zijn ballingschap in toenemende mate uit alle delen van Rusland en zelfs uit het buitenland naar Kaluga reisden om hem te ontmoeten.
Het huishouden in Kaluga
Het huishouden van Shamil ﵀ in Kaluga bestond in zijn samenstelling uit een uitgebreide kring van familieleden en medewerkers die hem in zijn ballingschap was gevolgd of die in de loop van de jaren door de Russische autoriteiten met hem werden herenigd. Tot de directe familieleden behoorden zijn echtgenotes Zaydat en Shuʿaynat met hun kinderen, zijn zoon Ghazi Muhammad die zich als zijn naaste vertrouweling in alle openbare en huiselijke aangelegenheden inzette, zijn dochters Patimat en Najibat, en in een latere fase ook zijn zoon Muhammad-Sjefiʿ die in 1862 vanuit de Kaukasus naar Kaluga overkwam. Naast de directe familieleden waren in het huishouden enige tientallen medewerkers ondergebracht onder wie zijn vroegere secretaris Hadji ʿAbbas, enkele bestuurders die in zijn imamaat-jaren in zijn directe staf hadden gewerkt, en de plaatselijk dienstpersoneel dat door de Russische staat ter beschikking was gesteld voor de gewone huiselijke taken.
In dit huishouden vertegenwoordigde Shamil ﵀, ondanks de uiterlijke ballingschap, de geestelijke en huiselijke autoriteit die hij in zijn imamaat-jaren had bekleed, en hij hield in de dagelijkse organisatie van het huis een orde aan die in haar strenge toepassing van de Shariʿa en in haar dagindeling sterk leek op de orde die in de imamaat-jaren in zijn persoonlijke kring had geheerst. De vijf gebeden werden in gemeenschappelijkheid uitgevoerd in de moskee die hij in een van de bijgebouwen had ingericht, de Ramadan werd in een strenge vorm gevierd met gezamenlijke iftar en gezamenlijke tarawih-gebeden, en de leerplicht van de jongere kinderen werd door hemzelf en door de aanwezige geleerden in zijn kring met aandacht behartigd.
De bezoekers in Kaluga
De aard van het bezoek dat Shamil ﵀ in Kaluga ontving, was gedurende de tien jaar van zijn ballingschap voortdurend uitgebreid en geleidelijk diverser geworden. In de eerste jaren waren de bezoekers vooral Russische ambtenaren, militairen die in de Kaukasische arm hadden gediend en die in hem hun voormalige tegenstander wensten te ontmoeten, en geleerden die uit historische of taalkundige interesse zijn herinneringen aan de imamaat wensten op te tekenen. Onder deze vroege bezoekers bevond zich Adolf Petrovich Berge, een Russische oriëntalist die in 1865 een uitgebreide interviewreeks met Shamil ﵀ en met zijn naaste medewerkers uitvoerde en die in de daaropvolgende jaren de resultaten daarvan publiceerde in de Akten van de Kaukasische Archeografische Commissie, een werk dat tot vandaag een van de belangrijkste primaire bronnen voor de imamaat-geschiedenis vormt.
In latere jaren breidde de bezoekersstroom zich uit met Ottomaanse diplomatieke vertegenwoordigers, met Britse reizigers die langs Sint-Petersburg en Moskou hun reis door het Russische Rijk maakten, en met geleerden en pelgrims uit de moslimwereld die de gelegenheid wilden gebruiken om een man te zien wiens naam in heel de oemma als een symbool van het verzet tegen ongelovige overheersing was geworden. De Russische autoriteiten lieten in al deze bezoeken een verrassende mate van vrijheid toe, en zij stelden in vele gevallen tolken en begeleiders ter beschikking om de gesprekken mogelijk te maken. Shamil ﵀ van zijn kant ontving elk van zijn bezoekers met dezelfde waardigheid die hij in zijn imamaat-jaren had vertoond, en hij sprak met elk van hen in een omzichtige maar ongeforceerde wijze waarin hij zijn imamaat-jaren met enige distantie kon bezien zonder de geestelijke betekenis ervan te ontkennen.
Het verzoek tot de hadj
In het voorjaar van 1868, op de leeftijd van eenentwintig jaar, diende Shamil ﵀ bij Tsaar Alexander II een formeel verzoek in om de pelgrimsreis naar Mekka te mogen ondernemen. Het verzoek werd onderbouwd met de overweging dat de hadj voor iedere moslim die de fysieke en financiële mogelijkheden bezit een religieuze plicht is, dat hij deze plicht in zijn imamaat-jaren wegens de oorlogsomstandigheden niet had kunnen vervullen, dat zijn leeftijd inmiddels zodanig was dat een verder uitstel het risico met zich bracht dat hij de plicht in zijn aardse leven niet meer zou kunnen volbrengen, en dat hij de Tsaar zijn dankbaarheid wilde uitspreken voor de eervolle behandeling die hij in zijn ballingschap had ontvangen en die hij in de uitvoering van zijn religieuze plicht graag tot een definitieve voltooiing wenste te brengen.
Tsaar Alexander II overwoog het verzoek gedurende enkele maanden, met inwinning van advies bij zijn ministerraad en bij de gouverneur-generaal van de Kaukasus, en hij willigde het in november 1868 in onder een aantal voorwaarden. Shamil ﵀ zou de reis ondernemen in het gezelschap van een Russische escorte tot aan Istanbul, hij zou na de hadj verplicht zijn naar Rusland terug te keren, en hij zou tijdens zijn afwezigheid een aantal van zijn familieleden in Kaluga moeten achterlaten als waarborg voor zijn terugkeer. Shamil ﵀ aanvaardde deze voorwaarden, en hij begon in het voorjaar van 1869 zijn reis met de plechtige zegeningen van de Russische autoriteiten en met de afscheid van een groot deel van zijn familie en zijn medewerkers in Kaluga.
De voorbereiding van de reis
In de maanden tussen de toestemming van Tsaar Alexander II in november 1868 en het werkelijke vertrek uit Kaluga in het voorjaar van 1869, voltrok Shamil ﵀ een uitvoerige geestelijke en praktische voorbereiding op de reis die hem voor het eerst sinds zijn opname in de Naqshbandi-Khalidiyya in 1814 of 1815 de mogelijkheid zou geven de plaatsen te bezoeken waarvan hij in zijn imamaat-jaren slechts in de geestelijke verbeelding kennis had genomen. Geestelijk voerde hij in deze maanden een verlengde reeks van persoonlijke gebeden uit waarin hij zijn imamaat-jaren in een laatste bezinning aan Allah ﷻ overdroeg, en hij las met aandacht de klassieke werken over de manasik al-hadj van Imam an-Nawawi ﵀ en Imam Ibn Hajar al-Haytami ﵀ om zich tot in de fijne details met de juiste uitvoering van de hadj-rite vertrouwd te maken. Praktisch organiseerde hij zijn reisgezelschap, regelde de financiering van de reis door verkoop van een aantal van zijn persoonlijke bezittingen aanvullend bij de subsidie die hem door de Russische staat ter beschikking was gesteld, en gaf in een vermaning aan de familieleden die in Kaluga zouden achterblijven, een laatste reeks geestelijke instructies waarvan hij in zijn oudere wijsheid begreep dat zij hen na zijn eventueel niet meer terugkeren tot steun zouden kunnen zijn.
Van Kaluga naar Istanbul
De reis voerde via Kiev, Odessa en de Zwarte Zee naar Istanbul, waar hij in de zomer van 1869 aankwam en waar hij door Sultan Abdulaziz met een eer werd ontvangen die in haar uitvoering de status van een staatshoofd evenaarde. Sultan Abdulaziz, die als zoon van Sultan Mahmud II de directe opvolger was van de heersers met wie Shamil ﵀ in zijn imamaat-jaren correspondentie had onderhouden, ontving hem in een formele audiëntie in het Dolmabahçe-paleis, en hij gaf opdracht voor een ruimere ontvangst in de stad waarin Shamil ﵀ met de geestelijkheid van de Hagia Sophia werd verbonden, in welke moskee hij volgens de overlevering een gebed van dankzegging uitvoerde voor zijn lange leven en voor de mogelijkheid die hem in zijn oudere jaren werd geschonken zijn religieuze plicht te volbrengen.
In Istanbul vertoefde hij ongeveer drie weken in afwachting van het juiste vaarseizoen voor de overtocht naar Alexandrië, en hij gebruikte deze tijd voor uitvoerige gesprekken met Ottomaanse geleerden, voor een persoonlijke ontmoeting met de Sheikh ul-Islam, en voor het bezoek aan vele van de grote moskeeën van de hoofdstad. Het was, naar zijn eigen latere uitlatingen aan zijn medereizigers, een tijd waarin de geestelijke gestalte van zijn imamaat-jaren in een dieper geestelijk kader werd geplaatst, en waarin hij in de aanwezigheid van de oudere moslimwereld waarmee zijn eigen Dagestaanse strijd in geestelijke verbondenheid had gestaan, een soort van geestelijke oriëntatie ontving die hij in zijn Russische ballingschap had moeten missen.
Mekka en de hadj
Van Istanbul reisde Shamil ﵀ verder via Alexandrië en Caïro naar Soeës, en vandaar per schip over de Rode Zee naar Jedda waar hij in oktober 1869 voet aan land zette. De reis vanaf Jedda naar Mekka, een afstand van ongeveer zeventig kilometer over een tot dan toe nog niet geheel gemoderniseerde karavaanroute, voerde hij uit in het gezelschap van een delegatie Ottomaanse begeleiders die door de Sjarif van Mekka, Husayn ibn Muhammad, naar Jedda waren gezonden om hem in eer naar de heilige stad te begeleiden. De ontvangst in Mekka was uitzonderlijk, want zijn naam was in de hele moslimwereld bekend en zijn aankomst in de heilige stad werd in vele moslimkringen als een geestelijke gebeurtenis van eerste orde beschouwd.
Hij voerde de tawaf rond de Ka’bah uit in de gebruikelijke vorm, hij verrichtte de saʿy tussen Safa en Marwa, hij stond in Arafa op de negende dag van Dhul Hijja in de stilte van de duizenden pelgrims die op die dag uit alle delen van de moslimwereld waren samengekomen, en hij volbracht de overige riten van de hadj in een geestelijke gestalte die door zijn medereizigers later met eerbiedige bewondering werd beschreven. In de overlevering van zijn zoon Ghazi Muhammad, die hem op deze reis vergezelde, wordt vermeld dat hij gedurende de Arafa-dag in een lange stille gebed bleef staan en dat hij in dat gebed het volledige verloop van zijn imamaat-jaren met al hun beproevingen en al hun overwinningen aan Allah ﷻ overdroeg in een houding van volkomen aanvaarding.
De geestelijke ervaring van Arafa
Voor Shamil ﵀ persoonlijk was de dag van Arafa, die in de hadj van 1869 op een bijzondere wijze samenviel met een vrijdag, een geestelijke gebeurtenis die in zijn latere uitlatingen herhaaldelijk werd herinnerd als het hoogtepunt van zijn levensweg. Hij stond, naar de overlevering van zijn zoon Ghazi Muhammad en van zijn medereizigers, vanaf de duhr tot na de asr in een onafgebroken gebed op de vlakte van Arafa, met zijn handen geheven en met zijn blik op de berg gericht, terwijl hij in zijn stille smeekbeden de hele inhoud van zijn imamaat-jaren aan Allah ﷻ voorlegde en in een laatste overgave de uitkomst ervan in Zijn hand stelde. Hij ervoer, naar zijn eigen latere uitlatingen, in deze uren een innerlijke vrede die hij in zijn imamaat-jaren wel had gekend maar die in Arafa een diepte aannam die hij vroeger niet voor mogelijk had gehouden, en hij beschouwde de Arafa-dag van 1869 als de geestelijke voltooiing van een weg die in Gimry was begonnen, in Yarag haar formele gestalte had verkregen, in Dargo haar hoogste uiterlijke uitkomst had bereikt, en in Gunib haar uiterlijke uitwerking had ontvangen.
In een gesprek dat hij in de avond van die dag met zijn zoon Ghazi Muhammad voerde in hun gehuurde tent op de vlakte van Arafa, sprak hij over de zekerheid waarin hij stond namelijk dat alles wat hij in zijn leven had verricht, was opgenomen in een grotere geestelijke werkelijkheid waarin de uiterlijke uitkomsten slechts ten dele de betekenis ervan bepaalden, en dat de hadj in haar eigen voltooiing in Arafa hem de aanvaarding van deze zekerheid op een wijze had geschonken die geen geleerde traktaat of geen persoonlijke bezinning hem had kunnen verschaffen. De Arafa-dag was, in zijn lezing, niet enkel een hoogtepunt van de hadj-rite maar de definitieve bevestiging van de zaak waarvoor hij in zijn leven had toegewijd, en zij gaf hem in zijn laatste maanden de geestelijke kalmte waarmee hij zijn naderende dood in volkomen rust kon afwachten.
De ontmoeting met de Sjarif
Na de voltooiing van de hadj werd Shamil ﵀ door de Sjarif van Mekka in audiëntie ontvangen in zijn paleis aan de rand van de heilige stad. De audiëntie was geen formele staatsaangelegenheid, want de Sjarif had geen diplomatieke status die hem in een formeel staatkundig gesprek met een voormalig imam zou hebben gerechtvaardigd, maar zij was een geestelijke ontmoeting tussen twee mannen die elk in hun eigen omgeving het gezag van het islamitisch geloof vertegenwoordigden. De Sjarif sprak met hem over de Dagestaanse jaren, over de geestelijke betekenis van de imamaat-strijd voor de hele moslimwereld, en over de plaats die Shamils ﵀ naam in de overlevering van het verzet zou behouden. Shamil ﵀ antwoordde in zijn gebruikelijke ingehouden waardigheid, en hij sprak in het gesprek over de zaak van de imamaat niet als zijn persoonlijke verwezenlijking maar als een werk dat door Allah ﷻ aan hem was toevertrouwd en dat in zijn uiterlijke gestalte was voltooid op het moment dat Allah ﷻ haar voltooiing in Zijn wijsheid had bepaald.
Medina en het laatste hoofdstuk
Na de hadj vroeg Shamil ﵀ aan de Ottomaanse autoriteiten en, via hen, aan de Russische ambassade in Istanbul, toestemming om voor enige tijd in Medina te mogen verblijven om bij het graf van de Profeet ﷺ zijn geestelijke voorbereiding op zijn terugkeer naar Kaluga voort te zetten. De toestemming werd hem verleend, en hij vestigde zich in het laatste kwartaal van 1869 in een eenvoudig huis nabij de Profeet’s Moskee waar hij in de daaropvolgende maanden in een stille gewijde aandacht zijn dagelijkse oefeningen voortzette en waar hij in de directe nabijheid van het graf van de Profeet ﷺ de geestelijke voltooiing van zijn levensweg verkreeg die hij in Kaluga niet had kunnen vinden.
In Medina ondergingen zijn fysieke krachten echter een geleidelijke afname. De jaren van zijn imamaat-strijd, de wonden van Gimry en Akhulgo die in zijn lichaam waren blijven schemeren, en de geestelijke intensiteit van zijn hadj-ervaring hadden tezamen een uitputting bewerkt waarvan hij in de eerste maanden in Medina nog meende dat zij in rust zou herstellen, maar die in de loop van het jaar 1870 in een meer ernstige neergang overging. Hij zond, naar wat de overlevering vermeldt, een laatste verzoek aan de Russische autoriteiten waarin hij vroeg in Medina te mogen sterven en daar te mogen worden begraven in plaats van naar Kaluga te moeten terugkeren in een lichamelijke conditie die hem de terugreis fysiek onmogelijk zou maken. Tsaar Alexander II willigde dit verzoek in, en hij stond Shamil ﵀ toe in Medina te blijven tot het einde van zijn leven.
Het dagelijks leven bij de Profeet’s Moskee
In de maanden van zijn verblijf in Medina, voordat zijn fysieke krachten in 1870 zichtbaar begonnen af te nemen, ontwikkelde Shamil ﵀ een dagelijks ritme dat in zijn structuur de gewone dagindeling van een gevorderde Naqshbandi-leerling in de directe omgeving van de Profeet’s Moskee weerspiegelde. Hij stond op voor de fajr en voerde het gebed in de moskee uit in de eerste rij van de jamaʿa, hij verbleef vervolgens in de moskee tot na het ochtendgebed voor zijn persoonlijke dzikr, hij keerde naar zijn huis terug voor enkele uren rust en lectuur, en hij besteedde de namiddag en de vroege avond aan het ontvangen van bezoekers die in toenemende mate uit alle delen van de moslimwereld naar zijn verblijfplaats kwamen om hem te ontmoeten. Onder zijn bezoekers in Medina bevonden zich pelgrims uit Java die in de hadj-tijd via Singapore en Jeddah waren gekomen, geleerden uit het Egyptische al-Azhar die hem in zijn laatste jaren met respectvolle interviews wensten te bezoeken, Indische moslims die in de Britse-Indische dienst werkten en die in hun verlofperiode tot Medina reisden, en in een aantal gevallen ook Dagestani’s en Tsjetsjenen die de jarenlange reis vanuit hun bergen naar Medina hadden volbracht om hun voormalige imam in zijn laatste rustplaats te zien.
In deze ontmoetingen sprak hij met elk van zijn bezoekers in een wijze die de specifieke achtergrond van de bezoeker erkende en die de algemene boodschap van zijn levensweg in een vorm bracht die voor de bezoeker bevattelijk was. Tegen de Javaanse pelgrims sprak hij over de algemene gestalte van de moslim-strijd tegen niet-moslimse koloniale overheersing, een onderwerp waarvan zij in hun eigen koloniale situatie de directe relevantie konden ervaren. Tegen de geleerden van al-Azhar sprak hij over de specifieke juridische en geestelijke vragen van een imamaat-staat onder de Shariʿa, een onderwerp waarover de Egyptische geleerden in hun eigen academische tradities aanzienlijke belangstelling toonden. Tegen de Dagestani en Tsjetsjeense bezoekers sprak hij in vertrouwelijker bewoordingen over de gestalte waarin hun gemeenschappen onder de Russische overheersing hun geestelijke identiteit konden behouden zonder in een onmiddellijke militaire confrontatie te raken die alleen tot verdere ellende zou leiden.
De definitieve voltooiing
In de eerste maanden van 1871, op de leeftijd van vierenzeventig jaar, voelde Shamil ﵀ de naderende dood, en hij gaf in een gemeenschappelijke vergadering met zijn aanwezige familieleden en met enkele geleerden van Medina zijn laatste geestelijke instructies. Hij sprak over de wijsheid van Allah ﷻ in alle wending van zijn leven, over de plicht van zijn familieleden de imamaat-gedachte in een geestelijke gestalte voor de toekomstige generaties te bewaren zonder haar in een onmiddellijke militaire vorm te willen voortzetten, over de dankbaarheid die hij voelde voor de mogelijkheid hem geschonken in de directe nabijheid van het graf van de Profeet ﷺ zijn aardse leven af te sluiten, en over de zekerheid waarin hij stond namelijk dat de zaak van het ware geloof in Dagestan en Tsjetsjenië, ondanks haar uiterlijke nederlaag, in haar geestelijke kern niet was uitgewist en in de generaties die zouden komen op haar eigen wijze in haar gestalte zou worden hervat.
Hij stierf op de vierde van Dhul Qaʿda 1287 in de Hijra-jaartelling, ofwel op de vijfentwintigste januari 1871 in de Gregoriaanse jaartelling, in het huis dat hij in Medina bewoonde, met de woorden van de Shahada op zijn lippen en met zijn familieleden en zijn naaste medewerkers in een laatste gebed om hem heen geschaard. Hij werd, naar zijn eigen uitdrukkelijke wens en met de instemming van de plaatselijke autoriteiten, in Jannat al-Baqi begraven, het kerkhof aan de rand van Medina waarin sinds de tijd van de Profeet ﷺ de gelovigen van de heilige stad werden bijgezet en waarin in de voorafgaande dertien eeuwen vele duizenden Metgezellen ﵃, geleerden, soefi’s en gewone moslims hun laatste rustplaats hadden gevonden.
Jannat al-Baqi en de erfenis
De Tuin der Gelovigen, in het Arabisch Jannat al-Baqi, is een vlakte van enkele hectaren aan de oostelijke rand van Medina die sinds de tijd van de Profeet ﷺ als kerkhof in gebruik is en waarin onder de begravenen tal van Metgezellen ﵃, vrouwen en kinderen van de Profeet ﷺ, en latere geleerden en heiligen zijn bijgezet. De begrafenis van een man uit Dagestan in deze grond was geen geringe eer, en zij plaatste Shamil ﵀ in een geestelijke gemeenschap die voor hem in zijn imamaat-jaren slechts in de geestelijke voorstelling toegankelijk was geweest. Zijn graf werd, naar de gewoonte van de Tuin der Gelovigen in de laat-Ottomaanse tijd, eenvoudig gemarkeerd met een stenen platte zerk waarop zijn naam en de datum van zijn overlijden in het Arabisch werden vermeld, zonder de praal die in andere moslimsamenlevingen aan een figuur van zijn statuur zou zijn toegevoegd.
In 1925 of 1926, in de loop van de omwenteling waarin het koninkrijk Saoedi-Arabië in zijn definitieve vorm tot stand kwam en waarin de Hejaz na verschillende decennia van Ottomaanse en Hashemitische heerschappij onder Saoedische controle werd gebracht, werden de zerken in Jannat al-Baqi door de nieuwe autoriteiten in het kader van een streng-wahabitische opvatting van de salafische rechtsorde grotendeels gesloopt, en het kerkhof werd in een naakte vlakte omgevormd waarin geen individuele graven meer werden gemarkeerd. Het graf van Shamil ﵀, evenals dat van de Metgezellen ﵃ en de andere begravenen, verloor in deze omwenteling zijn uiterlijke aanduiding. Zijn precieze ligging in de huidige vlakte van Jannat al-Baqi is voor de bezoeker niet meer te bepalen, maar zijn aanwezigheid in de grond van Medina blijft door de geestelijke overlevering bevestigd en wordt door pelgrims uit Dagestan en uit de hele oemma in stilte herdacht bij hun bezoek aan de heilige stad.
Wat door de uiterlijke uitwissing niet wordt uitgewist
Het is een eigenschap van de geestelijke geschiedenis die in de loop van dit hele relaas op vele plaatsen is opgekomen, dat haar werkelijke betekenis niet door de uiterlijke uitkomsten kan worden bepaald die in een gegeven moment voor de tijdgenoot zichtbaar waren. Het zwaard van de ziel werd in Yarag geslepen in een halqa van enkele tientallen aanwezigen, het werd in Gimry omgezet in haar uiterlijke gestalte onder een eerste imam wiens marteldood drie jaar later in dezelfde wachttoren plaatsvond, het werd door zijn opvolger Shamil ﵀ in drie en twintig jaar van imamaat tot een staatkundige gestalte gebracht die de Russische macht een diepe militaire nederlaag bracht, en het werd ten slotte in zijn uiterlijke gestalte ontmanteld in een nobele overgave bij Gunib en in een eervolle ballingschap in Kaluga. Wat in de uiterlijke gestalte werd ontmanteld, werd in de geestelijke gestalte niet uitgewist. Wat in de uiterlijke nederlaag scheen te eindigen, vond in de Tuin der Gelovigen in Medina haar definitieve thuiskomst in een geestelijke gemeenschap die door geen aardse macht in haar voortbestaan kan worden gestoord.
Voor de bewoners van Tsjetsjenië, Dagestan en Inoesjetië die in de twintigste en de eenentwintigste eeuw hun lot in nieuwe vormen van verzet zouden moeten dragen, bleef de naam Shamil ﵀ een referentiepunt waaraan zij hun eigen standvastigheid konden meten en waaraan zij hun eigen geestelijke gestalte konden afstemmen. In de Tsjetsjeense oorlogen van 1994 tot 1996 en van 1999 tot 2009 werd zijn naam door de Tsjetsjeense bevolking herhaaldelijk uitgesproken in een wijze die de continuïteit met zijn negentiende-eeuwse strijd in een hedendaagse gestalte bevestigde, en in de Dagestaanse moslimgemeenschap blijft zijn graf in Medina tot vandaag een bedevaartsdoel voor pelgrims die in zijn gestalte de geestelijke voortzetting van het verzet onder een vreemde overheersing zien. De adelaar die in 1832 uit de as van Gimry was opgestaan, vond in 1871 in de Tuin der Gelovigen zijn laatste rustplaats, maar de gestalte van zijn vlucht blijft in de bergen van Dagestan en Tsjetsjenië in het geheugen van een volk dat hem als zijn imam bleef erkennen.
Zo eindigt het verhaal van Imam Shamil ﵀, niet in een grafsteen op een Medinees kerkhof noch in een afgesloten dossier in een Russisch archief, maar in een geestelijke voortzetting die zich aan elke uiterlijke beëindiging ontworstelt en die door de generaties heen in nieuwe gestalten haar werk voortzet. In deze cyclus van negen artikelen hebben wij de man gevolgd vanaf zijn geboorte in 1797 in het Avar dorp Gimry tot zijn begrafenis in 1871 in de Tuin der Gelovigen van Medina, en wij hebben gezien hoe de innerlijke vorming die in zijn jeugd was begonnen in de jaren van zijn imamaat een uiterlijke gestalte verkreeg die in haar geestelijke fundering door geen militaire of politieke beproeving in haar wezen kon worden aangetast. Moge Allah ﷻ hem en zijn medestrijders genadig zijn, en moge de zaak waarvoor zij in hun tijd hun leven hebben toegewijd, in de generaties die na ons komen in haar geestelijke gestalte voortgaan.
Bronnen
- Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan, Frank Cass (1994), pp. 294–322.
- Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus, Hurst (2000), pp. 340–356.
- John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus, Longmans (1908), pp. 488–502.
- Adolf Petrovich Berge, Akty sobrannye Kavkazskoyu Arkheograficheskoyu Komissiyeyu, t. XII (Tiflis, 1904), pp. 1454–1488.
- ʿAbd al-Rahman al-Ghazi-Ghumuqi ﵀, Khulasat al-tafsil ʿan ahwal al-Imam Shamil, Arabisch handschrift uit 1869; uitgegeven door Said Shihaliev, Machatsjkala (1992), pp. 124–186.
- Charles King, The Ghost of Freedom: A History of the Caucasus, Oxford University Press (2008), pp. 112–134.
- Lesley Blanch, The Sabres of Paradise, John Murray (1960; nieuwe editie Sphere Books 2004), pp. 478–542.
- Werner Ende, Religion, Politik und Literatur in Saudi-Arabien: Der geistesgeschichtliche Hintergrund der heutigen religiösen und kulturpolitischen Situation, in Orient 22:3 (1981), pp. 358–414 [voor de afbraak van Jannat al-Baqi in 1925–1926].
